Schriftelijke vraag van Koen Van den Heuvel, Vlaams volksvertegenwoordiger, aan de heer Philippe Muyters, Vlaams minister van Financiën, Begroting, Werk, Ruimtelijke Ordening en Sport. i.v.m. de erkenning en ondersteuning van de schaaksport

10 augustus 2010  

In het verleden is er reeds meermaals van gedachten gewisseld over de vraag of bepaalde sporten al dan niet dienen te worden erkend door de Vlaamse overheid. In 2008 werd er zo nog een vraag gesteld i.v.m. het erkennen van de damsport als volwaardige sport. Uit deze discussies kwam naar voren dat er niet altijd eensgezindheid bestaat over de legitimiteit van bepaalde vragen tot officiële erkenning, maar dat elke sport, ook volksspelen of denksporten, hun plaats verdienen in Vlaanderen. 

Vanuit de praktijk horen we evenwel dat waardevolle en actief beoefende sporten met bepaalde moeilijkheden te maken krijgen omwille van het ontbreken van een officiële erkenning als sport door de Vlaamse overheid.  

Ik neem hier graag het voorbeeld van de schaaksport. Deze wordt in Vlaanderen niet erkend als officiële sport. Dit heeft een aantal implicaties. Zo worden schaakclubs geconfronteerd met problemen wanneer zij bij grotere evenementen Bloso-infrastructuur wensen te gebruiken. Verder blijkt de schaaksport niet op elk niveau hetzelfde statuut te hebben: in een aantal gemeentes maken schaakverenigingen deel uit van de sportraad, in andere niet. Een soortgelijke situatie op het provinciale niveau: in sommige provincies is de schaaksport erkend als sport, in andere niet. Dit zorgt voor een ongelijke ondersteuning. Dit alles ondanks de erkenning van de schaaksport als niet-Olympische sport door het IOC. 

Het is niet zo dat de schaaksport, of andere denk- of volksspelen, in het geheel niet worden ondersteund. Via het participatiedecreet ontvangt de Vlaamse schaakfederatie bijvoorbeeld jaarlijks 2.500 euro. De niet-erkenning als sport zorgt evenwel ervoor dat er op een aantal andere beleidniveaus grote verschillen bestaan in de ondersteuning die er aan de bestaande initiatieven wordt geboden, evenals een moeilijkere relatie t.a.v. Bloso. 

1. Hoe evalueert de minister de ondersteuning van volksspelen en denksporten door de Vlaamse Regering? 

2. Wat is zijn reactie op de problemen m.b.t. Bloso-infrastructuur waarmee deze sporten geconfronteerd worden? Hoe wordt hieraan tegemoetgekomen?

3. Hoe kijkt de minister aan tegen een mogelijke erkenning door de Vlaamse overheid van de schaaksport als officiële sport?
 

Het antwoord van de minister: 

1.   De ondersteuning van volksspelen is decretaal verankerd in het decreet van 13 juli 2001 houdende de regeling van de erkenning en subsidiëring van de Vlaamse sportfederaties, de koepelorganisatie en de organisaties voor de sportieve vrijetijdsbesteding en kan bijgevolg positief geëvalueerd worden.

      In de organisaties voor de sportieve vrijetijdsbesteding worden activiteiten geclusterd waarbij de deelnemers op gereglementeerde wijze en in gestructureerd verband hun vaardigheden meten en waarbij coördinatie, concentratie, behendigheid, tactiek en ontspanning primeren in combinatie met een minimale fysieke activiteit.

      In totaal worden vier clusters financieel ondersteund, waaronder de traditionele en de inter-nationale volksspelen, voor de uitvoering van hun vier opdrachten of functies: een informatie- en documentatiefunctie, een begeleidende functie, een promotiefunctie en een aanspreekfunctie.

      De traditionele volksspelen worden vertegenwoordigd door de vzw Vlaamse Traditionele Sporten (VlaS) en worden gekarakteriseerd door hun overheersend sociale dimensie, hun mogelijkheid tot levenslange beoefening en hun Vlaamse traditionele oorsprong.

      De internationale volksspelen zijn geclusterd in de vzw Vlaamse Organisatie voor Internationale Volkssporten en worden ook gekenmerkt door een overheersend sociale dimensie, door een uitge-sproken internationaal karakter en door de klemtoon op het aspect concentratie. 

      De denksporten zijn van bij aanvang door de Vlaamse Regering niet opgenomen in het Vlaamse sportbeleid en dus is er vanuit deze hoek geen financiële ondersteuning mogelijk. Persoonlijk heb ik helemaal niets tegen denksporten, maar ik volg wel de visie die de Vlaamse overheid voor haar sportbeleid steeds heeft gehandhaafd en die gesteund is op het aanwezig zijn van een voldoende minimale fysieke activiteit. Zie infra (vraag 3). 

2.   De Bloso-sportinfrastructuur staat wel degelijk ook ter beschikking voor denksportclubs. De weinige aanvragen die in de Bloso-centra in het verleden werden ontvangen voor het gebruik van de sportinfrastructuur, werden steeds positief behandeld. Problemen m.b.t. het afhuren van Bloso-sportinfrastructuur door denksportclubs werden niet vastgesteld. 

3.   In de eerste plaats wens ik te verduidelijken dat de Vlaamse overheid geen sporten erkent maar wel sportfederaties die voldoen aan de voorwaarden van het decreet van 13 juli 2001 houdende de regeling van de erkenning en subsidiëring van de Vlaamse sportfederaties, de koepelorganisatie en de organisaties voor de sportieve vrijetijdsbesteding.  

      Om als Vlaamse sportfederatie erkend te worden door de Vlaamse overheid dient de federatie via haar clubs sportactiviteiten aan te bieden aan de aangesloten leden zoals voorzien in  artikel 5, 1° van het decreet van 13 juli 2001 houdende de regeling van de erkenning en subsidiëring van de Vlaamse sportfederaties, de koepelorganisatie en de organisaties voor de sportieve vrijetijds-besteding. 

      Een sportfederatie wordt in het decreet van 13 juli 2001 gedefinieerd als een vereniging van sportclubs (art. 2, 2°). Zij heeft sportclubs in ten minste 4 provincies (art. 5, 2°). De sportfederatie moet in haar statuten sport als doelstelling hebben (art. 5, 5°) en de sportclub moet het organiseren van sportactiviteiten en het promoten van haar sport tot doelstelling hebben (art. 2, 4°). 

      Om in aanmerking te komen voor basissubsidies moeten de Vlaamse sportfederaties sport-activiteiten aanbieden via de sportclubs waarbij het gaat om voldoende en regelmatige fysieke inspanning en waarbij het activiteiten betreft met de bedoeling de lichamelijke ontwikkeling te stimuleren of de lichamelijke conditie op peil te houden of te verbeteren (art. 13, 1° van het decreet). Enkel sporten voorkomend op de sporttakkenlijst als bijlage bij het uitvoeringsbesluit van 5 december 2008, komen in aanmerking voor deze subsidiëring. 

      Bij het luik van de erkenning en subsidiëring van de organisaties voor de sportieve vrijetijds-besteding vinden we bij de afbakening van het begrip "sportieve vrijetijdsbesteding" het aspect minimale fysieke activiteit terug (art. 46, 1° van het decreet). 

      Het luik erkenning van de Vlaamse sportfederaties voorziet niet in een afzonderlijke omschrijving van de begrippen "sport" of "sportactiviteiten".

      Bij een erkenning als sportfederatie moet het wel nog steeds om sport gaan. 

      Sport wordt, ook in de meeste studies over sport en sportparticipatie, vereenzelvigd met fysieke inspanning of specifieke motorische vaardigheden, met fysiek en sporttechnisch prestatie-vermogen en het trainen van dat prestatievermogen. Volgende basiseigenschappen en het trainen ervan zijn dan ook onlosmakelijk verbonden met het begrip sport: kracht, uithouding, snelheid, lenigheid (als conditionele eigenschappen) en coördinatie (als basis van sporttechnische vaardig-heden). De mate waarin deze basiseigenschappen een rol spelen bij het sporten zal uiteraard van sporttak tot sporttak en zelfs van discipline tot discipline verschillen, maar het in zekere mate aanwezig zijn van één of meerdere van deze eigenschappen wordt gezien als een minimale voorwaarde om van sport te kunnen spreken. 

      Het is duidelijk dat voor het beoefenen van denksporten geen van bovenvermelde basis-eigenschappen aanwezig is en dat het trainen van bovenstaande eigenschappen de prestaties bin-nen de denksporten ook niet zal verbeteren.

      In deze optiek kunnen denksporten in de nabije toekomst geen aanspraak maken op een officiële erkenning als sport door de Vlaamse overheid en kan ik als minister van sport dus geen acties ondernemen in die richting.

     
   
        2010 Koen Van den Heuvel