|
Vraag om uitleg van de
heer Marino Keulen tot mevrouw Hilde Crevits, Vlaams
minister van Mobiliteit en Openbare Werken, over de vrachtwagens
die verdwalen door gebrek aan een vrachtroutenetwerk
17 juni 2010
De voorzitter: De
heer Keulen heeft het woord.
De heer Marino Keulen: Voorzitter, minister, goede
collega’s, ik ben een municipalist in hart en nieren. Ik heb dat
ook altijd publiekelijk verklaard en ik ben ook nog altijd voor
200 percent overtuigd van het principe van de subsidiariteit,
alleen is het zo dat als we het algemeen belang bewaken, we soms
ook een louter gemeentelijke benadering moeten kunnen loslaten.
Deze vraag is gebaseerd op praktijkervaringen, op incidenten uit
de dagelijkse praktijk.
De gemeentebesturen in Vlaanderen – en de collega’s die
gemeentelijke verantwoordelijkheid dragen, weten dat – tekenen
ieder op eigen houtje een voorkeursroute uit voor vrachtwagens.
Een gebrek aan onderlinge afstemming dwingt
vrachtwagenchauffeurs echter vaak om omwegen te maken, met
onveilige verkeerssituaties en verdwaalde vrachtwagens tot
gevolg.
Een gemeente kan om de 5 jaar autonoom een mobiliteitsplan
vaststellen, dat een kader vormt voor het mobiliteitsbeleid. Een
dergelijk plan legt accenten voor de volgende jaren aangaande
verkeersveiligheid, de uitbouw van fietsroutenetwerken en ook de
rijroutes voor vrachtwagens en dergelijke.
Net bij de vrachtwagens knelt het schoentje. Elke gemeente
tekent eigen routes uit voor zwaar vrachtverkeer, maar hoogst
zelden denkt men verder dan de gemeentegrens of houdt men
rekening met de visie van buurgemeenten. Door gebrek aan
afstemming tussen de gemeentelijke mobiliteitsplannen worden
vrachtwagens verplicht om enorme omwegen te maken, met alle
gevolgen van dien, ook op het vlak van de CO2-uitstoot. Elk
bestuur tracht zwaar verkeer uit zijn gemeente te bannen en
iedereen opereert op zijn eigen klein eilandje. In bepaalde
gevallen worden vrachtwagens langs veredelde veldwegen gestuurd
met levensgevaarlijke verkeerssituaties tot gevolg. Buitenlandse
chauffeurs, niet bekend in de streek, rijden zich soms hopeloos
vast in dorpskernen.
Vandaar, minister, mijn pleidooi voor een Vlaams
vrachtroutenetwerk waarbij de Vlaamse overheid naar het globale
plaatje kijkt en de steden en gemeenten die niet willen
meestappen, kan overrulen.
Hebt u zicht op de extra kost die de huidige situatie meebrengt
voor de economie? Hoe ver staat het met de eventuele
ontwikkeling van dit Vlaams vrachtroutenetwerk en wanneer zou
dit klaar kunnen zijn? Wordt de bedrijfswereld bij het
ontwikkelen van een routenetwerk voor vrachtwagens betrokken?
Wat zullen de principes zijn van dit Vlaams vrachtroutenetwerk
en wat zijn de gevolgen voor de bestaande situaties en de
bestaande reglementering van lokale besturen?
De voorzitter: Mevrouw Fournier heeft het woord.
Mevrouw Martine Fournier: Voorzitter, minister, ik sluit
me natuurlijk aan bij deze vraag, want ik weet dat heel veel
gemeenten ook grote inspanningen doen om het zware verkeer te
bannen uit de kern, maar meestal loopt het mis. Het begint mis
te lopen aan de afritten van de autostrades. In het verleden heb
ik hier ook al verschillende vragen over gesteld aan u, meer
bepaald over de bewegwijzering langs de autostrades naar
industriegebieden. Ik vraag u nogmaals, minister, of u hier
extra aandacht aan wilt besteden, want als de vrachtwagens de
juiste afrit kunnen nemen, is er minder onnodig zwaar verkeer in
de kern van een stad. Ik heb gezien dat u in antwoord op een
schriftelijke vraag van de heer Keulen hebt gezegd dat er
momenteel een studie lopende is: een studie over het uitwerken
van een methodiek voor een netwerk voor het algemeen
vrachtverkeer op mesoschaal die het aspect signalisatie
onderzoekt. Ik hoop dat de problematiek van bewegwijzering langs
autostrades naar industrieterrein daarbij ook aan bod kan komen.
De voorzitter: De heer Van den Heuvel heeft het woord.
De heer Koen Van den Heuvel: Voorzitter, minister, ik heb
hier in het verleden al een aantal vragen over gesteld. We weten
allemaal dat dit een heel actueel probleem is. We kennen
allemaal de voorbeelden van vrachtwagens die zich vastrijden in
te kleine straatjes of die tegen een te hoge snelheid in een
omgeving 30 of in schoolbuurten rijden. Heel wat gemeenten
beginnen initiatieven te nemen, allemaal goedbedoelde
initiatieven, maar maatregelen ad hoc. Tijdens de vorige
legislatuur hebben we ook al wat vragen aan de minister gesteld
om het vrachtroutenetwerk echt te ontwikkelen, en dus ook aan de
gpsmakers en kaartenmakers om een aantal zaken te doen.
We constateren dat de regering op het einde van de vorige
legislatuur een initiatief heeft genomen, de zogenaamde
verkeersbordendatabank. Ik meen dat dat project ondertussen
bijna is afgelopen. Op mijn laatste vraag, van eind januari,
hebt u geantwoord dat het project liep, dat het bijna afgewerkt
was, dat er ook nog het Europese Rosetta- project was en dat
indien we die allemaal kunnen integreren, we een stap voorwaarts
zetten.
Minister, hoever staat het met die projecten? U hebt de vorige
keer gezegd dat dit allemaal in de loop van 2010 moet gebeuren
om tot een gedragen routenetwerk te komen. Ik had u nog geen
opvolgingsvraag gesteld, want we zijn nog niet aan de helft van
2010, maar ik meen dat het erop aankomt dat al die projecten die
nu lopen, moeten worden geïmplementeerd in een gps-routenetwerk.
Het is heel belangrijk dat we de kaartenmakers en de gps-makers
ervan overtuigen dat alle informatie die intussen wordt
verzameld, ook door de overheid, ook in die gps-netwerken moet
kunnen worden opgenomen. Vandaar dus mijn vraag hoever het
daarmee staat.
De voorzitter: Mevrouw De Wit heeft het woord.
Mevrouw Sophie De Wit: Voorzitter, minister, ik kan me
aansluiten bij de vorige spreker, want ik heb een gelijkaardige
vraag. Drie zaken zijn volgens mij belangrijk om naar zo’n
navigatiesysteem te gaan dat over een vrachtwagenmodule
beschikt: de verkeersbordendatabank, die tegen augustus 2010
wordt aangekondigd, het Rosetta-project, dat er medio 2010 moet
zijn – dat is binnenkort – en de Vlaamse testsite die al werd
aangekondigd tegen het begin van 2010. Ik had graag van u
vernomen wat daar de stand van zaken is.
De voorzitter: Minister Crevits heeft het woord.
Minister Hilde Crevits: Dank u, collega’s, voor deze zeer
alerte opvolgingsvraag. Ik heb eens bekeken wat er in het
verleden al allemaal is gevraagd. Er zijn ook al heel wat
schriftelijke vragen over gesteld. Een mens moet dat goed
bundelen, want het is iets wat velen boeit, ook mezelf.
Als u vandaag vraagt of er nood is aan een vrachtroutenetwerk,
is het antwoord een ‘ja’ met een uitroepteken. Maar er is
natuurlijk nog een verschil tussen zeggen dat er nood aan is en
het effectief realiseren op het terrein. Heel wat gemeenten doen
inspanningen om de vrachtwagens op een goede manier rond of
langs de kernen te leiden, maar als dat niet op een
gemeenteoverschrijdend niveau bekeken wordt, krijg je knelpunten
en kun je inderdaad in de toestand komen dat een vrachtwagen
ogenschijnlijk nergens door kan. Als we daar geen afstemming in
bereiken, kunnen we gevaarlijke situaties krijgen.
Ik ben hier op 28 januari, in antwoord op vragen van onder
andere de heer Van den Heuvel, al uitgebreid op ingegaan. Ik heb
toen gezegd dat wij aan het werken waren aan een methodiek voor
een netwerk voor het algemene vrachtverkeer op mesoschaal, met
een toepassing op twee pilootregio’s. In januari was die studie
nog niet afgerond. Ik kon daar dus nog niet veel over zeggen.
Maar intussen kan ik u melden dat de oplevering heeft
plaatsgevonden op 14 mei 2010. Dat is dus niet begin 2010, maar
wel in de loop van 2010. Ik heb dat bij me en kan dat ook ter
beschikking stellen. Daar is ook een luik ‘bewegwijzering’ in
opgenomen. De twee proefregio’s waren Vlaamse Ardennen-West en
Zuidoostrand Antwerpen. Men heeft dus eerst een algemene
methodiek ontwikkeld en vervolgens voor die twee pilootregio’s
gekeken wat er allemaal nodig is. Bewegwijzering vormt daar één
onderdeel van.
Dat maakt dat er vandaag een opgeleverde en aanvaarde methodiek
en handleiding bestaan die kunnen worden gebruikt om in de
verschillende regio’s tot een vrachtroutenetwerk te komen.
Vlaanderen is ondertussen, op basis van de methodiek, ook
opgedeeld in 26 verschillende zones. Ik heb een kaartje met die
verschillende vrachtroutezones meegebracht. Het is dus de
bedoeling om per zone tot een netwerk te komen.
Het microniveau is de gemeente, het mesoniveau is het
bovenlokale niveau, zijnde een regio tussen de hoofdwegen waar
je het vrachtverkeer door stuurt en dat verschillende gemeenten
overstijgt. De categorisering van de wegen vormde het
uitgangspunt om tot de meest geschikte route te komen. De
basisafbakening is dus gebeurd binnen de mazen van het
hoofdwegennet. Die zijn dan opgedeeld in subzones door primaire
of secundaire wegen. Zo kun je tot een zo evenwichtig mogelijk
routenetwerk komen. Dat theoretische concept is dus toegepast op
de regio’s Vlaamse Ardennen-West en Zuidoostrand Antwerpen. De
hoofdbedoeling is om een aantal facetten uit die methodiek
praktisch te toetsen en zo nodig de methodiek bij te sturen.
Superbelangrijk voor mij is dat het overlegproces nu zeer intens
verder kan gaan. Als het vrachtroutenetwerk over Vlaanderen
wordt uitgerold, wil ik immers dat het een consensusnetwerk is
en dat je niet in een situatie zit waarbij een pak spelers
eigenlijk niet van het vrachtroutenetwerk moeten weten. Het moet
iets zijn dat gedragen en aanvaard wordt door de spelers die er
belang bij hebben.
De stap die nu moet volgen, is dat we dat routenet nu heel
praktisch kunnen ontrollen in die twee regio’s. Die opdracht kan
gegeven worden of is intussen al gegeven, dat weet ik niet.
Daarnaast moeten de relevante actoren in de twee pilootprojecten
snel worden opgenomen in de begeleidingsgroep. Op dit ogenblik
kunnen we ook al starten met de toepassing van het theoretische
concept op de overige 24 regio’s. Het concept is er, dus dat
kunnen we nu perfect doen. Dat zijn twee zaken die los van
elkaar moeten gebeuren. Naast de indeling in routes is er ook
een oplijsting gemaakt van de bekende problematieken en
infrastructurele knelpunten. Ik heb die tabellen mee. Als u dat
interesseert, kan ik dat eventueel overmaken, maar het is een
vrij technische oplijsting.
Daarnaast moeten er natuurlijk ook een aantal maatregelen op het
terrein worden uitgewerkt. Dat kan gaan over de infrastructuur,
maar ook over communicatie. Het klopt dat we moeten komen tot
een gps-netwerk. Eerst is er de vracht. Dan moet men de
uiteraard de route kennen: geen gps zonder dat men een route
heeft. Met een gps in de lucht zijn we niets. Een nuttig
instrument ter zake is de Verkeersbordendatabank. Ik heb dat de
vorige maal al gezegd. De oplevering daarvan was gepland voor
augustus. Het zal waarschijnlijk iets vroeger zijn. Ik ben er
niet in geslaagd dat voor 13 juni te doen, maar niemand van de
pers zou erin geïnteresseerd zijn geweest. Volgens de planning
zal dit eind augustus van dit jaar volledig klaar zijn, en dat
zal ook zo zijn. Nu moeten er nog een paar stroken in Oost- en
West-Vlaanderen worden opgemeten, maar we gaan dus naar een
volledig gebiedsdekkend overzicht.
De heer Van den Heuvel heeft vorige maal opgemerkt dat die
basisgegevens moeten worden aangevuld. De gemeenten zijn immers
zeer actief. Er komen nieuwe reglementen. Als we die gemeenten
niet stimuleren om in die aanvullende overeenkomsten gegevens
door te geven, dan is dat al verouderd voor we van start gaan.
We hebben daar dus ook de nodige aandacht voor. Als dat rond is,
zullen we alleszins een pak basisgegevens ter beschikking
hebben, die ook ter beschikking van die gps-systemen kunnen
worden gesteld en waardoor er al een aantal problemen kunnen
worden verholpen.
De bedrijfswereld wordt daar absoluut bij betrokken. Binnen de
doelgroepgesprekken die vooraf zijn gegaan aan de opmaak van de
methodiek, werd zowel de transportsector als een aantal
bedrijven en overkoepelende organisaties geraadpleegd. Naast het
consulteren van de bedrijfswereld bij het opmaken van die
methodiek, is het natuurlijk ook heel belangrijk dat er binnen
de regio’s een consensus komt. In de studie zult u op het einde
nog de knelpunten zien staan. De zuidoostrand van Antwerpen
heeft wat meer knelpunten dan de Vlaamse Ardennen-West. In 2008
is ook die werkgroep Veilig Vrachtverkeer Vlaanderen opgericht,
om ervoor te zorgen dat de transportsector voortdurend betrokken
is. Die zal ook betrokken blijven.
Wat zijn nu de grote principes en eventuele gevolgen voor de
reglementering van steden en gemeenten? De bedoeling is zeer
duidelijk: proberen de leefbaarheid in de kernen te
optimaliseren en te vermijden dat er knelpuntsituaties ontstaan,
met onlogische verbodsregels in gemeenten die ertoe leiden dat
vrachtwagens, zoals de heer Keulen terecht opmerkt, op bepaalde
plaatsen verdwalen, ondanks het gps-systeem. Het gaat echter
over een consensusnetwerk: dialoog is zeer belangrijk. Dat is,
denk ik, de moeilijkste opdracht. Er moet niet alleen binnen de
regio’s worden overlegd, maar ook op de snijpunten tussen de
regio’s moet er met elkaar worden gepraat. Ik heb mijn
administratie dan ook de opdracht gegeven om zeker het voortouw
te nemen in dat overleg, en ervoor te zorgen dat er gestaag,
maar consequent wordt doorgewerkt aan het realiseren van dat
volledige netwerk.
Mevrouw De Wit, u vraagt zich af wanneer de eerste test volledig
zal zijn uitgerold. We zullen die testmodule nu ook in de
praktijk omzetten. De eerste die volgens mij operationeel kan
worden gemaakt, is die in de Vlaamse Ardennen- West, omdat daar
de minste knelpunten zijn. De gesprekken zijn daar bezig. Ik
hoop dat dit vrij vlot kan gaan, maar ik zal niet wachten op het
uitrollen daarvan om de theoretische concepten voor die 24
andere regio’s te maken. Het is de bedoeling dat we hopelijk dit
jaar, maar zeker in de loop van volgend jaar daadwerkelijk de
resultaten op het terrein zullen zien.
Ik zal ter aanvulling het kaartje met de regio’s meegeven. Ik
stel voor dat de studie, die vorige maand werd opgeleverd,
digitaal wordt bezorgd. Ze zal ook op de website worden
geplaatst. Op die manier kunt u ook kennis nemen van wat er is
ontwikkeld en van de manier waarop daar nu praktisch mee wordt
omgegaan.
De voorzitter: De heer Keulen heeft het woord.
De heer Marino Keulen: Voorzitter, geachte leden,
vrachtwagens verdwalen. Kiezers doen dat soms ook, maar dat heet
dan democratie. (Gelach)
De voorzitter: Ik stel voor dat we dat niet opnemen in
het verslag. (Opmerkingen van mevrouw Annick De Ridder) Dat was
ludiek bedoeld?
De heer Marino Keulen: Voorzitter, dat was een knipoog.
Iedereen is daardoor meteen weer mee.
Minister, uw antwoord is inderdaad heel technisch. Het is
duidelijk dat u daar alleszins heel druk mee bezig bent. U zegt
dat u zult proberen nog dit jaar het systeem operationeel te
krijgen wat de twee testzones betreft, namelijk de Vlaamse
Ardennen-West en de zuidoostrand van Antwerpen. Het is me echter
onvoldoende duidelijk wanneer in de 24 andere zones
vrachtwagenchauffeurs daadwerkelijk over dat systeem zullen
kunnen beschikken. Kunt u iets concreter zijn? Wanneer zult u
dat geheel operationeel krijgen? Wat is de streefdatum?
De voorzitter: De heer Van den Heuvel heeft het woord.
De heer Koen Van den Heuvel: Minister, ik dank u voor uw
antwoord. Sinds we 3 à 4 jaar geleden deze vragen zijn beginnen
te stellen, heeft de Vlaamse Regering toch al diverse
initiatieven genomen. Dat verheugt me natuurlijk. We zijn
natuurlijk allemaal geduldig, maar ik veronderstel dat u zelf
ook ongeduldig bent om vooruitgang te boeken in dat dossier. Er
zijn knelpunten. Vorige maal heb ik inderdaad gesteld dat die
databanken voortdurend moeten worden geactualiseerd. Anders
komen we geen stap verder.
Als al die databanken en die theoretische concepten klaar zijn,
moet dat inderdaad in dat gpsroutenetwerk worden opgenomen. Daar
moet u voldoende aandacht voor hebben. Hoe ziet u dat? In welke
mate kunnen we de kaartenmakers en de gps-actoren verplichten of
aanmoedigen om al die informatie op een degelijke manier te
vertalen in een degelijk gpsroutenetwerk?
De heer Jan Peumans: Ik wil me hier even bij aansluiten.
Blijkbaar gaat het om de link tussen een theoretisch concept en
de categorisering van de wegen. Die categorisering van de wegen
is op zich natuurlijk ook een theoretisch concept.
Ik heb daar al straffe verhalen over horen vertellen. Ik ken de
verschillende indelingen niet meer. Het onderscheid tussen
ontsluitende en verbindende wegen speelt hier een belangrijke
rol in. Een Nederlands professor heeft die begrippen hier
destijds ingevoerd. Op zich vind ik het goed dat de wegen worden
gecategoriseerd. Tot nu toe blijft dit een theoretisch concept.
Ik zal het antwoord van de minister nog eens nalezen. Indien een
theoretisch concept aan de categorisering van de wegen wordt
gelinkt, zijn we eigenlijk tweemaal theoretisch bezig. Misschien
kan de minister hier straks nog even op ingaan. Ik heb tijdens
de vorige legislatuur verschillende vragen over deze wegen
gesteld. Ik zal even twee voorbeelden geven.
Een groot cementbedrijf trekt veel vrachtverkeer aan. De heer
Keulen weet over welk bedrijf ik het heb. Om dit verkeer naar de
E25 te leiden, zijn speciaal bruggen over de Maas en over het
Albertkanaal gebouwd. Die vrachtwagens rijden echter allemaal
door de dorpskernen. Ik heb geen gps nodig om te zeggen dat dit
niet kan.
Het is perfect mogelijk een aantal steden en gemeenten in kaart
te brengen die parallel met hun noord-zuidas en hun oost-westas
autosnelwegen hebben lopen. Tongeren is een voorbeeld dat ik
goed ken. Er is een snelweg van Brussel naar Luik en een snelweg
van Antwerpen naar Luik. Het vrachtverkeer dat op de E40 wil
uitkomen, zoekt gewoon zijn weg doorheen Tongeren.
Volgens mij moet dit gewoon worden verboden. Het doorgaand
verkeer moet op die snelweg rijden. Dat is ook beter voor het
milieu. Nu moeten die vrachtwagens tienmaal stoppen voor een
licht en vervolgens weer optrekken. De groene golf rond Tongeren
werkt zeer goed. Zelfs als er geen verkeer is, moeten die
vrachtwagens stoppen. Een aantal verkeersgenererende factoren
zouden een positieve invloed hierop moeten hebben. Ik heb daar
geen verkeersdatabank voor nodig. Ik kan dat gewoon op het
terrein vaststellen.
De omrijfactor van die vrachtwagens zou in overweging moeten
worden genomen. Indien een vrachtwagen tienmaal voor een licht
moet stoppen of over een autosnelweg kan rijden, moet die
vrachtwagen maar 10 of 15 kilometer omrijden. Dit is beter voor
het milieu en goedkoper. Wat me echter het meest interesseert,
is de verbinding van het theoretisch concept aan de
categorisering van de wegen.
Minister Hilde Crevits: Het lijkt me nuttig de studie
eens nader te bekijken. In die studie wordt een methodiek
uitgewerkt. Het startpunt is de categorisering van de wegen. Dit
is concreet op het terrein onderzocht.
De regio Vlaamse Ardennen-West is een goed voorbeeld. Deze regio
ligt op het grondgebied van de gemeenten Anzegem, Avelgem,
Deerlijk, Gavere, Kluisbergen, Kruishoutem, Maarkedal, Nazareth,
Oudenaarde, Ronse, Wortegem-Petegem, Waregem, Zingem en Zwevegem.
Die gemeenten bevinden zich in West- en Oost-Vlaanderen.
De regio is afgebakend. Vervolgens is, samen met de
gemeenbesturen en de transportorganisaties, bekeken hoe een
netwerk tot stand kan worden gebracht. Een categorisering is
niet heilig. We moeten op het terrein nagaan wat de beste
verbindingen zijn die tot stand kunnen worden gebracht. Daarbij
moeten de toekomstige ontwikkelingen ook in rekening worden
gebracht. Er zijn immers een aantal knelpunten. Op bepaalde
plaatsen zijn er industriezones of zullen er in de toekomst
nieuwe industriezones komen. Er is nog een potentieel. We moeten
de toekomstige bewegingen langs deze wegen in het oog houden.
Dit staat los van de status van de wegen. Alles is concreet
hierop toegepast. Ik merk trouwens dat een gemeentebestuur de
enquête niet heeft ingevuld. Die gemeente is dan bezocht.
Uiteindelijk is een voorstel van een structuur van een
vrachtroutenetwerk uitgewerkt. Op het einde van de studie staat
dat de werken van start kunnen gaan, maar dat een aantal zaken
nog moeten gebeuren. De signalisatie moet worden uitgewerkt. De
gebruikers moeten worden geïnformeerd. Dit brengt me bij de
opmerking van de heer Van den Heuvel. Er moet een concreet
maatregelenkader worden uitgewerkt en uitgevoerd. Dit moet
desnoods afdwingbaar worden gemaakt. De opgesomde knelpunten
moeten aan de hand van bilateraal overleg worden opgelost.
In mijn ogen gaat het om een geslaagde studie. Deze materie is
technisch. De vraag zorgt hier op zich al voor. De technische
methodiek is concreet op twee regio’s toegepast. De problemen
die nog niet zijn opgelost, zijn opgelijst. We weten wat nog
moet gebeuren om dit uit te rollen.
Ik kan morgen niet tot een implementatie op het terrein
overgaan. Voor bepaalde zaken in de pilootregio, Vlaamse
Ardennen-West, moet immers eerst een aanbesteding gebeuren. Het
gaat dan onder meer om de signalisatie. Om tot een aanbesteding
te kunnen overgaan, moeten we eerst afbakenen wat precies moet
gebeuren. We kunnen niet in het luchtledige werken. We bevinden
ons in elk geval in de fase waarin de concrete implementatie in
de twee regio’s kan plaatsvinden.
De heer Marino Keulen: Wanneer zal dit concreet gebeuren?
Minister Hilde Crevits: Het lijkt me moeilijk een datum
naar voren te schuiven.
De heer Marino Keulen: Minister, voor mij volstaat een
periode. Het is niet mijn bedoeling u op een vertraging van een
dag, een week of zelfs een maand af te rekenen.
Minister Hilde Crevits: Indien mogelijk zal dit tegen het
einde van dit jaar gebeuren. Anders zal het voor begin volgend
jaar zijn.
De heer Marino Keulen: Is er ook een richtdatum voor de
24 andere regio’s?
Minister Hilde
Crevits: Mijnheer Keulen, u bent nu natuurlijk lid van
de oppositie. Ik wil er echter op wijzen dat het bereiken van
een consensus voor een regio een jaar heeft geduurd. Indien we
die 24 andere regio’s willen aanpakken, moeten we over
consensusnetwerken blijven spreken. We moeten alle opmerkingen
afwegen. Wat is de nuttige omrijtijd? Waar bevindt zich het
speerpunt voor de vrachtwagens? Waarom kiezen ze voor een
bepaalde route? Indien we dit willen uitrollen, moeten we
voldoende tijd nemen. We moeten tot een consensus komen. Zoals
ik daarnet al heb verklaard, zal ik er dit jaar voor zorgen dat
die zaken er zijn. De studie is 3 weken geleden opgeleverd. Ik
zal het startschot geven om dit ook voor de 24 andere regio’s
uit te werken. Dit zal volgende maand niet klaar zijn.
De heer Marino
Keulen: Indien dit parallel zou worden uitgevoerd, zou dit
in 2012 kunnen gebeuren.
Minister Hilde Crevits: Volgend jaar zal de theorie aan
de praktijk worden getoetst. De uitrol zal het daaropvolgend
jaar volgen.
De heer Marino Keulen: Indien dit een jaar duurt en
indien dit in de andere regio’s parallel zou gebeuren, zou alles
in 2012 in heel Vlaanderen operationeel moeten zijn.
Minister Hilde Crevits: Dat zou kunnen lukken. Ik merk
evenwel dat de overblijvende problemen met betrekking tot het
ene project kleiner zijn dan met betrekking tot het andere
project. We moeten steeds een consensus bereiken.
De voorzitter: De heer van Rouveroij heeft het woord.
De heer Sas van Rouveroij: U zegt in uw antwoord dat de
categorisering niet heilig is. En u hebt gelijk. Maar papier is
natuurlijk gewillig en het is een theoretisch concept. De
wegbeheerders – respectievelijk de gemeenten en steden – zitten
er wel in maar er zal toch gesynchroniseerd moeten worden. Op
basis van de categorisering doet men aan weginrichting en bouwt
men een wegprofiel uit. Wanneer een straat een erffunctie en
geen stroomfunctie heeft, dan mag men er natuurlijk geen
vrachtwagens door sturen. Wanneer de gemeente of de stad
intussen die weg aldus inricht, moet men ervoor zorgen dat men
ook in het andere concept – het routenetwerk – de vrachtwagens
er niet door stuurt. Ofwel past het vrachtroutenetwerk zich aan
aan de categorisering, ofwel past de categorisering zich aan aan
het vrachtroutenetwerk. Ze moeten sowieso gesynchroniseerd
worden.
Minister Hilde
Crevits: Absoluut, maar die oefening is hier gebeurd.
Wanneer men hier een consensus bereikt over een van die
pilootgebieden, dan is dat een consensus waar de gemeenten bij
betrokken zijn en waar zij mee instemmen. Dat betekent dat ze
mee die keuze ondersteunen.
De heer Sas van Rouveroij: Maar dat leidt dan wellicht
tot een aanpassing van de categorisering? Dat kan het gevolg
zijn?
Minister Hilde Crevits: Wanneer dat nodig is. Het zou me
sterk verbazen dat een gemeente toelaat dat een woonerf een
vrachtroutenetwerk wordt. Wanneer men de theorie aan de praktijk
wil toetsen, is het goed dat dit van boven naar beneden gebeurt.
We starten vanuit de hoogste categorie en gaan na waar er
knelpunten zijn. Wanneer de hogere categorie niet kan werken,
moet worden nagegaan of er een oplossing is via een lagere
categorie. Ik kan u nu niet zeggen hoeveel knelpunten er waren.
Dit is een zeer interessant document. Ik leer daaruit dat het
gemakkelijk is om te zeggen dat er een vrachtroutenetwerk moet
worden gecreëerd.
De operationalisering in Vlaanderen is echter ingewikkeld en
moeilijk en stuit heel snel op conflicten. Zonder consensus is
men in strijd met de gemeentelijke autonomie. Er moet dan ook
een consensusnetwerk worden gehaald. Dat lukt langzaam maar
zeker bij die twee pilootprojecten.
De voorzitter: Daarmee is ook bewezen dat wanneer men
geen lid is van deze commissie maar toch herhaaldelijk vragen
stelt, het proces toch op gang komt. Ik noem hier geen namen.
Maar de persoon over wie het gaat, begrijpt me volkomen,
nietwaar mijnheer Van den Heuvel? Het incident is gesloten. |