Vraag om uitleg van de heer Jan Verfaillie tot de heer Geert Bourgeois, viceministerpresident van de Vlaamse Regering, Vlaams minister van Bestuurszaken, Binnenlands Bestuur, Inburgering, Toerisme en Vlaamse Rand, over de betaalbaarheid van de pensioenen van het personeel van de lokale besturen

Vraag om uitleg van de heer Marino Keulen tot de heer Geert Bourgeois, viceministerpresident van de Vlaamse Regering, Vlaams minister van Bestuurszaken, Binnenlands Bestuur, Inburgering, Toerisme en Vlaamse Rand, over het voorstel van de VVSG om een tweede pensioenpijler uit te bouwen voor het contractueel personeel van de gemeenten

De voorzitter: Wellicht ligt er een vergissing ten grondslag aan het feit dat deze samengevoegde vragen om uitleg niet zijn gekoppeld aan de actuele vraag die de heer Demeulemeester vorige week heeft gesteld. Zijn vraag ging ook over de tweede pensioenpijler. Hier wil ik u dus vragen u te beperken tot de thema’s die in de plenaire vergadering nog niet aan bod zijn gekomen. De heer Verfaillie heeft het woord.

De heer Jan Verfaillie: Mevrouw de voorzitter, mijnheer de minister, collega’s, ik dank u omdat deze vraag hier toch wordt geagendeerd. Ik zal vrij kort zijn, want een groot gedeelte van de discussie is al gevoerd. Maar de discussie is allesbehalve afgelopen. Want er is het financiële luik. Iedereen beseft dat er iets moet gebeuren, want ongeveer 60 percent van de personeelsleden van de gemeenten zijn contractuelen. Het pensioen van een contractuele verschilt enorm van dat van een statutair personeelslid. Ongeveer 80.000 personeelsleden zouden voor een regeling in aanmerking komen. De provincies zijn er niet bij betrokken: daar werken ongeveer 2.000 personeelsleden die met dat probleem zitten. Het was moeilijk de provincies daarbij te betrekken, want ze zijn geen vragende partij en de provincie Antwerpen heeft voor zijn personeelsleden een eigen systeem uitgewerkt. Ik ben wel een beetje ontgoocheld omdat u van het regeerakkoord geen gebruik hebt gemaakt om een eerste stap te zetten in de richting van een staatshervorming waarvan men op het federale niveau eigenlijk niets zou voelen. In het regeerakkoord staat heel uitdrukkelijk in verband met de tweede pensioenpijler dat de Vlaamse Regering zou “onderzoeken hoe Vlaanderen de lokale besturen kan helpen bij de opbouw van de tweede pensioenpijler”. Dat is een erg belangrijk gegeven. Dat staat heel expliciet in de tekst, en dat is niet het geval met de federaties van gemeenten.

U hebt de mogelijkheid om als Vlaams minister een eerste stap te zetten in de staatshervorming door ervoor te zorgen dat Vlaanderen op termijn de tweede pensioenpijler uitbouwt. Bestaan er daarvoor instrumenten? De VVSG heeft met de Rijksdienst voor sociale zekerheid van de provinciale en plaatselijke overheidsdiensten (RSZPPO) een overeenkomst afgesloten om zo’n systeem uit te bouwen. U weet ook dat de gemeenschappelijke sociale dienst van de gemeenten, die vroeger op federaal niveau bestond, nu is gesplitst. 95 tot 98 percent van de gemeenten is nu aangesloten bij de Vlaamse dienst. Die dienst zou men kunnen gebruiken als opstapje naar een tweede pensioenpijler.

Vlaanderen zou bijvoorbeeld een basisfinanciering kunnen aanbieden, voor een bedrag van tientallen miljoenen euro. Dat zou als een eerste bouwsteen van een verdere staatshervorming kunnen worden aangewend. Zo zou men kunnen zeggen dat Vlaanderen al gedeeltelijk zorgt voor het aanvullende pensioen van de contractuele lokale ambtenaren. Wat de kostprijs betreft, legt de RSZ-PPO ons op om extra bijdragen te storten ten voordele van de pensioenen van de statutairen. Veurne telt 12.000 inwoners. Die 2,5 percent extra komt voor de stad neer op een meeruitgave van 40.000 euro. 2 percent voor de tweede pijler komt neer op 60.000 euro. Het stadsbestuur zit dus al aan 100.000 euro. OCMW’s hebben het nog moeilijker, want doorgaans beheren ze een aantal rust- en verzorgingstehuizen. Het bedrag voor het OCMW zou 225.000 euro zijn om aan die 2,5 percent plus de 2 percent te voldoen. Men kan beslissen om te beginnen met 1 percent gedurende 1 of 2 jaar, maar dat is op termijn niet vol te houden. Prognoses tonen immers aan dat we op termijn een bedrag van 6 of 7 percent van de contractuele wedden extra moeten uitgeven om het verschil tussen de pensioenen van contractuelen en statutairen voor de helft te kunnen wegwerken. Op de gewone begroting van de stad Veurne van volgend jaar moet dus 325.000 euro extra worden ingeschreven. Alle gemeenten zijn dus gewaarschuwd. Gisterenavond nam ik aan het politiecollege deel. Ik vrees dat de andere steden en gemeenten zich nog niet realiseren wat er op hen afkomt. Iedereen is vandaag met de budgetten bezig.

Mijnheer de minister, ik denk dat er dringend een omzendbrief moet worden verstuurd. In elk geval moeten de gemeenten worden ingelicht over de uitbouw van de tweede pensioenpijler. Mijn twee collega’s op het politiecollege wisten alleszins nog niet dat ze daartoe werden verplicht. Ze hadden dat nog nergens gelezen, behalve in het blaadje van de VVSG. Onderrichtingen hadden ze evenwel nog niet ontvangen. Ik wil u dus heel concreet vragen waarom u geen initiatief hebt genomen om die tweede pensioenpijler uit te bouwen. U zegt toch altijd: “Wat Vlaanderen zelf doet, doen we beter.”

Minister Geert Bourgeois: Sorry, ik zeg: “Wat we zelf doen, doen we zelf.” Wat u zegt, komt van een CD&V’er, of beter, van een CVP’er.

De heer Jan Verfaillie: De heer Durnez suggereert om als motto dit te nemen: “Wat we zelf doen, doen we beter zelf.” Dat is een mooi compromis.

In elk geval lijkt me dit een gemiste kans om het initiatief in handen te nemen. Verder wil ik wijzen op de zware financiële repercussies voor de gemeenten. Het is nodig dat de gemeenten weten waar ze aan toe zijn. Ze hebben recht op gedegen informatie. De budgettaire context, de ESR 95-norm en ook andere maatregelen zorgen ervoor dat de lokale besturen zich financieel in de prak aan het rijden zijn. Als we aan al die verplichtingen zullen moeten voldoen, zullen de lokale besturen op termijn met zware problemen kampen.

De voorzitter: De heer Keulen heeft het woord.

De heer Marino Keulen: Mevrouw de voorzitter, mijnheer de minister, collega’s, het eerste gedeelte van het debat is in de plenaire vergadering gehouden. Toen is me opgevallen dat dit veel reacties heeft uitgelokt. Dat mag ons niet verbazen, want het gaat over het inkomen van de personeelsleden. Ik denk ook dat er een breed draagvlak is voor het principe ‘gelijk pensioen voor gelijk werk’. Ik denk dat in dit parlement iedereen het daarmee eens is. De tweede pensioenpijler komt daaraan tegemoet. Het is ook belangrijk dat erover wordt gewaakt dat de uitbouw van die tweede pensioenpijler gebeurt in een correct juridisch kader, zodat er voldoende rechtszekerheid voor de contractuele personeelsleden wordt aangeboden.

Is de Vlaamse Regering en bent u, mijnheer de minister, als minister van Binnenlands Bestuur, betrokken geweest bij het voorontwerp van pensioenreglement van 12 oktober 2009, dat werd afgesloten tussen de syndicale organisaties en de VVSG? Op welke manier zult u dit voorontwerp van pensioenreglement bekrachtigen? Wat zal de houding zijn van de Vlaamse overheid als toezichthoudende overheid bij klachten met betrekking tot het pensioenreglement? Wat is de juridische waarde van een zogenaamd pensioenreglement? Het sectoraal akkoord van november 2008 voorzag in het toepassingsgebied eveneens in de oprichting van een tweede pensioenpijler voor de contractuele personeelsleden van de provincies.

Ik hoor dat het om een kleine 3000 personeelsleden gaat. Het voorontwerp van pensioenreglement is niet ondertekend door de VVP en maakt ook geen melding van de contractuele personeelsleden van de provincies. Hoe zult u omgaan met deze inperking van het toepassingsgebied van het sectoraal akkoord en dus ook de slechts gedeeltelijke uitvoering ervan?

De federale regering en in casu de minister van Pensioenen is bezig met het ontwerp van een kaderwet voor alle contractuelen van alle overheden in België. Het is mogelijk dat deze kaderwet in een heel ander financieringssysteem of bijdragestelsel voorziet. Het ontwerp van kaderwet van de minister van Pensioenen zou in een laatste fase zitten. Het wordt besproken in het comité A en is ook aangekondigd in het intersectoraal akkoord dat vorig jaar is afgesloten en dat de Vlaamse Regering mee ondertekende. Wat gebeurt er bij tegenstrijdigheden tussen deze kaderwet en het pensioenreglement? Wat primeert dan voor de gemeenten? Zorgt deze mogelijke tegenstrijdigheid niet voor rechtsonzekerheid voor alle betrokkenen? Het voorontwerp van pensioenreglement vermeldt dat er eveneens een inhaalbeweging kan gebeuren voor contractuelen die op datum van het akkoord reeds in dienst zijn en dat er een regularisatie komt van hun zogenaamde verleden loopbaan. De provincie Antwerpen plande dat initieel eveneens in haar uitbouw van een tweede pensioenpijler, maar botste hier onmiddellijk op zwaarwichtige juridische obstakels. Bij zo’n tweede pensioenpijler komt ook een bijdrage van de werknemer. In welke mate kan men die bijdrage retroactief vorderen? Die bijdrage is fiscaal aftrekbaar. In welke mate kunt u de fiscale aftrekken mee regulariseren? Dat zijn de obstakels. Ook het Agentschap voor Binnenlands Bestuur was van mening dat dit zeer problematisch kan zijn. Is een dergelijke inhaalbeweging voor het valoriseren van prestaties die in het verleden verricht zijn, zoals vermeld in het voorontwerp van pensioenreglement, juridisch sluitend? Vooral daarover is verduidelijking nodig. Sommige lokale besturen weten zelfs niet wat er allemaal aan de gang is. Andere weten het wel, maar hebben veel vragen. Hoe kunnen we een juridisch steekspel – ongewild en onbedoeld – vermijden? Iedereen staat achter het principe ‘gelijk pensioen voor gelijk werk’.

De voorzitter: De heer Vanden Bussche heeft het woord.

De heer Marcus Vanden Bussche: Ik wil ervoor pleiten dat de sectorale akkoorden worden afgesloten voor een hele legislatuur. Dat zou voor de gemeenten veel gemakkelijker zijn. Nu worden er om het jaar nieuwe inspanningen gevraagd. Het is een schande dat er nog altijd zo’n discrepantie bestaat. De overheid moet daar dringend werk van maken. Met steun van de andere niveaus zouden de gemeenten dat versneld kunnen rechtzetten. Misschien kunnen daar convenants over worden afgesloten. Als de vakbonden nu eens enkele jaren zouden wachten met nieuwe eisen, en ons de gelegenheid zouden geven om dat in orde te maken, zouden we dat kunnen financieren.

De voorzitter: De heer Van den Heuvel heeft het woord.

De heer Koen Van den Heuvel: Mevrouw de voorzitter, mijnheer de minister, ik heb twee vragen. Als ik het goed heb gelezen is er een minimum van 1 percent vooropgesteld. Hoe ziet u dat in de toekomst, mijnheer de minister? Vindt u het goed dat er kan worden gedifferentieerd tussen de gemeenten? Er is één statuut voor de 308 Vlaamse gemeenten betreffende het principe ‘gelijk loon voor gelijk werk’. Als men toestaat om voor het pensioen te differentiëren, is dat dan volledig vrij? Of gaat u kiezen voor een bepaalde vork? Gaat u het dan verder overlaten aan  de gemeenten? De heer Keulen had het er al over. Door de krantenartikels is het debat opgelaaid. Zeker de contractuelen die hun pensioenleeftijd zien naderen, hebben die retroactieve zin gelezen. Zij hebben terug hoop dat ze een extra graantje kunnen meepikken. Ik ben benieuwd naar het antwoord op de vragen van de heer Keulen. Het is goed om een klare lijn te trekken om geen nodeloze verwachtingen te creëren.

De voorzitter: Mevrouw Vissers heeft het woord.

Mevrouw Linda Vissers: Mevrouw de voorzitter, mijnheer de minister, het is al jaren een vaste tendens dat de gemeenten te veel gebruik maken van contractueel personeel. Het nieuwe Gemeentedecreet stelt wel dat statutaire tewerkstelling de regel blijft, maar aan de andere kant heeft het de mogelijkheden tot contractuele tewerkstelling fundamenteel uitgebreid. We zijn van oordeel dat iedereen die voor een gemeentedienst gewerkt heeft, recht heeft op dezelfde pensioenregeling. Als gemeentepersoneel jarenlang voldoening heeft geschonken als contractuele medewerker, dan moet de gemeente er ook voor kunnen zorgen dat het bij de pensionering dezelfde pensioenuitkering krijgt als de statutaire werknemers.

In dit ontwerp lezen we dat elk gemeentebestuur vrij kan bepalen om voor zijn contractuelen in een hogere bijdrage te voorzien. Ik heb het vorige week al gezegd in de plenaire vergadering: er wordt gestart met een minimumbijdrage van 1 percent, maar het zou wel eens kunnen dat de grotere, rijkere gemeenten 2 à 3 percent gaan betalen en dat de armere zich aan die 1 percent houden. In het voorontwerp staat dat ieder bestuur vrij kan bepalen om al dan niet een inhaalbeweging te maken voor de contractuelen die op de ingangsdatum in dienst zijn. Ook hierbij stel ik mij die vraag. In de ene gemeente zal men misschien beginnen de bijdrage te betalen vanaf 1 januari, in de andere zal men met terugwerkende kracht betalen. Het moet toch de bedoeling van de tweede pensioenpijler zijn dat ieder lid van het gemeentepersoneel dezelfde pensioenrechten heeft. Vanaf 2010 zou de regeling wel eens kunnen zijn: hoe rijker de  gemeente, hoe meer extra pensioen. Is dat geen discriminatie?

De voorzitter: Minister Bourgeois heeft het woord.

Minister Geert Bourgeois: Mevrouw de voorzitter, dames en heren, het perscommuniqué van de VVSG heeft tot nogal wat commotie geleid. Vorige week was er een actuele vraag over, en nu twee vragen om uitleg. Een aantal vraagstellers stellen het principe voorop dat die personeelsleden recht hebben op een gelijk pensioen. Dat is gemakkelijker gezegd dan gedaan. Het is niet discriminerend, het zijn twee aparte statuten die zo in de loop der jaren gegroeid zijn. Heel veel gemeenten hebben heel veel contractuelen aangeworven die in een statuut van werknemerspensioen zitten. Op zich is dat geen ongelijkheid. Wek alstublieft niet de verwachting dat we met dat schuchtere voornemen van gesloten sectoraal akkoord de pensioenen zullen gelijkstellen. Dat is niet zo. Dat is een werk van lange adem. Als het op kruissnelheid komt, zal het leiden tot een begin van verhoging van dat pensioen. Spreken over gelijkschakeling zou heel voorbarig zijn.

Mijnheer Verfaille, u vraagt of ik ter zake al een onderzoek heb opgestart. Op het einde van de vorige regeerperiode is, op initiatief van mijn ambtsvoorganger, een technische werkgroep ad hoc bijeengekomen met deskundigen op het gebied van de pensioenproblematiek. Het ging toen om vertegenwoordigers van een aantal besturen, maar ook van pensioendiensten, administraties en kabinetten. Er wordt me gesignaleerd dat de werkgroep slechts eenmaal is bijeengekomen, op 18 februari 2009. Ze heeft een aantal juridische en technische aspecten van een mogelijke tweede pensioenpijler besproken, zonder dat dit tot engagementen heeft geleid. Ik heb ook geen verslag van die werkgroep. Dat is al evenmin terug te vinden bij de administratie. Ik kan daar dus alleen maar dit over meedelen.

Op vraag van de sociale partners werd inderdaad begin 2009 een werkgroep ‘herfinanciering van de lokale besturen’ opgestart. Die werkgroep heeft eigenlijk alleen maar voorbereidend onderzoek op zich genomen. Zo heeft ze bijvoorbeeld in kaart gebracht welke wetenschappelijke studies die kunnen bijdragen tot de herfinancieringsdiscussie, reeds zijn verricht of nog lopen. Voor de uitvoering door PricewaterhouseCoopers van een studieopdracht over het huidige verdeelmechanisme van het Gemeentefonds fungeerde die werkgroep ook als stuurgroep. Voort besprak de werkgroep de financiële items uit het memorandum van de VVSG ter gelegenheid van de verkiezingen van 7 juni en stelde ze een lijst op met aandachtspunten voor overleg met de federale overheid. Dat zijn dus zaken die niet meteen een antwoord bieden op uw vragen.

Ik kom tot het antwoord op de volgende vraag. Om te beginnen wil ik opmerken dat niet de Vlaamse Regering, maar de lokale besturen de verantwoordelijkheid dragen voor de financiering van de pensioenen van hun personeel. Ik heb al aangegeven dat ik, vanuit dit verantwoordelijkheidsbeginsel, het genomen initiatief met betrekking tot de oprichting van een tweede pensioenpijler ondersteun.

Mijnheer Verfaillie, u wijst heel terecht op de budgettaire omstandigheden. U hebt ook heel terecht gewezen op de heel grote problematiek van de statutaire pensioenen. Die budgettaire omstandigheden maken besparingen noodzakelijk, ook voor de Vlaamse begroting. Ook de lokale besturen staan mijns inziens voor de opgave om een efficiëntieoefening door te voeren. Ik heb dat ook gezegd aan de VVSG. Het is niet omdat het Gemeentefonds voorziet in een stijging met 3,5 percent dat die gemeentebesturen geen rekening moeten houden met de gewijzigde omstandigheden. De inkomsten aan de hand van andere parameters zullen dalen. Het lijkt me nu wijs dat elke overheid, ook de gemeentebesturen en de andere lokale overheden, een oefening in efficiëntie en effectiviteit doen, ook op budgettair vlak.

Ik wijs er nogmaals op dat de Vlaamse Regering tijdens de vorige regeerperiode 2005-2009 ernstige financiële inspanningen heeft geleverd ten voordele van de lokale besturen. Die hebben toch op structurele wijze bijgedragen tot de lokale financiën. Ik verwijs onder meer naar de vaste jaarlijkse groeivoet van 3,5 percent voor de algemene financieringsfondsen, waaronder het Gemeentefonds en het Stedenfonds. Ik verwijs naar de toekenning van een blijvende compensatie voor de gevolgen van de afschaffing van de Eliaheffing en een verhoging van de aanvullende Eliacompensatie in het kader van het lokaal pact, voor de periode 2008-2010. Daarnaast gebeurde er een overname en vervroegde terugbetaling van uitstaande leningsschulden, in het kader van het lokaal pact.

Ik kom tot de vragen van de heer Keulen. Het initiatief van de VVSG en de vakbonden vloeit voort uit het sectoraal akkoord dat in november 2008 binnen het Comité C tot stand is gekomen. Daarin werd overeengekomen een tweede pensioenpijler voor contractanten op te starten, met als streefdatum januari 2010. Mijnheer Keulen, u hebt in het tot stand komen van dat akkoord zelf een belangrijke rol gespeeld. Het verrast me wel in uw persmededeling te lezen dat was afgesproken dat de Vlaamse Regering een sturende rol zou spelen. Ik zie dat niet in de tekst, tenzij ik daar overlees of het sightletters zijn. Ik zie daar al evenmin wat u zegt, namelijk dat de Vlaamse Regering de markt zou gaan verkennen. Ik zie dat niet in het sectoraal akkoord. Als u daar meer gegevens over hebt, laat me dat dan alstublieft weten.

De heer Marino Keulen: Dat zullen we doen.

Minister Geert Bourgeois: Ik zie dat zeker niet in de tekst van het akkoord. Ik heb al gezegd dat ik dit initiatief principieel steun, omdat het lokale besturen toelaat financiële voorzieningen aan te leggen voor een belangrijke maatschappelijke problematiek. Ik wil erop wijzen dat het gaat om een voorbereidend initiatief van de VVSG en de vakbonden. In die zin vind ik het wat jammer dat de VVSG daarover heeft gecommuniceerd. Het voorontwerp van pensioenreglement waarover sprake, is het resultaat van besprekingen tussen de sociale partners. Zoals ik al stelde in mijn antwoord op de vraag van de heer De Meulemeester, ben ik daarover in het begin van de maand geïnformeerd, maar ben ik daar tot nu toe niet bij betrokken. Het is ook een voorbereidend document, dat nog moet worden bekrachtigd in het sectoraal comité, dat mij nog moet worden voorgelegd, en waarvan ik dus nog kennis moet nemen. De VVSG heeft dat urbi et orbi bekendgemaakt. Persoonlijk vind ik dat het wat vragen oproept om het op die wijze al zo vroeg te doen. In de persmededeling zeggen die partners echter heel uitdrukkelijk dat dit nog moet worden bekrachtigd in het Comité C1.

Ik kan dus niet vooruitlopen op de houding die de Vlaamse Regering daarover zal aannemen. Ik heb begrepen dat het voorontwerp van akkoord nog niet rond is. De sociale partners moeten dat nog finetunen. Ze zullen het pas aan mij voorleggen als dat is gebeurd. Dan zal ik dat uiteraard grondig bekijken.

Mijnheer Keulen, u vraagt me vervolgens wat mijn actie is ter zake. Ik kan alleen maar vaststellen dat er precedenten zijn. U was bevoegd voor Binnenlands Bestuur. Er zijn al initiatieven genomen, die u zijn meegedeeld. Ik verwijs naar het initiatief van de provincie Antwerpen, al in 2008, en naar dat van de provincie Limburg. Ze hebben daarover nota bene geen overleg gepleegd met de lokale besturen. Ze hebben gezegd: wij starten daarmee. Ik stel alleen maar vast dat u het niet nodig hebt gevonden daartegen op te treden. Hier gaat het over een voorbereidend akkoord, dat mij nog moet worden voorgelegd. Ik kan dus nog niet zeggen welke houding ik zal aannemen of welke actie ik zal nemen. De provincies Antwerpen en Limburg hebben toen initiatieven genomen. Ze zijn bovendien heel actief gaan lobbyen bij de gemeentebesturen, opdat die zouden toetreden tot hun provinciaal fonds. Persoonlijk vind ik het idee van sectoraal comité C1 om een breed fonds te maken, waarvan de draagkracht zo groot mogelijk is en dat zo efficiënt mogelijk kan zijn, en waarbij dan ook een aantal criteria kunnen worden vastgelegd qua beleggingen en uniforme regels voor de gemeenbesturen, een beter idee.

Ik herhaal echter nogmaals dat er op dit ogenblik enkel een voorontwerp van pensioenreglement is, dat is voorbereid door de sociale partners. Ze hebben zelf nog geen finale tekst. Dat moet dan worden voorgelegd in het Comité C. Ik wil ook beklemtonen dat de lokale besturen, net als de provinciale besturen, autonome besturen zijn. Ze hebben dit akkoord gesloten, met de minister van Binnenlands Bestuur als voorzitter. Ze hebben besloten te zullen starten met dit aanvullend pensioenfonds, met als streefdatum 1 januari 2010. Ik ben op dit ogenblik niet op de hoogte van de houding die de provinciebesturen ter zake aannemen. Ik stel alleen vast dat in de vorige regeerperiode twee provinciebesturen, op eigen houtje en los van het afgesloten sectorale akkoord, hebben besloten daar al mee te beginnen, en dat dit al evenmin aanleiding heeft gegeven tot maatregelen qua toezicht of voogdij.

Ik kom tot de vraag over de impact van eventuele federale wetgevingsinitiatieven. Ik heb daar al even op geantwoord naar aanleiding van de actuele vraag. Het is duidelijk dat alle overheden, ook de lokale besturen, de rechtsnormen zullen moeten respecteren. Als de federale overheid inderdaad een wet zou goedkeuren, zullen ze zich moeten conformeren. Indien het pensioenreglement – waarvan nog niets bekrachtigd is – elementen zou bevatten die niet conform zijn, zullen die natuurlijk moeten worden aangepast. Ik hoor dat de federale overheid nu dicht bij een wetsbepaling zou zijn. De enige concrete tekst die ik heb, is het voorontwerp van toenmalig minister Bruno Tobback, dat nooit wet is geworden. Minister Arena heeft altijd haar teksten van de publieke opinie afgeschermd. Ik heb die niet gezien. Ik heb van minister Daerden momenteel ook geen enkele tekst. Ik heb niets. Er is dus geen federale wettelijke regeling. Ik heb alleen gezegd dat de federale wetgeving op dit ogenblik toelaat dat ook publieke besturen voor hun medewerkers die onder het werknemersstatuut vallen, voorzien in aanvullende pensioenen. Niets staat dat in de weg.

In het kader van de Vlaamse autonomie, mijnheer Verfaillie, juich ik het toe dat men is gestart met die gemeenschappelijke Sociale Dienst Vlaanderen en dat men in de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid van de Provinciale en Plaatselijke Overheidsdiensten (RSZPPO) heeft gezegd Vlaamse initiatieven te zullen nemen. Ik kan dat alleen maar toejuichen. Ik vind het niet verrassend dat de lokale besturen in dat sectorale comité hebben gezegd dat ze, gegeven dat er al zolang sprake is van een federaal initiatief en dat er al zolang zoveel druk op die situatie is, zelf hun verantwoordelijkheid zullen nemen en zullen beginnen met een klein fonds. Dat roept inderdaad veel vragen op. Ik heb het al in de plenaire vergadering gezegd en ik wens het ook hier te beklemtonen dat die lokale besturen en de Vereniging van Vlaamse Steden en Gemeenten (VVSG) dat onder ogen moeten nemen. De problematiek van de overgang van contractueel naar statutair statuut, de problematiek van mobiliteit en verhuizen naar een ander bestuur, de problematiek van veranderen naar een privéomgeving: dat zijn allemaal zaken die evenzeer aan bod komen bij de privépensioenfondsen. Het zou mij sterk verwonderen dat wanneer verantwoordelijke bestuurders, en zeker de VVSG, daarover overleg plegen met de sociale partners, zij daarbij een aantal vragen over het hoofd zouden zien. Ik heb er vertrouwen in dat dat zal gebeuren en ik zal die aspecten uiteraard bekijken op het moment dat ze mij worden voorgelegd. Net zoals ik het belangrijk vind dat we onderzoeken op welke manier er naar de markt wordt gegaan, welke fondsen er zullen zijn, welke formule er wordt gehanteerd, en of daar ethische en sociale aspecten aan verbonden zijn.

De inhoud, collega’s, is mij niet bekend. Ik zal hem bekijken als hij mij wordt voorgelegd. Op dat moment zal er nog tijd voor zijn. Ik heb al gezegd dat Antwerpen en Limburg al initiatieven hebben genomen. Mijnheer Keulen, u was daarvan op de hoogte. U zegt dat er zwaarwichtige juridische obstakels zijn. Ikzelf kan op dit ogenblik nog geen standpunt innemen. Een van de krachtlijnen van de persmededeling van de VVSG is dat de lokale besturen een inhaalbeweging zouden kunnen maken voor de contractanten die op de ingangsdatum al in dienst zijn. Ik vind de communicatie daarover een beetje prematuur. Ik kan begrijpen dat er een aantal verwachtingen gecreëerd zijn die misschien helemaal niet zullen kunnen worden ingelost. Als gemeenten instappen a rato van minimum 1 percent bijdragen en als ze dat volhouden over vele jaren, wat zal dat opleveren aan netto aanvullend pensioen? Laat ons niet de illusie scheppen dat morgen, bij manier van spreken, het arbeidsrechtelijke statuut, het werknemersstatuut en het statutaire statuut gelijkgesteld zullen worden.

Mijnheer Vanden Bussche, zijn er sociale akkoorden die legislatuurdekkend zijn? Wij hebben ook die zorg. Ik ben er niet in geslaagd om als minister van Bestuurszaken tot een akkoord te komen dat over vijf jaar ging. Dat staat ook in de wetgeving. Het zijn sectorale akkoorden van twee jaar. Er is er een van 2008 tot 2013. Het is een goede zaak dat dit over een periode van vijf jaar is. Op ons bestuursniveau ben ik daar, door de vakbonden, niet toe gekomen. Je kunt hen daar niet toe verplichten: als zij neen zeggen, is het neen. Vanuit het oogpunt van goed bestuur zou het, zeker voor de lokale besturen, een goede zaak zijn om met het oog op de budgettaire meerjarenplanning tot dergelijke akkoorden te komen. Dat staat op dit ogenblik niet in de wetgeving.

De voorzitter: De heer Verfaillie heeft het woord.

De heer Jan Verfaillie: Dank u, mijnheer de minister, voor uw uiteenzetting. U bent zich bewust van de financiële gevolgen. Ik roep u nogmaals op om een aanvulling over te maken aan de lokale besturen. Ik doe dat niet noodzakelijk voor mijn bestuur. Wij hebben inside information. Voor ons is dat allemaal vrij gemakkelijk te volgen. Maar er zijn vandaag heel wat besturen die niet eens weten dat die minimum 2,5 percent voor de RSZPPO op hen afkomt voor de vastbenoemde ambtenaren, los van de contractuele ambtenaren. Ik heb over die tweede pensioenpijler in de begrotingsonderrichtingen niet veel teruggevonden.

Mijnheer de minister, ik kan deels leven met uw uiteenzetting over het federale niveau. Ik wil toch vragen of Vlaanderen op dat vlak niet proactief initiatieven kan nemen om dat zelf te beheren. Ik blijf bij mijn stelling dat 1 percent te weinig is. Laat ons daar eerlijk over blijven. Ik ben geen pensioenspecialist maar u mag er rekening mee houden dat van een contractueel het pensioen ongeveer 60 percent van de laatste wedde bedraagt, terwijl dat voor een statutair ongeveer 80 percent is. Als wij de helft willen dichtrijden van dat verschil van 20 percent tussen de contractuele en de statutaire pensioenen, hebben wij ongeveer 6 of 7 percent nodig. Die 1 percent is een stap in de goede richting maar u weet net zo goed als ik, mijnheer de minister, dat dit maar een eerste stap is en dat wij hoogstwaarschijnlijk in de volgende syndicale onderhandelingen zullen verplicht worden om de geleidelijke opstap te maken naar 6 of 7 percent. De financiële uitdagingen op dit vlak zijn voor de lokale besturen immens.

De voorzitter: De heer Keulen heeft het woord.

De heer Marino Keulen: Minister Bourgeois, u hebt gelijk als u waarschuwt voor valse verwachtingen. Dat is vandaag het grote gevaar dat het beleid, de politiek, bedreigt. De pensioenproblematiek begint vandaag, los van de budgettaire impact, bij een grote groep van mensen te leven. Na de fusie van gemeenten in de tweede helft van de jaren 1970 zijn heel veel mensen in de lokale besturen binnengekomen onder die aparte statuten: tewerkgestelde werkloze (TWW), Derde Arbeidscircuit (DAC), Bijzonder Tijdelijk Kader (BTK). Deze statuten werden achteraf allemaal geregulariseerd als Gesubsidieerde Contractuele (GESCO).

Dat was toen een manier om gemakkelijk jobs te creëren op het lokale niveau. Het federale niveau droeg bij met een premie van 400.000 frank per kop die op die manier aan een job werd geholpen. Toen waren die mensen blij dat ze bezig waren. Vandaag zien zij de horizon van de pensionering opdagen. Iedereen begint zijn rekening te maken. Dat ziet er voor een aantal van die mensen absoluut niet florissant uit. Zij vallen terug op een pensioen van 1000 of 1100 euro, reken maar uit. En dat terwijl hun statutaire collega’s aan de overzijde van hun bureau heel gemakkelijk aan een pensioen geraken van 1500 of 1600 euro. Die honderden euro verschil maken of je een pensioen hebt met een beetje luxe dan wel of je permanent voor de rest van je dagen zult moeten oppassen.

Minister Bourgeois, de geest is nu uit de fles. Ik heb verwezen naar het menselijke aspect. Er is ook de begrotingsopmaak van de gemeenten. Nu moeten er zaken worden geprovisioneerd. Enkele provincies zijn vertrokken. Het is goed dat er een tweede pensioenpijler wordt afgesloten. Het was een manier om de bonden aan te zetten om daarop in te zetten en om in loononderhandelingen niet altijd aan te dringen op naakte loonsverhogingen. Je kunt, net zoals in de privésector, die tweede pensioenpijler ook gebruiken als een vorm van uitgesteld loon, om akkoorden te sluiten die voor de mensen in kwestie, op een moment dat ze gepensioneerd worden, heel waardevol zijn. Vandaag hebben mensen soms een langere periode van pensionering voor de boeg dan hun arbeidscarrière heeft geduurd. Vandaar de bede, het verzoek, om met de provincies iets op gang te trekken. Antwerpen en Limburg zijn bezig met een aantal obstakels die zich daar voordoen. Er zou ook in de drie andere Vlaamse provincies, West- en Oost-Vlaanderen en Vlaams-Brabant, beweging in de zaak moeten komen ten voordele van de provinciale contractuele ambtenaren.

De voorzitter: Mevrouw Brouwers heeft het woord.

Mevrouw Karin Brouwers: De vragen die zowel vorige week in de plenaire vergadering als vandaag werden gesteld, kwamen bij mij over als bijna een kritiek op het feit dat de VVSG met de vakbonden dit akkoord heeft gesloten. Ik ben heel blij dat we deze vergadering nog hebben gehad omdat hier die kritiek voor een deel werd ontkracht.

Mijnheer de minister, ik ben vooral tevreden met uw antwoord omdat u heel duidelijk hebt geapprecieerd wat de VVSG hier voor de gemeenten heeft kunnen bereiken. Ik heb geen antwoord gehad op mijn vraag naar de retroactiviteit van een en ander, en ook niet op de vraag naar de percentages die kunnen verschillen. Daar ben ik niet zo tegen gekant. We hebben gedurende jaren het voorbeeld van de maaltijdcheques gehad. De gemeenten konden kiezen voor het toekennen van een hoger of lager bedrag. We moeten ergens starten. 1 percent is schuchter, hebt u gezegd, mijnheer de minister. Dat is inderdaad heel weinig. Maar we moeten ergens starten en we hopen dat de gemeenten in de loop der jaren naar elkaar toe groeien en dat men toch tot minstens de helft kan komen, zoals de heer Verfaillie voorstelde.

Ik betreur ook dat het federaal blijkbaar niet opschiet op dat vlak. Je hoort er regelmatig eens iets van, maar ik denk dat we daarop echt niet moeten wachten.

De voorzitter: De heer De Meulemeester heeft het woord.

De heer Marnic De Meulemeester: Aansluitend op het debat vorige week in de plenaire vergadering, betreur ik toch nogmaals dat de Vlaamse Regering, in casu de minister van Binnenlands Bestuur, afwezig gebleven is in dit uitermate belangrijke debat. Mijnheer Verfaillie, het gaat niet om 80.000, maar om 88.000 personeelsleden. Het gaat ook over de rechtszekerheid van al die personeelsleden. De minister heeft daarstraks zelf toegegeven dat hij betreurt dat de communicatie op deze manier is gebeurd door de VVSG. Op tv, op de radio en in de pers hebben zij aangekondigd dat het vanaf 1 januari zo zal zijn en dat de steden en gemeenten zoveel moeten bijdragen, zonder dat we daarin de stem van de Vlaamse Regering gehoord hebben.

Elke stad en elke gemeente is nu al bezig met de opmaak van de begroting 2010. Over dit specifiek domein is er nog altijd geen omzendbrief gekomen vanuit de Vlaamse Regering. Wat moeten de steden en gemeenten inschrijven in hun begroting? De heer Verfaillie maakte daarover ook een terechte opmerking. In hoeverre is de Vlaamse Regering bereid om financieel tussen te komen in deze belangrijke problematiek? Het gaat over heel veel personeelsleden die rechtszekerheid willen over hun pensioen in de toekomst.

De voorzitter: De heer Durnez heeft het woord.

De heer Jan Durnez: De heer Keulen en de minister vragen naar de positie van de provincies. De vijf provincies hebben al vele jaren eigen pensioenfondsen opgebouwd. Zij zijn niet aangesloten bij de Rijksdienst voor sociale zekerheid van de provinciale en plaatselijke overheidsdiensten (RSZPPO). Daarom handelen zij op een eigen manier. Ik ben gedeputeerde geweest en ik ken de VVP goed. 25 jaar geleden hebben wij dit fonds opgebouwd. 1 percent is ook maar een start om een fonds op te bouwen. De financiële planning bij de gemeenten moet over 30 jaar bekeken worden, om te kijken waar je kunt landen met een opbouw van middelen om aan je personeel een bepaald bedrag uit te betalen. Dat is grondig werk. We mogen ons niet fixeren op 1 percent. Dat zal wel volstaan om op te starten, gezien er weinig contractuelen zijn in de eerste twee, drie jaar, maar dan zal dat versnellen. Die oefening zou zeer grondig moeten gebeuren, maar op 30 jaar.

De voorzitter: Minister Bourgeois heeft het woord.

Minister Geert Bourgeois: Ik ben het eens met wat mevrouw Brouwers zegt. Maar mijnheer De Meulemeester, u verbaast me. Je kunt als minister pas afwezig blijven bij een debat als er een debat is. Er was geen debat, er is een akkoord. Dat is destijds gesloten onder leiding van de heer Keulen. De sociale partners starten in onderling akkoord een aanvullend pensioenfonds op met streefdatum 1 januari. Ze hebben daarover publiek gecommuniceerd. Ze hebben mij inderdaad niets gevraagd. Ik vind ook geen verslagen terug van vroegere besprekingen.

Ik lees met de beste wil van de wereld niet in het sectoraal akkoord dat de Vlaamse Regering daarin een sturende rol zou spelen of een marktbevraging zou doen. Ik lees niet wat vandaag in uw communiqué staat. Ik heb van mijn voorganger altijd gehoord dat de minister van Binnenlands Bestuur daar een zekere reticentie aan de dag legt. Dat zijn akkoorden die worden gesloten tussen de desbetreffende partners, de VVSG en de vakbonden.

Dat akkoord is destijds alleen gesloten met het ACV. Ik heb uit het perscommuniqué afgeleid dat nu de drie vakbonden, ook die die niet getekend hadden, toch instappen. Ik neem aan dat zij het belang inschatten van deze materie, die volgens u betrekking zou hebben op 88.000 mensen. In het communiqué staat dat het provinciaal ook nog over 9500 mensen zou gaan. Ik heb dat nagevraagd. Dat gaat over 2693 mensen. Oké, die zijn belangrijk, maar het zijn er geen 9500 zoals u hebt gecommuniceerd.

Mijnheer De Meulemeester, ik zie geen aanleiding om nog eens een rondzendbrief te sturen. Moet ik nu een rondzendbrief sturen over een akkoord dat nog niet bekrachtigd is en waar ik de inhoud niet van ken, waarin ik gemeentebesturen zou moeten opleggen wat ze in hun begroting moeten opnemen? De gemeenteraad moet beslissen om toe te treden tot dat fonds. Het is zijn eigen beslissing of hij al dan niet toetreedt. Op het moment dat de gemeenten toetreden, hebben ze één verplichting – zo begrijp ik het toch – om als werkgeversbijdrage minstens 1 percent te betalen. Ze kunnen dat aanvullend meer gaan doen.

Moet ik hic et nunc, op het moment dat die twee partners dat akkoord nog niet helemaal rond hebben, een rondzendbrief sturen? Dat is geen goed bestuur. Ik zal kijken of er na die bekrachtiging aanleiding is tot een rondzendbrief, maar zoals ik het zie, is dit een akkoord tussen de gemeenten en de vakbonden waarin afspraken worden gemaakt om dat fonds te maken en waarin op geen enkele manier staat dat een gemeente verplicht is om dat te doen. We zullen zien welke wetgeving er komt. Ik wil onder ogen nemen of het nodig is om daar aanvullende maatregelen rond te nemen of om eventueel reglementerend op te treden. Maar op dit ogenblik een rondzendbrief sturen, dat zou werkelijk heel voorbarig zijn, laat staan dat ik hier en nu toezeggingen zou gaan doen, buiten het regeerakkoord om, dat de Vlaamse overheid daarin zou bijdragen. Er is geen aanvullend pensioen voor de Vlaamse contractuele ambtenaren, collega’s, laat staan dat wij nu gaan zeggen dat onze prioriteit is dat wij het aanvullende contractuele pensioen in de gemeenten gaan betalen. Laat ons toch een beetje wel wezen. Op sommige vragen kun je als minister proberen op in te gaan, maar deze vraag is absoluut niet aan de orde. Daar kan ik absoluut niet op ingaan.

De voorzitter: De heer Verfaillie heeft het woord.

De heer Jan Verfaillie: Mijnheer de minister, ik wil erop aandringen om de lokale besturen daarvan op de hoogte te brengen. Als ik de begrotingsonderrichtingen lees die u ons hebt toegestuurd, stel ik mij ernstige vragen bij een aantal zaken die daar in staan. Is dat nu verplichtend of vrijblijvend? Het gaat dan misschien om 50.000 of 25.000 euro, maar fundamentele zaken, zoals de tweede pensioenpijler, vind ik daar niet in terug.

De voorzitter: De heer Keulen heeft het woord.

De heer Marino Keulen: Mijnheer de minister, u schetste het onderhandelingskader en de procedures daarin. Plant u zelf op korte termijn nog iets in de richting van de lokale besturen?

Minister Geert Bourgeois: Over die rondzendbrief zullen we het later hebben, mijnheer Verfaillie. Ik zie nu geen reden om een rondzendbrief te verspreiden. Ik heb contact opgenomen met de VVSG. Zodra zij een akkoord hebben, dat dan nog bekrachtigd moet worden en nog naar het comité C1 moet, verwacht ik dat ze mij dat zullen bezorgen. Ik neem aan dat ik dat binnen de kortste keren ook zal krijgen. Vervolgens zal ik die zaak ook bespreken in het comité C1, dat is evident. Dan zullen we kijken of er vragen moeten worden gesteld en of er zaken zijn die niet kunnen vanuit het oogpunt van voogdij of goed bestuur. Ik kan daar nu niet op vooruitlopen.

Net zoals u allemaal, was ik gealerteerd door dat perscommuniqué, over iets wat ik niet had en waar ik niet bij betrokken was. Ik neem aan dat ik in de eerstkomende dagen een kopie zal krijgen van het akkoord, dat dan in comité C1 moet worden bekrachtigd. Dan zal ik de daden stellen die moeten worden gesteld.

De voorzitter: Het incident is gesloten.

     
   
        2009 Koen Van den Heuvel