|
Vraag
om uitleg van de heer Koen Van den Heuvel, Vlaams
volksvertegenwoordiger aan de heer Pascal Smet Vlaams minister
van Onderwijs, Jeugd, Gelijke Kansen en Brussel m.b.t. de
bedrijfsstages voor leerkrachten
De voorzitter: De heer Deckmyn heeft het
woord.
De heer Johan Deckmyn: Mijnheer de
voorzitter, mijnheer de minister, collega’s, volgens Agoria, de
federatie van de technologische industrie, volgden de afgelopen
vijf jaar in Vlaanderen in die sector slechts 55 leerkrachten
een bedrijfsstage. Ondanks het feit dat er in deze periode 305
stageplaatsen ter beschikking waren, is dit initiatief dus geen
groot succes. Nochtans wordt er al jarenlang gepleit voor een
verregaande synergie tussen onderwijs en bedrijfswereld, niet
alleen voor leerkrachten maar ook voor leerlingen. Ondertussen
doen er in het kader van besparingsmaatregelen voorstellen de
ronde om deze bedrijfsstages af te schaffen.
De onderwijssector beveelt deze stages trouwens
zeker niet aan, wegens een nijpend tekort aan technische
leraars. Vooral de tijdelijke vervanging van deze leerkrachten
blijkt een probleem te zijn. Toch heeft Agoria wel degelijk een
punt als ze wijst op het feit dat contacten tussen leraren en
bedrijfswereld erg belangrijk blijven. Het is van cruciaal
belang dat leraren de evoluties in de bedrijfswereld blijven
volgen. Die interactie is erg belangrijk. Er zijn natuurlijk al
heel wat initiatieven geweest vanuit de bedrijfswereld. De
onderwijswereld blijft jammer genoeg ter zake wat achter, of
misschien iets genuanceerder, pikt niet voldoende in op de
aangeboden kansen. Op zich is dit een aandachtspunt waar men
zich in onderwijsmiddens wel bewust van is.
Ik heb vorige legislatuur trouwens vaak gewezen
op het belang van de synergie tussen bedrijfswereld en
onderwijs. Ik deed dat vooral in de commissie Economie. Vandaar
dat ik het ook zou betreuren als men louter uit
besparingsoverwegingen dergelijke initiatieven zou afbouwen.
Aangezien de onderwijswereld duidelijk geen vragende partij is,
moet de overheid in overleg met de bedrijfswereld nagaan hoe
bestaande initiatieven worden geëvalueerd en nagaan of er
misschien andere klemtonen kunnen worden gelegd of nieuwe
initiatieven kunnen worden genomen.
Vandaar volgende vragen. Welke initiatieven
werden er in het verleden reeds genomen om bedrijfsstages voor
leerkrachten te bevorderen? Kan de overheid in overleg met de
bedrijfswereld geen evaluatie van de bestaande initiatieven
doorvoeren en daar eventueel op voortbouwen met nieuwe
initiatieven? Zijn er in het kader van de besparingen al stappen
ondernomen om op deze bedrijfsstages te besparen?
De voorzitter: De heer Van den Heuvel heeft
het woord.
De heer Koen Van den Heuvel: Mijnheer de
voorzitter, mijnheer de minister, collega’s, ik zal het kort
houden. Zoals de heer Deckmyn ben ik actief in de commissie die
de economie op de voet volgt, en dat verklaart ook onze
bekommernis. We zijn het er allemaal over eens dat de band
tussen de bedrijfswereld en het onderwijs hecht moet zijn. Er is
daarin de afgelopen jaren geïnvesteerd, en in het regeerakkoord
staat dat nog eens heel duidelijk, vooral met de leerlingen voor
ogen. We moeten de ambitie hebben om elke leerling van het
secundair onderwijs eens de kans te bieden een bedrijf van
binnenuit te leren kennen. Het is ook belangrijk dat er een
uitwisseling tussen leraren en bedrijven gebeurt. Dat is
misschien moeilijk te organiseren, zeker omdat er een tekort aan
leerkrachten is. Toch moeten we daarin blijven investeren. Er is
daar in het verleden dus in geïnvesteerd. In 2008 is dat nog
versterkt, want dan is niet alleen het technisch onderwijs maar
zijn alle onderwijsopleidingen in het vizier gekomen. Er kwam
een premiestelsel en het systeem van de vervangingseenheden is
uitgebouwd. Spijtig genoeg moeten we besluiten dat dit niet een
groot succes heeft opgeleverd. Er kwam geen grote toevloed van
uitwisselingstrajecten.
De aanleiding van mijn vraag is de reactie van
Agoria en ook die van andere sectoren: het is belangrijk dat
leerkrachten de snel evoluerende wereld van bedrijven goed
opvolgen. In een van de lijstjes van besparingen dook ook de
afschaffing van de bedrijfsstages op. Was dat een mediakwakkel?
We hebben dat alleszins niet uit uw mond gehoord.
Mijn vragen aan de minister zijn dan ook de
volgende. Hoe staat u tegenover het systeem van de
bedrijfsstages? Bent u overtuigd van het belang van de
versterking van de band tussen bedrijfswereld en onderwijs? Is
er een evaluatie gemaakt van de bedrijfsstages in het schooljaar
2008-2009, toen het nieuwe systeem van vervangingseenheden en
premies niet tot successen heeft geleid? Wat zijn de
belangrijkste conclusies en aanbevelingen?
De voorzitter: De heer De Meyer heeft het
woord.
De heer Jos De Meyer: Mijnheer de
voorzitter, mijnheer de minister, collega’s, voor ik
parlementslid was, was ik directeur van een instelling in het
technisch onderwijs. De relatie tussen het onderwijs en de
beroepswereld heeft me steeds geboeid. Het is positief dat
leraren contacten onderhouden met de werkvloer. Het biedt hun
nieuwe en vernieuwende inzichten in de huidige bedrijfscultuur
en in moderne technologieën en technieken. Scholen sturen
evenwel het signaal uit dat de kortstondige vervanging van
leerkrachten niet eenvoudig is, zeker niet als het gaat over
mensen die een technisch profiel onderwijzen.
Er is in de mogelijkheid voorzien dat
personeelsleden in de vakantieperiode bedrijfsstage kunnen
lopen. Voor hen is in een kleine aanmoedigingspremie van 50 euro
per dag voorzien. De twee voorgaande sprekers hebben het
onderwerp al perfect ingeleid. Ik beperk me tot mijn vragen.
Hoeveel leerkrachten volgden in het schooljaar 2008-2009 een
bedrijfsstage? Zijn er grote verschillen tussen de verschillende
onderwijsvormen? Werd er door de samenwerkingsplatformen
gebruikgemaakt van de mogelijkheid om een voltijds personeelslid
voor het hele schooljaar aan te stellen om leerkrachten die op
bedrijfsstage gaan, te vervangen? Hoeveel leerkrachten volgden
tijdens een vakantieperiode een bedrijfsstage? Beantwoordt dit
aantal aan de verwachtingen? Welke tussentijdse evaluatie maakt
de minister? Ik heb ook nog een suggestie. Zou het niet zinvol
zijn om de duurtijd van stages een beetje te verlengen? Zo zou
men een nog beter inzicht in het bedrijfsleven verwerven en zou
men misschien ook gemakkelijker vervangers vinden.
De voorzitter: Mevrouw Vanderpoorten heeft
het woord.
Mevrouw Marleen Vanderpoorten: Mijnheer de
voorzitter, mijnheer de minister, collega’s, ik sluit me aan bij
de al gestelde vragen. Het is erg belangrijk dat leerkrachten,
zeker in het tso en het bso, goed op de hoogte blijven van de
evoluties in het bedrijfsleven. Voor de leerlingen is het erg
belangrijk dat ze voelen dat ze les krijgen van iemand die
voeling houdt met de arbeidsmarkt. Dat zal de jongeren
stimuleren naar school te gaan. Ik ben wel bezorgd. In het
TALIS-rapport staat dit: “Er is in Vlaanderen weinig behoefte
aan meer professionele ontwikkeling.” En ook: “Vlaamse
leerkrachten hebben op weinig vlakken behoefte aan professionele
ontwikkeling.” In vergelijking met andere landen schijnen onze
leerkrachten zich minder bij te scholen. Dat is toch een teken
aan de wand. Ik denk dat we dat eens moeten onderzoeken en er
eventueel later op terugkomen.
De voorzitter: Mevrouw Fournier heeft het
woord.
Mevrouw Martine Fournier: Mijnheer de
voorzitter, mijnheer de minister, collega’s, ik sluit me aan bij
de vorige sprekers. Er is al veel gezegd, maar ik heb toch een
paar bijkomende opmerkingen en vragen. De heer De Meyer vroeg al
naar de verdeling over de verschillende groepen. Ik vraag me af
of het aso wel voldoende aan bod komt bij die stages. Ik denk
dat de leerkrachten van het aso iets verder van het
bedrijfsleven af staan dan de anderen. Nochtans is het
belangrijk dat ook zij voeling houden met het bedrijfsleven. Als
de stages zich dan vooral voordoen in het tso en het bso, dan
vraag ik me ook nog af of het dan vooral de harde sectoren
betreft, zoals hout en metaal, of eerder de zachte sectoren,
zoals handel en zorg. Ik heb eens gegoogeld. Op het Stageforum
met de bedrijfsstages voor leerkrachten staan 146 leerkrachten
geregistreerd. Dat is bitter weinig. Misschien is de
toegangsdrempel van de bedrijven te hoog voor leerkrachten?
Misschien is de technische afstand tussen de machines die in het
onderwijs worden gebruikt en die die in het bedrijf worden
gebruikt, te groot? In dat geval betreft het, zoals hier
trouwens al eerder is aangehaald, veeleer een praktisch
probleem, in het bijzonder met betrekking tot de vervangingen en
de vergoedingen. Ik vraag me trouwens af of de interesse van de
leerkrachten groot genoeg is.
We zitten mogelijk met twee problemen. Het
eerste probleem is de interesse van de leerkrachten. Het tweede
probleem is veeleer van praktische aard en betreft de
vervangingen en de vergoedingen. Er is misschien ook een
probleem op het vlak van de communicatie. Op welke manier wordt
dit aan de leerkrachten bekendgemaakt? Is al eens naar de
interesse van de leerkrachten gepeild? Ik hoor hier vooral over
Agoria spreken. Het gaat hier dus om grote bedrijven. Misschien
kunnen we ook stageplaatsen in kleinere bedrijven, in kmo’s en
bij zelfstandigen organiseren. Dat zouden we misschien ook eens
moeten onderzoeken.
De voorzitter: De heer Van Dijck heeft het
woord.
De heer Kris Van Dijck: Mijnheer de
voorzitter, volgens mij hebben alle sprekers duidelijk benadrukt
dat de leerkrachtenstage nuttig en noodzakelijk is. Dit geldt
zeker voor de beroeps Commissievergadering
georiënteerde opleidingen.
Indien we de leerlingen op een latere beroepscarrière willen
voorbereiden, moeten we ook beschikken over leerkrachten die de
werkvloer kennen en die relevante inzichten meegeven.
Ik stel vast dat we het eigenlijk allemaal eens
zijn. Blijkbaar ontbreekt het ons aan de nodige hefbomen om dit
alles daadwerkelijk mogelijk te maken. De vervangingen en de
bezoldiging zijn hier al aangehaald. Misschien moeten we de
klemtoon iets meer elders leggen. Ik denk dat de lokale besturen
op dit vlak wat meer een regierol op zich zouden kunnen nemen.
Ik ken in elk geval zelf een aantal concrete voorbeelden.
Vaktechnische scholen en de lokale afdelingen van Voka of van
UNIZO kunnen sterke netwerken uitbouwen. Op die manier kunnen ze
twee aspecten van dezelfde problematiek aanpakken. Het gaat
immers niet enkel om leerkrachtenstages, maar ook om
leerlingenstages. We zouden die dichter bij elkaar kunnen
brengen. We moeten hefbomen ontwikkelen om dit mogelijk te
maken. De lokale besturen kunnen op dit vlak een regierol
vervullen en clusters uitbouwen. We moeten dit aanboren.
Het gaat hier niet enkel om de opdracht van de
scholen om naar buiten te treden. We moeten misschien ook een
beroep doen op de werkgeversorganisaties. Het gaat hier niet
enkel om de grote bedrijven. In Vlaanderen zijn nog steeds veel
mensen in kleine en middelgrote ondernemingen tewerkgesteld. We
moeten die bedrijven ertoe aanzetten ook contacten te leggen. Op
veel plaatsen gebeurt dit al. We moeten dit intensifiëren. Op
die manier kunnen we met betrekking tot deze noodzaak een
hefboom creëren.
De voorzitter: Minister Smet heeft het
woord.
Minister Pascal Smet: Mijnheer de
voorzitter, tijdens de schooljaren 2005-2006, 2006-2007 en
2007-2008 hebben we een tijdelijk project georganiseerd. Dit
project hield in dat de projectscholen van het gewoon secundair
onderwijs en van het buitengewoon secundair onderwijs leraren,
technisch adviseurs en technisch adviseurs-coördinatoren konden
vervangen indien die een bedrijfsstage volgden. Het aantal
projectscholen dat aan dit tijdelijk project in verband met
bedrijfsstages kon deelnemen, was beperkt tot een derde van het
secundaironderwijslandschap. Dit project stelde de scholen in
staat zelf samenwerkingsplatforms op te zetten en
geresponsabiliseerd en flexibel beleid te voeren. Dit beleid kon
op de eigen lokale noden en prioriteiten worden afgestemd.
Tijdens de laatste van de drie net vermelde schooljaren is dit
project geëvalueerd. Ik overloop even de belangrijkste
conclusies. Ondanks de vervangingsmogelijkheid lopen te weinig
personeelsleden een bedrijfsstage. Daarover is iedereen het hier
eens. De cijfers over het gebruik van de vervangingseenheden
tonen aan dat gemiddeld 30 percent van het budget is aangewend.
Zoals al is aangehaald, is het uitblijven van geschikte
vervangers de belangrijkste reden die het volgen van
bedrijfsstages bemoeilijkt.
Op basis van de conclusies in het
evaluatierapport zijn een aantal beslissingen genomen. Vanaf 1
september 2008 is het systeem van de bedrijfsstages uitgebreid
tot alle scholen en tot alle personeelsleden van het secundair
onderwijs, met uitzondering van de directeurs, de
adjunct-directeurs en het meester-, vak- en dienstpersoneel van
het gemeenschapsonderwijs. Personeelsleden die tijdens de
vakantieperiode van hun leerlingen een bedrijfsstage lopen,
hebben recht op een premie van 50 euro. Voor elke dag dat ze een
bedrijfsstage volgen, wordt 100 percent van dit bedrag
toegekend. Om de lerarenstages wat beter in de verf te zetten,
zijn in de editie van Klasse van februari 2008 een aantal
succesverhalen opgenomen. Tijdens de namiddag van woensdag 20
februari 2008 is de bedrijvendag voor leraren georganiseerd. Op
die dag hebben 125 bedrijven in heel Vlaanderen hun deuren
opengezet. Dit initiatief heeft de leraren de kans geboden
kennis te maken met de diverse aspecten van een onderneming. Op
16 mei 2008 heeft in Leuven het VIA-atelier plaatsgevonden.
Tijdens een dergelijk atelier presenteren scholen, bedrijven en
leerkrachten ‘good practices’ in verband met bedrijfsstages.
In het begin van februari 2009 heeft de dienst
Beroepsopleiding van het Departement Onderwijs en Vorming het
nieuwe project Proleron opgestart. Proleron is een Vlaams
project voor de professionalisering van leraren en docenten in
Vlaanderen. Het geniet de financiële steun van de Europese
Commissie. Tussen februari 2009 en januari 2011 zal Proleron zo
veel mogelijk korte stages met betrekking tot ondernemerschap in
bedrijven voor leraren en docenten organiseren. Proleron werkt
onder meer samen met de sectorconsulten, met de regionale
technologische centra en met de beroepsfederaties om geschikte
stageplaatsen te vinden.
Naast het stageaanbod voorziet Proleron ook
geregeld in nascholingen in en workshops over ondernemerschap
voor leraren, docenten en studenten die een lerarenopleiding
volgen. De eerstvolgende nascholing, getiteld ‘Ondernemen voor
leraren’ vindt plaats op 20 oktober 2009 in het cultuurcentrum
Berchem. De administratie heeft het tijdelijk project met
betrekking tot bedrijfsstages tijdens het schooljaar 2007-2008
geëvalueerd. Hierbij zijn drie doelgroepen bevraagd, met name de
bedrijven, de leraren die een bedrijfsstage hebben gelopen en de
samenwerkingsverbanden en -platforms. Volgens mij hadden we best
ook de leraren bevraagd die geen bedrijfsstage hebben gelopen.
Dit had ook interessant kunnen zijn. Mijn voorganger heeft de
resultaten van dit rapport destijds al aan de leden van deze
commissie bezorgd.
De administratie werkt momenteel aan het
evaluatierapport van de bedrijfsstages voor het schooljaar
2008-2009. Zodra het definitief is afgerond, zal dit rapport aan
de leden van deze commissie worden bezorgd. Wat het
premiestelsel betreft, zal dit rapport gegevens bevatten als het
aantal uitgereikte premies per schoolvakantie, de bedragen van
de premies die de personeelsleden hebben ontvangen en de totale
kostprijs van de premies. Wat de vervangingseenheden betreft,
kan ik nu reeds melden dat vorig schooljaar 33 percent van de
vervangingseenheden is aangewend. Niettegenstaande de bijkomende
publiciteit die we hebben gemaakt, is dit 5 percent minder dan
in het voorgaande schooljaar.
In het onderwijskundig beleids- en
praktijkgericht wetenschappelijk onderzoek getiteld
‘professionaliseringsbeleid basis- en secundaire scholen’ komen
de bedrijfsstages ook aan bod. Dit onderzoek is op 1 september
2008 van start gegaan. Ik zal de resultaten, die ik tegen 31
augustus 2010 verwacht, hier uiteraard meedelen. De
administratie beschikt enkel over gegevens over de vervangers
van de leerkrachten die een bedrijfsstage volgen. Aangezien we
de planlast van de scholen trachten te beperken, vragen we bij
de scholen geen gegevens op over leerkrachten die een
bedrijfsstage volgen en niet worden vervangen.
Wat de laatste vraag betreft, verwijs ik naar de
afspraken die met de voorzitter van het Vlaams Parlement zijn
gemaakt. Ik tracht op dit vlak coherent te blijven. Deze vraag
moet tijdens de bespreking van de beleidsnota worden behandeld.
De voorzitter: De heer Deckmyn heeft het
woord.
De heer Johan Deckmyn: We moeten oog blijven
hebben voor de nood aan bedrijfsstages en voor de specifieke
omstandigheden waarin het bedrijfsleven zich bevindt. Daar is
iedereen het over eens. Het onderwijs is geen vragende partij.
Voor het bedrijfsleven gaat het om een investering op lange
termijn zonder rechtstreekse return. Ik ben het eens met de
suggestie van de heer De Meyer eens over een langere duurtijd
van dergelijke stages na te denken. Dit is zeker een relevante
opmerking. Ik volg gedeeltelijk de vraag van de heer Van Dijck
en van mevrouw Fournier om meer aandacht voor de kleine
bedrijven. Ik kan uit eigen ervaring echter melden dat het
kleinere bedrijven relatief zwaarder is hier zonder
rechtstreekse return in te investeren. Indien we hier meer oog
voor willen hebben, zal dat zwaardere investeringen vergen. De
minister heeft een opsomming gegeven van de initiatieven die,
met wisselend succes, de leraren met het bedrijfsleven in
contact moesten brengen. Hij heeft tevens de evaluaties lopen.
Vooral de opmerking die de minister terzijde heeft gemaakt, vind
ik interessant. Het zou inderdaad interessant zijn de leraren te
bevragen die niet aan een bedrijfsstage hebben deelgenomen.
Dit lijkt me een zeer goede vraag. Ik zou de
minister dan ook willen vragen dit over te maken aan de mensen
die voor deze evaluaties instaan. Het lijkt me belangrijk hier
werk van te maken. Deze informatie zou de sleutel kunnen zijn
tot initiatieven die leerkrachten ertoe zouden kunnen bewegen
bepaalde drempels te overwinnen en aan dergelijke bedrijfsstages
deel te nemen.
De voorzitter: De heer De Meyer heeft het
woord.
De heer Jos De Meyer: We moeten dit gesprek
zeker voortzetten tijdens de bespreking van de beleidsnota en op
het ogenblik dat we het evaluatierapport betreffende het
voorbije schooljaar ontvangen.
De voorzitter: Het incident is gesloten. |