Vraag om uitleg van de heer Koen
Van den Heuvel, Vlaams Volksvertegenwoordiger, aan de heer Geert
Bourgeois, Vlaams minister van Bestuurszaken, Binnenlands
Bestuur, Inburgering, Toerisme en Vlaamse Rand over de
tewerkstelling van niet EU_onderdanen in de lokale besturen.
5 januari 2010
De voorzitter: De heer Van den Heuvel
heeft het woord.
De heer Koen Van den Heuvel: Mevrouw de
voorzitter, mijnheer de minister, geachte collega’s, artikel 10,
paragraaf 3 van het rechtspositiebesluit van 7 december 2007
formuleert de toegang tot een functie bij een lokaal bestuur.
Voor een statutaire functie moet men Belg zijn als de uit te
oefenen functie een rechtstreekse of onrechtstreekse deelname
aan de uitoefening van het openbaar gezag inhoudt of
werkzaamheden omvat die strekken tot de bescherming van de
belangen van het bestuur of, in de andere gevallen, Belg zijn of
burger van een lidstaat van de Europese Economische Ruimte of
van de Zwitserse Bondsstaat. Voor een contractuele functie moet
men Belg zijn als de uit te oefenen functie een rechtstreekse of
onrechtstreekse deelname aan de uitoefening van het openbaar
gezag inhoudt of werkzaamheden omvat die strekken tot de
bescherming van de belangen van het bestuur.
Rekening houdend met deze bepalingen vervat in
de rechtspositieregeling hebben bepaalde gemeenten in hun eigen
rechtspositieregeling de toegang tot contractuele functies een
beetje verruimd. Ze hebben contractuele functies opengesteld
voor kandidaten die tot een wettig verblijf in België zijn
toegelaten en een algemene toegang hebben tot de arbeidsmarkt.
De gemeenten die een dergelijke bepaling hebben
opgenomen, hebben dit gedaan met de instemming van de
toezichthoudende overheid. Zeker in de provincie Antwerpen, is
dit gebeurd in overleg met de toezichthoudende ambtenaar.
Niettegenstaande deze instemming, wordt de opname van een
dergelijke bepaling door sommigen bij de Raad van State
aangevochten wegens niet conform de Grondwet. Gemeenten die zich
conformeren aan de besluiten van de Vlaamse Regering en aan de
richtlijnen van de toezichthoudende overheid, worden nu
geconfronteerd met onzekerheid en hoge kosten voor juridische
bijstand.
Mijnheer de minister, kunt u bevestigen dat de
in de rechtspositieregeling opgenomen bepalingen over de
tewerkstelling van niet EU-burgers volledig conform de Grondwet
zijn? Kunt u bevestigen dat de
bepaling die stelt dat contractuele functies waarvoor de
Belgische nationaliteit niet vereist is, toegankelijk zijn voor
kandidaten die tot het wettige verblijf in België zijn
toegelaten en een algemene toegang hebben tot de arbeidsmarkt
conform de regelgeving en de richtlijnen van de toezichthoudende
overheid is en niet strijdig is met de Grondwet? Bent u op de
hoogte van het feit dat gemeenten die een dergelijke bepaling in
hun eigen rechtspositieregeling hebben opgenomen, geconfronteerd
worden met procedures voor de Raad van State? Hoe staat u
tegenover deze procedures voor de Raad van State? Hoe kunt u
deze gemeenten ondersteunen?
De voorzitter: De heer Van Hauthem heeft
het woord.
De heer Joris Van Hauthem: Mevrouw de
voorzitter, mijnheer de minister, geachte collega’s, het zal de
heer Van den Heuvel niet verbazen dat ik hierover ook iets ga
zeggen, niet omdat het over zijn gemeente gaat, maar omdat ik de
zaak ook een klein beetje heb gevolgd.
Ik heb absoluut niet de pretentie om in de
plaats van de minister te antwoorden. Ik zou zeggen dat de
overheden – en dan viseer ik niet de gemeentelijke overheden,
mijnheer Van den Heuvel, maar zeker en vast de Vlaamse overheid
– nu toch eens niet alleen de rechtspraak maar vooral de
jarenlage adviezen van de Raad van State zouden volgen. De Raad
van State is heel duidelijk in zijn adviezen over ontwerpen van
decreet en over voorstellen van decreet om de toegang tot het
publiek ambt uit te breiden tot mensen die niet behoren tot de
Europese Economische Ruimte (EER). Ik heb nooit begrepen waarom
de Vlaamse overheid zo halsstarrig de adviezen van de Raad
van State over deze materie naast zich heeft neergelegd.
De Raad van State zegt drie dingen. De Grondwet
is de Grondwet en daarin staat dat de toegang tot het publiek
ambt beperkt is tot Belgen en, bij uitbreiding van het Europees
recht, tot onderdanen van de EER en Zwitserland. Binnen het
pakket van onderdanen mag misschien een onderscheid worden
gemaakt via een nationaliteitsvereiste en dan gaat het effectief
over al dan niet over gezagsfuncties. Maar er staat ook dat voor
onderdanen die niet tot de EER behoren, de
nationaliteitsvereiste – of het nu over contractuelen of
statutairen gaat – nog altijd geldig is. Dat is al jarenlang de
visie van de Raad van State.
We stellen vast dat de Vlaamse overheid heeft
geprobeerd – en ik heb het ontwerp van decreet van 27 januari
2004 bij over ambtenaren in dienst van de Vlaamse overheid – om
die functies open te stellen. Minister Van Grembergen was toen
minister van Binnenlandse Aangelegenheden en Bart Somers was
minister-president. Ze zeiden dat de Grondwet uitzonderingen
toeliet. Maar de Raad van State heeft op basis van dat ontwerp
gezegd dat het niet kon volgens artikel 10 van de Grondwet. De
Vlaamse overheid heeft toen beslist om het niet meer in het
parlement te laten behandelen, maar het te regelen via een
besluit van de Vlaamse Regering.
Dat is kras. Wanneer mag men een uitzondering
maken? Het is de decreetgever – of in dit geval de wetgever –
die de uitzonderingen moet bepalen. Uitzonderingen mogen niet de
regel worden. Dat zijn de elementen die de Raad van State heeft
aangehaald. Het ontwerp van decreet is afgeschoten en dus doet
de Vlaamse Regering het via een besluit.
U doet nu hetzelfde voor de gemeenten, waardoor
de gemeenten in de problemen komen. Ik begrijp de argumentatie
van de heer Van den Heuvel goed. Hij voert uit wat de Vlaamse
overheid bij besluit heeft beslist. Er is nu bij de Raad van
State inderdaad een zaak aanhangig, ingediend door een
gemeenteraadslid van de gemeente van de heer Van den Heuvel.
Ik lees de conclusie uit het verslag van de
auditeur van de Raad van State, wat inderdaad nog geen uitspraak
is. “Het bestuur – in dit geval de gemeente Puurs, maar het kan
ook voor alle gemeenten gelden – heeft een ongrondwettig
onderscheid gemaakt tussen contractuele en statutaire
betrekkingen. De ter zake bevoegde regelgever, niet de gemeente
zijnde, heeft niet in welbepaalde uitzonderingen voorzien op de
in de Grondwet voorziene onderscheidsregeling.
De onbevoegde regelgever, in casu de gemeente” –
in dit geval is het Puurs, maar het kan morgen ook een andere
gemeente zijn – “heeft de grondwettelijk toegestane
uitzonderingsbevoegdheid tot regel of norm verheven, spijts wat
de grondwetbepaling in deze als mogelijke faciliteit aangeeft”.
Dat is wat de auditeur van de Raad van State in zijn verslag
adviseert.
Ik denk dat de Vlaamse overheid zwaar in de fout
gaat. Ze heeft alle adviezen van de Raad van State van de vorige
jaren genegeerd waarin de Raad van State heel duidelijk zegt dat
de EU-regelgeving met betrekking tot het vrije verkeer van
personen en goederen, beperkt is tot onderdanen van de EER. Bart
Weekers, die auditeur is van de Raad van State, heeft in 2005 in
een artikel in het Tijdschrift voor gemeenterecht het volgende
geschreven: “Eerst moet worden opgemerkt dat de toepassing van
het Europees recht – waarnaar de Vlaamse Regering trouwens
altijd verwijst, zowel bij de pogingen om het via decreet te
regelen, als in de toelichting bij de besluiten – met betrekking
tot het vrije verkeer der werknemers, beperkt blijft tot de
EER-onderdanen. Dit recht heeft geen uitstaans met vreemdelingen
welke geen EER-onderdanen zijn.”
Dat is nu precies waarin u verschilt. De Vlaamse
Regering heeft altijd gezegd dat artikel 39 van het EU-verdrag
op iedereen van toepassing is en dat men enkel een onderscheid
moet maken tussen gezagsfuncties en geen gezagsfuncties. Op
basis van wat de Raad van State zegt, denk ik dat ze zich
vergist.
Mijnheer de minister, u zult problemen hebben in
de gemeenten waar men de rechtspositieregeling nog niet heeft
geregeld en waar men op basis daarvan naar de Raad van State zal
stappen. U durft het zelfs niet bij decreet regelen omdat de
Raad van State u altijd zal terugfluiten, en dus regelt u het
bij koninklijk besluit. Daarmee brengt u gemeenten zoals Puurs
in de problemen.
De voorzitter: Sinds vragen over het
lokale vlak worden geweigerd, stel ik vast dat sommige collega’s
vernuftig iedere verwijzing naar hun gemeente weglaten. De heer
Van den Heuvel heeft het woord.
De heer Koen Van den Heuvel: Mevrouw de
voorzitter, het is absoluut geen lokaal probleem, maar duidelijk
een Vlaams probleem. We hebben blijkbaar het meest actieve
raadslid van het Vlaams Belang in onze gemeenteraad. Ik zou de
heer Van Hauthem trouwens aanraden om volgende keer eens een
andere gemeente te kiezen. Wij hebben ooit een voorstel van het
Vlaams Belang gekregen om het conform de Grondwet te maken en we
hebben alle teksten die de heer Van Hauthem heeft voorgelezen,
gekregen.
Het voorstel is in onze gemeenteraad behandeld.
We hebben toen een mail gekregen van de toezichthoudende Vlaamse
ambtenaar dat als dit voorstel door de gemeenteraad zou worden
aanvaard, dit gemeenteraadsbesluit door de administratie zou
worden voorgelegd aan de gouverneur met als voorstel om tot
schorsing over te gaan.
We zitten echt in een patstelling. Enerzijds is
er het verslag van de auditeur waarin staat dat onze
rechtspositieregeling niet conform de Grondwet is. Anderzijds
worden eventuele aanpassingen geschorst door de toezichthoudende
overheid. Dit is een Vlaams probleem en we kijken uit naar het
antwoord van de minister.
De voorzitter: Minister Bourgeois heeft
het woord.
Minister Geert Bourgeois: Mevrouw de
voorzitter, geachte collega’s, tot nu toe was het altijd de
gemeenteraad van Antwerpen. Nu hebben we ook eens de eer om de
gemeenteraad van Puurs te behandelen. Maar het is inderdaad een
problematiek die de lokale problematiek van Puurs overstijgt.
Ik wil nog eens kort herhalen dat er twee
hypotheses zijn. Wanneer het gaat over de EER plus Zwitserland,
geldt artikel 39 van het Unieverdrag dat het vrij verkeer van
werknemers vastlegt, zonder discriminatie en beperkingen, met
uitzondering van de overheidsbetrekkingen. Het is een lapidair
zinnetje dat niets meer zegt dan dat, maar het is intussen zeer
restrictief geïnterpreteerd door het Hof van Justitie van de
Europese Unie.
Het hof zegt dat je voor de
overheidsbetrekkingen maar in twee uitzonderingen mag voorzien:
met betrekking tot de uitoefening van het gezag en met
betrekking tot de bescherming van het algemeen belang. Ik
citeer: “wanneer het gaat over betrekkingen waarvan de
functiebeschrijving aangeeft dat ze hoofdzakelijk de bevoegdheid
tot rechtstreekse of onrechtstreekse uitoefening van het gezag
van het bestuur inhouden, of dat ze de verantwoordelijkheid voor
de bescherming van de algemene belangen van het bestuur
inhouden”. Het zijn nog tamelijke containerbegrippen, maar
alleen in dit geval mag je binnen de EER plus Zwitserland
betrekkingen voorbehouden voor mensen die de nationaliteit van
het land hebben. Dit is heel duidelijk. Het is dus evident dat
de bepaling van artikel 10 van de Grondwet niet geldt voor alle
betrekkingen die kunnen worden ingenomen door mensen uit de EER
plus Zwitserland. De beperking van de Grondwet die zegt dat
alleen Belgen benoembaar zijn, geldt niet voor dat territorium.
Nu komen we bij de hypothese waarover het hier
wel gaat: de niet-EER-kandidaten, de niet-EER-burgers. Er
bestaat een al lang aanslepende discussie over de interpretatie
van artikel 10 van de Grondwet. Het is dus niet zo, zoals de
heer Van Hauthem zegt, dat er alleen maar een onderscheid moet
worden gemaakt tussen EER en niet-EER. Het lijdt geen twijfel
dat artikel 10 van de Grondwet van toepassing is op alle
overheidsbetrekkingen wanneer er kandidaten zijn van buiten de
EER-ruimte. Daarin volg ik u, mijnheer Van Hauthem. De discussie
is alleen of artikel 10 van de Grondwet ook geldt voor
contractuelen. Want het gaat over contractuelen of statutairen.
Artikel 10 van de Grondwet bepaalt: “De Belgen
zijn gelijk voor de wet; zij alleen zijn tot de burgerlijke en
militaire bedieningen benoembaar, behoudens de uitzonderingen
die voor bijzondere gevallen door een wet kunnen worden
gesteld.” De Grondwet heeft het over “benoembaar”. Tot nu toe is
door alle overheden in dit land – de federale, de Vlaamse en ook
de andere federale entiteiten – gezegd dat benoemingen
betrekking hebben op statutairen. Het gaat dus niet om een
aanstelling in een contractueel verband. Daarover gaat de hele
discussie.
De bepalingen van artikel 39 van het Unieverdrag
zijn geïmplementeerd in het Vlaamse personeelsstatuut. Niemand
heeft dat ooit aangevochten. Ze zijn ook federaal van
toepassing, en ze zijn ook recent in de rechtspositieregeling
voor de lokale en provinciale overheden geïmplementeerd. Nu is
daar voor het eerst een betwisting door iemand die zeer sterk
gehecht is aan de Belgische nationaliteit. Hij stapt naar de
Raad van State omdat hij wil dat dit voorbehouden blijft voor
Belgen.
De heer Joris Van Hauthem: Bestaat de
Vlaamse nationaliteit juridisch al? Doe niet zo flauw.
Minister Geert Bourgeois: U haalt
de discussie aan of dat artikel 10 van de Grondwet ook geldt
voor contractuelen. Die vraag zal moeten worden uitgeklaard door
de rechtspraak. De auditeur heeft inderdaad in zijn advies twee
zaken gezegd. Ten eerste dat het ongrondwettig is en ten tweede
dat hij adviseert tot vernietiging over te gaan, en wel met de
verkorte procedure. Ik heb het tussenarrest van de Raad van
State gelezen, mijnheer Van Hauthem. Dat doet nog geen uitspraak
over het belang van diegenen die beroep hebben aangetekend. Dat
is nog zeer bediscussieerbaar. Het tussenarrest zegt ook nog
niet te zullen ingaan op de verkorte procedure omdat een en
ander nog moet worden uitgeklaard.
Ik kan u opeenvolgende omzendbrieven geven van
lang voor de rechtspositieregeling voor het lokale bestuur en
van lang voor het Vlaamse personeelsstatuut, die deze
interpretatie aanhouden: de overheden maken een onderscheid
tussen statutairen en contractuelen. De Raad van State zegt in
zijn adviesfunctie – afdeling Wetgeving – de hele tijd dat dit
niet correct is en dat het ook slaat op contractuelen. Bij de
bij mijn weten eerste zaak die nu voor de Raad van State komt,
zegt de auditeur in zijn advies dat artikel 10 zo moet gelezen
worden dat het ook slaat op contractuelen. We zullen zien welke
uitspraak de Raad van State daarover zal vellen. Dat zal een
nieuw element zijn. Ik vermoed dat dit zal gebeuren na een
prejudiciële vraag. Ik kan mij inbeelden dat deze vraag ook nog
naar het Grondwettelijk Hof zal gaan. Dan zullen we een
uitspraak hebben en zullen we weten waar we aan toe zijn. Met
dien verstande dat ik moet signaleren dat artikel 10 van de
Grondwet een artikel is dat vatbaar werd verklaard voor
herziening. Het is evident dat het zal moeten aangepast worden
want het is niet meer conform met het Unieverdrag. Artikel 10
zegt dat je alleen maar als Belg kunt worden benoemd in
burgerlijke en militaire overheidsbetrekkingen terwijl het
Unieverdrag zegt dat je zeker in de EER geen Belg moet zijn.
Artikel 10 van de Grondwet is minstens op dat punt niet conform.
Als Artikel 10 wordt aangepast in de zin van wat de indieners
van het voorstel tot herziening voorstellen, zal die hele
discussie wegvallen. Ik weet niet wat daarmee zal gebeuren. Het
artikel is in 2007 vatbaar verklaard voor herziening. Daarmee is
op het federale niveau nog niets gebeurd.
Mijnheer Van den Heuvel, bij mijn weten is dat
de eerste casus. Puurs heeft de eer om de spits af te bijten. In
Puurs is de tekst van de rechtspositieregeling niet 100 percent
correct omgezet. De formulering is anders dan in de
rechtspositieregeling. Maar ik denk dat de fundamentele
discussie, ook na aanpassing van de rechtspositieregeling,
overeind zal blijven.
Voor de rest is de Vlaamse overheid daar niet
bij betrokken. In de zaak Puurs zal er een uitspraak komen. Als
de Raad van State zegt dat diegenen die annulatieberoep
aantekenen belang hebben, dan zal er een uitspraak ten gronde
komen.
Maar dat zijn geen kandidaten. Het Vlaams
Belang-gemeenteraadslid zegt dat hij zal kandideren voor een
contractuele functie zodra hij geen gemeenteraadslid meer is en
dat hij dus een belang heeft. Ik weet niet of dit als een belang
zal worden beschouwd. En dan is er nog iemand anders die in de
procedure is tussenbeide gekomen en die zegt dat hij ooit nog
wel eens zal kandideren. Ik heb het gevoel dat de Raad van State
zeer reticent is inzake het toekennen van het belang en dat men
dat grondiger zal onderzoeken.
Die uitspraak ten gronde zal de eerste uitspraak
zijn. Dan zullen we weten waar we staan met ons Vlaamse
personeelsstatuut, met de lokale rechtspositieregeling – dit
alles onder voorbehoud van een eventuele wijziging van artikel
10 van de Grondwet.
De voorzitter: De heer Van den Heuvel
heeft het woord.
De heer Koen Van den Heuvel: Dank u,
mijnheer de minister, voor uw antwoord. U hebt een overzicht
gegeven van de huidige situatie. Wij kenden die stand van zaken
ook.
Wij zijn er optimistisch over dat in Puurs,
vanwege dat wat u daarnet hebt gezegd, het belang van de
indiener niet zal kunnen worden aangetoond en dat de casus Puurs
zal worden opgelost. Wij investeren daar toch een aantal
tienduizenden euro’s in. Wij hebben meester Coolsaet uit
Antwerpen aangeduid als expert. Hij schrijft zijn advies niet
voor niets. Ik wil pleiten voor een structurele oplossing. Ik
heb uit het antwoord begrepen dat we zullen moeten wachten op de
uitspraak ten gronde van de Raad van State.
De voorzitter: De heer Van Hauthem heeft
het woord.
De heer Joris Van Hauthem: Mevrouw de
voorzitter, mijnheer de minister, mijnheer Van den Heuvel, ik
denk dat de Vlaamse overheid dit zichzelf heeft aangedaan.
Mijnheer de minister, u hebt gelijk als u zegt dat de Raad van
State een onderscheid maakt. Enerzijds zegt hij dat je geen
onderscheid mag maken tussen statutairen en contractuelen.
Dat wordt door de overheid betwist. De overheid voert maar
besluiten in en laat die uitvoeren door lagere besturen. Ik vind
dat men daar de gemeenten in een rechtsonzekere situatie brengt
en ook diegenen die op basis van deze regelgeving zowel op
gemeentelijk vlak als op Vlaams vlak zullen worden aangeworven.
Als men de auditeur goed leest, dan zegt de Raad
van State, in dit geval gevolgd door de auditeur in zijn
algemeenheid dat men een uitzondering kan maken op de Belgische
nationaliteit, maar dat die uitzondering door de wetgever of de
decreetgever moet worden gemaakt, en dat zij heel concreet
geformuleerd moet zijn. Daarom verwijs ik naar het decreet van
januari 2004, waarvan de Raad van State heeft gezegd dat het
goed is dat de decreetgever dat wil doen, maar dat die
categorieën van ambten die uitzonderlijk toch toegewezen kunnen
worden aan mensen die niet tot de EER behoren, zodanig ruim
geformuleerd zijn dat dit ongrondwettig is. Dan laat de Vlaamse
decreetgever het daarbij en begint hij met besluiten te werken
waarin altijd ook de vooronderstelling wordt geformuleerd dat
het is in afwachting van de wijziging van de Grondwet. Mijnheer
de minister, natuurlijk moet de Grondwet worden gewijzigd in die
zin dat de term ‘Belg’ moet worden uitgebreid tot ‘EER- en
Zwitsers onderdaan’. Maar men heeft via het decreet geprobeerd
om het veel verder open te stellen: tot onderdanen die niet tot
de EER en Zwitserland behoren. Daar is men altijd op het advies
van de Raad van State gestoten.
Mevrouw de voorzitter, het gaat nu over Puurs
maar het kan morgen ook in een andere gemeente gebeuren en
daarom is het effectief van een bovengemeentelijk belang. Als
het Agentschap voor Binnenlands Bestuur zegt dat het, als een
gemeente zou beslissen om die regeling niet op te nemen, om dat
element uit de rechtspositieregeling te halen, u nu al
garandeert dat die bepaling zal worden geschorst, dan lijkt mij
dat van een zeer verregaande arrogantie te zijn. De Vlaamse
overheid heeft dit probleem, dat eventueel verregaande gevolgen
kan hebben, aan zichzelf te wijten.
Minister Geert Bourgeois: Mijnheer Van
Hauthem, de discussie gaat over het onderscheid tussen
contractuelen en statutairen. Het gaat niet over de
algemeenheid. Het Vlaamse personeelsstatuut en de
rechtspositieregeling lokale besturen wijken op dit punt niet af
van artikel 10, dat het heeft over de statutairen. De discussie
die er wel is, is een oude discussie. U zegt dat de Vlaamse
overheid dit bij besluit heeft ingevoerd. Neen, de eerste
omzendbrief die ik heb – en misschien zijn er nog oudere –
dateert van 1990 en ging over de toegang voor vreemdelingen tot
betrekkingen in de gemeentebesturen. Ik weet dat het
ontwerpdecreet-Van Grembergen van 2004 is teruggefloten door de
Raad van State omdat de uitzonderingen veel te ruim waren. De
rechtspositieregeling, in welke vorm van besluiten of
omzendbrieven ook, is al de hele tijd in die zin gevestigd dat
benoemingen, zoals staat in artikel 10, worden geïnterpreteerd
als benoemingen van een statutair. Uiteindelijk zal de
rechtspraak daaraan een oplossing moeten geven, tenzij artikel
10 van de Grondwet op een andere manier zou worden gewijzigd.
De voorzitter: Het incident is gesloten.