De voorzitter: Mevrouw de minister,
collega’s, welkom in deze commissie. We gaan stipt van start en
zullen dat altijd proberen te doen. Ik dank de minister om snel
op ons verzoek in te gaan, want het was eigenlijk niet gepland
om deze voormiddag al te vergaderen. Het is natuurlijk fijn dat
de parlementsleden die al vragen hadden ingediend, snel op hun
wenken worden bediend. De heer Van den Heuvel heeft het woord.
De heer Koen Van den Heuvel: Mevrouw de
voorzitter, mevrouw de minister, in naam van onze fractie wil ik
u nogmaals feliciteren met uw benoeming tot minister van
Innovatie. We hopen natuurlijk op een fijne en efficiënte
samenwerking om – ik durf dit bijna niet te zeggen na de
discussie van gisteren – de 3 percentnorm in 2014 te bereiken.
Dat zal niet evident zijn, want het is niet alleen de kwantiteit
die telt, we moeten inzake de centen en de middelen ook de
juiste beslissingen nemen en ervoor zorgen dat het geld goed
wordt besteed. En dat is volgens mij een nog grotere uitdaging
dan het gewoon achternahollen van een cijfer. Deze eerste vraag
gaat niet over innovatie op zich, maar over de financiële
middelen en hoe we ze zullen besteden. We kennen allemaal de
financiële situatie van de overheden, het Vlaamse Gewest en de
Vlaamse Gemeenschap. We leven ook in een andere tijd dan enkele
jaren geleden. We hebben eind vorig jaar nog serieuze
inspanningen kunnen leveren ten aanzien van de lokale besturen.
We hebben ook een aantal participaties moeten nemen in de
banken.
Dat wil zeggen dat we momenteel veeleer met structurele tekorten
worden geconfronteerd dan met overschotten, en dat is een heel
ander beeld dan de voorbije jaren. Door de financiële crisis
hebben we ook gezien dat de rentemarge die de financiële
instellingen toepassen, enorm is toegenomen. Ze zijn dus een
beetje risicoavers geworden. De rentemarge is gestegen, en dus
is de kost om een lening aan te gaan ook gestegen.
Vandaar de vraag dat de Vlaamse Gemeenschap niet
op zich wordt bekeken, maar daarnaast ook een aantal
agentenschappen en ook bijvoorbeeld de PMV en de LRM. Als die
wel overschotten hebben en middelen die kunnen worden belegd,
zou het dan niet goed zijn dat die ter beschikking worden
gesteld van de Vlaamse Gemeenschap? Ik moet niet uitleggen dat
het tekort van de Vlaamse Gemeenschap daardoor minder groot zal
zijn en dat de Vlaamse Gemeenschap bijgevolg geen leningen moet
aangaan. Eigenlijk betekent dit een efficiënter beheer van de
middelen van de globale Vlaamse Gemeenschap, waarbij de PMV en
de LRM niet worden verplicht, maar wel aangemoedigd. Dit zou ook
niet ten koste gaan van de PMV en de LRM, want ze zouden er een
vergoeding voor krijgen. Gelet op de hogere rentemarges zou het
goed zijn dat het beheer van die middelen via de Vlaamse
Gemeenschap gebeurt. Hoe staat u daar tegenover?
De voorzitter: De heer Janssens heeft het
woord.
De heer Chris Janssens: Mevrouw de
voorzitter, het oplaten van een dergelijk ballonnetje zoals de
heer Van den Heuvel hier doet, staat in Limburg, althans voor
wat de LRM betreft, een beetje gelijk met vloeken in de kerk. De
heer Van den Heuvel verwijst naar de financiële crisis. Iedereen
weet dat die ondertussen ook is uitgemond in een economische
crisis, waarover minister-president Peeters afgelopen maandag in
de plenaire vergadering nog zei dat Limburg een provincie is die
heel zwaar, zo niet het zwaarste wordt getroffen in Vlaanderen.
Het is noodzakelijk dat de middelen van de LRM verder
geïnvesteerd worden in de Limburgse economie en niet worden
gebruikt om het gat in de begroting van de Vlaamse Gemeenschap
te dichten.
Ik zou de minister een bijkomende vraag willen
stellen. Alvorens eventueel te overwegen om op de suggestie van
de heer Van den Heuvel in te gaan, is het wellicht belangrijk om
te weten wat de actuele waarde is van de beleggingen van zowel
de PMV als de LRM. In de vorige legislatuur – toen was ik er
zelf nog niet bij –, is een hele discussie gevoerd over de
collateralized debt obligations, de CDO’s, waarin de PMV had
belegd en die in de volksmond rommelkredieten worden genoemd.
Wat is de actuele waarde van die beleggingen? Ik heb nog een
tweede bijkomende vraag. Wie heeft in feite de bevoegdheid als
men die beleggingen aan de Vlaamse Gemeenschap ter beschikking
wil stellen? Is dat een bevoegdheid van de raad van bestuur van
die maatschappijen, of van de aandeelhouders?
De voorzitter: Mevrouw Claes heeft het
woord.
Mevrouw Sonja Claes: Mijn eerste reactie
nadat ik de vraag vluchtig had gelezen, was dezelfde. Er is een
structurele verankering van de LRM-middelen in Limburg. Daarover
is geen discussie. Maar toen ik de vraag goed nalas, begreep ik
hem pas goed. Ik hoop, mevrouw de minister, dat u opnieuw
bevestigt dat de LRM-middelen structureel verankerd zijn. Dat
werd de vorige legislatuur zo afgesproken. Maar nu begrijp ik
dat hier wordt voorgesteld dat de Vlaamse Regering, in plaats
van bij de bank te gaan lenen, bij de LRM gaat lenen. Als u bij
de LRM eenzelfde interest krijgt, kan er geen enkel probleem
zijn. Ik kijk uit naar uw antwoord.
De voorzitter: Minister Lieten heeft het
woord.
Minister Ingrid Lieten: Mevrouw de
voorzitter, sta mij toe eerst enkele algemene beschouwingen te
maken. Het is mijn eerste optreden in de commissie. Ik wou toch
in eerste instantie zeggen dat ik uiteraard als nieuwe minister
niet de pretentie heb om te zeggen dat wij het hier allemaal
weten. Integendeel, ik denk dat in de eerste plaats de
voorzitter zeker nog lange tijd meer zal weten dan ik. Ik zal
mijn best doen om mij in te werken. Ik weet ook dat er bij
jullie heel veel kennis, knowhow en ervaring aanwezig zijn. Ik
sta open om de dialoog op een actieve manier te voeren. Wij
zullen ons best doen om zo volledig mogelijk op jullie vragen te
antwoorden. Wij zullen uiteraard ook ons best doen om, als wij
het antwoord niet meteen kunnen geven, het antwoord achteraf aan
jullie te bezorgen. Ik nodig jullie uit om het meteen duidelijk
te maken indien wat wij leveren niet beantwoordt aan jullie
verwachtingspatroon. Als antwoord op de vraag zal ik eerst een
paar feiten en cijfers geven. Dan kunnen we verder ingaan op een
opportuniteitsafweging.
Op het einde van 2008 had de Limburgse
Reconversiemaatschappij 133 miljoen euro cash op haar balans.
Dit boekjaar vervult de LRM voluit haar rol als
investeringsmaatschappij met een actief investeringsbeleid,
terwijl er uiteraard ook de economische crisis is. U weet allen
dat de economische crisis in bepaalde regio’s harder toeslaat
omwille van de sociaaleconomische morfologie. In Limburg, waar
er veel kmo’s zijn, zien we dat de economische crisis de zeer
conjunctuurgevoelige economie negatief beïnvloedt. Daardoor is
daar zeker nood aan een actief investeringsbeleid. In de eerste
jaarhelft is er al 20 miljoen euro cash geïnvesteerd in
projecten. De verwachtingen bij de LRM voor de tweede jaarhelft
zijn zelfs hoger. Op het einde van het boekjaar worden de vrije
financiële middelen bij de LRM geraamd op 71 miljoen euro. Voor
het boekjaar 2010 verwacht de LRM dat dit investeringsritme nog
zal worden versneld en dat de vrije financiële middelen verder
zullen dalen tot 4 miljoen euro.
De financiële cashmiddelen van de LRM worden
vandaag beheerd door een aantal professionele spelers die daar
via een procedure toe aangezocht zijn. Zij doen dat onder de
vorm van discretionair beheer: de beheerders beslissen zelf
binnen vastgelegde krijtlijnen welke obligaties of aandelen ze
in portefeuille opnemen. Telkens worden deze beheerders
geïnformeerd als er, zoals in maart 2009, een uitgifte van
obligaties is door de Vlaamse overheid. Ik heb dit even laten
navragen. Via KBC, een van de discretionaire beheerders, is er
nu 4,1 miljoen euro ingeschreven op de uitgifte die de Vlaamse
overheid zelf heeft gedaan. De LRM participeert daar op die
manier in en gaat in op de uitgifte van die obligaties. Daarmee
ondersteunt zij ten dele het beleid van de Vlaamse Regering.
De PMV is een investeringsmaatschappij die
rekening moet houden met engagementen die voor langere periodes
worden genomen. Dat betekent onder meer dat
investeringsbeslissingen leiden tot contractuele vastlegging van
middelen op een bepaald moment, terwijl de uitvoering van de
investeringen en de opname van die middelen in de tijd gespreid
worden. Dat is voor de PMV en voor de LRM hetzelfde. Op die
wijze moeten beide bedrijven een bepaald thesauriebeleid voeren,
dat ze permanent moeten actualiseren in functie van de projecten
die in onderhandeling zijn en zich aandienen. Iedere keer moet
worden beoordeeld of die projecten concreet zijn, hoeveel tijd
er nodig zal zijn om ze af te sluiten, wat de slaagkansen zijn
en welke middelen nodig zijn. Er moet iedere keer, in functie
daarvan, in de thesaurieplanning worden nagegaan wanneer men
verwacht welke middelen moeten worden vrijgemaakt. Die planning
gebeurt bij beide bedrijven op basis van financiële
meerjarenprognoses, die permanent moeten worden geactualiseerd.
Meer specifiek voor de PMV is de horizon nu beperkt tot begin
2011. Dat betekent dat alle termijnbeleggingen en alle
gestructureerde producten stelselmatig worden omgezet naar
risicovrije en kortetermijnproducten. Dat betekent ook dat in
die periode tot begin 2011 alle middelen van de PMV volgens de
eigen planning zullen zijn geïnvesteerd.
De noodzakelijke verhoging van het
maatschappelijk kapitaal van de PMV die heeft plaatsgevonden in
juni 2009 zal nog alle behoeften dekken van de projecten en van
de opdrachten die nu zijn aangemeld. Ik moet hier ook nog
vermelden dat nog maar 25 percent van de kapitaalsverhoging is
volstort. De overige stortingen zullen plaatsvinden op basis van
het tijdsschema dat de Vlaamse Regering en de PMV in het kader
van de meerjarenplanning hebben afgesproken. De PMV heeft ons
tevens meegedeeld dat looptijden van overheidspapieren langer
dan drie tot vijf jaar moeilijk liggen. Meestal bedragen de
looptijden drie tot vijf jaar. De PMV voert op dit vlak een
defensief beleid. De PMV heeft zich ingeschreven voor de
uitgifte van de Vlaamse Regering van mei 2009.
De PMV heeft eveneens verklaard in de toekomst
open te staan voor beleggingstermijnen die langer dan drie jaar
lopen. Dit moet evenwel elke keer worden bekeken in relatie tot
de eigen thesaurieplanning, tot de opdrachten die door de
Vlaamse Regering zijn gegeven en tot de opdrachten die de
beheersovereenkomst de PMV toekent. Ik wil nog even grosso modo
de basispunten van mijn antwoord overlopen. Beide maatschappijen
hebben laten weten niet op een grote berg cash te zitten die ze
niet nodig hebben.
Beide maatschappijen beschikken over een
duidelijke projectie. Hun maatschappelijke doelstelling is in
deze tijden zeer belangrijk. Ze moeten een actief beleid voeren
om de projecten van bedrijven op het vlak van continuïteit en
uitbreiding te steunen. Ze hebben allebei hun behoeften
ingeschat. Op basis daarvan maken ze een duidelijke
thesaurieplanning. Geen van beide sluit een inschrijving uit op
papieren die door de Vlaamse overheid zelf zijn uitgegeven.
Mijns inziens getuigt dit voor beide maatschappijen van een goed
beleggingsbeheer. De risico’s blijven laag. Ze maken een cash-
en thesaurieplanning mogelijk. Ze zullen hun rol als
investeerders en als kredietverstrekkers de komende jaren met
succes kunnen blijven vervullen.
De voorzitter: De heer Van den Heuvel heeft
het woord.