|
Vraag om uitleg van de heer Koen Van den Heuvel, Vlaams
volksvertegenwoordiger, aan de heer Pascal Smet, Vlaams minister
van Onderwijs, Jeugd, Gelijke Kansen en Brussel m.b.t. het
tekort aan afstuderende ingenieurs en het stimuleren van studies
Wetenschap & Techniek
1 april 2010
De
voorzitter: De heer Van den Heuvel heeft het woord.
De heer Koen Van den Heuvel: Voorzitter, minister, ik
moet even wennen. Ik ben nieuw in deze klas. Het gaat er
hier blijkbaar ernstiger en stiller aan toe dan in de commissie
Economie.
Er is een ingenieurstekort in Vlaanderen. We wisten al dat er
een probleem was. Uit de enquête van USG Innotiv blijkt dat er
een tekort zou zijn van 2500 ingenieurs. Agoria sprak vroeger
van een kleine 1000. Het is zeker een probleem als we willen dat
Vlaanderen binnen 10 jaar tot de beste 5 regio’s in Europa
hoort. Als we volop willen inzetten op de transformatie van onze
economie naar een kennisintensieve economie, hebben we
ingenieurs en wetenschappers nodig.
De laatste decennia is het aantal afgestudeerde ingenieurs nog
verminderd. Als je de grafiek bekijkt, is het aantal burgerlijk
ingenieurs wel op peil gebleven en de laatste jaren licht
gestegen, maar het aantal industrieel ingenieurs is ten opzichte
van het begin van de jaren 90 met enkele duizenden afgenomen.
Daarnaast is er ook de genderproblematiek. Het aantal meisjes in
deze richtingen ligt veel lager dan gemiddeld. De meisjes zijn
op het einde van de humaniora zeker en vast bij de betere
studenten, toch kiezen ze minder voor de zogenaamde sterke
richtingen.
Minister, u en minister Lieten hebben de laatste maanden al op
het probleem gewezen en gezegd dat het aantal initiatieven zou
moeten toenemen of misschien beter gecoördineerd moet worden. Ik
heb me er de laatste weken even in verdiept. Ik heb de indruk
dat er veel goede wil is in Vlaanderen. Er zijn diverse
initiatieven, maar het zijn druppels op een hete plaat. Iedereen
doet wel iets. Vanuit Onderwijs wordt er iets gedaan.
Sommige
regionale sociaal-economische overlegcomités (RESOC’s) springen
op dat debat. Ook vanuit Gelijke Kansen worden er middelen
vrijgemaakt. Het zijn allemaal nogal zelfstandige projecten, die
niet duurzaam zijn en niet passen in een globaal plan van
aanpak. Daar kunnen we efficiëntiewinst boeken.
We zijn even de grens overgestoken, niet omdat Nederland altijd
de waarheid in pacht heeft, integendeel. Maar de Vlaamse Raad
voor Wetenschap en Innovatie (VRWI) heeft ons erop gewezen eens
over de grens te kijken. Het Nederlandse Platform Bèta Techniek
pakt het op een gestructureerde en duurzame manier aan. 10 jaar
geleden is men daarmee gestart en heeft men voor een
gecoördineerde, coherente aanpak gezorgd van het
kleuteronderwijs tot het hoger onderwijs. Het is een zogenaamde
ketenaanpak: het gaat door de hele schoolloopbaan. Men is ook
naar een rechtstreekse responsabilisering gegaan van scholen.
Scholen die concrete doelstellingen durven aan te gaan, krijgen
een extra financiering. Dat werkt, want de laatste cijfers tonen
aan dat het aantal leerlingen dat instroomt in de richtingen van
wetenschap en techniek, stijgt met meer dan 60 percent. De
gemiddelde instroom is een kleine 20 percent gestegen.
Minister, hoe evalueert u het tekort aan ingenieurs in
Vlaanderen? Hoe zullen de bestaande initiatieven met betrekking
tot wetenschapscommunicatie en het promoten van
wetenschapsonderwijs worden bijgestuurd om deze effectiever te
maken? Kent u het Nederlandse Platform Bèta Techniek? Hoe
evalueert u dat? Ziet u aanknopingspunten voor Vlaanderen om te
gaan naar een meer coherente en duurzame aanpak en een grotere
responsabilisering van de scholen?
De voorzitter: De heer Martens heeft het woord.
De heer Bart Martens: Minister, ook ik betreed met enige
schroom deze arena. Ik ben geen vast lid van deze commissie. Ik
voel me hier als man behoorlijk in de minderheid. De problemen
van de ingenieurs gaan me na aan het hart. Het heeft er
misschien mee te maken dat ik ooit ook zo’n diploma heb behaald.
De vorige legislatuur pikte ik samen met de heer Frans Peeters,
ook technisch ingenieur, de problemen af en toe op en hadden we
regelmatig overleg met de Vlaamse Ingenieurskamer om de besognes
van de ingenieurs te bespreken. De problemen waar de
ingenieursopleidingen blijkbaar mee kampen, zijn enkel urgenter
geworden, tenminste als we de ingenieursbarometer van USG
Innotiv mogen geloven die twee weken geleden de kat de bel
aanbond met de resultaten van een enquête.
Zij hebben 50 bedrijven en 1000 ingenieurs geënquêteerd om te
peilen naar de openstaande vacatures, het aantal ingenieurs dat
zich op de markt aanbiedt enzovoort. Ze zijn tot de conclusie
gekomen dat er dit jaar 2000 ingenieurs afstuderen, terwijl er
4500 vacatures zijn. Er is dus een structureel tekort aan
beschikbare ingenieurs.
Drie vierde van de Belgische bedrijven voorspelt dat de
schaarste aan ingenieurs alleen maar groter zal worden.
Bovendien zal in het kader van de Bologna-akkoorden de
ingenieursopleiding van industrieel ingenieur worden opgetrokken
van 4 naar 5 jaar. Dat is nu al het geval in de meeste andere
Europese lidstaten, en zelfs in het Waalse Gewest. Op het moment
dat we die omschakeling doorvoeren, zullen we dus geen enkele
uitstroom hebben van ingenieurs. Op dat moment zal het tekort
enkel nog prangender worden.
Zoals de heer
Van den Heuvel al zei, doorkruist dat structureel tekort aan
ingenieurs en andere technische opleidingen de ambities die
Vlaanderen heeft om uit te groeien tot een innovatieve en
kennisgedreven economie. Uit Pact 2020 en de teksten van
Vlaanderen in Actie blijkt dat dit een breed gedragen,
belangrijke ambitie is van de overheid en van onze maatschappij.
We moeten dus niet alleen nieuwe duurzame technieken
ontwikkelen. We moeten niet alleen een incubatiekamer vormen
waarin die nieuwe technieken op punt worden gesteld via
innovatie, onderzoek en ontwikkeling. We hebben niet alleen een
kinderkamerfunctie nodig door via innovatief aanbesteden
enzovoort een eerste markt voor die nieuwe producten en diensten
te creëren: we moeten ook tot de brede uitrol kunnen overgaan,
en precies daarvoor hebben we in het bijzonder dergelijke
technische opleidingen en profielen op onze arbeidsmarkt nodig.
Minister, hoe evalueert u het probleem van die te kleine
uitstroom en dus ook instroom in de opleidingen van ingenieurs?
Zit dat probleem in specifieke afstudeerrichtingen, de hardere
afstudeerrichtingen zoals Bouwkunde en Elektromechanica of de
zachte zoals Chemie en Biochemie? Of is het een algemeen
probleem?
Welke maatregelen treft u om daar een antwoord op te bieden en
de aantrekkelijkheid van de opleiding en het diploma te
vergroten? Ik denk dat dit niet enkel uw bevoegdheid is. Ook in
het mediabeleid bijvoorbeeld moet daar aandacht aan besteed
worden. Wij zijn nog opgegroeid met de Chriet Titulaersen van
deze wereld en programma’s als Verover de Aarde enzovoort. Dat
waren echt wetenschappelijke programma’s die wekelijks op onze
openbare omroep te zien waren. Ik heb de indruk dat dit is
weggedeemsterd en dat als er nog wetenschappelijke programma’s
worden getoond, het aangekochte programma’s zijn die niet in
primetime maar ergens in de late uren worden getoond. We hebben
nog radioprogramma’s gehad zoals Jongens en Wetenschap. Die zijn
bedoeld voor mensen die op dat moment in kantoor of wagen
zitten, en niet voor de jongeren die nog moeten beslissen over
welke opleiding en studie ze zullen kiezen.
Hoe wordt in afwachting met dit tekort omgegaan? Vindt er een
overleg plaats, bijvoorbeeld tussen de sociale partners, de
onderwijsinstellingen en de VDAB om het tekort te kunnen
opvangen en om in het kader van permanente vormingen, technische
opleidingen naschools te blijven aanbieden?
Wat kunnen de gevolgen zijn van de integratie van de academische
opleiding in de universiteit voor de kwaliteit en
aantrekkelijkheid van de opleiding Industrieel Ingenieur? Hoe
ver staat het daarmee?
Hebben de hogescholen, de associaties, al een dossier ingediend
om over te gaan naar die vijfjarige opleiding? Zo niet, wanneer
wordt dit verwacht? Ik denk dat die vijfjarige opleiding
cruciaal wordt omdat bijna overal in Europa wordt gewerkt met 3
jaar bachelors en 2 jaar master voor de opleiding Industrieel
Ingenieur. Het feit dat dit bij ons met 1 masterjaar gepaard
gaat, zou de waarde van ons diploma buiten Vlaanderen kunnen
devalueren. Andere lidstaten begrijpen niet dat wij op 4 jaar
gestudeerd krijgen waar men elders in Europa 5 jaar voor nodig
heeft. Ik hoor ook dat dit een rem is voor de tewerkstelling van
onze industrieel ingenieurs in het buitenland. Vaak worden dan
bij overheidsopdrachten en dies meer bijkomende voorwaarden
gesteld aan de diploma’s die een werfleider daar moet hebben.
Dat betekent dat onze ingenieurs vaak uit de boot vallen bij
buitenlandse opdrachten. Het lijkt me cruciaal om die switch van
4 naar 5 jaar te maken.
We kunnen betreuren dat die switch niet is gebeurd tijdens de
economische crisis. Dat was het moment geweest om die opleiding
te verlengen omdat er toen ook minder vraag was op de
arbeidsmarkt. Nu riskeren we dat die verlenging zal plaatsvinden
op het moment dat onze economie zich zal herpakken en de vraag
naar industrieel ingenieurs zal toenemen.
De voorzitter: De heer De Meyer heeft het woord.
De heer Jos De Meyer: Voorzitter, minister, collega’s,
het probleem is hier correct geschetst. We hebben het daarover
in de commissie al meermaals gehad, en het is goed dat daar
opnieuw aandacht voor wordt opgebracht. Het is een blijvend
probleem, wat erop wijst dat er geen gemakkelijke oplossingen
voorhanden zijn. Onderwijs kan dat niet alleen oplossen; ook
andere actoren moeten daarbij worden betrokken. We moeten meer
mensen ervan overtuigen om de opleidingen tot ingenieur en alle
andere positieve wetenschappen aan te vatten en ervoor zorgen
dat het aantal afgestudeerden stijgt. Maar ik wil toch even
herinneren aan het debat dat we enkele weken geleden over de
schoolinfrastructuur voerden. Toen is al gezegd dat we ervoor
moeten zorgen dat we binnen enkele jaren genoeg onderwijzend
personeel hebben.
Er is nog een andere sector die kampt met een tekort aan
afgestudeerden: de verpleegkundige sector. Ik wil daarmee enkel
aangeven dat er meerdere sectoren zijn waar onvoldoende jonge
mensen voor kiezen. De vraag is dan hoe de minister van
Onderwijs daar moet mee omgaan. Over welke instrumenten beschikt
u om samen met andere actoren in de samenleving op een
verantwoorde manier de evolutie te beïnvloeden? Ik vat samen: de
probleemstelling is dus correct gebeurd, maar het probleem stelt
zich ruimer dan enkel in de vermelde sector.
De voorzitter: Mevrouw Celis heeft het woord.
Mevrouw Vera Celis: Voorzitter, minister, collega’s, het
probleem is correct geschetst, maar ik heb een bijkomende vraag.
Amper 28 percent van de afgestudeerden van opleidingen in de
exacte wetenschappen zijn vrouwen. Aan capaciteiten ontbreekt
het hen niet, maar hun instroom in wetenschappelijke en
technische richtingen blijft beperkt. Daaraan iets in het
secundair onderwijs doen, is blijkbaar te laat. Wij moeten er
goed op toezien dat het onderwijs maatregelen treft om meer
meisjes naar die richtingen te leiden.
Het is altijd interessant om eens over het muurtje te kijken,
zoals ook de heer Martens heeft gezegd. We moeten de
ontwikkelingen in Nederland en de maatregelen die men er neemt
om de instroom te vergroten in het oog houden. Het is
bijvoorbeeld niet noodzakelijk zo dat een instroomtoename met 60
percent ook tot een even grote uitstroom leidt. We moeten dat
dus goed opvolgen. Maar mijn bekommernis is nog steeds meer
meisjes naar die studierichtingen te leiden.
De voorzitter: Mevrouw Poleyn heeft het woord.
Mevrouw Sabine Poleyn: Voorzitter, minister, collega’s,
ik sluit me graag aan bij de bezorgdheden van de collega’s en
specifiek bij de oproep van de heer Van den Heuvel om een
gestructureerde aanpak ter stimulering van wetenschap en
techniek in ons onderwijs uit te werken. In dat verband wil ik
even verwijzen naar de bespreking van begin februari over de
nieuwe eindtermen voor het basisonderwijs en de eerste graad van
het secundair onderwijs, die in september zullen ingaan. Voor
die nieuwe eindtermen er waren, was er dankzij het
EDISON-project een visie ontwikkeld over een leerlijn die van de
kleuterleeftijd doorloopt tot men 18 jaar is. Men is met de
nieuwe eindtermen daar een beetje van afgestapt, wellicht om
praktische redenen.
Ik heb het al eerder gezegd: ik roep op om die leerlijn, die een
harmonisch geheel vormt en zorgt voor een opbouw die rekening
houdt met de ontwikkelingsfasen van de kinderen en de jongeren,
opnieuw ter hand te nemen. Die leerlijn kan voor een structuur
zorgen. Ik hoop ook dat u erin slaagt media-aandacht voor de
nieuwe eindtermentechniek te vragen, vooral in het
basisonderwijs. De meeste onderwijzers voelen zich immers niet
zelfzeker genoeg om die eindtermen in het basisonderwijs in te
vullen, alle nascholingen ten spijt.
Ik wil ook graag weten wat de rol van de regionale
technologische centra (RTC’s) kan zijn. In de bespreking van de
beleidsnota zei u dat u er voor open staat dat de RTC’s meer
promotie zouden maken voor de technische richtlijnen. Zijn die
plannen inmiddels al wat concreter geworden?
U benadrukt sterk dat wetenschap, techniek en ook ICT steeds
meer worden samengebracht. Ik hoor van mensen uit het onderwijs
dat dit best toch niet te veel gebeurt. Wetenschap is nog iets
anders dan techniek. En als u inzake de eindtermen voor
wetenschappen een initiatief wilt nemen, dan wil ik het even
hebben over het nieuwe vak natuurwetenschappen, dat enkele jaren
geleden de vakken fysica, chemie en biologie heeft vervangen. De
scholen hebben dat elk op hun manier vormgegeven. In de praktijk
kwam het er wel op neer dat er een uur minder les werd gegeven.
Daarover ontving ik heel wat negatieve signalen. Men vraagt zich
af wie dat vak mag geven: de fysicus, de bioloog, de chemicus?
En heeft dat een impact op de aard van het vak en op de
studiekeuzes van de leerlingen? Ter zake hebben we toch heel wat
kansen om eens te evalueren en te bekijken of dit op een andere
manier kan worden georganiseerd, of nog meer op dezelfde manier,
zodat de jongeren die er talent voor hebben, daadwerkelijk een
wetenschappelijke richting gaan volgen.
De voorzitter: Mevrouw De Knop heeft het woord.
Mevrouw Irina De Knop: Er is heel veel gezegd. Ik beaam
zeker het belang van die opleidingen. We moeten er inderdaad
voor zorgen dat er genoeg leerlingen voor die richtingen kiezen.
Ik dacht dat iemand dat al had gezegd, maar het spreekt
eigenlijk vanzelf dat we dat mee in overweging moeten nemen bij
de hervorming van het secundair onderwijs.
Het
rapport-Monard doet een aantal suggesties om jongeren in de
eerste graad te laten kennismaken met brede
belangstellingsgebieden. Daarmee kan misschien tegemoet worden
gekomen aan de zorg van mevrouw Celis dat er zo weinig meisjes
voor die richtingen kiezen. Ik deel die bekommernis trouwens.
Als we ervoor zorgen dat alle jongeren in de eerste graad van
het secundair onderwijs met belangstellingsgebieden zoals
wetenschap en techniek worden geconfronteerd, ontdekken ze
misschien dingen waarvan ze op voorhand niet wisten dat die hen
zouden interesseren. Dat is een uitdaging op lange termijn. Op
korte termijn moeten we zeker en vast maatregelen nemen qua
promotie en dergelijke, maar op de lange termijn hoop ik dat
deze en andere problemen aan bod komen bij de hervorming van het
secundair onderwijs. Het gaat eigenlijk over het herwaarderen
van arbeidsgerichte en technische richtingen in het algemeen.
De voorzitter: Minister Smet heeft het woord.
Minister Pascal Smet: Voorzitter, zoals diverse
commissieleden al hebben gesteld, komen varianten op deze vragen
regelmatig terug in deze commissie, niet alleen mondeling, maar
ook schriftelijk. Ik verwijs ter zake naar een vraag die mevrouw
Celis daarover nog in oktober 2009 heeft gesteld.
Dat die vraag blijft terugkomen, is uiteraard geen bewijs dat we
het probleem niet willen erkennen of er niets aan willen doen,
integendeel: het bewijst dat we hier met een hardnekkig probleem
kampen, dat trouwens niet alleen in Vlaanderen, maar overal in
Europa aan de orde is. We moeten bovendien ook met enige nuances
rekening houden. Ik stel dit zeer sterk in de voorwaardelijke
wijs, maar er lijkt zich een lichte kentering af te tekenen: er
is een lichte stijging van de instroom voor generatiestudenten
Industrieel én Burgerlijk Ingenieur. Dat is hoopvol, maar we
moeten voorzichtig zijn: het valt natuurlijk af te wachten of
dit eenmalig is, dan wel het begin van een trend.
We zien ook dat er in de periode 2002-2009 beduidend minder
diploma’s zijn uitgereikt in de opleidingen Industrieel
Ingenieur, van 1842 naar 1453 diploma’s, terwijl het aantal
burgerlijk ingenieurs en bio-ingenieurs in diezelfde periode wel
is toegenomen. Ik erken volmondig dat dit niet volledig in
dezelfde mate is. Dit compenseert het verlies aan industrieel
ingenieurs niet volledig, gesteld dat we al over een compensatie
zouden kunnen spreken. Het is echter wel belangrijk dat in het
achterhoofd te houden. Ook binnen de opleiding Industrieel
Ingenieur zijn er verschillen. Vorige week nog was ik in de
Hogeschool Gent, die als enige hogeschool een
ingenieursopleiding in de textiel aanbiedt.
Wie die opleiding volgt, heeft zijn bedje al gespreid voor de
komende jaren, en toch is het bijna ondoenbaar om jongeren
warm te maken voor die opleiding. Die vaststelling wijst er ook
op dat dé ingenieur niet bestaat. Dat blijkt ook in het
werkveld: er zijn heel wat verschillende specialisaties binnen
de groep van de industrieel ingenieurs en de bio- en burgerlijk
ingenieurs, en al die verschillende profielen zijn niet allemaal
in dezelfde mate gegeerd.
Dat belet niet dat we moeten blijven zoeken naar efficiënte
initiatieven om die opleidingen te promoten. Ik kom al 9 maanden
in deze commissie. Ik weet het wel: er is een beleidsnota. We
zullen daar in de toekomst echter nog meer een prioriteit van
maken. Dat geldt niet alleen voor de ingenieursopleidingen. Er
zijn nog andere opleidingen in ons hoger onderwijs die van groot
maatschappelijk belang zijn, en waarvoor we niet altijd even
gemakkelijk voldoende studenten vinden. Dan denk ik aan de
opleiding Verpleegkunde, aan de lerarenopleiding enzovoort.
Gelukkig werken we nu sinds een paar jaar samen met de
ingenieursverenigingen.
Ik heb een aantal voorbeelden gegeven in het antwoord aan
mevrouw Celis. We moeten nadenken, in overleg met Onderwijs, de
VDAB, de Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen (SERV) en de
RTC’s, over de vraag hoe we de studiekeuze beter kunnen
afstemmen op wat de arbeidsmarkt echt nodig heeft. Daarmee wil
ik niet zeggen dat mensen uitsluitend in functie van de
arbeidsmarkt moeten kiezen. We moeten ons hoeden voor een
steriele discussie tussen het onderwijs en de arbeidsmarkt. Nu
ik 9 maanden minister van Onderwijs ben en nadat ik ook uw
vragen heb gehoord, is het mijn aanvoelen dat we ter zake toch
nog wel wat werk hebben en dat dit toch nog beter kan worden
georganiseerd. We komen daar zeker op terug.
Wie de Onderwijsspiegel heeft gelezen, komt tot de wat
ontnuchterende vaststelling dat men in secundaire scholen
meisjes nog altijd richt op de traditionele meisjesberoepen. In
de keuzes is heel het genderbewustzijn ver van aanwezig in
sommige scholen. Uiteraard mogen we niet veralgemenen, maar het
is wel een van de aandachtspunten die ik daar heb uitgepikt als
het gaat over de schoolloopbaanbegeleiding, de
leerlingenbegeleiding. Niet al te veel scholen zijn bezig met
dat genderbewustzijn bij de keuzes. Dat bewustzijn is hier
terecht naar voren gebracht.
Dan is er de Nederlandse aanpak wat het promoten van wetenschap
en techniek betreft. Het lijkt me over een heel sterk
gecoördineerde aanpak te gaan, via een stichting die doorheen
het hele onderwijs werkt en dit doortrekt naar de arbeidsmarkt.
We hebben ook wel wat initiatieven. Mevrouw Poleyn heeft
verwezen naar de leerlijn, van 2,5 tot 18 jaar. Ik denk aan
Techniek Op School voor de 21e eeuw (TOS21) en aan “De wereld
aan je voeten!” We hebben het daar al over gehad. Het verschil
met Nederland – en dat merk ik toch ook wel, ook aan de hand van
mijn ronde ‘Zeg het hem zelf’ – is dat we om allerlei reden,
historische of welke dan ook, veel minder goed zijn in het
centraal aansturen van dingen. Ik zal dat in ieder geval
overmaken aan minister Lieten. Zij is daarover ook bevoegd. De
heer Martens heeft daar een terechte allusie op gemaakt.
Mijnheer Martens, u vroeg ook naar de gevolgen op het vlak van
kwaliteit en aantrekkelijkheid als de opleidingen in de
industriële wetenschappen zouden integreren in de
universiteiten. Dat is zo’n ogenschijnlijk evidente vraag waarop
ik vandaag echter geen antwoord zal geven. Ik weet ook niet of
ik zal zeggen: “goed geprobeerd”. U weet misschien niet, niet
thuis zijnde in deze commissie, dat wij bezig zijn met het hele
maatschappelijke debat over de positioneringen van de
academische hogeschoolopleidingen. Er is zelfs in deze commissie
een ad-hoccommissie opgezet. Het zou niet netjes, niet kies zijn
indien ik als minister van Onderwijs stoemelings op uw vraag zou
antwoorden wat daar het effect is. Ik zou daar dan een
voorafname nemen en dat zal ik uiteraard niet doen. Maar ik heb
wel een nieuwtje voor u: de Vlaamse Ingenieurskamer komt op 19
mei 2010 naar de adhoccommissie. U bent als niet-lid van de
commissie uiteraard altijd welkom om in de goede gilde en
vriendenclub van ingenieurs te komen luisteren en spreken.
Dan is er nog de vraag van de heer Martens over de industrieel
ingenieurs die naar een vijfjarige opleiding willen omschakelen.
Dat zou inderdaad neerkomen op een masteropleiding die uitbreidt
van 60 naar 120 studiepunten. Ik weet dat dat leeft en dat dat
voor een groot deel naar bedrijfsstages zou gaan. Zo zou het
profiel van de opleiding ten opzichte van die van de burgerlijk
ingenieurs verder worden aangescherpt. Dat zou ook nauwer
aansluiten bij de omvang van vergelijkbare opleidingen in het
buitenland. U merkt dat ik in de voorwaardelijke wijs spreek.
Dat is omdat ik nog geen aanvraag ontvangen heb tot aanpassing
van de studieomvang voor de opleidingen in de industriële
wetenschappen. Volgens de bepalingen uit het Structuurdecreet is
er nog tijd tot eind juni om een dergelijke vraag in te dienen.
Als ze dat tijdig doen én als we dat goedkeuren, kan de
aanpassing ingaan vanaf het academiejaar 2011-2012.
De voorzitter: De heer Van den Heuvel heeft het woord.
De heer Koen Van den Heuvel: Minister, ik blijf een
beetje op mijn honger zitten. Ik wil hier niet op een schoolse
manier punten geven maar ik weet niet of u geslaagd zou zijn op
de vragen die ik heb gesteld. Ik vraag naar een evaluatie.
Minister Pascal Smet: If you want, you can get it back.
De heer Koen Van den Heuvel: In de andere commissies
laten wij elkaar uitspreken. Ik vraag naar een evaluatie van de
momenteel zeer sterk incrementele aanpak van dat geheel. Mijn
zoon doet volgende week mee aan Techno Trailer. Dat is iets van
de provincie Antwerpen.
Minister Pascal Smet: Betaald door mij, mijnheer Van den
Heuvel.
De heer Koen Van den Heuvel: Die mannekes lopen daar een
halve dag rond. En die meisjes, excuseer.
Minister Pascal Smet: Voilà: genderstereotiep.
De heer Koen
Van den Heuvel: Dat zal heel leuk zijn, in die vrachtwagen.
Maar het is een druppel op een hete plaat. Dat is onvoldoende om
onze jonge Vlamingen warm te krijgen voor wetenschap en
techniek. Wij hebben in Vlaanderen een andere cultuur – gelukkig
maar voor bepaalde zaken – dan de Nederlanders, die de zaken
veel planmatiger en gestructureerder aanpakken. Maar dat wil
niet zeggen dat we daar af en toe niet eens een les uit kunnen
trekken.
Die Techno Trailer van de provincie wordt inderdaad links en
rechts gesubsidieerd. Zo zijn er diverse initiatieven, vanuit
het Regionaal Sociaaleconomisch Overlegcomité (RESOC), dan weer
met een subsidietje vanuit Gelijke Kansen of Onderwijs of
Innovatie. Dat is allemaal suboptimaal. We moeten de oefening
eens maken om al die verschillende initiatieven op te lijsten en
zo deze zeer projectmatige aanpak, die ook geld kost, om te
buigen tot een coherente aanpak. Het moet zelfs niet veel meer
kosten. Dat is een opdracht voor deze regering, zeker in de
context van schaarse budgettaire middelen en de nood die er is.
Laten we ervan afstappen. In dat bedje is ons hele
innovatiebeleid ziek. We doen een klein actietje voor een klein
probleempje, en dan denken we dat het is opgelost. Zo kom je tot
een innovatie-instrumentarium waarin na vijf of tien jaar
niemand nog zijn weg vindt. Voor elk klein probleempje worden
een nieuwe instantie en een nieuwe instelling opgericht.
Dit is ook zo’n aanpak: een subsidietje links en rechts en dan
hebben we weer iets gedaan en dan kunnen we ’s avonds rustig
gaan slapen want we hebben een probleem opgelost. Neen, wij
lossen dat probleem niet op. Wij zorgen er alleen maar voor dat
we voor het slapengaan in een spiegel kunnen kijken en ons
geruststellen dat we iets hebben gedaan. Maar of het goed is,
dat weet ik niet.
Minister, wij zullen dat dossier de volgende weken en maanden
niet loslaten. Ik wil u oproepen om hier tot een coherentere
aanpak te komen. Ik zal ook uw collega minister Lieten daarover
aanspreken. Vlaanderen en deze Vlaamse Regering moeten
ambitieuzer zijn. Dit vraagt een coherente en duurzame aanpak.
Minister Pascal Smet: Hebt u ook concrete voorstellen?
De heer Koen Van den Heuvel: Daar zullen we de volgende
weken werk van maken.
De voorzitter: De heer Martens heeft het woord.
De heer Bart Martens: Minister, ik dank u voor uw
antwoord. U hebt gelijk wanneer u stelt dat er een gedeelde
verantwoordelijkheid is. De heer Van den Heuvel heeft gelijk:
dit kan het best planmatig worden aangepakt, over de
verschillende bevoegdheidsdomeinen heen. We hebben echt een plan
van aanpak nodig om met dit hardnekkige probleem om te gaan. Dit
geldt voor zowel diegenen die bevoegd zijn voor Innovatie en
Media als voor Onderwijs en voor Economie.
In het kader van openbedrijvendagen en dergelijke kun je ook
mensen die nog een studiekeuze moeten maken, meer in contact
brengen met innovatieve technieken en dies meer. Al die
elementen moeten worden ingeschakeld in een globaal plan van
aanpak, om wetenschap en techniek weer populairder te maken en
de leerlingen er al van in het basis- en secundair onderwijs
vertrouwd mee te maken.
Ik ben blij dat er een positieve kentering merkbaar is, ook al
is ze nog klein. Volgens mij kan dat ook te maken hebben met
alles wat we vandaag meemaken op het vlak van ‘cleantech’. In
onze tijd werd industrie vaak nog gezien als iets vuils en iets
dat het milieu belastte. Vandaag zien we dat veel meer
technieken niet alleen een bedreiging vormen maar ook een
oplossing bieden aan dergelijke maatschappelijke vraagstukken.
Als ik zie welke interesse er uitgaat van projecten als dat van
Groep T en Umicore met die zonnewagen, waar men dan
internationale races mee rijdt. Dat zijn zaken die technieken
dichter bij de studenten brengen en die zaken een bredere
maatschappelijke gedragenheid geven. Dat komt dan ook in het
tv-nieuws en dergelijke. Dergelijke voorbeelden moeten mijns
inziens mee worden opgenomen in zo’n plan van aanpak.
Het genderaspect is grotendeels cultureel bepaald. Ik vrees dat
het heel moeilijk is om dat te veranderen. In mijn tijd was het
zo dat vrouwen in die opleiding eerder kozen voor Chemie of
Biochemie. Zij staan liever in een lab dan op een werf. Dat was
een vaststelling. Ik heb zelf Biochemie gestudeerd. Ik zat daar
tussen allemaal vrouwen. Dat was misschien wel een reden om voor
de opleiding te kiezen, maar goed. (Opmerkingen/Gelach) Dit is
heel sterk cultureel bepaald en dus niet gemakkelijk te
veranderen, maar we moeten daar natuurlijk wel ons best voor
doen.
Ik geef grif toe dat het probleem van de ‘talent crunch’ breder
is dan alleen de opleiding tot ingenieur. We zullen ook voor
andere profielen tekorten hebben aan afgestuurde studenten. Maar
onze ingenieurs worden tewerkgesteld in sectoren die een zeer
grote maatschappelijke meerwaarde hebben, waar een groot
multiplicatoreffect in heerst, waar een zeer grote toegevoegde
waarde mee wordt gecreëerd. Dat maakt dat ze ook absoluut de
prioriteit verdienen om te worden aangepakt.
De voorzitter: Mevrouw Poleyn heeft het woord.
Mevrouw Sabine Poleyn: Ik wil ingaan op de vraag van de
minister om een concreet voorstel. Ik sluit me ook aan bij de
repliek van de heer Van den Heuvel. Het werk is al voor een heel
groot deel gedaan. De visiegroep die TOS21 heeft ontwikkeld, had
als bedoeling om dit schooljaar verder te werken en om een
inventaris te maken van wat er allemaal bestaat. De netten
zitten daar ook in en zijn ook vragende partij. Als u daar ook
de RTC’s zou aan toevoegen die dat dan concreet kunnen vertalen
op provinciaal niveau, heel dicht bij de scholen en de
bedrijven, dan moet er niet zo veel extra’s meer gebeuren. Met
heel weinig inspanningen en middelen zou u een echte dynamiek
kunnen realiseren op het vlak van techniek in ons
leerplichtonderwijs.
Mevrouw Kathleen Helsen: De heer Van den Heuvel heeft
gezegd dat initiatieven beter moeten worden gecoördineerd, maar
voordat die initiatieven genomen worden, is het belangrijk om
stil te staan bij de vraag of we het keuzeproces helemaal kunnen
sturen. Wat hier als vraag voorligt, is: kunnen wij jonge mensen
meer sturen in die studierichtingen waar er een grote nood voor
bestaat op de arbeidsmarkt? En in welke kunnen we dat? En als we
dat al zouden kunnen, op welke manier moet dat dan gebeuren? Wie
krijgt daarin dan best welke rol?
De heer Van den Heuvel zegt dat zijn zoon volgende week naar een
activiteit gaat. Mijn dochter neemt vandaag deel aan diezelfde
activiteit. Maar als daar verder niets mee gebeurt inzake de
verwerking van de zaken die ze daar meemaken, en wat dat
betekent voor henzelf als persoon, dan heeft dat weinig impact.
Ouders hebben daarin ook een belangrijke rol. Zij moeten goed
weten wat welke impact heeft op het gedrag en de gedragssturing
van kinderen en de impact daarvan op hun keuzeproces. Zolang we
daar geen duidelijk antwoord op hebben, denk ik dat heel wat
initiatieven wel nobel kunnen zijn, maar weinig zullen opbrengen
en de doelen die we willen bereiken, niet zullen halen.
De voorzitter: De heer De Meyer heeft het woord.
De heer Jos De Meyer: Uw opmerkingen waren zeer
pertinent, mevrouw Helsen. Ik geef nog een ander element mee.
Bepaalde tv-programma’s met dieren hebben er mee voor gezorgd
dat de studierichting Dierenzorg een onverantwoord hoge instroom
heeft gekend. Daarmee wil ik maar aangeven hoe bepaalde
maatschappelijke factoren ongewild dit hele proces kunnen
beïnvloeden. Vandaar ook mijn oproep van daarnet om het eens
ruimer te bekijken dan het beleidsmatige van onderwijs, samen
met een aantal actoren op het veld, en niet alleen voor deze
vraag. Ik heb nog een aantal andere mogelijke knelpuntenberoepen
genoemd. Dit zou u zeker en vast moeten aanspreken, zodat u
overmorgen nog voldoende mensen hebt voor uw scholen.
De voorzitter: Minister Smet heeft het woord.
Minister Pascal Smet: Collega’s, ik heb daarstraks gezegd
dat ik na 9 maanden vaststel dat we daar inderdaad meer aan
moeten doen. We gaan dat ook organiseren. Maar het gaat niet
alleen over ingenieurs, het gaat ook over verpleegkundigen,
leerkrachten en andere beroepen.
Mevrouw Helsen zegt terecht dat we nog altijd in een vrije
wereld leven. In Vlaanderen is ook de manier waarop men dat
allemaal organiseert, heel sterk aan de scholen gedelegeerd. Ik
hoor de afgelopen maanden voortdurend, ook op het veld, de vraag
om een centralere en actievere rol van de overheid in dit
verband. Ik ontvang die signalen heel duidelijk. Ze spreken me
ook aan. Ik zal niet te ver gaan, want dan zullen anderen weer
schrikken over wat we daar gaan doen. Ik moet rekening houden
met de nuances en gevoeligheden die daar spelen. Ik ben absoluut
voorstander om dat in een actieplan te gieten, dat we zien wat
er is, dat we dat uitbreiden, dat we dat niet beperken tot
onderwijs. Daarom heb ik daarnet ook verwezen naar de VDAB, de
SERV, de RTC’s en iedereen die daarbij betrokken is. Men moet
wel heel goed weten dat wij, in tegenstelling tot Nederland, in
een ander systeem van onderwijs zitten. Het is fundamenteel
verschillend. Dat heeft consequenties voor de keuzes. Dat we
daar de media bij moeten betrekken, daar ben ik het absoluut mee
eens. En dat we de toveroplossing nog niet hebben gevonden, daar
ben ik het absoluut mee eens.
Als u de Onderwijsspiegel gelezen hebt, zult u merken dat er op
het vlak van de schoolloopbaanbegeleiding, op het niveau van de
scholen en de manier waarop ouders en kinderen hun keuze maken,
op dit moment een cruciaal probleem is. Dat is niet in een
handomdraai oplosbaar. Er is een voorgeschiedenis van 40 jaar.
Ik ben het ermee eens dat dit een prioriteit moet worden.
Commissievergaderingen als deze dienen om de accenten en
prioriteiten duidelijk te leggen. Ik voel heel duidelijk aan wat
we moeten doen. Daarvoor is het ook zinvol om dat hier te doen.
De voorzitter: Het incident is gesloten. |