Vraag om uitleg van mevrouw Marleen Van den Eynde tot mevrouw Hilde Crevits, Vlaams minister van Mobiliteit en Openbare Werken, over de obstakels bij de aanleg van fietspaden

Vraag om uitleg van de heer Jan Roegiers tot mevrouw Hilde Crevits, Vlaams minister van Mobiliteit en Openbare Werken, over de uitbouw van het fietsnetwerk en de onderbenutting van de budgetten

De voorzitter: Mevrouw Van den Eynde heeft het woord.

Mevrouw Marleen Van den Eynde: Vorige week werd in plenaire vergadering een debat gevoerd over de onderbenutting van kredieten voor de aanleg van fietspaden2. Het was een pittige discussie, te meer omdat we weten dat de voormalige regering tijdens een fietscongres een zeer ambitieus plan had voor de massale aanleg van fietspaden langs gewestwegen in Vlaanderen. Daarbij zou tot 2012 ongeveer 250 kilometer fietspaden per jaar worden aangelegd.

Uit een aantal cijfers blijkt dat men elk jaar opnieuw het daartoe voorziene budget niet opgebruikt. Daar zijn verschillende oorzaken voor. Een aantal pijnpunten zijn onvoldoende uitgeklaard en om die reden wil ik dit probleem vandaag extra belichten. Momenteel is er een enorme achterstand bij de federale aankoopcomités en onteigeningscomités. Dat is geen nieuw probleem. Het werd ook tijdens de vorige legislatuur aangekaart en verdient dan ook een oplossing. Mevrouw de minister, u zou in het verleden contact hebben gehad met de bevoegde federale minister van Financiën Reynders om te werken aan en te streven naar een oplossing. Die oplossing bleef echter uit. En ook nu blijken de onteigeningsen aankoopcomités geen spoed te zetten achter onteigeningsdossiers. De enige oplossing is de regionalisering. Ik vrees dat we ook daar nog even op zullen moeten wachten.

Minister, u zult de  problematiek opnieuw moeten aankaarten. Misschien moet u die wel eens voorleggen op het Overlegcomité wanneer het niet lukt met minister Reynders alleen. Er blijkt ook nog heel wat te schorten aan de communicatie met de lokale besturen. Zowel de slechte communicatie met de Vlaamse overheid en de gemeentebesturen als module 13 zorgt op het terrein voor problemen. Module 13 van het mobiliteitsconvenant is de module die de subsidiëring van fietspaden langs gewestwegen regelt. Deze module bepaalt dat de gemeentebesturen de vereiste onteigeningen uitvoeren. En daar wringt al het schoentje. Na de moeilijke procedure bij de aankoop- en onteigeningscomités is de onteigening van grond voor de aanleg van een fietspad niet altijd een even populaire maatregel. Ik vraag me af of gemeentebesturen hier verzuimen hun taak uit te voeren. Of moet de Vlaamse overheid onteigenen 2 Parl. Hand. Vl. Parl. 2009-10, 14 oktober 2009, p. 33-39. wanneer ze een fietspad wil aanleggen langs een gewestweg? Moet module 13 misschien niet worden bijgestuurd zodat het Vlaamse Gewest verantwoordelijk wordt voor de aanleg van een fietspad langs een gewestweg en niet de gemeente? Die vraag hoor ik vaak bij de lokale besturen.

Ook de aanleg van een riolering zorgt in vele gevallen voor vertraging. Dat heeft natuurlijk ook met meerjarenplanning en budgettaire maatregelen te maken. Dit alles maakt dat er soms voorzien is in financiële middelen zonder dat het dossier of project volledig klaar is voor uitvoering. Zeker voor wat de fietspaden langs gewestwegen betreft, moet de Vlaamse overheid meer haar verantwoordelijkheid nemen. Jammer genoeg drukken een aantal tragische gebeurtenissen ons met de neus op de feiten. Ik verwijs dan naar het ongeval dat vorige week plaatsvond in Kasterlee. De burgemeester van Kasterlee die hier aanwezig is, kan bevestigen dat er heel wat frustratie heerst bij de burgemeesters over de te volgen werkwijze om een fietspad aan te leggen op een gewestweg. Het is bovendien ontoelaatbaar dat er zulke fietsstroken op een drukke gewestweg liggen in plaats van een degelijk, apart fietspad. In reactie op heel die discussie over de fietspaden lieten verschillende burgemeesters weten dat al die ruimtelijke regeltjes in de praktijk niet werken. Hiermee verwijst men ook naar het fietsvademecum dat oplegt hoe men eigenlijk een fietspad moet aanleggen. Daardoor zien veel gemeentebesturen af van de subsidiëring, of leggen ze zelf hun fietspad aan zonder tegemoetkoming van het Vlaamse Gewest.

Minister, iedereen is ervan overtuigd dat er nood is aan bijkomende fietspaden langs Vlaamse wegen. We moeten dan ook durven inzien dat we verkeerd bezig zijn en dat er moet worden gezocht naar een andere manier om sneller en efficiënter te kunnen overgaan tot de aanleg van degelijke en vooral veilige fietspaden in Vlaanderen. Ik vind het ook ontoelaatbaar dat we in tijden van crisis worden geconfronteerd met slapende gelden. Die moeten zo snel mogelijk worden vrijgemaakt voor andere belangrijke projecten die niet kunnen worden uitgevoerd omwille van financiële tekorten.

Minister, is er binnen de Vlaamse overheid een inventaris van die afgesloten module 13-convenants zodat we kunnen zien waar het probleem zich voordoet? Welke zijn in uitvoering en welke kunnen om een of andere reden niet uitgevoerd worden? Op die manier kan het probleem beter worden gedetecteerd en opgevolgd zodat er ook geld kan vrijkomen voor andere projecten. Hoe wordt er overleg gevoerd tussen de Vlaamse Regering en de lokale besturen over de uitvoering van een fietspadproject als het convenant ondertekend is? Is module 13 van het mobiliteitsconvenant volgens u duidelijk genoeg over de manier waarop de uitvoering van een project moet gebeuren? Ik denk dan aan een bijsturing om de verantwoordelijkheid voor onteigening toe te wijzen aan de Vlaamse overheid. Als de Vlaamse overheid een fietspad wil aanleggen langs een gewestweg, moet zij zelf meer verantwoordelijkheid nemen en die niet afschuiven op de gemeenten.

Bent u bereid om het fietsvademecum opnieuw onder de loep te nemen en te verfijnen zodat het niet langer een hindernis is, maar een toegevoegde waarde betekent voor de aanleg van fietspaden? Werden er in het verleden afspraken gemaakt met minister Reynders over de problematiek van de aankoop- en de onteigeningscomités? Zo ja, welke afspraken werden dan gemaakt om tot een werkbare oplossing te komen? Werd deze problematiek al aanhangig gemaakt op het Overlegcomité? Zo niet, zou ik u willen vragen dat probleem elke keer opnieuw aan te kaarten bij het Overlegcomité zodat er eindelijk naar ons wordt geluisterd.

De voorzitter: De heer Roegiers heeft het woord.

De heer Jan Roegiers: Dit probleem is vorige week tijdens de plenaire vergadering ingeleid. Mevrouw Van den Eynde heeft dat hier opnieuw gedaan. Ik zal me dan ook beperken tot mijn vragen.

Minister, wat is de reden dat de voorziene budgetten niet werden gebruikt? Kan hieraan op korte termijn verholpen worden? Welke stimuli kunnen worden ingezet? Indien de procedures voor gemeenten te omslachtig blijken of conflicteren met andere procedures die nodig zijn voor bijvoorbeeld het aanleggen van rioleringen en dergelijke, hoe kunnen die procedures dan vereenvoudigd of op elkaar afgestemd worden? Vindt u de uitbouw en het onderhoud van een functioneel en veilig fietsroutenetwerk nog prioritair, en voorziet u bijgevolg in de nieuwe begroting in het behoud van de oorspronkelijke budgetten?

Een van de zaken die vorige week ruim onder de aandacht is gebracht en waar ook mevrouw Van den Eynde het over had, is het slecht functioneren van de comités van aankoop. We zijn vragende partij om die te regionaliseren. Dat zit er echter nog niet onmiddellijk in. Ik roep de collega’s op om over de partijgrenzen van meerderheid en oppositie heen een resolutie op te stellen die de regering de nodige steun kan verlenen om dit probleem aan te kaarten binnen bijvoorbeeld het Overlegcomité. Ik zie echter ook nog andere mogelijkheden. Ik vraag me af of we niet tot een overeenkomst kunnen komen met de federale overheid waarbij de Vlaamse overheid Vlaamse ambtenaren toevoegt aan het comité van aankoop, die uiteraard verantwoordelijk zijn voor de Vlaamse dossiers en bevoegdheden. Wanneer alles is afgewerkt, moet de commissaris enkel nog zijn handtekening zetten. Daardoor wordt de doorlooptijd veel korter en moeten we niet wachten op het moment dat het aankoopcomité wordt geregionaliseerd. Mijn oproep is dus tweeledig. Ik vraag om de mogelijkheid te onderzoeken om met de verschillende partijen tot een resolutie te komen. Elke fractie kan dan nagaan of ze achter die oproep kan staan.

De voorzitter: De heer Van den Heuvel heeft het woord.

De heer Koen Van den Heuvel: Ik wil even ingaan op de laatste suggestie van de heer Roegiers over de problemen van het aankoopcomité. Op het einde van de vorige legislatuur is daarover een voorstel van decreet ingediend door de heer Sauwens en mezelf in de commissie voor Binnenlands Bestuur. Binnen de meerderheid bestond daar echter geen eenstemmigheid over. Die zorg is wel opgenomen in het regeerakkoord. Daarin staat duidelijk dat de Vlaamse Regering dit via erkende landmeters en schatters zal uitbesteden aan de privésector. Zo kunnen de lokale besturen verder gaan met het dossier.

Wat de vragen betreft, wil ik vanuit mijn praktische ervaring van burgemeester een oproep doen en een vraag stellen aan de minister. Ik vraag u efficiënt te werken en zowel de regeltjes als de procedures te vereenvoudigen. Iedereen kent voorbeelden van de regeltjes uit het fietsvademecum. Wij willen voor alle subzaken een ideaaltypische oplossing. Het voetpad moet minstens 1,5 meter zijn, het fietspad moet minstens 1,75 meter zijn, er moet een open gracht zijn voor gescheiden waterzuivering. Die open gracht mag echter niet te diep zijn en mag niet naast het voetpad en fietspad liggen, anders kan men in die gracht terecht komen. Er moet dus een haagje tussen staan. De rooilijn moet dan drie of vier meters worden opgeschoven. Met al die voorwaarden organiseren wij het immobilisme zelf. We moeten af en toe van die voorwaarden kunnen afwijken. We sakkeren soms op de ambtenaren maar zij doen ook alleen maar hun werk. Die regeltjes staan nu eenmaal zo in het fietsvademecum. Zij kunnen niets anders doen  dan die toepassen.

Ik wil dan ook oproepen om het kind met het badwater niet weg te gooien maar wel enige pragmatische wijsheid aan de dag te leggen, het alternatief van onze minister-president voor de federale rustige vastheid. Ik pleit voor pragmatische wijsheid in dit dossier, om een en ander vooruit te helpen.

Dan zijn er nog de procedures. Minister, ook wat dat betreft, wil ik u oproepen om in de start-, ontwerp- en projectnota’s, in de gemeentelijke begeleidingscommissies (GBC’s) en de provinciale auditcommissies (PAC’s) de bijzaak van de hoofdzaak te onderscheiden en in die procedures te snoeien, zodat de doorlooptijd sterk afneemt. Dat is eenvoudig te doen. Minister, neem het initiatief. Heel wat burgemeesters, heel wat Vlamingen zouden dat toejuichen.

De voorzitter: De heer Watteeuw heeft het woord.

De heer Filip Watteeuw: Mijnheer de voorzitter, ik heb mijn vragen vorige week al kunnen stellen, maar op twee elementen van het antwoord van toen wil ik nog even voort ingaan. Andere leden hebben er al op gewezen. Ik had graag geweten hoe zal worden gezocht naar andere mogelijkheden voor de aankoopcomités. De heer Roegiers opperde hier al één mogelijkheid, namelijk samenwerken met de federale overheid. Een betere mogelijkheid lijkt me veeleer in de lijn te liggen van wat de heer Van den Heuvel naar voren heeft gebracht. Dat is inderdaad al in een decreet naar voren gekomen. Hoe wil de regering daar voort mee omspringen?

Ik heb toen ook gezegd dat het goed zou zijn, mocht het gewest meer verantwoordelijkheid nemen bij de aanleg van fietspaden. Het is hier al aangehaald: heel wat gemeenten hebben inderdaad moeilijkheden om die fietspaden te verwezenlijken. Eigenlijk zou het gewest daar meer verantwoordelijkheid voor moeten nemen.

De voorzitter: Mijnheer Watteeuw, u bent vorige week tussengekomen naar aanleiding van een actuele vraag. In Nederland heet dat blijkbaar een ‘tweede termijn’. Nu kan er hier een goede uitwisseling plaatsvinden. Dat is veel beter. De vraag om uitleg is hier het geknipte instrument voor. Daarom heb ik ook die twee vragen toegelaten. Het zijn heel zinvolle vragen. U ziet dat heel veel mensen met die problematiek bezig zijn.

De heer Kennes heeft het woord.

De heer Ward Kennes: Mijnheer de voorzitter, ik ga ter zake ook voor een eerste termijn.

Mevrouw Van den Eynde heeft net verwezen naar het dodelijk ongeval dat op de gewestweg N134 plaatsvond, op een aanliggend fietspad. Een fietser werd daar aangereden en dodelijk verwond. Het drama is dat ter zake al meer dan anderhalf jaar ervoor een module 13 was afgesloten.

Maandag, de dag na het ongeval, was er een vierde coördinatievergadering gepland met betrekking tot de aanleg van dat fietspad. Ik heb me uiteraard laten informeren over de gang van zaken. Men meldt me dat er nog maar heel weinig is bereikt na vier vergaderingen, waarbij toch diverse gemeenten, het Agentschap Wegen en Verkeer, een studiebureau en andere diensten betrokken zijn. Onder meer blijkt het voor het studiebureau nog altijd niet zo duidelijk wat de procedure precies is. Het is al te veel met plannen bezig, terwijl het eigenlijk eerst nog alternatieven moet zoeken en via de GBC en de PAC moet aantonen dat een aantal van die alternatieven niet goed zijn. Dan wordt er een bepaald alternatief gekozen. Pas dan mag voor dat alternatief worden gepland.

Ik heb de indruk dat toch nog niet iedereen in Vlaanderen die met die materie bezig is, de juiste procedure en de juiste gang van zaken kent. Op dat vlak lijken er me nog verbeteringen mogelijk. Dat kan beter worden gestroomlijnd. Die informatie kan beter doorstromen. Met betrekking tot de regionalisering van de aankoopcomités sluit ik me heel graag aan bij alle collega’s. In afwachting kunnen er misschien ‘best practices’ worden uitgewisseld. Er zijn immers al een aantal zaken uitgeprobeerd, met studiebureaus, met landmeters enzovoort, om assistentie te verlenen bij die onteigeningen, in overleg met het aankoopcomité. Misschien heeft de ene praktijk meer succes gehad dan de andere. Het uitwisselen daarvan kan de zaak misschien vooruithelpen indien we nog even moeten wachten op de staatshervorming.

De voorzitter: Dat laatste was een heel leuke opmerking. De heer Reekmans heeft het woord.

De heer Peter Reekmans: Minister, ik wilde geenszins beweren dat u een week nodig had om te denken. Wel bedoelde ik dat het nuttig was dat we dat debat hebben geopend in de plenaire vergadering. Vandaag kunnen we daar voort ten gronde op ingaan, zodat partijen een week de tijd hebben gehad om daar voort over na te denken. Dat heb ik zelf ook gedaan. Iedereen heeft het hier altijd over die module 13, maar ik hoor hier niets over module 11. Ik vind dat een heel belangrijke module. Ik vraag me af of die module 11 wel wordt toegepast.

Ten behoeve van de leden wil ik even zeggen wat het verschil is. Bij module 11 moet de lokale overheid volledig alles voorfinancieren en betalen. Bij module 13 betaalt het Vlaamse Gewest. Op zich zegt dat al voldoende. Ik vraag me zelfs af of die module, waarbij de lokale overheid het initiatief moet nemen en ook met de voorfinanciering zit, wel werkt. Ik heb daar geen cijfers over. Is het verschil tussen die twee modules wel nuttig? We moeten immers eerlijk zijn: als de lokale overheid kan kiezen tussen voorfinanciering en alles zelf betalen, dan kiezen de meeste lokale overheden toch voor voorfinanciering, zodat ze geld vrij hebben voor andere projecten. Er zou dus een module moeten bestaan waarbij het Vlaamse Gewest volledig het initiatief neemt.

Minister, ik geef u een concreet voorbeeld. Ik ben tevreden dat ik net een antwoord binnenkrijg op een schriftelijke vraag aan uw diensten. Dat gaat daadwerkelijk over een module 13, die in april 2008 werd aangevraagd door mijn gemeente, Glabbeek, voor fietspaden langs de gewestweg N29. Het antwoord dat ik nu krijg op die schriftelijke vraag, is dat daar in de planning van het Agentschap Wegen en Verkeer totaal nog geen rekening mee is gehouden, en dat  het zelfs helemaal nog niet duidelijk is wanneer met die werken kan worden begonnen.

Nu is het bijna een jaar later. Er kan dus geen uitleg worden gegeven over een aanvraag voor fietspaden uit april 2008. Dan begrijp ik dat twee derde van het budget niet is opgebruikt sinds 2000. Daarom ben ik tevreden over de uitspraak van de collega van CD&V, die stelde dat we mee verantwoordelijk zijn voor het immobilisme dat vandaag bestaat. Maar doe er dan iets aan, denk ik dan. De meerderheidspartijen hebben de mogelijkheid om daar iets aan te doen, via hun ministers en via de regering. We kunnen in deze commissie blijven zeggen dat het vooruit moet gaan, terwijl het niet vooruitgaat.

Ik denk dat de voorwaarden voor heel veel fietspaden, in de vorm van grachten, haagjes, boompjes en plantjes, allemaal een klein beetje te zwaar wegen en het onmogelijk maken snel te werken. We moeten voor één ding gaan: degelijke en veilige fietspaden in Vlaanderen. We moeten heel veel van die randzaken laten vallen. Dan kan er wel worden gewerkt en zullen we niet moeten zien dat twee derde van het budget op negen jaar tijd niet werd opgebruikt.

De heer Jan Peumans: Mijnheer Reekmans, u bent nieuw in deze commissie, maar in de vorige legislatuur hebben we in deze commissie die mobiliteitsconvenanten uitgebreid geëvalueerd. De heer Frans Peeters was daar een van de voortrekkers van. We hebben daar heel zware discussies over gehad met de regering. Het parlement heeft toen eigenlijk aangeraden te stoppen met een aantal van die modules, omdat dit een administratieve rompslomp is. Eigenlijk zou u eens moeten nakijken in het rapport wat de adviezen zijn geweest van de Vereniging van Vlaamse Steden en Gemeenten, van het Agentschap Wegen en Verkeer en van De Lijn. Die moet u onbevangen lezen, en dan moet u bekijken wat de ministers daarop hebben geantwoord. Dan zult u een verschil merken. De administratie vroeg dat er alstublieft met een aantal van die dingen zou worden gestopt, maar de politiek wou een aantal van die dingen voortzetten. Dat is een heel belangrijk onderscheid in deze kwestie. De heer de Kort was toen aanwezig, net als mevrouw Van Brempt en ook een zekere mevrouw Crevits, geloof ik. (Opmerkingen)

Het ging over de hele evaluatie die we hebben gemaakt van de modules. Dat moeten we hier eens ter sprake brengen, en ook de overige modules.

De heer Peter Reekmans: U merkt terecht op dat het over de vorige legislatuur gaat. Het wordt dan ook tijd dat er iets wordt gedaan aan die modules.

De heer Jan Peumans: Daarom zullen we dat ook opnemen in de regeling der werkzaamheden. We zullen daar in de loop der tijden eens op terugkomen. Dat is mijn suggestie. Minister Crevits heeft het woord.

Minister Hilde Crevits: Voorzitter, collega’s, in het regeerakkoord staat heel uitdrukkelijk dat de modules heel grondig zullen worden herbekeken. Er zijn in de vorige legislatuur inderdaad discussies geweest, onder andere over de geluidsschermen. Ik heb toen gezegd dat we die niet zouden afschaffen en dat ze moesten worden geënt op de Europese normen. Intussen zijn die aan het landen.

Er is ook een discussie geweest over module 11 en module 13. Er zijn een aantal goede suggesties gedaan, maar ik ga de problemen toch een voor een overlopen. Dat de middelen nu nog niet zijn opgebruikt, wil niet zeggen dat er geen projecten zijn. De middelen zijn allemaal gelinkt aan projecten, maar ze worden om de een of andere reden nog niet gerealiseerd op het terrein. We zien het fietspad met andere woorden nog niet liggen. Als je vandaag die modules afschaft, moet je dus sowieso het verleden nog helemaal afwerken en zorgen dat die fietspaden gerealiseerd worden.

Er is een opmerking gemaakt over het fietsvademecum. Die opmerking is mij bekend. Op dit ogenblik is er een werkgroep actief die de herziening van het vademecum trekt, om zo tot een zekere pragmatiek in dat vademecum te komen. Mevrouw Van den Eynde merkte op dat je uiteindelijk een monsterweg moet hebben voordat je een fietspad kunt realiseren. Waarom moet je je fietspad altijd aanleggen langs een gewestweg? Als het veilig is, is het goed, maar als er geen plaats is, moet je misschien alternatieven zoeken. We gaan dat functionele fietsroutenetwerk dus ondersteunen. Dat is een absolute prioriteit, mijnheer Roegiers.

Collega’s, een belangrijk deel van de middelen die voor fietspaden zijn vastgelegd, is niet uitgegeven. Het is wel de bedoeling dat die fietspaden effectief gerealiseerd worden, sommige uitzonderingen wellicht niet te na gesproken, dat zijn dan de gevallen waarbij de gemeenten het fietspad niet meer moeten hebben. Dat heeft dan ook altijd zijn oorsprong. Ik stel wel vast, zeker in module 13, dat de termijn tussen de vastlegging van de middelen en de realisatie op het terrein veel te lang is. Vooral bij de start van de module 13 in 2000 zijn de financiële middelen in een veel te vroeg stadium vastgelegd. Er werden toen subsidies vastgelegd op basis van een eenvoudig briefje met een ruwe schatting van de kosten. Zelfs het lokale mobiliteitsplan zat op dat ogenblik pas in de oriëntatiefase. Men was nog aan het uitzoeken waar men wat zou gaan doen. Er gingen ook vaak jaren voorbij voordat er een degelijk en kwalitatief project goedgekeurd kon worden. Pas daarna konden de onteigenings- en aanbestedingsprocedures starten.

In 2007, onder meer ook na een debat hierover, zijn er een aantal wijzigingen doorgevoerd. Er werd beslist om de centen in een later stadium vast te leggen. Nu verloopt het zo: je ondertekent een module, maar de middelen worden pas vastgelegd nadat de projectnota – de nota waarin het project helemaal beschreven wordt – is goedgekeurd. Het effect daarvan is dat de doorlooptijd tussen de vastlegging en de besteding van de middelen een stuk korter wordt. Als je in 2008 een bepaalde module ondertekend hebt, moet je natuurlijk wel de procedure doorlopen. Je zult daar dus nog niets van zien in de begroting, omdat de middelen niet worden vastgelegd zolang de projectnota niet is goedgekeurd.

Een ander voorbeeld, waar we mijns inziens wel goed bezig zijn, is de werking die wordt gerealiseerd via het Fietsfonds. In 2007 zijn we met dat Fietsfonds gestart. Ook daar heb je een aantal fietspadprojecten die worden gerealiseerd, maar het verschil is dat die projecten deel uitmaken van het bovenlokale functionele fietsroutenetwerk en dat de gemeente een schakel realiseert die niet gelegen is op gewestelijke grondgebied. De gemeente dient het project in, en de provincie en het Vlaamse Gewest komen allebei voor 40 percent tussen. Je moet ook daar een procedure voor doorlopen en ook daar zijn er vereenvoudigingen mogelijk. We zijn daar mee bezig.

Het Fietsfonds bestaat pas sinds 2007, maar er zijn toch al een aantal projecten gerealiseerd. De middelen worden ook vastgeklikt op het moment dat het dossier aanbestedingsklaar is. Dat maakt dat je ook gemakkelijker kunt uitvoeren. De middelen voor het Fietsfonds die ingeschreven waren voor vorig jaar en dit jaar, zullen nog niet volledig worden opgebruikt. Dat is ook logisch. Een project dat je in 2007 opstart, nog in datzelfde jaar aanleggen, is een beetje moeilijk. Ik vermoed dan ook dat we pas in 2010 op volle snelheid zullen komen. Er zijn op dit moment alleszins enorm veel dossiers die in de eindfase zitten.

Naast het moment van vastlegging van de middelen, zijn er natuurlijk nog andere hinderpalen. Ik verwijs daarvoor ook naar het debat dat al is gevoerd in de voorbije week. Er zijn hier een aantal pistes gesuggereerd, onder meer de landmeter. In het regeerakkoord staat ook de suggestie van de versnelde onteigening in voortuinstrookjes. Er is mij een advies beloofd tegen eind november, onder meer over de knelpunten en over de vraag of je al dan niet landmeters kunt inzetten. In zo’n scenario zou zich immers het probleem kunnen voordoen dat je publieke en private informatie gaat mengen. We moeten dat dus juridisch goed aftoetsen en ervoor zorgen dat we geen zaken doen die niet kunnen.

De onteigeningsprocedures vormen eigenlijk de achillespees van de hele problematiek. Ik ga eventjes terug in de geschiedenis. Een van de redenen waarom men met de convenanten is gestart, was het feit dat men dacht dat de gemeente dicht bij de mensen staat en dus misschien een versnelling teweeg zou kunnen brengen bij de onteigeningen. Nu blijkt echter dat de gemeenten met exact dezelfde problemen worden geconfronteerd als het Vlaamse Gewest. Vandaar ook dat ik in mijn middelen zie dat het Vlaamse Gewest een deel van de onteigeningen al opnieuw zelf doet. De slinger is dus langzaam aan het terugkeren. In 2003 zijn er met de FOD Financiën afspraken gemaakt over een samenwerking tussen de administratie Wegen en de aankoopcomités, onder andere over de gevaarlijke punten, de samenwerking met gespecialiseerde studiebureaus, die door de gemeente ingeschakeld kunnen worden bij de voorbereiding, en het gebruik van de standaardformulieren. Er zijn ook behandelingstermijnen vooropgesteld. Als je het nu onmiddellijk zou willen oplossen, is er eigenlijk maar één oplossing is, namelijk de aankoopcomités enorm versterken qua personeelsinzet. Dat kunnen wij nu evenwel niet doen, want de aankoopcomités zitten niet bij ons.

We kunnen wel kijken of we er vanuit Vlaanderen ondersteunend voor kunnen zorgen dat er gegevens worden aangeleverd en opgenomen. Er is een lijst van module 13-projecten, maar we zien dat een aantal projecten niet vooruit raken. Van de projecten uit 2003 zien we dat 50 percent niet is gerealiseerd op het terrein. Wat ik mis, is een onmiddellijke oplijsting van de problemen. Mijn administratie heeft opdracht gekregen om dit snel te screenen zodat we eind 2009 heel duidelijk weten welke problemen er zijn. Iedere gemeente heeft zijn eigen ervaring, maar er zijn ook objectieve schakels.

Het is logisch dat je een fietspadproject combineert met het rioolproject voor de riool die eronder loopt. Om bij de Vlaamse Milieumaatschappij (VMM) hoog in de ranking te geraken, moet je voldoende vervuilende equivalenten aantonen. Dat betekent dat een gemeente die nood heeft aan een fietspadinfrastructuur langs een gewestweg, maar waar een riool onderdoor loopt en waar weinig huizen langs staan, laag scoort op de vervuilende ladder. In 2007 hebben we gezegd dat gecombineerde projecten weg-riool-fietspad automatisch in de prioritaire groep terechtkomen. Zo kunnen er al een aantal dossiers gedeblokkeerd worden.

Ik ga akkoord met wat u zegt over de doorlooptijd van de procedure. We moeten ons de vraag stellen waarom een bepaalde module is ingevoerd en waarom een convenantenprocedure is ingevoerd. Wat is de meerwaarde en is die meerwaarde gerealiseerd? Er is hier al gezegd dat men telkens de hele procedure moet doorlopen. Men moet een voorbereiding en een bespreking van de startnota doorlopen binnen de gemeentelijke begeleidingscommissie. Daarna moet de conformverklaring van de startnota binnen de provinciale auditcommissie gebeuren. Dan volgt de voorbereiding en de bespreking van de projectnota binnen de gemeentelijke begeleidingscommissie en de bespreking en de conformverklaring van de projectnota binnen de provinciale auditcommissie.

Deze procedure heeft een aantal voordelen, onder andere wordt zo de kwaliteit van het project bewaakt. Voor sommige projecten – en ik ken er een paar – is dat absoluut noodzakelijk. Er zijn projecten waarbij je moet afwegen of je een enkelzijdig fietspad legt of een dubbel fietspad, waarbij je de oversteekplaatsen goed moet bekijken om geen gevaarlijke situaties te creëren. Maar er zijn ook een pak dossiers waarbij dat eigenlijk niet nodig is. Ik heb vorige week al voorgesteld om bijvoorbeeld voor projecten onder een bepaald bedrag, gewoon één projectnota te maken. Dat zou al een halvering van de procedure zijn.

Dan is er nog een klein probleem met het Fietsfonds. De provincies en het Vlaamse Gewest ondersteunen dit. De provincies hebben uitdrukkelijk die opdracht gekregen omdat wij de gewestwegen hebben overgenomen. Het fietspaddossier wordt nu op twee niveaus helemaal gescreend. Het lijkt me evident dat het dossier op één niveau wordt gescreend en dat de andere administratie de screening aanvaardt. Deze consensus moet vrij gemakkelijk te vinden zijn. Op dit moment wordt hierover onderhandeld.

De gedeputeerden van de provincie zijn bij mij geweest. We hebben de knelpunten opgelijst en we zijn nagegaan hoe we elkaar kunnen versterken. Het enige doel is immers ervoor te zorgen dat het bovenlokale fietsnetwerk de komende jaren forse stappen vooruit zet. We moeten niet te lang wachten met de hervorming, maar we moeten wel de juiste gegevens hebben. We moeten een lijst van knelpunten hebben. De Vereniging van Vlaamse Steden en Gemeenten (VVSG) moet betrokken worden. We moeten de oude evaluatie erbij nemen, maar we mogen niet het kind met het badwater weggooien. Er zijn een aantal goede zaken gerealiseerd, maar we moeten zorgen dat elke afspraak die wordt gemaakt, een duidelijke meerwaarde heeft.

Hoe wordt dit aangepakt? De evaluatie is bezig. De afspraak voor overleg met de VVSG is gemaakt. De Vereniging van de Vlaamse Provincies (VVP) is al bij mij geweest. Ik hoop snel vooruit te gaan. Het is wel van belang dat we ook de kwaliteit die de voorbije jaren is opgebouwd, proberen aan te houden. Ik hoor van heel veel lokale overheden dat ze blij zijn dat er een vademecum is en dat er dus een leidraad is waarop de administratie kan terugvallen om te komen tot een bepaalde realisatie. Het vademecum wordt op dit moment herzien. Op het bovenlokaal fietspadennetwerk zijn er een aantal ondergeschikte wegen die deel uitmaken van het netwerk, maar die eigenlijk bestemd zijn voor gemengd verkeer. Voor zulke wegen moeten elementaire kwaliteitsnormen gelden.

Mijnheer Roegiers, ik vind de uitbouw nuttig en nodig. Er wordt ook verder in geïnvesteerd. We moeten de knelpunten uit het verleden onderzoeken en proberen op te lossen op een pragmatische maar veilige manier. Er zijn in het verleden een aantal goede dingen gebeurd. Collega Van Brempt en ikzelf gingen op het einde van het jaar telkens na wat er gerealiseerd was en hoe we dingen konden versnellen met de reglementering zoals ze is. De voorbije legislatuur is de fietstoets ingevoerd die een beetje tegemoetkomt aan de module beheersing. Het is zeer gek dat, als het Vlaamse Gewest een weg heraanlegt, het fietspad niet mee wordt heraangelegd omwille van het bestaan van een bepaalde module. Als het gaat om een fietspad langs een gewestweg, doe je best de fietstoets.

Er is de tweejaarlijkse inspectie. Ik vind de visuele inspectie van de toestand van de fietspaden zeer belangrijk. Het rapport-Heleven – de inspectie van de wegen – is hier intussen legendarisch geworden. Het geeft iedere keer aan wat er goed is en wat er slecht is. Het is niet mijn mooiste dag. Het rapport moet wel gebruikt worden om wegenwerken te organiseren. Ik vind de evaluatie van de fietspaden ook belangrijk. Je ziet zo de kwaliteit van een fietspad en je ziet ook waarin je moet investeren. Het is niet omdat er een ligt, dat het goed is. Module 11 is niet zo populair. Ik heb ooit eens statistieken meegebracht: de gemeenten hebben module 11 niet graag omwille van de procedurele lasten. Het gaat over projecten langs gewestwegen op kosten van het Vlaams Gewest. De filosofie is dat een gemeente zo’n project kan versnellen, als ze zo’n convenant sluit. Ik denk dat het in de toekomst het meest nuttig zou zijn om bij zulke projecten geïntegreerd te werken, dat wil zeggen dat de weginfrastructuur en de fietspadeninfrastructuur tegelijkertijd op een kwalitatieve manier moet worden onderhouden. We proberen het te vermijden, maar er zijn nog altijd dossiers waar enkel aan de weg en niet aan het fietspad wordt gewerkt. Het gaat niet op dat enkel de weg wordt onderhouden en niet het fietspad. Het lijkt me zo evident dat dat geïntegreerd gebeurt. (Opmerkingen van de voorzitter)

Daarom vermeld ik ze ook. Soms gaat het zelfs over het gebruik van een kleinere of grotere machine. Daarin moeten we gewoon voorzien in de bestekken. Wat mij betreft, is dat een belangrijk aandachtspunt.

De voorzitter: Mevrouw Van den Eynde heeft het woord.

Mevrouw Marleen Van den Eynde: Minister, ik dank u voor uw zeer uitgebreid antwoord. Voorzitter, ook u dank ik omdat u ons nog de gelegenheid hebt gegeven een zeer nuttig debat te voeren. Het antwoord van de minister was heel duidelijk. Het is heel moeilijk om een heel nuttige discussie te voeren op de korte tijd tijdens het vragenuurtje. Daarom heb ik mijn vraag in de commissie ook aangehouden. De inbreng van de heer Kennes toont ook aan dat er op het terrein heel schrijnende situaties bestaan en dat er – terecht – heel wat frustratie bestaat bij de lokale besturen.

Minister, twee jaar geleden hebben we een heel nuttig debat gevoerd. Daaruit zijn een aantal resoluties voortgekomen. Voorzitter, dat debat moet zeker opnieuw gevoerd worden. Module 11 en module 13, die zaken moeten toch allemaal eens herbekeken worden. Een aantal aanpassingen zijn toch echt wel noodzakelijk.

Mijnheer Reekmans, ik heb niet verwezen naar module 11 omdat mijn vraag vooral gericht was op module 13, op de problematiek langs de gewestwegen. Ik heb het gevoel dat het Vlaamse Gewest zijn verantwoordelijkheden afschuift op de lokale besturen. Een gewestweg is een gewestweg. Het gewest moet die weg volledig aanleggen. Het moet de besturen niet belasten met onteigeningen. Het Vlaamse Gewest wentelt zijn verantwoordelijkheid af op de lokale besturen. Ik zou dat ongedaan willen maken, eventueel bij de evaluatie van het mobiliteitsconvenant.

Minister, ik ben wel heel tevreden dat er werk zal worden gemaakt van het fietsvademecum. Naar aanleiding van een ander debat hebben we al eens gevraagd dat vademecum te herbekijken, vooral in positieve zin. In sommige dossiers doet die regulitis ons de nek om.

Het Fietsfonds werd in 2007 opgericht. Het zou een vooruitgang kunnen betekenen. Het is echter te vroeg om te zien wat het effect daarvan is. Uw screeningstoets betreffende de onteigenings- en aankoopcomités lijkt me ook een heel goede zaak. U moet echter ook de federale overheid blijven wijzen op haar verantwoordelijkheid. Het kan niet dat Vlaanderen telkens weer alternatieven moet zoeken. Dat is natuurlijk heel belangrijk om problemen op te lossen. De federale overheid is echter verantwoordelijk voor de problematiek. Een aantal dossiers gaan niet vooruit.

Minister, u hebt bevestigd dat de inventarisering belangrijk is. Uiteindelijk kan men daardoor een aantal problemen detecteren. Ik dring er dan ook op aan er verder werk van te maken om andere modules te inventariseren. Ik heb het gevoel dat u het probleem van de inventarisatie wilt opvolgen. Het overleg met de provincies lijkt me een goed idee, maar eigenlijk hebt u nu weer aangetoond dat provincies overbodig zijn: ze doen net hetzelfde als het Vlaamse Gewest.

Ik voel aan dat u de problematiek over de aanleg van fietspaden heel stelselmatig zult aanpakken. Ik heb daar een heel goed gevoel bij. Ik hoop dat u dat dossier tot een goed einde brengt, zodat er volgend jaar – hopelijk – een tekort is op het budget omdat er zo veel fietspaden zijn aangelegd in Vlaanderen.

De voorzitter: De heer Roegiers heeft het woord.

De heer Jan Roegiers: Minister, ik wil u danken voor uw formele toezegging dat het een prioriteit in uw beleid blijft. Dat is goed. Er werd een paar keer verwezen naar het overleg met de provincies. Misschien moet u daar maar eens opperen om de provinciale audits, waarlangs men altijd moet passeren – zelfs twee keer als ik me niet vergis – uit die procedures te halen. Dat zou de procedure al heel wat korter maken. Ik kijk uit naar de knelpuntennota, die u eind november zult ontvangen, met betrekking tot het inzetten van landmeters of andere functionarissen inzake de onteigeningen en het ontlasten van de comités van aankoop.

Voorzitter, ik hoop dat mijn vraag ontvankelijk wordt verklaard. Eind november, begin december moet ik anders maar eens luisteren naar de resultaten van die knelpuntennota.

De voorzitter: U hebt een punt. Als een minister een  toezegging doet in de commissie, dan wordt die genoteerd op de datum dat die wordt gedaan. Ze wordt trouwens toegevoegd aan het verslag. Dat is geïnspireerd op het Nederlandse systeem. De minister heeft een toezegging gedaan. De commissiesecretaris en ikzelf hebben die genoteerd. Achteraf kan worden nagegaan wat daarmee gebeurt. Met sommige ministers hebben we wat dat betreft goede, en met andere slechte ervaringen.

Minister Hilde Crevits: Voorzitter, ik heb vandaag mijn kabinetschef meegebracht, de heer Filip Boelaert. Niet iedereen kent hem. U zult ook de anderen leren kennen. Ik wist echter ook dat het een belangrijke namiddag zou zijn. We hebben overlegd hoe we de toezeggingen zouden onthouden en ervoor zorgen dat ze worden nageleefd.

De voorzitter: De heer Reekmans heeft het woord.

De heer Peter Reekmans: Minister, we hebben het gehad over de provinciale auditcommissies en de provinciebesturen. Het is toch te gek voor woorden. U moet de deputés van de provincies bij u roepen om de aanvragen van lokale besturen te behandelen. Dat wijst erop dat én de lokale besturen, én de provinciebesturen, én het Vlaamse Gewest met verkeer bezig zijn. Als een tussenniveau als de provincie verdwijnt, zouden de dossiers iets sneller vooruit gaan.

Wat me nu vooral zorgen baart, is de uitspraak die u deed in de media. U stelde dat maar 23 percent van het 11.000 kilometer lange fietsnetwerk in Vlaanderen volledig in orde is en dat het raden was wat aan het andere 77 percent schort. Dat is toch wel een belangrijke uitspraak. Vandaag weten we zelfs nog niet wat aan die 77 percent schort. En dan mag het nog allemaal sneller gaan. U zegt dat de opvolging van de ingediende aanvragen blijkbaar onbestaande is. Daarnet hebben we gediscussieerd over het herzien van het fietsvademecum, dat pas sinds de vorige legislatuur af  is. (Opmerkingen)

We zullen het nu al herzien. Tegelijkertijd zegt u dat voor die 77 percent de Mobiliteitsraad van Vlaanderen (MORA) zult inschakelen om na te gaan wat nu een goed en wat een slecht fietspad is. Door op die manier te werken, krijgt u geen beweging in die zaak. Ik roep u op een initiatief te nemen om een betere oplijsting te krijgen van wat er gaande is met onze infrastructuur.

Mijn eigen gemeente heeft dat via module 13 in april 2008 gedaan. Die aanvraag staat zelfs nog niet op een lijst bij het Agentschap Wegen en Verkeer (AWV). Hoe kan men weten wat er scheelt als men er op een jaar tijd nog niet eens in slaagt om dat te doen! Er moet inderdaad een inhaalbeweging gebeuren. Pas dan kunnen we werk maken van degelijke infrastructuurwerken in Vlaanderen.

De voorzitter: Minister Crevits heeft het woord.

Minister Hilde Crevits: U hebt recht op het laatste woord. Toch wil ik nog iets rechtzetten. Ik wil er ook geen hutsepot van maken.

De MORA heeft in zijn advies geschreven dat er geen indicatoren zijn. Het gaat om opvolgingsindicatoren voor indicatoren, bijvoorbeeld over hoeveel passages er op een bepaalde plaats zijn geweest. Er zijn wel allerhande cijfers over het aantal vrachtwagens enzovoort. Die zijn echter nog niet door iedereen gevalideerd en erkend. De strategische adviesraad heeft de handschoen opgenomen om een set van indicatoren te ontwikkelen. Het gaat hier echter niet over het opvolgen van de indicatoren voor het bovenlokaal functioneel fietsroutenetwerk. Het zijn strategische indicatoren om jaar na jaar te kunnen zien hoe onze personenmobiliteit evolueert. We hebben dat ook bij het goederenvervoer. Dat is de opdracht die we hebben aanvaard. Er bestaan cijfers, maar die zijn niet wederzijds gevalideerd door de verschillende partners.

Wat het bovenlokaal functioneel fietsroutenetwerk betreft, die 23 percent paden die in orde zijn, zijn die die al werden aangepakt. Van de rest zijn er wel gegevens over welke er zijn, en die kregen dan een kleur om aan te geven of ze al of niet in orde zijn. Veel paden liggen op gemeentelijk grondgebied. Er moet de visu worden bekeken of daar iets aan moet gebeuren.

Je kunt van het Vlaamse Gewest niet verwachten dat men het bovenlokaal functioneel fietsroutenet helemaal affietst. De gemeenten kunnen die gegevens perfect leveren. Ik weet niet of de gegevens in het GIS correct zijn en of er nog inspanningen gebeurd zijn. Dat heeft niets te maken met de indicatoren van de MORA. Ik wil die twee zaken onderscheiden. De vorige Vlaamse Regering heeft beslist om de provinciewegen af te schaffen. Maar als tegenprestatie hebben de provincies het engagement genomen om middelen te investeren in verkeersveiligheid. Het Fietsfonds bestaat. Daar zitten middelen in die worden geïnvesteerd in lokale projecten. De provincie heeft daar veel werk in gestopt. Het bovenlokaal functioneel fietsroutenetwerk is op provincieaal niveau vastgelegd. Het is dan ook logisch dat de provincies daar een rol in willen spelen.

De voorzitter: Het incident is gesloten.

     
   
        2009 Koen Van den Heuvel