Vraag om uitleg van de heer Jan Verfaillie
tot de heer Geert Bourgeois, viceministerpresident van de
Vlaamse Regering, Vlaams minister van Bestuurszaken, Binnenlands
Bestuur, Inburgering, Toerisme en Vlaamse Rand, over zijn
pleidooi voor de oprichting van federaties van gemeenten
De voorzitter: De heer Verfaillie heeft
het woord.
De heer Jan Verfaillie: Mevrouw de
voorzitter, mijnheer de minister, collega’s, ik heb een tip.
Gemeenten die hun topambtenaren niet evalueren, zou men
wettelijk kunnen verplichten om in een federatie van gemeenten
te stappen. (Opmerkingen) Mijnheer de minister, op 6
oktober laatstleden viel ik bijna van mijn stoel.
(Opmerkingen van Geert Bourgeois) Als u iets zegt, ben ik
nogal snel onder de indruk.
Op 7 oktober stond in De Standaard dat u op een
studiedag van 6 oktober naar de mogelijkheid verwees tot het
oprichten van federaties van gemeenten. Blijkbaar ziet u in een
dergelijke constructie een middel om de zogenaamde bestuurlijke
‘verrommeling’ in te dijken en de democratische controle op de
talrijk bestaande tussenstructuren te vergroten. Uw opmerkingen
houden ongetwijfeld verband met de in het regeerakkoord
aangekondigde werkzaamheden rond de interne staatshervorming.
Van het opnieuw tot leven wekken van de federaties van gemeenten
is in het regeerakkoord evenwel geen sprake. Mijnheer de
minister, u weet net zo goed als ik dat we in het regeerakkoord
per beleidsdomein streven naar maximum twee niveaus. We willen
overgaan tot administratieve vereenvoudiging. Op die bewuste
studiedag hebt u een pleidooi gehouden om een extra niveau te
creëren.
De idee van federaties van gemeenten is al heel
lang geleden geopperd. Ik heb het moeten vragen aan mijn
medewerker. Ik ben geboren in 1972, en mijn geschiedkundig
denkvermogen is vrij beperkt. Het is bij de grondwetsherziening
van 1970 dat voorzien werd in deze bestuursvorm. Artikel 165 van
de Gecoördineerde Grondwet stelt nog altijd: “De wet richt
agglomeraties en federaties van gemeenten op”. In het begin van
de jaren zeventig werden rond Brussel vijf federaties van
gemeenten opgericht. Inmiddels zijn die al lang opgeheven.
Momenteel zijn er geen federaties van gemeenten meer.
Mijnheer de minister, binnen welk kader dient uw
pleidooi voor de federaties van gemeenten gesitueerd te worden?
Hebt u met dit pleidooi de mening van de hele Vlaamse Regering
verwoord? Ik heb daarover niets teruggevonden in het
regeerakkoord. Welke opdrachten ziet u voor dergelijke
federaties van gemeenten weggelegd? Welke taken en activiteiten
van welke tussenstructuren ziet u eventueel opgenomen worden
door federaties van gemeenten? Hoe ziet u de mogelijke concrete
organisatie en werking van dergelijke federaties? Ik heb nog
geen volledige inzage gehad van uw beleidsnota. Staat daar een
aanzet in?
De voorzitter: De heer Van den Heuvel
heeft het woord.
De heer Koen Van den Heuvel: Mijnheer de
minister, het gaat toch wel om een ernstige poging. Het
ballonnetje dat u hebt opgelaten, maakt dat we ernstig moeten
nadenken. We kennen u immers niet als een frivool iemand. We
zijn er toch een beetje verbaasd over. Zoals de heer Verfaillie
al heeft aangehaald, kunnen we daar toch wel enige vragen bij
stellen. In het regeerakkoord staat duidelijk dat we moeten
overgaan tot een interne staatshervorming, tot
efficiëntiewinsten. Tussen de regels kunnen we wel duidelijk
lezen dat we veeleer richting afslanking van de niveaus moeten
gaan en er geen bijkomende moeten creëren. Er staat duidelijk in
dat men voor elk dossier moet streven naar twee niveaus die dat
moeten behandelen.
Mijnheer de minister, hoe ziet u dat? Hoe passen
federaties van gemeenten in het terugdringen van het aantal
bestuursniveaus? Zult u dan de provincies afschaffen? Zijn de
federaties van gemeenten van dien aard dat ze een alternatief
zijn voor de provincies? Ofwel zet u de federaties van gemeenten
op het niveau van de huidige politiezones, en zijn die een
alternatief voor de fusies van gemeenten, ofwel gaat u in tegen
het regeerakkoord en creëert u een bijkomend niveau. Is dat dan
een volwaardig politiek niveau, waar dan ook ambtenaren gaan
rondlopen? Op het Vlaamse niveau hebben we dat al gezien. We
krijgen dan een zekere administratie die er alles aan doet om
zichzelf belangrijk te maken in het formuleren van extra
bevoegdheden.
Mijnheer de minister, we kennen u als een
ernstig man. Als u dat ballonnetje oplaat, dan hebt u daar al
over nagedacht en kunt u ons daar zeker meer over vertellen.
De voorzitter: De heer Van Hauthem heeft
het woord.
De heer Joris Van Hauthem: Mijnheer de
minister, in welk kader moeten we uw uitspraken zien? Het
regeerakkoord wil de verrommeling tegengaan en een soort interne
staatshervorming op poten zetten. Misschien past het daarin. We
weten allemaal waarom dat nog in de Grondwet staat. Het ging
vooral over de rand rond Brussel. Daar opperde men de
mogelijkheid om gemeenten te laten samenwerken, vooral op het
vlak van ruimtelijke ordening. Dat was vooral de bedoeling
binnen het nog unitaire kader van de jaren zeventig. Nu kunnen
we zeggen dat die bepaling achterhaald is omdat we een Vlaams
Parlement hebben dat bevoegd is voor ruimtelijke ordening. Dat
parlement zou zelfs kunnen doen waar men begin jaren zeventig,
vooral en terecht vanuit Volksuniehoek, naar streefde: een
mogelijkheid creëren om een instrument op poten te zetten om de
verbrusseling tegen te gaan. Dat is de geschiedenis van die
bepaling die nog altijd in de Grondwet staat.
Mijnheer de minister, hoe ziet u dit? Ik denk
dat we hierop zullen terugkomen bij de bespreking van de
beleidsnota. Ik geloof niet dat u dit ziet als een bijkomend
bevoegdheidsplatform, maar misschien wel als een vervanging van
een aantal overtollige beleidsniveaus waar niemand zijn weg nog
in terugvindt.
De voorzitter: De heer Caron heeft het
woord.
De heer Bart Caron: Mijnheer de minister,
u hebt een aangekondigd debat geopend. Ik was een nota aan het
schrijven voor mijn partij over intermediaire besturen, toen dat
Belgabericht op mijn computer verscheen. Dat heeft me meteen
geïnspireerd. Ik heb er de wet van 1971 op nagelezen. Die
dateert van voor de fusies. Dat is een belangrijke factor in het
debat. In heel kleine gemeenten was de bestuurskracht niet wat
die vandaag is. Niettemin opent u een buitengewoon interessant
debat, zonder dat ik daar mijn appreciatie of depreciatie over
wil uitspreken. Door de federaties uit de kast te halen, is het
des te interessanter. Dit moet een decretale aanpassing krijgen.
Ik ben nieuwsgierig naar de beleidsnota hierover om te zien hoe
u dit verder uitwerkt. Mijnheer de minister, waarom hebt u dit
de voorbije weken in het nieuws gebracht? Welke politieke
draagwijdte heeft die uitspraak? Is dit een voorafname van uw
beleidsnota? Geeft dit de richting aan van hoe u de verrommeling
in het landschap der besturen kunt oplossen? Dit wordt in elk
geval een pittig debat.
De voorzitter: Minister Bourgeois heeft
het woord.
Minister Geert Bourgeois: Nogal wat
collega’s peilen naar mijn motieven. Mijnheer Verfaillie, ik ben
blij dat de ravage die ik bij u heb aangericht in ieder geval op
het eerste gezicht geen psychische letsels heeft veroorzaakt. U
viel van uw stoel. Ik weet niet of er fysieke gevolgen zijn,
maar psychisch lijkt u volledig helder van geest.
De heer Jan Verfaillie: Ik viel van mijn
stoel, maar ik heb niet gezegd dat het daarom was.
Minister Geert Bourgeois: Dan ben ik helemaal
gerustgesteld. Iets moeilijker ligt het met de heer Van den
Heuvel, die de frivole kant van mijn persoonlijkheid niet kent.
Ik kan u geruststellen, mijnheer Van den Heuvel, ik heb die maar
ik zal er hier niet op ingaan. Anderen peilen zelfs naar mijn
inzicht waarom ik uitgerekend op die dag en dat uur dit heb
gezegd. Het was in het kader van een toespraak en ik zal straks
uitleggen waarom ik dit heb gezegd. Het was trouwens in de
vraagvorm. De heer Van Hauthem getuigt van een juist inzicht
daaromtrent.
In haar regeerakkoord heeft de Vlaamse Regering
op aangeven van de provincies en gemeenten gewezen op de
veelheid aan bestuurslagen en instanties die over eenzelfde
beleidsmaterie beslissingsbevoegdheid hebben. Deze historisch
gegroeide inefficiëntie is een belangrijke factor in de
ondoorzichtigheid van de overheid en de administratieve
lastenverhoging voor burgers en bedrijven. Een hergroepering van
bevoegdheden dringt zich op in het kader van het werken aan een
interne Vlaamse staatshervorming.
In het bestuurlijke middenveld heerst er een
grote drukte, met name op het niveau tussen de 308 Vlaamse
gemeenten en de Vlaamse overheid. Behalve de 5 provincies
bevinden er zich daar niet minder dan 529 tussenstructuren. Dat
is een vrij ondoorzichtig kluwen, waar heel weinig mensen zicht
op hebben. Heel veel gemeenten maken deel uit van diverse
tussenstructuren, die niet allemaal dezelfde configuratie
hebben, die niet homogeen zijn. De historisch gegroeide
inefficiëntie van allerlei bestuurslagen en instanties die over
eenzelfde beleidsmaterie beslissingsbevoegdheid hebben, moet
weggewerkt worden. Dat staat in het regeerakkoord. Daarin is ook
bepaald dat de regering met de interne staatshervorming de
bedoeling heeft om het bestuur dichter bij de burger te brengen.
De klemtoon van het beleid ligt bij de
bestuurskrachtige gemeenten aan de ene kant en bij Vlaanderen
aan de andere kant. Voor de provincies komt er een gesloten
lijst van bevoegdheden met een grondgebonden karakter. Concreet
zal, per beleidsector, worden nagekeken hoe de huidige
versnippering van bevoegdheden over verschillende bestuurslagen
kan worden opgeheven en hervormd tot meer homogene pakketten en
sleuteltaken per bestuurslaag.
Het is bijgevolg duidelijk dat sterke gemeenten
centraal staan in de interne staatshervorming. In dat verband
blijkt, ook uit wetenschappelijk onderzoek, dat een aantal
gemeenten te klein zijn om tegemoet te blijven komen aan de
steeds grotere maatschappelijke uitdagingen. Fusies van
gemeenten kunnen daarvoor een oplossing betekenen. Het
regeerakkoord voorziet niet in een grote gedwongen
fusieoperatie. Het bevat wel het opnemen van in de tijd beperkte
financiële stimuli voor gemeenten die daartoe vrijwillig willen
overgaan.
De heer Verfaillie wees erop dat een aantal
gemeenten over te weinig draagkracht beschikken om bepaalde
taken uit te voeren, taken waar kleinere gemeenten evenzeer mee
worden geconfronteerd als grote steden en gemeenten, maar ze
moeten dat dragen met een veel kleiner budget. Maar ook voor
gemeenten met een voldoende schaalgrootte vraagt een aantal
maatschappelijke behoeften om een bovengemeentelijke aanpak.
Intergemeentelijke samenwerking kan dan een oplossing bieden.
Maar daarbij duikt steevast het probleem op van de homogeniteit,
de democratische configuratie daarvan en de controle daarop, die
vaak te wensen overlaat.
In die optiek heb ik dit denkspoor gelanceerd.
Ik heb mijn toespraak bij en zal de betreffende passage
voorlezen. Ik wist niet dat een wakkere journalist die we
allemaal kennen en die alert is voor dat soort zaken, aanwezig
was op de studiedag. Maar ik heb er geen probleem mee dat hij
erover heeft gerapporteerd. Ik heb gezegd: “Voorts willen we in
het kader van die interne staatshervorming de intermediaire
structuren en organen drastisch vereenvoudigen. Ideaal zou zijn
dat elke gemeente nog maar van één homogene intergemeentelijke
structuur deel uitmaakt. Het is de vraag of we daartoe het
instrument van de federatie van gemeenten kunnen gebruiken.”
Ik heb dus een vraag gesteld. Kan dat instrument
daarvoor geschikt zijn? Ik nodig jullie allemaal uit om daar mee
over na te denken. Dit lijkt me een zeer democratisch
instrument. Ik heb dit nooit gebracht als een extra structuur
erbovenop. Het regeerakkoord zegt vereenvoudigen, afslanken die
overheid, die bestuurlijke verrommeling. Die term komt uit de
Vereniging van de Vlaamse Provincies. We zullen er werk van
maken, we pakken dit aan. Uiteraard wil ik niet nog een
bestuurslaag toevoegen. Maar na de grote interne
staatshervorming zullen we nog steeds met vier bestuurslagen
zitten.
Ik heb het natuurlijk niet op de grote
intercommunales gemunt. Dat zijn bedrijven. Ik heb het ook niet
op de federale instanties gemunt, zoals brandweer en politie,
die ook geen homogene zones zullen zijn. Jammer genoeg, nu ik
verneem dat de brandweer uitgesteld is naar de Griekse kalender.
Ik heb het over wat we zelf organiseren. Er zijn
er 529, meer dan er gemeenten zijn. Ideaal zou zijn dat elke
stad en gemeente alleen nog maar tot één homogeen verband zou
behoren, waar het met omliggende gemeenten die zaken doet die de
gemeentegrenzen overschrijden. Maar ik besef dat het ideaal
waarschijnlijk nooit zal worden bereikt. Iedereen onder u beseft
dat er voor veel steden en gemeenten nu eenmaal zaken zijn die
het beste worden aangepakt in een intergemeentelijke
samenwerking met andere gemeenten. Er zijn zaken die
grensoverschrijdend zijn. Het voorbeeld van ruimtelijke ordening
is hier genoemd, maar er zijn ook leefmilieu en mobiliteit. Maar
ik wil hier niet op vooruitlopen, want het debat moet nog
gevoerd worden.
We zullen een interne staatshervorming hebben
met een complexe, multipele verschuiving van zaken. Er zullen
zaken van provincies naar Vlaanderen verschuiven, van provincies
naar steden en gemeenten, misschien van intercommunales naar
provincies enzovoort. Het zal telkens een dubbele beweging zijn
met de drie structuren die er zijn. Ik heb de vraag gesteld of
in het kader van de vereenvoudiging de federatie een nuttig
denkspoor kan zijn.
De federaties zijn aanvankelijk opgericht met
een bijzondere politieke bedoeling. Er zijn weinig mensen in de
zaal die dat hebben meegemaakt. Dat zegt veel over mijn
leeftijd. Het was een CD&V-idee, de gordel van smaragd aanleggen
rond de hoofdstad met de federaties, die toen een welbepaalde
opdracht hadden. Die zijn na de staatshervorming verdwenen, maar
ze staan nog altijd in de Grondwet. Er is een wet op federaties
en agglomeraties, waar wij niet moeten op terugvallen als we dit
doen. We moeten nadenken over de materie. Hoe gaan we het vierde
niveau zo goed mogelijk vorm geven en kunnen we eventueel
gebruik maken van het bestaande instrument?
Ik herhaal nog eens de principes van die interne
staatshervorming: het leggen van de beleidsklemtoon bij de
sterke gemeenten en bij Vlaanderen; het vastleggen van een
sluitende lijst van provinciale bevoegdheden met een
grondgebonden karakter; het vereenvoudigen van de intermediaire
structuren op alle niveaus. Dan gaan we naar maximum twee
bestuursniveaus per beleidssector. Dat is heel belangrijk. Daar
moeten we echt winst boeken. We gaan dat niet doen voor de
schone schijn en zeggen: het is leuk om een interne
staatshervorming te doen. Het moet tot meer efficiëntie leiden,
tot kortere lijnen, tot minder ambtenaren, tot bestuurlijke
efficiëntie. Twee bestuursniveaus per beleidssector, dat is de
ultieme doelstelling. Dat zal een zeer moeilijke oefening
worden.
Geachte leden, ik heb de Vereniging van de
Vlaamse Provincies (VVP) uitgenodigd om daar mee over na te
denken en voorstellen over in te dienen. Ik heb dat ook aan de
Vereniging van Vlaamse Steden en Gemeenten (VVSG) gevraagd. We
gaan dat op een ernstige manier moeten aanpakken. De
instrumenten liggen nog niet vast. Het is niet verboden om na te
denken en zeker niet op een studiedag van het SBOV een idee te
opperen. Het maakt geen deel uit van het regeerakkoord. U zult
me niet horen beweren dat dit een afspraak is in het
regeerakkoord. Iedereen onder u weet dat we na de interne
staatshervorming nog altijd met vier niveaus zitten. Ik hoop dat
dat zo efficiënt mogelijk is en dat gemeenten daar in een zo
homogeen mogelijke structuur betrokken zijn.
Ik heb nog helemaal niet geopperd welke taken of
opdrachten daaraan zouden kunnen worden gegeven. De eerste vraag
zal zijn: wat doen we met die staatshervorming? Wat gaat er
richting Vlaanderen dat nu bij de provincies zit? Wat gaat er
richting gemeenten? Wat gaat er richting provincies? Het is een
hele brede en moeilijke oefening. Ik heb in mijn beleidsnota
gezegd dat we nu moeten handelen. Er zijn ontzettend veel
studies over gebeurd. Er is het kerntakendebat geweest. Er zijn
colloquia aan gewijd. Er zijn boeken over geschreven. Laat ons
nu vooral handelen en die principes uitvoeren met alle
moeilijkheden van dien. Nog eens, ik zal absoluut niet
vooruitlopen op de concrete organisatie daarvan. Als we keuzes
maken, moeten we dat doen in volle transparantie, rekening
houdend met het regeerakkoord, dat ook voor mij de bijbel is.
De voorzitter: De heer Verfaillie heeft
het woord.
De heer Jan Verfaillie: Mijnheer de
minister, ik dank u voor uw uitleg. Mijn bezorgdheid is nog niet
helemaal geweken. U zegt dat we te veel bestuursniveaus hebben.
Ik kan u voorspellen dat als u start met de federaties van
gemeenten, het alleen nog maar veel complexer zal worden dan het
vandaag is. Er staan een aantal heel duidelijke afspraken in het
regeerakkoord, zoals twee niveaus per beleidsdomein. Ik denk dat
iedereen erachter staat dat dat zeer goed is, bijvoorbeeld in
het domein van Monumenten en Landschappen. Het is geen gesloten
lijst van provinciale bevoegdheden maar een sluitende lijst.
Daar is soms verwarring over.
Minister Geert Bourgeois: Ik heb het de
tweede keer correct gezegd, de eerste keer was het fout.
De heer Jan Verfaillie: Er is een groot
verschil tussen een sluitende lijst en een gesloten lijst.
Mijnheer de minister, wat betreft de federaties
van gemeenten, wil ik u erop attent maken dat CD&V bij de opmaak
van het regeerakkoord rond de tafel heeft gezeten. Bij mijn
weten is de term ‘federaties van gemeenten’ daar nooit gevallen.
U mag dan ook niet verrast zijn dat onze fractie verrast was
toen u die op een of andere lezing naar boven haalde. We moeten
opletten dat als we streven naar minder en voorzichtigere
structuren, we op termijn niet zullen landen met nog meer
structuren en nog meer ondoorzichtigheid.
De voorzitter: De heer Durnez heeft het
woord.
De heer Jan Durnez: Zonder op de grond
van de zaak in te gaan, denk ik dat we het de komende jaren wel
uitgebreider zullen hebben over deze meer dan boeiende materie.
Mijn eerste contacten met dat soort oefeningen dateren van 1988,
toen de toenmalige Vlaamse Executieve besliste om een gemengde
studiecommissie op te richten over deze materie. Er is sindsdien
heel wat gebeurd. Ik denk dat misschien na de 21 jaar oude
telling, Vlaanderen volwassen genoeg is geworden om aan
zelfevaluatie te doen en een aantal zaken eens grondig te
bekijken.
Ik wil een illustratie meegeven. Er zijn meer
dan 529 instanties. Ze zijn telkens maar een keer geteld. Een
Regionaal Sociaaleconomisch Overlegcomité (RESOC) is er een van
de 529, maar er zijn vijftien RESOC’s. Het Regionaal Landschap
is nog een van de 529, maar zo zijn er een stuk of tien. In de
feiten zijn het er dus nog veel meer. Een voorbeeldje zou kunnen
zijn het vergunningenstelsel in de sector leefmilieu. De Vlarem
is in 1991 ingevoerd in Vlaanderen. Dat is een
drietrapsprocedure van beslissen. Na vijftien jaar zou je de
evaluatie kunnen maken. Hoe zit het met het aantal beroepen?
Waarover gaan die beroepen? Is het zinvol dat de derde trap in
Vlaanderen nog in stand blijft, of kan er worden geconcludeerd
dat de twee andere bestuursniveaus, de gemeente en de provincie
in dat geval, kunnen volstaan? Die oefening moet sectoraal
gebeuren, stuk per stuk, proces per proces.
Ik pleit ervoor om dat grondig te doen, en niet
te zeer gepassioneerd. We moeten gewoon tellen en zien wat de
effecten op de burgers zijn.
Mijnheer de minister, wat betreft het vraagstuk
van de federaties, is er een aansluiting in het regeerakkoord
waar je met goede wil die oefening zou kunnen maken, en dat is
de cryptische omschrijving over de problematiek van de
stadgewesten. Onder Stedenbeleid staat iets over het zoeken naar
formules. Rasterstad is een van de genoemde. Daar zou je kunnen
aankoppelen, maar daarvoor is er wat creativiteit nodig. Ik wil
alleen maar aangeven dat ook het vraagstuk stadsgewesten en
omgeving hier aan bod moet komen.
De voorzitter: De heer Caron heeft het
woord.
De heer Bart Caron: Mevrouw de
voorzitter, mijnheer de minister, het is een interessante
denkoefening. Ik vind het heel legitiem dat u een dergelijke
vraagstelling maakt op een dergelijke studiedag. Ik vind het
interessant voor het politieke en het maatschappelijke debat. Of
die optie de beste is, zal de tijd uitwijzen. Ik wil een element
aanhalen dat mij charmeert in die piste. Ik zeg niet dat het
model van de federaties perfect is, maar dat model werkt met een
verkozen raad en met een uitvoerend college. Dat is op zich een
heel interessante piste om nog eens over na te denken. Ten
opzichte van alle andere formules die we hebben, wil ik dat
beklemtonen omdat wij dat zo belangrijk vinden. Voor de rest is
het een verouderde wetgeving, laat dat duidelijk zijn. Ik ga me
vandaag niet uitspreken over deze of gene formule. Ik wil het
debat mee voeren in alle openheid.
Ik heb er al veel over gelezen. Ik ben ook een
relatief oude strijder vanuit de steden en gemeenten en de
provincies. Ik vind het uitermate boeiend. In mijn streek zijn
we gisterenavond gestart met een soort experimentele oefening
waarin onder de titel ‘Sterke besturen in een sterke regio’, de
gemeenten uit het Leiedal samen met een aantal experten, ook uit
andere sectoren, willen nadenken hoe we zelf de 63
intergemeentelijke structuren in welke hoedanigheid ook in het
Leiedal op een veel betere manier zouden kunnen organiseren,
wars van alle mogelijke schema’s die er vandaag zijn.
Het is een heel open denkoefening. We hebben
daarvoor heel interessante mensen aangetrokken. Het is de moeite
waard om dat denken vanuit de praktijk, mee te nemen in de
latere besluitvorming van de Vlaamse Regering.
De voorzitter: De heer Van Hauthem heeft
het woord.
De heer Joris Van Hauthem: Mevrouw de
voorzitter, in tegenstelling tot de heer Verfaillie heb ik de
denkoefening van de minister nooit gezien als een pleidooi voor
een bijkomend bestuursniveau. Het is misschien een intellectuele
piste, zeggende: misschien kunnen we het op die manier doen om
het aantal bestuursniveaus en zeker het intermediaire veld van
meer dan 500 instanties, naar beneden te halen. Laten we de
uitspraken van de minister daartoe reduceren, tenzij u zegt,
mijnheer Verfaillie, dat u die ondoorzichtige structuren die nu
bestaan, eventueel wilt behouden omdat dat ook deels is
verworden tot een politieke machtsbasis.
Ik ben een gewoon gemeenteraadslid in een kleine
gemeente, die in alle mogelijke intergemeentelijke
samenwerkingsverbanden zit en waar altijd een lid van de
gemeenteraad wordt afgevaardigd om het jaarverslag en dergelijke
goed te keuren. Dat zal in andere gemeenten ook zo zijn. Als
lokaal gemeenteraadslid moet je bijzonder veel moeite doen om te
zien in welk toneelstuk je eigenlijk speelt. In het licht van de
transparantie is het wel degelijk nuttig en noodzakelijk dat men
een aantal zaken groepeert en het aantal intermediaire
beslissingsniveaus reduceert waardoor de transparantie kan
terugkomen. In elk geval heb ik het pleidooi van de minister
voor de federaties niet ervaren als een bijkomend
bestuursniveau.
De voorzitter: De heer Van den Heuvel
heeft het woord.
De heer Koen Van den Heuvel: Mijnheer de
minister, ik dank u voor het antwoord, dat een beetje voor
verduidelijking zorgt. Als het duidelijk tegen de ‘verrommeling’
is, kan ik meestappen in dat verhaal. Ook in mijn gemeente, als
je alles optelt, kom je aan meer dan tien verschillende
samenwerkingsverbanden. Dat daar eenduidigheid in komt, vind ik
een goede en interessante oefening.
De provinciegouverneur van Antwerpen heeft
trouwens de voorbije weken en maanden in een informeel overleg
met de burgemeesters aangekondigd dat ze voor haar provincie
daar een oefening in wil maken. Dat zal zeker geen slechte
oefening zijn, maar ik heb nog altijd vragen over hoe je dat
gaat uitbouwen. We horen al over het democratisch deficit. Als
de oplossing zal zijn om te werken met een niveau van verkozenen,
dan is men vertrokken voor een vierde niveau. We moeten allemaal
samen bewaken, hoewel goed bedoeld en met goede intenties, dat
het geen aanzet is die uitgroeit tot een niveau waar opnieuw
politici rondlopen en waar ambtenaren voor worden gecreëerd. Men
zal weer een niveau krijgen dat zichzelf gaat voeden. Dat moeten
we toch heel scherp in het oog houden, want anders zitten we
eerder ver dan dicht bij het doel dat we vooropstellen, namelijk
maximum twee niveaus per beleidsdomein.
De voorzitter: De heer Vanden Bussche
heeft het woord.
De heer Marcus Vanden Bussche: Ik vind de
denkoefening van de federatie van de gemeenten in ieder geval
heel interessant. Wat me heeft getroffen in het antwoord van de
minister, was dat men stimuli wil geven om de kleinere gemeenten
ertoe aan te zetten om eventueel naar fusies over te gaan. Zijn
er gemeenten die daarop ingaan? Mij lijkt het nogal
twijfelachtig dat dat met financiële stimuli zal kunnen worden
bewerkstelligd. Ik kan misschien verkeerd zijn, maar bij mijn
weten zijn er in het verleden nooit vrijwillige fusies tot stand
gekomen. Als we willen gaan naar slagkrachtigere gemeenten, dan
zal dat van hogerop moeten worden opgelegd en zullen financiële
stimuli niet voldoende zijn.
De voorzitter: De heer Van Eyken heeft
het woord.
De heer Christian Van Eyken: Mijnheer de
minister, uit uw antwoord blijkt dat u de intergemeentelijke
samenwerkingsverbanden zou willen wijzigen in federaties. U zegt
dat elke gemeente aangesloten is bij verschillende
samenwerkingsverbanden en u wilt proberen om daar orde in te
brengen. Ik denk dat het belangrijk is welke bevoegdheid of
opdracht men zal geven aan die federatie of hoe men het ook zal
noemen. Voor de ene opdracht zullen drie, vier, vijf of zes
gemeenten misschien beter bij elkaar passen dan voor een andere
opdracht waarvoor er misschien andere en natuurlijkere
groeperingen zijn. Ik denk dat het belangrijk is om af te wegen
welke opdracht men aan dat niveau zal geven.
Mijn laatste opmerking steunt op mijn ervaring
met de politiezones. Politiezones zijn al een samenwerkingsvorm
tussen verschillende gemeenten. De samenstelling ervan is
belangrijk: als het verband bestaat uit één grote gemeente en
twee kleintjes, dan heeft de grote alles voor het zeggen. De
kleintjes moeten dan volgen. Bij de reflectie over een beter
bestuur moet dus ook rekening worden gehouden met de
samenstelling en met de aard van de opdrachten die de
samenwerkingsverbanden moeten krijgen.
De voorzitter: Minister Bourgeois heeft
het woord.
Minister Geert Bourgeois: In de laatste
tussenkomst is de uitdaging verwoord: afgezien van de vorm van
de samenwerking heb ik de bedoeling – en u wellicht ook – om in
uitvoering van het regeerakkoord zo eenvoudig mogelijke
structuren te realiseren. Er zijn er 529. En de heer Durnez
vertelt hier dat men eigenlijk verkeerd heeft geteld; in feite
zijn er nog meer. Stel daar de 308 gemeenten tegenover, dan
begrijpt men dat het een echt kluwen is. Mijn ideaal is tussen
het gemeentelijke en het provinciale niveau slechts één,
homogeen samengesteld en transparant niveau in te stellen. Ik
onderschat de moeilijkheidsgraad van deze oefening niet, want
voor een bepaalde taak clustert een gemeente dikwijls beter op
de ene manier, maar voor een andere taak dikwijls beter op een
andere manier. Ik vrees dat we het ideaal niet zullen
realiseren, maar we moeten proberen.
In elk geval is het niet mijn bedoeling een
niveau bij te creëren. Ik heb enkel vragen gesteld bij de
bestaande vormen van het tussenniveau. In het regeerakkoord
staat dat we dat in kaart willen brengen en ‘de verrommeling’
willen tegengaan. We willen zo veel mogelijk vereenvoudigen. Dat
zal een zeer complexe staatshervorming worden. Ik vergelijk het
een beetje met de Belgische staatshervorming waarbij middelen,
mensen en bevoegdheden verschuiven naar een ander niveau. Het
zal een moeilijke zaak zijn. Zoals de heer Durnez het zegt, zal
dat betekenen dat de hele sectorale wetgeving moet worden
doorgelicht. Dat is niet enkel een zaak van binnenlands bestuur,
want het heeft te maken met wat er aan opdrachten in de decreten
inzake ruimtelijke ordening, leefmilieu en dergelijke staat. Het
wordt dus een ontzettend zware oefening.
Mijnheer Caron, ik ben verrast te vernemen dat
er voor het Leiedal alleen al 69 zijn, en dat is toch een klein
gebied. Ik ben blij te vernemen dat de gouverneur van Antwerpen
er ook al mee bezig is. Ik heb de gouverneurs ontmoet en
iedereen heeft me gezegd dat ze er werk willen van maken. Ze
zullen de toestand in kaart brengen en met voorstellen komen.
Zij kennen het terrein zeer goed. Voor mij komt het erop aan de
duidelijke opties in het regeerakkoord uit voeren en te komen
tot een zo efficiënt mogelijke overheid, en dat zo eenvoudig
mogelijk te organiseren. Ten slotte wil ik dat het allemaal zo
democratisch mogelijk wordt georganiseerd. De essentie van
democratie is wel dat er controle wordt uitgeoefend, en op dit
ogenblik loopt het op dat punt wat mank.
Stel u eens voor dat in de toekomst elke
gemeente nog maar tot één intergemeentelijk verband zal behoren
– in deze fase van het debat doet het er niet toe of men dat een
federatie of iets anders noemt. In elk geval ben ik vragende
partij om dat debat met u te voeren. Het wordt een ambitieuze
oefening. Ik stel de vraag, meer niet, maar ben blij dat mijn
vraag leidt tot een boeiende gedachtewisseling. We zetten de
discussie ongetwijfeld voort als de beleidsnota aan bod komt, en
ook later zal dat gebeuren. Ik zal in de beleidsnota een
tijdspad voor de verdere afhandeling van dit dossier
aankondigen. De VVSG, de gouverneurs, academici en ongetwijfeld
ook tal van andere instellingen zullen me hun voorstellen
overmaken. Nadien kunnen we aan de slag gaan.
De voorzitter: De heer Verfaillie heeft
het woord.
De heer Jan Verfaillie: Ik dank u voor
het antwoord. Ongetwijfeld zullen we deze boeiende discussie in
de commissie voortzetten. Mischien zal ik nu u enkele woorden in
de mond leggen. In uw partijprogramma staat er dat u op de
termijn de intercommunales wilt laten verdwijnen. Ik weet dat u
een koele minnaar van een aantal verbanden bent. Misschien is
deze oefening een aanleiding om in die richting te gaan. Dat
staat evenwel niet in het regeerakkoord.
De voorzitter: Het incident is gesloten.