Vraag om uitleg van mevrouw Marleen Van den
Eynde tot mevrouw Hilde Crevits, Vlaams minister van Mobiliteit
en Openbare Werken, over de obstakels bij de aanleg van
fietspaden
Vraag om uitleg van de heer Jan Roegiers tot
mevrouw Hilde Crevits, Vlaams minister van Mobiliteit en
Openbare Werken, over de uitbouw van het fietsnetwerk en de
onderbenutting van de budgetten
De voorzitter
:
Mevrouw Van den Eynde heeft het woord.
Mevrouw Marleen Van den Eynde: Vorige
week werd in plenaire vergadering een debat gevoerd over de
onderbenutting van kredieten voor de aanleg van fietspaden2. Het
was een pittige discussie, te meer omdat we weten dat de
voormalige regering tijdens een fietscongres een zeer ambitieus
plan had voor de massale aanleg van fietspaden langs gewestwegen
in Vlaanderen. Daarbij zou tot 2012 ongeveer 250 kilometer
fietspaden per jaar worden aangelegd.
Uit een aantal cijfers blijkt dat men elk jaar
opnieuw het daartoe voorziene budget niet opgebruikt. Daar zijn
verschillende oorzaken voor. Een aantal pijnpunten zijn
onvoldoende uitgeklaard en om die reden wil ik dit probleem
vandaag extra belichten. Momenteel is er een enorme achterstand
bij de federale aankoopcomités en onteigeningscomités. Dat is
geen nieuw probleem. Het werd ook tijdens de vorige legislatuur
aangekaart en verdient dan ook een oplossing. Mevrouw de
minister, u zou in het verleden contact hebben gehad met de
bevoegde federale minister van Financiën Reynders om te werken
aan en te streven naar een oplossing. Die oplossing bleef echter
uit. En ook nu blijken de onteigeningsen aankoopcomités geen
spoed te zetten achter onteigeningsdossiers. De enige oplossing
is de regionalisering. Ik vrees dat we ook daar nog even op
zullen moeten wachten.
Minister, u zult de problematiek opnieuw
moeten aankaarten. Misschien moet u die wel eens voorleggen op
het Overlegcomité wanneer het niet lukt met minister Reynders
alleen. Er blijkt ook nog heel wat te schorten aan de
communicatie met de lokale besturen. Zowel de slechte
communicatie met de Vlaamse overheid en de gemeentebesturen als
module 13 zorgt op het terrein voor problemen. Module 13 van het
mobiliteitsconvenant is de module die de subsidiëring van
fietspaden langs gewestwegen regelt. Deze module bepaalt dat de
gemeentebesturen de vereiste onteigeningen uitvoeren. En daar
wringt al het schoentje. Na de moeilijke procedure bij de
aankoop- en onteigeningscomités is de onteigening van grond voor
de aanleg van een fietspad niet altijd een even populaire
maatregel. Ik vraag me af of gemeentebesturen hier verzuimen hun
taak uit te voeren. Of moet de Vlaamse overheid onteigenen 2
Parl. Hand. Vl. Parl. 2009-10, 14 oktober
2009, p. 33-39. wanneer ze een fietspad wil aanleggen
langs een gewestweg? Moet module 13 misschien niet worden
bijgestuurd zodat het Vlaamse Gewest verantwoordelijk wordt voor
de aanleg van een fietspad langs een gewestweg en niet de
gemeente? Die vraag hoor ik vaak bij de lokale besturen.
Ook de aanleg van een riolering zorgt in vele
gevallen voor vertraging. Dat heeft natuurlijk ook met
meerjarenplanning en budgettaire maatregelen te maken. Dit alles
maakt dat er soms voorzien is in financiële middelen zonder dat
het dossier of project volledig klaar is voor uitvoering. Zeker
voor wat de fietspaden langs gewestwegen betreft, moet de
Vlaamse overheid meer haar verantwoordelijkheid nemen. Jammer
genoeg drukken een aantal tragische gebeurtenissen ons met de
neus op de feiten. Ik verwijs dan naar het ongeval dat vorige
week plaatsvond in Kasterlee. De burgemeester van Kasterlee die
hier aanwezig is, kan bevestigen dat er heel wat frustratie
heerst bij de burgemeesters over de te volgen werkwijze om een
fietspad aan te leggen op een gewestweg. Het is bovendien
ontoelaatbaar dat er zulke fietsstroken op een drukke gewestweg
liggen in plaats van een degelijk, apart fietspad. In reactie op
heel die discussie over de fietspaden lieten verschillende
burgemeesters weten dat al die ruimtelijke regeltjes in de
praktijk niet werken. Hiermee verwijst men ook naar het
fietsvademecum dat oplegt hoe men eigenlijk een fietspad moet
aanleggen. Daardoor zien veel gemeentebesturen af van de
subsidiëring, of leggen ze zelf hun fietspad aan zonder
tegemoetkoming van het Vlaamse Gewest.
Minister, iedereen is ervan overtuigd dat er
nood is aan bijkomende fietspaden langs Vlaamse wegen. We moeten
dan ook durven inzien dat we verkeerd bezig zijn en dat er moet
worden gezocht naar een andere manier om sneller en efficiënter
te kunnen overgaan tot de aanleg van degelijke en vooral veilige
fietspaden in Vlaanderen. Ik vind het ook ontoelaatbaar dat we
in tijden van crisis worden geconfronteerd met slapende gelden.
Die moeten zo snel mogelijk worden vrijgemaakt voor andere
belangrijke projecten die niet kunnen worden uitgevoerd omwille
van financiële tekorten.
Minister, is er binnen de Vlaamse overheid een
inventaris van die afgesloten module 13-convenants zodat we
kunnen zien waar het probleem zich voordoet? Welke zijn in
uitvoering en welke kunnen om een of andere reden niet
uitgevoerd worden? Op die manier kan het probleem beter worden
gedetecteerd en opgevolgd zodat er ook geld kan vrijkomen voor
andere projecten. Hoe wordt er overleg gevoerd tussen de Vlaamse
Regering en de lokale besturen over de uitvoering van een
fietspadproject als het convenant ondertekend is? Is module 13
van het mobiliteitsconvenant volgens u duidelijk genoeg over de
manier waarop de uitvoering van een project moet gebeuren? Ik
denk dan aan een bijsturing om de verantwoordelijkheid voor
onteigening toe te wijzen aan de Vlaamse overheid. Als de
Vlaamse overheid een fietspad wil aanleggen langs een gewestweg,
moet zij zelf meer verantwoordelijkheid nemen en die niet
afschuiven op de gemeenten.
Bent u bereid om het fietsvademecum opnieuw
onder de loep te nemen en te verfijnen zodat het niet langer een
hindernis is, maar een toegevoegde waarde betekent voor de
aanleg van fietspaden? Werden er in het verleden afspraken
gemaakt met minister Reynders over de problematiek van de
aankoop- en de onteigeningscomités? Zo ja, welke afspraken
werden dan gemaakt om tot een werkbare oplossing te komen? Werd
deze problematiek al aanhangig gemaakt op het Overlegcomité? Zo
niet, zou ik u willen vragen dat probleem elke keer opnieuw aan
te kaarten bij het Overlegcomité zodat er eindelijk naar ons
wordt geluisterd.
De voorzitter: De heer Roegiers heeft het
woord.
De heer Jan Roegiers: Dit probleem is
vorige week tijdens de plenaire vergadering ingeleid. Mevrouw
Van den Eynde heeft dat hier opnieuw gedaan. Ik zal me dan ook
beperken tot mijn vragen.
Minister, wat is de reden dat de voorziene
budgetten niet werden gebruikt? Kan hieraan op korte termijn
verholpen worden? Welke stimuli kunnen worden ingezet? Indien de
procedures voor gemeenten te omslachtig blijken of conflicteren
met andere procedures die nodig zijn voor bijvoorbeeld het
aanleggen van rioleringen en dergelijke, hoe kunnen die
procedures dan vereenvoudigd of op elkaar afgestemd worden?
Vindt u de uitbouw en het onderhoud van een functioneel en
veilig fietsroutenetwerk nog prioritair, en voorziet u bijgevolg
in de nieuwe begroting in het behoud van de oorspronkelijke
budgetten?
Een van de zaken die vorige week ruim onder de
aandacht is gebracht en waar ook mevrouw Van den Eynde het over
had, is het slecht functioneren van de comités van aankoop. We
zijn vragende partij om die te regionaliseren. Dat zit er echter
nog niet onmiddellijk in. Ik roep de collega’s op om over de
partijgrenzen van meerderheid en oppositie heen een resolutie op
te stellen die de regering de nodige steun kan verlenen om dit
probleem aan te kaarten binnen bijvoorbeeld het Overlegcomité.
Ik zie echter ook nog andere mogelijkheden. Ik vraag me af of we
niet tot een overeenkomst kunnen komen met de federale overheid
waarbij de Vlaamse overheid Vlaamse ambtenaren toevoegt aan het
comité van aankoop, die uiteraard verantwoordelijk zijn voor de
Vlaamse dossiers en bevoegdheden. Wanneer alles is afgewerkt,
moet de commissaris enkel nog zijn handtekening zetten. Daardoor
wordt de doorlooptijd veel korter en moeten we niet wachten op
het moment dat het aankoopcomité wordt geregionaliseerd. Mijn
oproep is dus tweeledig. Ik vraag om de mogelijkheid te
onderzoeken om met de verschillende partijen tot een resolutie
te komen. Elke fractie kan dan nagaan of ze achter die oproep
kan staan.
De voorzitter: De heer Van den Heuvel
heeft het woord.
De heer Koen Van den Heuvel: Ik wil even
ingaan op de laatste suggestie van de heer Roegiers over de
problemen van het aankoopcomité. Op het einde van de vorige
legislatuur is daarover een voorstel van decreet ingediend door
de heer Sauwens en mezelf in de commissie voor Binnenlands
Bestuur. Binnen de meerderheid bestond daar echter geen
eenstemmigheid over. Die zorg is wel opgenomen in het
regeerakkoord. Daarin staat duidelijk dat de Vlaamse Regering
dit via erkende landmeters en schatters zal uitbesteden aan de
privésector. Zo kunnen de lokale besturen verder gaan met het
dossier.
Wat de vragen betreft, wil ik vanuit mijn
praktische ervaring van burgemeester een oproep doen en een
vraag stellen aan de minister. Ik vraag u efficiënt te werken en
zowel de regeltjes als de procedures te vereenvoudigen. Iedereen
kent voorbeelden van de regeltjes uit het fietsvademecum. Wij
willen voor alle subzaken een ideaaltypische oplossing. Het
voetpad moet minstens 1,5 meter zijn, het fietspad moet minstens
1,75 meter zijn, er moet een open gracht zijn voor gescheiden
waterzuivering. Die open gracht mag echter niet te diep zijn en
mag niet naast het voetpad en fietspad liggen, anders kan men in
die gracht terecht komen. Er moet dus een haagje tussen staan.
De rooilijn moet dan drie of vier meters worden opgeschoven. Met
al die voorwaarden organiseren wij het immobilisme zelf. We
moeten af en toe van die voorwaarden kunnen afwijken. We
sakkeren soms op de ambtenaren maar zij doen ook alleen maar hun
werk. Die regeltjes staan nu eenmaal zo in het fietsvademecum.
Zij kunnen niets anders doen dan die toepassen.
Ik wil dan ook oproepen om het kind met het
badwater niet weg te gooien maar wel enige pragmatische wijsheid
aan de dag te leggen, het alternatief van onze
minister-president voor de federale rustige vastheid. Ik pleit
voor pragmatische wijsheid in dit dossier, om een en ander
vooruit te helpen.
Dan zijn er nog de procedures. Minister, ook wat
dat betreft, wil ik u oproepen om in de start-, ontwerp- en
projectnota’s, in de gemeentelijke begeleidingscommissies (GBC’s)
en de provinciale auditcommissies (PAC’s) de bijzaak van de
hoofdzaak te onderscheiden en in die procedures te snoeien,
zodat de doorlooptijd sterk afneemt. Dat is eenvoudig te doen.
Minister, neem het initiatief. Heel wat burgemeesters, heel wat
Vlamingen zouden dat toejuichen.
De voorzitter: De heer Watteeuw heeft het
woord.
De heer Filip Watteeuw: Mijnheer de
voorzitter, ik heb mijn vragen vorige week al kunnen stellen,
maar op twee elementen van het antwoord van toen wil ik nog even
voort ingaan. Andere leden hebben er al op gewezen. Ik had graag
geweten hoe zal worden gezocht naar andere mogelijkheden voor de
aankoopcomités. De heer Roegiers opperde hier al één
mogelijkheid, namelijk samenwerken met de federale overheid. Een
betere mogelijkheid lijkt me veeleer in de lijn te liggen van
wat de heer Van den Heuvel naar voren heeft gebracht. Dat is
inderdaad al in een decreet naar voren gekomen. Hoe wil de
regering daar voort mee omspringen?
Ik heb toen ook gezegd dat het goed zou zijn,
mocht het gewest meer verantwoordelijkheid nemen bij de aanleg
van fietspaden. Het is hier al aangehaald: heel wat gemeenten
hebben inderdaad moeilijkheden om die fietspaden te
verwezenlijken. Eigenlijk zou het gewest daar meer
verantwoordelijkheid voor moeten nemen.
De voorzitter: Mijnheer Watteeuw, u bent
vorige week tussengekomen naar aanleiding van een actuele vraag.
In Nederland heet dat blijkbaar een ‘tweede termijn’. Nu kan er
hier een goede uitwisseling plaatsvinden. Dat is veel beter. De
vraag om uitleg is hier het geknipte instrument voor. Daarom heb
ik ook die twee vragen toegelaten. Het zijn heel zinvolle
vragen. U ziet dat heel veel mensen met die problematiek bezig
zijn.
De heer Kennes heeft het woord.
De heer Ward Kennes: Mijnheer de
voorzitter, ik ga ter zake ook voor een eerste termijn.
Mevrouw Van den Eynde heeft net verwezen naar
het dodelijk ongeval dat op de gewestweg N134 plaatsvond, op een
aanliggend fietspad. Een fietser werd daar aangereden en
dodelijk verwond. Het drama is dat ter zake al meer dan
anderhalf jaar ervoor een module 13 was afgesloten.
Maandag, de dag na het ongeval, was er een
vierde coördinatievergadering gepland met betrekking tot de
aanleg van dat fietspad. Ik heb me uiteraard laten informeren
over de gang van zaken. Men meldt me dat er nog maar heel weinig
is bereikt na vier vergaderingen, waarbij toch diverse
gemeenten, het Agentschap Wegen en Verkeer, een studiebureau en
andere diensten betrokken zijn. Onder meer blijkt het voor het
studiebureau nog altijd niet zo duidelijk wat de procedure
precies is. Het is al te veel met plannen bezig, terwijl het
eigenlijk eerst nog alternatieven moet zoeken en via de GBC en
de PAC moet aantonen dat een aantal van die alternatieven niet
goed zijn. Dan wordt er een bepaald alternatief gekozen. Pas dan
mag voor dat alternatief worden gepland.
Ik heb de indruk dat toch nog niet iedereen in
Vlaanderen die met die materie bezig is, de juiste procedure en
de juiste gang van zaken kent. Op dat vlak lijken er me nog
verbeteringen mogelijk. Dat kan beter worden gestroomlijnd. Die
informatie kan beter doorstromen. Met betrekking tot de
regionalisering van de aankoopcomités sluit ik me heel graag aan
bij alle collega’s. In afwachting kunnen er misschien ‘best
practices’ worden uitgewisseld. Er zijn immers al een aantal
zaken uitgeprobeerd, met studiebureaus, met landmeters
enzovoort, om assistentie te verlenen bij die onteigeningen, in
overleg met het aankoopcomité. Misschien heeft de ene praktijk
meer succes gehad dan de andere. Het uitwisselen daarvan kan de
zaak misschien vooruithelpen indien we nog even moeten wachten
op de staatshervorming.
De voorzitter: Dat laatste was een heel
leuke opmerking. De heer Reekmans heeft het woord.
De heer Peter Reekmans: Minister, ik
wilde geenszins beweren dat u een week nodig had om te denken.
Wel bedoelde ik dat het nuttig was dat we dat debat hebben
geopend in de plenaire vergadering. Vandaag kunnen we daar voort
ten gronde op ingaan, zodat partijen een week de tijd hebben
gehad om daar voort over na te denken. Dat heb ik zelf ook
gedaan. Iedereen heeft het hier altijd over die module 13, maar
ik hoor hier niets over module 11. Ik vind dat een heel
belangrijke module. Ik vraag me af of die module 11 wel wordt
toegepast.
Ten behoeve van de leden wil ik even zeggen wat
het verschil is. Bij module 11 moet de lokale overheid volledig alles voorfinancieren en
betalen. Bij module 13 betaalt het Vlaamse Gewest. Op zich zegt dat al voldoende. Ik vraag
me zelfs af of die module, waarbij de lokale overheid het initiatief moet nemen en ook met de
voorfinanciering zit, wel werkt. Ik heb daar geen cijfers over. Is het verschil tussen die
twee modules wel nuttig? We moeten immers eerlijk zijn: als de lokale overheid kan kiezen
tussen voorfinanciering en alles zelf betalen, dan kiezen de meeste lokale overheden toch voor
voorfinanciering, zodat ze geld vrij hebben voor andere projecten. Er zou dus een module
moeten bestaan waarbij het Vlaamse Gewest volledig het initiatief neemt.
Minister, ik geef u een concreet voorbeeld. Ik
ben tevreden dat ik net een antwoord binnenkrijg op een schriftelijke vraag aan uw diensten. Dat
gaat daadwerkelijk over een module 13, die in april 2008 werd aangevraagd door mijn
gemeente, Glabbeek, voor fietspaden langs de gewestweg N29. Het antwoord dat ik nu krijg op
die schriftelijke vraag, is dat daar in de planning van het Agentschap Wegen en Verkeer
totaal nog geen rekening mee is gehouden, en dat het zelfs helemaal nog niet duidelijk is
wanneer met die werken kan worden begonnen.
Nu is het bijna een jaar later. Er kan dus geen
uitleg worden gegeven over een aanvraag voor fietspaden uit april 2008. Dan begrijp ik dat
twee derde van het budget niet is opgebruikt sinds 2000. Daarom ben ik tevreden over de
uitspraak van de collega van CD&V, die stelde dat we mee verantwoordelijk zijn voor het
immobilisme dat vandaag bestaat. Maar doe er dan iets aan, denk ik dan. De meerderheidspartijen
hebben de mogelijkheid om daar iets aan te doen, via hun ministers en via de regering. We
kunnen in deze commissie blijven zeggen dat het vooruit moet gaan, terwijl het niet
vooruitgaat.
Ik denk dat de voorwaarden voor heel veel
fietspaden, in de vorm van grachten, haagjes, boompjes en plantjes, allemaal een klein beetje
te zwaar wegen en het onmogelijk maken snel te werken. We moeten voor één ding gaan:
degelijke en veilige fietspaden in Vlaanderen. We moeten heel veel van die randzaken laten vallen.
Dan kan er wel worden gewerkt en zullen we niet moeten zien dat twee derde van het
budget op negen jaar tijd niet werd opgebruikt.
De heer Jan Peumans: Mijnheer Reekmans, u bent
nieuw in deze commissie, maar in de vorige legislatuur hebben we in deze commissie
die mobiliteitsconvenanten uitgebreid geëvalueerd. De heer Frans Peeters was daar een van de
voortrekkers van. We hebben daar heel zware discussies over gehad met de regering. Het
parlement heeft toen eigenlijk aangeraden te stoppen met een aantal van die modules, omdat
dit een administratieve rompslomp is. Eigenlijk zou u eens moeten nakijken in het
rapport wat de adviezen zijn geweest van de Vereniging van Vlaamse Steden en Gemeenten, van
het Agentschap Wegen en Verkeer en van De Lijn. Die moet u onbevangen lezen, en dan
moet u bekijken wat de ministers daarop hebben geantwoord. Dan zult u een verschil
merken. De administratie vroeg dat er alstublieft met een aantal van die dingen zou worden
gestopt, maar de politiek wou een aantal van die dingen voortzetten. Dat is een heel belangrijk
onderscheid in deze kwestie. De heer de Kort was toen aanwezig, net als mevrouw Van Brempt en
ook een zekere mevrouw Crevits, geloof ik. (Opmerkingen)
Het ging over de hele evaluatie die we hebben
gemaakt van de modules. Dat moeten we hier eens ter sprake brengen, en ook de overige
modules.
De heer Peter Reekmans: U merkt terecht op dat
het over de vorige legislatuur gaat. Het wordt dan ook tijd dat er iets wordt gedaan aan
die modules.
De heer Jan Peumans: Daarom zullen we dat ook
opnemen in de regeling der werkzaamheden. We zullen daar in de loop der tijden eens op
terugkomen. Dat is mijn suggestie. Minister Crevits heeft het woord.
Minister Hilde Crevits: Voorzitter, collega’s,
in het regeerakkoord staat heel uitdrukkelijk dat de modules heel grondig zullen worden
herbekeken. Er zijn in de vorige legislatuur inderdaad discussies geweest, onder andere over de
geluidsschermen. Ik heb toen gezegd dat we die niet zouden afschaffen en dat ze moesten
worden geënt op de Europese normen. Intussen zijn die aan het landen.
Er is ook een discussie geweest over module 11
en module 13. Er zijn een aantal goede suggesties gedaan, maar ik ga de problemen toch een voor
een overlopen. Dat de middelen nu nog niet zijn opgebruikt, wil niet zeggen dat er
geen projecten zijn. De middelen zijn allemaal gelinkt aan projecten, maar ze worden om de een
of andere reden nog niet gerealiseerd op het terrein. We zien het fietspad met andere woorden
nog niet liggen. Als je vandaag die modules afschaft, moet je dus sowieso het verleden nog
helemaal afwerken en zorgen dat die fietspaden gerealiseerd worden.
Er is een opmerking gemaakt over het
fietsvademecum. Die opmerking is mij bekend. Op dit ogenblik is er een werkgroep actief die de
herziening van het vademecum trekt, om zo tot een zekere pragmatiek in dat vademecum te komen.
Mevrouw Van den Eynde merkte op dat je uiteindelijk een monsterweg moet hebben voordat
je een fietspad kunt realiseren. Waarom moet je je fietspad altijd aanleggen langs een
gewestweg? Als het veilig is, is het goed, maar als er geen plaats is, moet je misschien
alternatieven zoeken. We gaan dat functionele fietsroutenetwerk dus ondersteunen. Dat is een absolute
prioriteit, mijnheer Roegiers.
Collega’s, een belangrijk deel van de middelen
die voor fietspaden zijn vastgelegd, is niet uitgegeven. Het is wel de bedoeling dat die
fietspaden effectief gerealiseerd worden, sommige uitzonderingen wellicht niet te na gesproken,
dat zijn dan de gevallen waarbij de gemeenten het fietspad niet meer moeten hebben. Dat heeft
dan ook altijd zijn oorsprong. Ik stel wel vast, zeker in module 13, dat de
termijn tussen de vastlegging van de middelen en de realisatie op het terrein veel te lang is.
Vooral bij de start van de module 13 in 2000 zijn de financiële middelen in een veel te vroeg stadium
vastgelegd. Er werden toen subsidies vastgelegd op basis van een eenvoudig briefje met een ruwe
schatting van de kosten. Zelfs het lokale mobiliteitsplan zat op dat ogenblik pas in de
oriëntatiefase. Men was nog aan het uitzoeken waar men wat zou gaan doen. Er gingen ook vaak
jaren voorbij voordat er een degelijk en kwalitatief project goedgekeurd kon worden. Pas
daarna konden de onteigenings- en aanbestedingsprocedures starten.
In 2007, onder meer ook na een debat hierover,
zijn er een aantal wijzigingen doorgevoerd. Er werd beslist om de centen in een later
stadium vast te leggen. Nu verloopt het zo: je ondertekent een module, maar de middelen worden pas
vastgelegd nadat de projectnota – de nota waarin het project helemaal beschreven wordt –
is goedgekeurd. Het effect daarvan is dat de doorlooptijd tussen de vastlegging en de
besteding van de middelen een stuk korter wordt. Als je in 2008 een bepaalde module ondertekend
hebt, moet je natuurlijk wel de procedure doorlopen. Je zult daar dus nog niets van zien
in de begroting, omdat de middelen niet worden vastgelegd zolang de projectnota niet is
goedgekeurd.
Een ander voorbeeld, waar we mijns inziens wel
goed bezig zijn, is de werking die wordt gerealiseerd via het Fietsfonds. In 2007 zijn we
met dat Fietsfonds gestart. Ook daar heb je een aantal fietspadprojecten die worden
gerealiseerd, maar het verschil is dat die projecten deel uitmaken van het bovenlokale functionele
fietsroutenetwerk en dat de gemeente een schakel realiseert die niet gelegen is op
gewestelijke grondgebied. De gemeente dient het project in, en de provincie en het Vlaamse
Gewest komen allebei voor 40 percent tussen. Je moet ook daar een procedure voor doorlopen en
ook daar zijn er vereenvoudigingen mogelijk. We zijn daar mee bezig.
Het Fietsfonds bestaat pas sinds 2007, maar er
zijn toch al een aantal projecten gerealiseerd. De middelen worden ook vastgeklikt op het moment
dat het dossier aanbestedingsklaar is. Dat maakt dat je ook gemakkelijker kunt
uitvoeren. De middelen voor het Fietsfonds die ingeschreven
waren voor vorig jaar en dit jaar, zullen nog niet volledig worden opgebruikt. Dat is ook
logisch. Een project dat je in 2007 opstart, nog in datzelfde jaar aanleggen, is een beetje
moeilijk. Ik vermoed dan ook dat we pas in 2010 op volle snelheid zullen komen. Er zijn op
dit moment alleszins enorm veel dossiers die in de eindfase zitten.
Naast het moment van vastlegging van de
middelen, zijn er natuurlijk nog andere hinderpalen. Ik verwijs daarvoor ook naar het debat dat al is
gevoerd in de voorbije week. Er zijn hier een aantal pistes gesuggereerd, onder meer de
landmeter. In het regeerakkoord staat ook de suggestie van de versnelde onteigening in
voortuinstrookjes. Er is mij een advies beloofd tegen eind november, onder meer over de
knelpunten en over de vraag of je al dan niet landmeters kunt inzetten. In zo’n scenario zou zich immers
het probleem kunnen voordoen dat je publieke en private informatie gaat mengen. We
moeten dat dus juridisch goed aftoetsen en ervoor zorgen dat we geen zaken doen die niet
kunnen.
De onteigeningsprocedures vormen eigenlijk de
achillespees van de hele problematiek. Ik ga eventjes terug in de geschiedenis. Een van de
redenen waarom men met de convenanten is gestart, was het feit dat men dacht dat de
gemeente dicht bij de mensen staat en dus misschien een versnelling teweeg zou kunnen brengen bij de
onteigeningen. Nu blijkt echter dat de gemeenten met exact dezelfde problemen worden
geconfronteerd als het Vlaamse Gewest. Vandaar ook dat ik in mijn middelen zie dat het
Vlaamse Gewest een deel van de onteigeningen al opnieuw zelf doet. De slinger is dus langzaam
aan het terugkeren. In 2003 zijn er met de FOD Financiën afspraken
gemaakt over een samenwerking tussen de administratie Wegen en de aankoopcomités, onder
andere over de gevaarlijke punten, de samenwerking met gespecialiseerde studiebureaus,
die door de gemeente ingeschakeld kunnen worden bij de voorbereiding, en het gebruik van
de standaardformulieren. Er zijn ook behandelingstermijnen vooropgesteld. Als je het
nu onmiddellijk zou willen oplossen, is er eigenlijk maar één oplossing is, namelijk de
aankoopcomités enorm versterken qua personeelsinzet. Dat kunnen wij nu evenwel niet doen, want de
aankoopcomités zitten niet bij ons.
We kunnen wel kijken of we er vanuit Vlaanderen
ondersteunend voor kunnen zorgen dat er gegevens worden aangeleverd en opgenomen. Er is een lijst van module 13-projecten, maar we
zien dat een aantal projecten niet vooruit raken. Van de projecten uit 2003 zien we dat 50
percent niet is gerealiseerd op het terrein. Wat ik mis, is een onmiddellijke oplijsting van
de problemen. Mijn administratie heeft opdracht gekregen om dit snel te screenen zodat we eind
2009 heel duidelijk weten welke problemen er zijn. Iedere gemeente heeft zijn eigen
ervaring, maar er zijn ook objectieve schakels.
Het is logisch dat je een fietspadproject
combineert met het rioolproject voor de riool die eronder loopt. Om bij de Vlaamse
Milieumaatschappij (VMM) hoog in de ranking te geraken, moet je voldoende vervuilende equivalenten
aantonen. Dat betekent dat een gemeente die nood heeft aan een fietspadinfrastructuur
langs een gewestweg, maar waar een riool onderdoor loopt en waar weinig huizen langs staan, laag
scoort op de vervuilende ladder. In 2007 hebben we gezegd dat gecombineerde
projecten weg-riool-fietspad automatisch in de prioritaire groep terechtkomen. Zo kunnen er al
een aantal dossiers gedeblokkeerd worden.
Ik ga akkoord met wat u zegt over de
doorlooptijd van de procedure. We moeten ons de vraag stellen waarom een bepaalde module is ingevoerd
en waarom een convenantenprocedure is ingevoerd. Wat is de meerwaarde en is die
meerwaarde gerealiseerd? Er is hier al gezegd dat men telkens de hele
procedure moet doorlopen. Men moet een voorbereiding en een bespreking van de startnota doorlopen
binnen de gemeentelijke begeleidingscommissie. Daarna moet de conformverklaring van de
startnota binnen de provinciale auditcommissie gebeuren. Dan volgt de
voorbereiding en de bespreking van de projectnota binnen de gemeentelijke begeleidingscommissie en
de bespreking en de conformverklaring van de projectnota binnen de provinciale
auditcommissie.
Deze procedure heeft een aantal voordelen, onder
andere wordt zo de kwaliteit van het project bewaakt. Voor sommige projecten – en ik ken er
een paar – is dat absoluut noodzakelijk. Er zijn projecten waarbij je moet afwegen of je
een enkelzijdig fietspad legt of een dubbel fietspad, waarbij je de oversteekplaatsen goed
moet bekijken om geen gevaarlijke situaties te creëren. Maar er zijn ook een pak dossiers
waarbij dat eigenlijk niet nodig is. Ik heb vorige week al voorgesteld om bijvoorbeeld voor
projecten onder een bepaald bedrag, gewoon één projectnota te maken. Dat zou al een halvering
van de procedure zijn.
Dan is er nog een klein probleem met het
Fietsfonds. De provincies en het Vlaamse Gewest ondersteunen dit. De provincies hebben
uitdrukkelijk die opdracht gekregen omdat wij de gewestwegen hebben overgenomen. Het
fietspaddossier wordt nu op twee niveaus helemaal gescreend. Het lijkt me evident dat het dossier
op één niveau wordt gescreend en dat de andere administratie de screening aanvaardt. Deze
consensus moet vrij gemakkelijk te vinden zijn. Op dit moment wordt hierover onderhandeld.
De gedeputeerden van de provincie zijn bij mij
geweest. We hebben de knelpunten opgelijst en we zijn nagegaan hoe we elkaar kunnen
versterken. Het enige doel is immers ervoor te zorgen dat het bovenlokale fietsnetwerk de
komende jaren forse stappen vooruit zet. We moeten niet te lang wachten met de
hervorming, maar we moeten wel de juiste gegevens hebben. We moeten een lijst van knelpunten
hebben. De Vereniging van Vlaamse Steden en Gemeenten (VVSG) moet betrokken worden. We
moeten de oude evaluatie erbij nemen, maar we mogen niet het kind met het badwater
weggooien. Er zijn een aantal goede zaken gerealiseerd, maar we moeten zorgen dat elke
afspraak die wordt gemaakt, een duidelijke meerwaarde heeft.
Hoe wordt dit aangepakt? De evaluatie is bezig.
De afspraak voor overleg met de VVSG is gemaakt. De Vereniging van de Vlaamse Provincies
(VVP) is al bij mij geweest. Ik hoop snel vooruit te gaan. Het is wel van belang dat we ook de kwaliteit
die de voorbije jaren is opgebouwd, proberen aan te houden. Ik hoor van heel veel lokale
overheden dat ze blij zijn dat er een vademecum is en dat er dus een leidraad is waarop de
administratie kan terugvallen om te komen tot een bepaalde realisatie. Het vademecum wordt op dit moment herzien. Op
het bovenlokaal fietspadennetwerk zijn er een aantal ondergeschikte wegen die deel
uitmaken van het netwerk, maar die eigenlijk bestemd zijn voor gemengd verkeer. Voor zulke wegen
moeten elementaire kwaliteitsnormen gelden.
Mijnheer Roegiers, ik vind de uitbouw nuttig en
nodig. Er wordt ook verder in geïnvesteerd. We moeten de knelpunten uit het verleden
onderzoeken en proberen op te lossen op een pragmatische maar veilige manier. Er zijn in het verleden een aantal goede dingen
gebeurd. Collega Van Brempt en ikzelf gingen op het einde van het jaar telkens na wat er
gerealiseerd was en hoe we dingen konden versnellen met de reglementering zoals ze is. De
voorbije legislatuur is de fietstoets ingevoerd die een beetje tegemoetkomt aan de module
beheersing. Het is zeer gek dat, als het Vlaamse Gewest een weg heraanlegt, het fietspad
niet mee wordt heraangelegd omwille van het bestaan van een bepaalde module. Als het
gaat om een fietspad langs een gewestweg, doe je best de fietstoets.
Er is de tweejaarlijkse inspectie. Ik vind de
visuele inspectie van de toestand van de fietspaden zeer belangrijk. Het rapport-Heleven – de
inspectie van de wegen – is hier intussen legendarisch geworden. Het geeft iedere keer aan wat er goed
is en wat er slecht is. Het is niet mijn mooiste dag. Het rapport moet wel gebruikt
worden om wegenwerken te organiseren. Ik vind de evaluatie van de fietspaden ook
belangrijk. Je ziet zo de kwaliteit van een fietspad en je ziet ook waarin je moet investeren. Het is
niet omdat er een ligt, dat het goed is. Module 11 is niet zo populair. Ik heb ooit eens
statistieken meegebracht: de gemeenten hebben module 11 niet graag omwille van de procedurele
lasten. Het gaat over projecten langs gewestwegen op kosten van het Vlaams Gewest. De
filosofie is dat een gemeente zo’n project kan versnellen, als ze zo’n convenant sluit. Ik
denk dat het in de toekomst het meest nuttig zou zijn om bij zulke projecten geïntegreerd te
werken, dat wil zeggen dat de weginfrastructuur en de fietspadeninfrastructuur tegelijkertijd op
een kwalitatieve manier moet worden onderhouden. We proberen het te vermijden, maar
er zijn nog altijd dossiers waar enkel aan de weg en niet aan het fietspad wordt gewerkt.
Het gaat niet op dat enkel de weg wordt onderhouden en niet het fietspad. Het lijkt me zo evident
dat dat geïntegreerd gebeurt. (Opmerkingen van de voorzitter)
Daarom vermeld ik ze ook. Soms gaat het zelfs
over het gebruik van een kleinere of grotere machine. Daarin moeten we gewoon voorzien in de
bestekken. Wat mij betreft, is dat een belangrijk aandachtspunt.
De voorzitter: Mevrouw Van den Eynde heeft het
woord.
Mevrouw Marleen Van den Eynde: Minister, ik dank
u voor uw zeer uitgebreid antwoord. Voorzitter, ook u dank ik omdat u ons nog de
gelegenheid hebt gegeven een zeer nuttig debat te voeren. Het antwoord van de minister was heel
duidelijk. Het is heel moeilijk om een heel nuttige discussie te voeren op de korte tijd
tijdens het vragenuurtje. Daarom heb ik mijn vraag in de commissie ook aangehouden. De inbreng van
de heer Kennes toont ook aan dat er op het terrein heel schrijnende situaties bestaan
en dat er – terecht – heel wat frustratie bestaat bij de lokale besturen.
Minister, twee jaar geleden hebben we een heel
nuttig debat gevoerd. Daaruit zijn een aantal resoluties voortgekomen. Voorzitter, dat debat
moet zeker opnieuw gevoerd worden. Module 11 en module 13, die zaken moeten toch allemaal
eens herbekeken worden. Een aantal aanpassingen zijn toch echt wel noodzakelijk.
Mijnheer Reekmans, ik heb niet verwezen naar
module 11 omdat mijn vraag vooral gericht was op module 13, op de problematiek langs de
gewestwegen. Ik heb het gevoel dat het Vlaamse Gewest zijn verantwoordelijkheden
afschuift op de lokale besturen. Een gewestweg is een gewestweg. Het gewest moet die weg
volledig aanleggen. Het moet de besturen niet belasten met onteigeningen. Het Vlaamse Gewest
wentelt zijn verantwoordelijkheid af op de lokale besturen. Ik zou dat ongedaan willen
maken, eventueel bij de evaluatie van het mobiliteitsconvenant.
Minister, ik ben wel heel tevreden dat er werk
zal worden gemaakt van het fietsvademecum. Naar aanleiding van een ander debat hebben we al
eens gevraagd dat vademecum te herbekijken, vooral in positieve zin. In sommige dossiers
doet die regulitis ons de nek om.
Het Fietsfonds werd in 2007 opgericht. Het zou
een vooruitgang kunnen betekenen. Het is echter te vroeg om te zien wat het effect
daarvan is. Uw screeningstoets betreffende de onteigenings- en aankoopcomités lijkt me ook een
heel goede zaak. U moet echter ook de federale overheid blijven wijzen op haar
verantwoordelijkheid. Het kan niet dat Vlaanderen telkens weer alternatieven moet zoeken. Dat is
natuurlijk heel belangrijk om problemen op te lossen. De federale overheid is echter
verantwoordelijk voor de problematiek. Een aantal dossiers gaan niet vooruit.
Minister, u hebt bevestigd dat de
inventarisering belangrijk is. Uiteindelijk kan men daardoor een aantal problemen detecteren. Ik dring er dan
ook op aan er verder werk van te maken om andere modules te inventariseren. Ik heb het
gevoel dat u het probleem van de inventarisatie wilt opvolgen. Het overleg met de provincies lijkt me een goed
idee, maar eigenlijk hebt u nu weer aangetoond dat provincies overbodig zijn: ze doen net
hetzelfde als het Vlaamse Gewest.
Ik voel aan dat u de problematiek over de aanleg
van fietspaden heel stelselmatig zult aanpakken. Ik heb daar een heel goed gevoel bij. Ik hoop
dat u dat dossier tot een goed einde brengt, zodat er volgend jaar – hopelijk – een
tekort is op het budget omdat er zo veel fietspaden zijn aangelegd in Vlaanderen.
De voorzitter: De heer Roegiers heeft het woord.
De heer Jan Roegiers: Minister, ik wil u danken
voor uw formele toezegging dat het een prioriteit in uw beleid blijft. Dat is goed. Er
werd een paar keer verwezen naar het overleg met de provincies. Misschien moet u daar maar
eens opperen om de provinciale audits, waarlangs men altijd moet passeren – zelfs twee keer als
ik me niet vergis – uit die procedures te halen. Dat zou de procedure al heel wat korter
maken. Ik kijk uit naar de knelpuntennota, die u eind
november zult ontvangen, met betrekking tot het inzetten van landmeters of andere
functionarissen inzake de onteigeningen en het ontlasten van de comités van aankoop.
Voorzitter, ik hoop dat mijn vraag ontvankelijk
wordt verklaard. Eind november, begin december moet ik anders maar eens luisteren naar de
resultaten van die knelpuntennota.
De voorzitter: U hebt een punt. Als een minister
een toezegging doet in de commissie, dan wordt die genoteerd op de datum dat die wordt
gedaan. Ze wordt trouwens toegevoegd aan het verslag. Dat is geïnspireerd op het
Nederlandse systeem. De minister heeft een toezegging gedaan. De
commissiesecretaris en ikzelf hebben die genoteerd. Achteraf kan worden nagegaan wat daarmee
gebeurt. Met sommige ministers hebben we wat dat betreft goede, en met andere slechte
ervaringen.
Minister Hilde Crevits: Voorzitter, ik heb
vandaag mijn kabinetschef meegebracht, de heer Filip Boelaert. Niet iedereen kent hem. U zult
ook de anderen leren kennen. Ik wist echter ook dat het een belangrijke namiddag zou zijn.
We hebben overlegd hoe we de toezeggingen zouden onthouden en ervoor zorgen dat ze worden
nageleefd.
De voorzitter: De heer Reekmans heeft het woord.
De heer Peter Reekmans: Minister, we hebben het
gehad over de provinciale auditcommissies en de provinciebesturen. Het is toch te gek voor
woorden. U moet de deputés van de provincies bij u roepen om de aanvragen van
lokale besturen te behandelen. Dat wijst erop dat én de lokale besturen, én de
provinciebesturen, én het Vlaamse Gewest met verkeer bezig zijn. Als een tussenniveau als de
provincie verdwijnt, zouden de dossiers iets sneller vooruit gaan.
Wat me nu vooral zorgen baart, is de uitspraak
die u deed in de media. U stelde dat maar 23 percent van het 11.000 kilometer lange
fietsnetwerk in Vlaanderen volledig in orde is en dat het raden was wat aan het andere 77 percent
schort. Dat is toch wel een belangrijke uitspraak. Vandaag weten we zelfs nog niet wat aan die 77
percent schort. En dan mag het nog allemaal sneller gaan. U zegt dat de opvolging van de
ingediende aanvragen blijkbaar onbestaande is. Daarnet hebben we gediscussieerd over het
herzien van het fietsvademecum, dat pas sinds de vorige legislatuur af is.
(Opmerkingen)
We zullen het nu al herzien. Tegelijkertijd zegt
u dat voor die 77 percent de Mobiliteitsraad van Vlaanderen (MORA) zult inschakelen om na te
gaan wat nu een goed en wat een slecht fietspad is. Door op die manier te werken,
krijgt u geen beweging in die zaak. Ik roep u op een initiatief te nemen om een betere oplijsting
te krijgen van wat er gaande is met onze infrastructuur.
Mijn eigen gemeente heeft dat via module 13 in
april 2008 gedaan. Die aanvraag staat zelfs nog niet op een lijst bij het
Agentschap Wegen en Verkeer (AWV). Hoe kan men weten wat er scheelt als men er op een jaar tijd
nog niet eens in slaagt om dat te doen! Er moet inderdaad een inhaalbeweging gebeuren. Pas
dan kunnen we werk maken van degelijke infrastructuurwerken in Vlaanderen.
De voorzitter: Minister Crevits heeft het woord.
Minister Hilde Crevits: U hebt recht op het
laatste woord. Toch wil ik nog iets rechtzetten. Ik wil er ook geen hutsepot van maken.
De MORA heeft in zijn advies geschreven dat er
geen indicatoren zijn. Het gaat om opvolgingsindicatoren voor indicatoren, bijvoorbeeld over hoeveel
passages er op een bepaalde plaats zijn geweest. Er zijn wel allerhande
cijfers over het aantal vrachtwagens enzovoort. Die zijn echter nog niet door iedereen
gevalideerd en erkend. De strategische adviesraad heeft de handschoen opgenomen om een set van
indicatoren te ontwikkelen. Het gaat hier echter niet over het opvolgen van de indicatoren voor
het bovenlokaal functioneel fietsroutenetwerk. Het zijn strategische indicatoren om jaar na
jaar te kunnen zien hoe onze personenmobiliteit evolueert. We hebben dat ook bij het
goederenvervoer. Dat is de opdracht die we hebben aanvaard. Er bestaan cijfers, maar die zijn niet
wederzijds gevalideerd door de verschillende partners.
Wat het bovenlokaal functioneel
fietsroutenetwerk betreft, die 23 percent paden die in orde zijn, zijn die die al werden aangepakt. Van de
rest zijn er wel gegevens over welke er zijn, en die kregen dan een kleur om aan te geven of ze
al of niet in orde zijn. Veel paden liggen op gemeentelijk grondgebied. Er moet de visu worden
bekeken of daar iets aan moet gebeuren.
Je kunt van het Vlaamse Gewest niet verwachten
dat men het bovenlokaal functioneel fietsroutenet helemaal affietst. De gemeenten kunnen die
gegevens perfect leveren. Ik weet niet of de gegevens in het GIS correct zijn en of er nog
inspanningen gebeurd zijn. Dat heeft niets te maken met de indicatoren van de MORA. Ik wil die
twee zaken onderscheiden. De vorige Vlaamse Regering heeft beslist om de
provinciewegen af te schaffen. Maar als tegenprestatie hebben de provincies het
engagement genomen om middelen te investeren in verkeersveiligheid. Het Fietsfonds bestaat. Daar
zitten middelen in die worden geïnvesteerd in lokale projecten. De provincie heeft daar
veel werk in gestopt. Het bovenlokaal functioneel fietsroutenetwerk is op provincieaal niveau
vastgelegd. Het is dan ook logisch dat de provincies daar een rol in willen spelen.
De voorzitter: Het incident is gesloten.