Vraag om uitleg van de heer Boudewijn Bouckaert tot de heer Kris Peeters, minister-president van de Vlaamse Regering, Vlaams minister van Economie, Buitenlands Beleid, Landbouw en Plattelandsbeleid, over de IKEA-wetgeving

De voorzitter: De heer Bouckaert heeft het woord.

De heer Boudewijn Bouckaert: Mevrouw de voorzitter, mijnheer de minister-president, geachte collega’s, op 16 september nam het Overlegcomité enkele beslissingen inzake de omzetting en toepassing van de Dienstenrichtlijn. Dit Overlegcomité heeft beslist om akte te nemen van de goedkeuring door de federale ministerraad van de twee wetsontwerpen die de Dienstenrichtlijn op de interne markt willen omzetten. Het neemt er ook akte van dat vanaf 29 december 2009 – dit is een datum om te onthouden – overeenkomstig de voorschriften van de richtlijn de toekenning van een vergunning niet meer afhankelijk kan worden gesteld van het bewijs van het bestaan van een economische behoefte. Het vestigt de aandacht van de gewesten op de gevolgen van de richtlijn op de bepalingen van de wetgeving inzake de handelsvestigingen, en nodigt ze uit ter zake de nodige initiatieven te ontwikkelen. Het verzoekt de minister voor Ondernemen en Vereenvoudigen en de federale minister voor kmo’s om met de gewesten overleg te plegen om tegen 1 juli 2010 – een andere datum om te onthouden – te beantwoorden aan het verbod om economische elementen te laten meespelen in de beoordeling van deze dossiers.

De IKEA-wetgeving van 2004-2005 is strijdig met de Dienstenrichtlijn en moet als dusdanig afgeschaft of minstens grondig worden bijgestuurd. De IKEA-wetgeving is nog steeds een federale bevoegdheid omdat zij de uiting is van een economische planningspolitiek. Het is namelijk het vergunningscriterium met betrekking tot de impact van de vestiging van een grote distributiezaak op bestaande handelsvestigingen en dus de mogelijkheid voor de overheid om een vergunning voor de vestiging van een grote distributiezaak te weigeren wegens een te grote negatieve impact op bestaande handelszaken. Het is net deze planningspolitiek die zich duidelijk in de zwarte zone van de Dienstenrichtlijn bevindt. Deze eis is verboden door artikel 14 van de Dienstenrichtlijn. De federale bevoegdheid komt hiermee te vervallen.

Gelet op het feit dat de overige beleidsdoelstellingen van de IKEA-regelgeving, met name om via een vergunningstelsel de impact van grote distributiezaken op de ruimtelijke ordening, mobiliteit en stadsvernieuwing te regelen, Vlaamse bevoegdheden zijn, kan de Vlaamse decreetgever hieromtrent wetgeving ontwikkelen, ter vervanging van de niet onmiddellijk verboden eisen van de IKEA-wetgeving, de zogenaamde grijze zone. Dan dient dergelijke Vlaamse regelgeving, desnoods een vergunningenstelsel, wel in overeenstemming te zijn met de Dienstenrichtlijn, in de mate dat de regelgeving of het vergunningstelsel noodzakelijk, geschikt en evenredig is. Ik citeer voor de volledigheid nog even uit de Dienstenrichtlijn: “De lidstaten stellen de toegang tot of de uitoefening van een dienstenactiviteit op hun grondgebied niet afhankelijk van de volgende eisen. (…) De toepassing per geval van economische criteria, waarbij de verlening van de vergunning afhankelijk wordt gesteld van het bewijs dat er een economische behoefte of marktvraag bestaat, van een beoordeling van de mogelijke of actuele economische gevolgen van de activiteit in relatie tot de door de bevoegde instantie vastgestelde doelen van economische planning. Dit verbod heeft geen betrekking op planningseisen waarmee geen economische doelen worden nagestreefd, maar die voortkomen uit dwingende redenen van algemeen belang.”

De Dienstenrichtlijn verwerpt dus economische planpolitiek en meteen ook elke vorm van intern protectionisme. Het is ook zeer duidelijk dat criteria zoals mobiliteit en stadsvernieuwing niet mogen worden misbruikt om een verborgen protectionistische agenda te voeren.

Mijnheer de minister-president, in het licht van deze uiteenzetting had ik graag een antwoord gekregen op volgende vragen. Bestaat er geen tegenstrijdigheid tussen punt 2 van de notificatie van het Overlegcomité dat de einddatum van de Europese rechtsgeldigheid van de IKEAregelgeving op 29 december 2009 legt, en punt 4 die deze einddatum voor een wettelijke oplossing binnen de Belgische rechtsorde op 1 juli 2010 bepaalt? Als ik de twee data vergelijk, lijkt het erop dat het Overlegcomité de overschrijding van de Europese termijnen bewust organiseert. Dat is toch wel merkwaardig.

Prevaleert de Europese einddatum van 29 december 2009 niet op de Belgische einddatum, gelet op het supranationaal karakter van het EU-recht? Indien er pas tegen 1 juli 2010 niet langer economische elementen kunnen meespelen in de beoordeling van deze dossiers, in welke mate zijn deze beslissingen, waarbij Vlaamse vertegenwoordigers in het beslissingscomité zetelen, dan in overeenstemming met de Dienstenrichtlijn en de artikelen 43 van het EG-Verdrag meer in het algemeen, met alle juridische risico’s en betwistingen van dien? Mijn volgende vraag betreft het uitstel. Waarom hebben we volgens u nog een uitstel tot 1 juli 2010 nodig? Aangezien u deze vergadering van het Overlegcomité hebt bijgewoond, zult u me dat zeker kunnen vertellen. De omzettingstermijn met betrekking tot de Europese Dienstenrichtlijn loopt al sinds eind 2006. Er is al heel wat tijd overheen gegaan.

Welk standpunt zult u tijdens het overleg met de minister voor Ondernemen en Vereenvoudigen en met de minister van KMO, Zelfstandigen, Landbouw en Wetenschapsbeleid innemen? Vanaf 1 juli 2010 zullen economische elementen niet langer een rol mogen spelen in de beoordeling van dergelijke dossiers. We moeten dit verbod respecteren. Hoe zit het met de mogelijke ontwikkeling van een Vlaamse regelgeving betreffende de ruimtelijke ordening van handelsvestigingen? Mijnheer de minister-president, ik kijk alvast met spanning uit naar uw antwoord.

De voorzitter: Mevrouw Van den Eynde heeft het woord.

Mevrouw Marleen Van den Eynde: Mevrouw de voorzitter, de door de heer Bouckaert aangehaalde problematiek betreft de omzetting van de Europese Dienstenrichtlijn. Zoals uit het verslag blijkt, is deze problematiek tijdens de vergadering van het Overlegcomité van 16 september 2009 aan bod gekomen. Een van de belangrijkste aanpassingen ten gevolge van de Europese Dienstenrichtlijn betreft de zogenaamde IKEA-wetgeving. Vlaanderen is reeds lang vragende partij om deze wetgeving te regionaliseren. Ik verwijs in dit verband onder meer naar het voorstel van resolutie over dit onderwerp dat mijn fractie tijdens de vorige legislatuur heeft ingediend. De reeds lang beloofde staatshervorming zou deze overheveling moeten bewerkstelligen. De Waalse overheid heeft de overheveling immers aan andere initiatieven gekoppeld. Nu blijkt tevens dat de Europese Dienstenrichtlijn de regionalisering in feite bewerkstelligt.

De heer Bouckaert heeft een aantal belangrijke data aangehaald die ons door de Europese Dienstenrichtlijn worden opgelegd. Hoewel die data zonder meer belangrijk zijn, zou ik graag een paar heel andere vragen stellen. Mijnheer de minister-president, heeft de Vlaamse Regering reeds initiatieven genomen om nieuwe regelgeving te ontwikkelen? Die regelgeving zou dan moeten regelen hoe we in Vlaanderen met de inplanting en de vergunning van grote winkelketens willen omgaan. Ik verwijs in dit verband naar het Vlaams regeerakkoord. Daarin staat immers te lezen dat u een duidelijke visie op winkelen in Vlaanderen wilt ontwikkelen.

Minister-president Kris Peeters: Het gaat om een visienota.

Mevrouw Marleen Van den Eynde: Die visienota zal de afwegingen in verband met de inplanting van grote winkelvestigingen in de ruimtelijke ordening moeten integreren. Hierbij zal het concept ‘kernwinkelgebieden’ worden ingevoerd en zal de afbakening van de kleinhandelszones worden aangepast. Hoe ver staat de ontwikkeling van deze visie?

Begin dit jaar heeft toenmalig minister Van Mechelen een vraag om uitleg over de IKEAwetgeving beantwoord. Hij heeft toen verklaard dat zijn diensten een studie zouden laten uitvoeren. Het doel van die studie zou eruit bestaan na te gaan op welke wijze nietverweefbare grootschalige handelsvestigingen in alle types van stedelijke gebieden kunnen worden geclusterd. Is deze studie ondertussen voltooid? Betreft het hier de studie waarnaar in het Vlaams regeerakkoord wordt verwezen? Dit onderzoek zou moeten leiden tot de voorstelling van een afwegingskader voor de grootschalige detailhandel. Dit afwegingskader op niveau van het Vlaamse Gewest zou op pragmatisch wijze ingaan op zaken als het aanbodbeleid, de herstructurering, de optimalisering en het locatiebeleid. Dat onderzoek, dat toen in de pijplijn zat, zou volgens toenmalig minister Van Mechelen de basis vormen voor de beleidsnota 2009-2014.

Mijnheer de minister-president, aangezien de heer Van Mechelen niet langer lid van de Vlaamse Regering is, zou ik graag van u vernemen of die studie en het bijbehorende afwegingskader deel uitmaken van uw beleidsnota. We verwachten de beleidsnota eind deze maand. Kunt u me vandaag al meedelen of de door voormalig minister Van Mechelen veelvuldig aangehaalde studies ondertussen zijn afgerond?

Mijnheer Bouckaert, ik heb vernomen dat een zekere professor Vereeck een door de voorzitter van deze commissie bestelde studie heeft opgesteld. U weet waarschijnlijk in welke richting de inhoud van deze studie gaat. Ik vraag me af of de studie zelf ter informatie aan de leden van deze commissie kan worden bezorgd. Een belangrijker vraag is evenwel wat er met deze studie precies is gebeurd. Zijn hier beleidsconclusies uit getrokken?

Mevrouw de voorzitter, ik herhaal nog even mijn concrete vragen. Hoe ver staat de ontwikkeling van de visie die in het Vlaams regeerakkoord zo mooi staat omschreven? In zijn antwoord op een vraag om uitleg heeft toenmalig minister Van Mechelen verwezen naar een studie over de niet-verweefbare grootschalige handelsvestigingen in stedelijke gebieden. Is die studie voltooid? Is dit de studieopdracht waarnaar in het Vlaams regeerakkoord wordt verwezen? Hoe ver staat het onderzoek naar het afwegingskader? Hebt u daar enig zicht op? Wat is er gebeurd met de door professor Vereeck uitgevoerde impactstudie? Zijn hier beleidsconclusies uit getrokken? Zal er ook overleg met de lokale besturen volgen? Dit lijkt me in elk geval belangrijk. Binnen welke termijn zal Vlaanderen een eigen handelsvestigingsbeleid kunnen voeren?

De voorzitter: Mevrouw Fournier heeft het woord.

Mevrouw Martine Fournier: Mevrouw de voorzitter, ik heb tijdens de vorige legislatuur al een paar keer vragen over de IKEA-wetgeving gesteld. Aangezien u toen zelf nog minister was, zult u zich dat zeker nog herinneren. Wat dit beleid betreft, verschilden we trouwens geregeld van mening.

Ondertussen weten we dat we niet onder de Europese Dienstenrichtlijn uit kunnen. We zullen vergunningen niet langer op basis van economische criteria kunnen weigeren. Die handelszaken zullen er bijgevolg zeker komen. Ik wil hier geen zinloze achterhoedegevechten voeren. Ik vind dat er een gezonde mix tussen groothandelsvestigingen en buurtwinkels moet komen. Ik verwijs hier niet in eerste instantie naar de kruidenierswinkel op het platteland. Ik denk veeleer aan de handelszaken in een centrum.

De uitbaters van lokale handelszaken liggen me na aan het hart. Ik maakte vroeger immers deel uit van deze categorie. Ik ben dat met hart en ziel geweest. Iedereen weet dat deze mensen het niet altijd gemakkelijk hebben. Het is moeilijk tegen de grote mastodonten op te boksen. Ik ben dan ook tevreden dat het winkelen in Vlaanderen in het Vlaams regeerakkoord redelijk goed is uitgewerkt.

Het is niet mijn bedoeling de reeds gestelde vragen te herhalen. Een stand van zaken zullen we straks wel krijgen. De minister-president volgt dit goed op. Ik wil enkel vermelden dat ik vorige maandag, tijdens de vergadering van het college van burgemeester en schepenen van Menen, kennis heb genomen van het plan local d’urbanisme (PLU), een nota over commercieel urbanisme in de regio Lille Métropole.

Als ik hieruit even mag citeren. De bedoeling van de nota is “via stedenbouwkundige vergunningen controle uit te oefenen op de vestigingsmogelijkheden”. Die mensen zijn er al mee bezig van in 2002. Zij weten dat de commerciële activiteiten momenteel een grote verandering ondergaan en dat dat vooral invloed heeft op de ruimtelijke ordening. Zij hebben op 6 december 2002 drie belangrijke richtlijnen inzake ruimtelijke ordening geselecteerd voor de commerciële ontwikkeling. Die drie richtlijnen zijn: “De ontwikkeling van de handel consolideren in de stadscentra, de wijken en de stadslinten; de ontwikkeling van de polariteiten”– dus de winkelcentra – “en van de voorstedelijke linten beperken; en terzelfder tijd wijzen op de types van creaties die prioritair moeten worden aangewend om de stadscentra of de sites voor stadsvernieuwing te versterken.” Al deze richtlijnen werden vertaald in stedenbouwkundige voorschriften via het PLU. Dat werd goedgekeurd op 8 oktober 2004.

Het doel van de nota die wij op het college gekregen hebben, is om die richtlijnen verder uit te werken en de commerciële ontwikkeling te controleren in de zones waar die in strijd zou zijn met de richtlijnen. Men wil: “De inplanting van de handelszaken in de periferie controleren teneinde de handel in de stadscentra, de wijken en de geografische prioritaire sites te bestendigen.”

Mijnheer de minister-president, bent u op de hoogte van die richtlijnen van Frankrijk? Ik denk het wel. Is het misschien een piste die wij in Vlaanderen zouden kunnen bewandelen om dit verder via ruimtelijke ordening uit te werken?

De voorzitter: Mevrouw Van Volcem heeft het woord.

Mevrouw Mercedes Van Volcem: Collega’s, mijnheer de minister-president, wij willen ons aansluiten bij de vraag om uitleg van de heer Bouckaert. Het lijkt me evident gelet op het feit dat de medewerker vroeger ook werkzaam was op het kabinet van mevrouw Ceysens en zij die mening ook steeds heeft verdedigd. Het komt aan de liberalen en Open Vld toe om de toegang tot de dienstensector niet te belemmeren. Dat gaat niet enkel om een liberale gedachte, mijnheer de minister-president, maar ook om Europese wetgeving. De Dienstenrichtlijn heeft vanaf 28 december 2009 directe werking. Ik pleit voor duidelijkheid. Als wij investeerders naar Vlaanderen willen lokken, moet het bestuur duidelijkheid scheppen. Het is geen goede zaak dat u de implementatie vooruitschuift. Het is ook geen goede zaak dat u daarover niet communiceert. Wanneer het op 28 december 2009 directe werking krijgt, moeten we vermijden dat lokale besturen of provincies de richtlijn niet toepassen en dat ondernemers die aan krediet geraken en hier werkgelegenheid willen scheppen, zouden worden geconfronteerd met procedureslagen voor de Raad van State. Dat stelt investeringen uit. Als u daadkrachtige beslissingen wil nemen in moeilijke tijden, zou dat een van uw paradepaardjes moeten zijn.

Het doet me plezier dat mevrouw Fournier zegt dat men geen achterhoedegevechten meer wil voeren. Bravo! Maak er zeker werk van de eerste maanden, zodat er tegen 29 december en het nieuwe jaar duidelijkheid is voor ieder die naar Vlaanderen wil komen.

Wat ik hoor over Rijsel, zijn misschien goede ideeën. Maar ik pleit er zeker niet voor om dat ook nog eens bij Ruimtelijke Ordening te voegen. De ruimtelijke ordening in Vlaanderen is al zo complex. Wanneer men een grootschalig project wil opzetten, moet men een procedure doorlopen voor een milieueffectrapport (MER) en voor een mobiliteitseffectrapport (MOBER). Ruimtelijke Ordening moet zich absoluut niet bezighouden met toelating tot de markt. Er zijn met bezwaarschriften en actiegroepen tal van mogelijkheden om ook daar weer processen te voeren. In het regeerakkoord staat dat het de bedoeling is om de ruimtelijke ordening te vereenvoudigen en de MER-procedures iets toegankelijker te maken voor ondernemers.

Ik vraag me af wat u zal doen met de visienota ‘Winkelen in Vlaanderen’. Ook de minister van Ruimtelijke Ordening zal deze visienota schrijven. Ik houd alweer mijn hart vast. Ik hoop dat het geen omzeilen is van de Dienstenrichtlijn en dat het niet opnieuw tot interpretaties leidt. Voor zo’n visienota wordt rondgestuurd, moet er goed over worden nagedacht.

De voorzitter: De heer Bothuyne heeft het woord.

De heer Robrecht Bothuyne: Dit onderwerp spreekt veel mensen aan. Het is van zeer groot belang voor de leefbaarheid van onze handelszaken, van onze steden en onze handelskernen. Ik kom even terug op de kritische houding van mevrouw Van Volcem. Die verwondert me. We zijn allemaal al jaren vragende partij voor een regionalisering van het handelsvestigingsbeleid, maar tot op heden is dit een federale bevoegdheid van een partijgenoot van haar. Dat een en ander niet snel genoeg wordt omgezet, is de verantwoordelijkheid van de federale regering en meer bepaald van de betrokken liberale ministers.

Ook de verwijzing naar Ruimtelijke Ordening verwondert mij. In de commissie Ruimtelijke Ordening is in de vorige legislatuur door minister Van Mechelen nog duidelijk aangegeven dat een vorm van handelsvestigingsbeleid zou moeten worden ingepast in het beleid voor ruimtelijke ordening. Nu hoor ik een partijgenoot het tegenovergestelde beweren.

Mijnheer de minister-president, in welke mate kan Vlaanderen op dit moment een regelgeving uitwerken, zolang de bijzondere wet is wat ze is? Volgens mij is het handelsvestigingsbeleid nog altijd federaal en kan Vlaanderen op regelgevend vlak op dit moment nog niet veel doen.

De voorzitter: De heer Van den Heuvel heeft het woord.

De heer Koen Van den Heuvel: Mevrouw de voorzitter, mevrouw Fournier heeft al heel wat gezegd. Ze heeft ook het standpunt van onze fractie uiteengezet. Ik wou reageren op wat mevrouw Van Volcem heeft gezegd, maar de heer Bothuyne heeft dat al gedaan. Ik heb hier nog een leuk citaat in petto van minister Ceysens over dit onderwerp. Ik weet niet of minister Ceysens iemand anders is dan voorzitter Ceysens. Mevrouw Ceysens, op een actuele vraag van enkele maanden geleden hebt u het volgende geantwoord: “Ik heb ook altijd gezegd dat een aantal andere criteria wel kunnen helpen. Ik denk dan in eerste instantie aan de ruimtelijke ordening.” Er lijkt me een groot verschil te zijn tussen enerzijds het vereenvoudigen van de wetgeving met betrekking tot de ruimtelijke ordening, met het snoeien in een aantal procedures, overbodige vereisten en rapporten, en anderzijds het ontwikkelen van een visie op een handelsvestigingsbeleid dat past in het kader van de ruimtelijke ordening. Ik zie geen tegenspraak tussen de beide. Er is het snoeien, maar er is ook het ontwikkelen van een duidelijke visie op handelskernen, stadskernen en commerciële zaken die daar thuishoren. Dat staat trouwens in het regeerakkoord. Ik zie geen tegenstrijdigheid en ik voel me gesteund door minister Ceysens. Ik hoop dat het nog altijd over dezelfde persoon gaat. Daar hoort een eenduidige visie.

Mevrouw Patricia Ceysens: Een en ondeelbaar, mijnheer Van den Heuvel. Ik heb altijd gezegd dat we niet zullen toelaten dat, als het gaat over de toegang tot de markt, de ruimtelijke ordening wordt misbruikt om economische criteria op te leggen. Men wou er een karikatuur van maken, alsof we de chaos zouden organiseren. Het spreekt echter vanzelf dat een goede ruimtelijke ordening een plaats heeft, dat grote winkelcentra bepaalde eisen met zich meebrengen. U zult echter heel hard moeten zoeken om een bewering van mij te vinden dat ruimtelijke ordening pasmunt zou kunnen zijn voor economische criteria of om de toegang tot de markt te belemmeren.

De voorzitter: Minister-president Peeters heeft het woord.

Minister-president Kris Peeters: Mevrouw de voorzitter, ik heb er geen enkel probleem mee dat hier een aantal vragen worden gesteld aan de vorige regering en diegenen die daar toen deel van uitmaakten. (Gelach)

Ik begrijp dat diegenen die er toen deel van uitmaakten en nu niet meer, zich vrij voelen. Dat staat niet gelijk aan chaos. Bij chaos is de vrijheid zeer groot, maar leidt ze tot niets. Ik ga eerst even in op het betoog van de heer Van den Heuvel. Welke hoedanigheid men ook heeft of nog zal hebben in deze commissie, het is belangrijk dat Vlaanderen een visie ontwikkelt op het winkelgebeuren. Gemeenten worden geconfronteerd met de vraag of er op hun grondgebied een winkelcentrum van duizenden vierkante meters kan worden neergepoot. Als de burgemeester of het college van die gemeente oordeelt dat dit niet past in de visie van de gemeente op kernversterking, dan zal degene die de vraag stelt, zich wenden tot de naburige gemeente, en als die het niet doet, tot de gemeente ernaast.

Het is heel belangrijk dat in Vlaanderen zowel de kleinhandel als de grootschalige winkelcentra een plaats hebben en krijgen. De consument heeft daar behoefte aan. Daarom is het belangrijk daar een goede en duurzame visie op te ontwikkelen, om te voorkomen dat gemeentebesturen tegen elkaar worden uitgespeeld en dat ze worden geconfronteerd met hinder en andere gevolgen als een bepaalde gemeente of stad die toestemming heeft gegeven. In zijn jongste boek, Sprakeloos, verwijst Tom Lanoye naar de winkelcentra in Wijnegem en Sint-Niklaas en naar de gevolgen die die centra zoal hebben gehad. Hij is natuurlijk een fictieschrijver. Maar dit even terzijde.

Ik hoop dat iedereen, ook wie lokaal actief is, begrijpt dat het heel belangrijk is dat Vlaanderen een visie daarop ontwikkelt, voor een langere termijn. Natuurlijk moet dat maximaal in overleg met de lokale overheden gebeuren. Een aantal leden hadden daar vragen over. Op die manier zal dit worden gedragen. Na zondag weten we hoe belangrijk het maatschappelijk draagvlak is.

Natuurlijk mogen we ons niet voort laten leiden door bijkomende regelgeving en dergelijke. Zeker in de ruimtelijke ordening worden we met heel wat bijkomende regelgeving geconfronteerd. Natuurlijk moeten daar nuances worden aangebracht, maar dat is een ander debat. Die regels komen van de Europese instanties. Dat is zeker zo als het gaat over de mobiliteit. Ik heb daar wat ervaring mee. Men zet ergens een winkelcentrum neer en bekijkt dan hoe het zit met de toegangswegen en het organiseren van de ontsluiting. De overheid, de gemeenschap moet dat dan maar betalen.

Er zijn shoppingcentra waar auto’s staan aan te schuiven op de autosnelweg. Het is niet de bedoeling dat er kilometers file staan omdat de ontsluiting niet goed is geregeld. Het is niet onze bedoeling bijkomende beperkingen op te leggen of bijkomende procedures te maken, integendeel, we willen die afbouwen.

De heer Bouckaert heeft het dan over het probleem van de Europese Dienstenrichtlijn, in het bijzonder het probleem van de grote handelsvestigingen. De Europese Dienstenrichtlijn is een belangrijke dienstenrichtlijn, die we correct moeten uitvoeren. Het zou onverstandig zijn om die niet of anders toe te passen, met alle gevolgen van dien als iemand zijn belangen geschaad zou zien. Die Europese Dienstenrichtlijn zal een impact hebben op het Vlaamse niveau. De bedoeling ervan is om de concurrentie en de dynamiek van de diensten in de EU te stimuleren. De Vlaamse economie is voor een groot deel een diensteneconomie. Met die nieuwe uitdaging moeten we ervoor zorgen dat we die concurrentie aankunnen en dat onze bedrijven gewapend zijn om niet alleen op de Vlaamse en Belgische, maar ook op de Europese markt heel actief te zijn.

Dit was mijn inleiding, die niet onbelangrijk is omdat het de verschillende aspecten van de discussie belicht. Ik zal nu antwoorden op de concrete vragen. Nog even dit: ik ben voorstander van de continuïteit van het beleid, waar mogelijk en wenselijk, en de studies die besteld zijn kunnen we ook mee opnemen. Het is niet zo dat een nieuwe minister een oude studie in de lade stopt. Dat is niet mijn manier van werken. We zullen alle studies op hun waarde schatten. We mogen ook niet naïef zijn. Het resultaat kan afhangen van wie je vraagt om de studie uit te voeren. Maar dat geldt niet voor deze studies.

Mijnheer Bouckaert, het is juist dat op het Overlegcomité van 16 september 2009 is vastgesteld dat de huidige federale regelgeving betreffende vergunning van handelsvestigingen, beter bekend als de IKEA-wet, juridische problemen kan opleveren in het licht van de Europese Dienstenrichtlijn. Vooral de conformiteit van de bepaling die de vergunning van een grote handelsvestiging afhankelijk maakt van de impact op bestaande handelsvestigingen geeft aanleiding tot discussie. Op grond van artikel 14, ten vijfde, van de Europese richtlijn is het immers verboden om de verlening van een vergunning afhankelijk te stellen van de toepassing van economische criteria. Dit verbod heeft evenwel geen betrekking op de planningseisen waarmee geen economische doelen worden nagestreefd, maar die voortkomen uit dwingende redenen van algemeen belang.

Alvorens een beslissing te nemen over het opstellen van een rechtvaardigingstekst of de gehele of gedeeltelijke afschaffing van de wet, heeft het Overlegcomité beslist om, gezien de mogelijke regionalisering van deze materie - wat mij betreft liever vandaag dan morgen - eerst met de gewesten overleg te plegen. Op het federale niveau werd nog geen akkoord bereikt; 1juli 2010 werd vooropgesteld als ultieme datum. Ook binnen de federale regering is daarover enige discussie tussen de verschillende excellenties die een bevoegdheid of inspraak hebben op dat vlak.

Indien er tegen 29 december 2009 geen beslissing wordt genomen, en achteraf zou blijken dat de IKEA-wet niet in overeenstemming is met de bepalingen van de Europese Dienstenrichtlijn, kan dit inderdaad voor problemen zorgen. Een particulier met een belang die vaststelt dat een reglementering niet in overeenstemming is met een Europese richtlijn, kan zich immers op diverse manieren tegen deze regelgeving keren. Aldus kan een belanghebbende zich verzetten tegen de toepassing van een reglementering die in strijd is met een bepaling van die Europese Dienstenrichtlijn, alsook een formele klacht indienen bij de Europese Commissie.

Bovendien kan de betrokken particulier in geval van vaststelling van manifeste strijdigheid van de nationale norm met de Europese Dienstenrichtlijn een vordering tot schadevergoeding tegen de overheid instellen. Daarover kan ik heel duidelijk zijn. De wet betreffende de vergunning van handelsvestigingen is vooralsnog een federale bevoegdheid ingevolge artikel 6, ten zesde, alinea 4, punt 6. Er is nog geen consensus bereikt op het federale niveau en de bevoegde federale ministers wordt verzocht om over een mogelijke oplossing met de gewesten te overleggen. In functie van het overleg met mijn federale collega’s heb ik juridisch advies gevraagd om na te gaan in welke mate een zogenaamde ontwrichtingstoets – dit is een toets waarin de invloed van een vooropgestelde inplanting van een grootschalige detailhandel op de bestaande kernwinkelgebieden wordt afgedwongen – conform is aan de bepalingen van de Europese Dienstenrichtlijn, en artikel 14, ten vijfde, van die Europese Dienstenrichtlijn in het bijzonder. Laten we daar niet te lang over discussiëren. We willen ons conformeren met die Europese Dienstenrichtlijn. Ik wil niet de ene na de andere procedure aan mijn broek hebben, ook al zou dat een federale broek zijn.

Tegelijk moeten wij, met het oog op het kernversterkende beleid, een beoordelingsmarge behouden met betrekking tot de inplanting van grootschalige detailhandel. Ik ga ervan uit dat ook voor de liberalen en diegenen die tot die grote familie behoren, dat kernversterkende beleid verschrikkelijk belangrijk is. Wie iets van steden kent en ook weet welke effecten sommige zaken kunnen hebben, moet onverkort dat kernversterkende beleid onderschrijven.

Beide zaken sluiten elkaar niet uit: conformeren met de Europese Dienstenrichtlijn en er toch voor zorgen dat het kernversterkende beleid, dat zo belangrijk is voor deze Vlaamse Regering, wordt verwezenlijkt. Wij moeten bepalen waar een inplanting van een grootschalige detailhandel toch nog mogelijk moet zijn, maar zeker altijd met het oog op het kernversterkende beleid. Beide met elkaar verzoenen, moet mogelijk zijn. Die Europese Dienstenrichtlijn stelt namelijk dat het verbod op de economische toets geen betrekking heeft op de planningseisen. Met die planningseisen worden geen economische doelen nagestreefd. Zij komen voort uit de dwingende redenen van algemeen belang. Volgens overweging 66 van de Europese Dienstenrichtlijn behoort de bescherming van stedelijk milieu uitdrukkelijk tot deze laatste categorie.

De ontwrichting van de kernwinkelgebieden als gevolg van een nieuwe inplanting van een grootschalige detailhandel mag dus wel degelijk getoetst worden. Dat is dan een maatschappelijke toets waarin mogelijke economische criteria vervat zijn, zoals de impact op de faillissementen en de leegstand van de kernwinkelgebieden, die leiden tot een minder aantrekkelijk en leefbaar kerngebied. Wie de realiteit wil zien, moet maar eens naar de Stationsstraat in Sint-Niklaas gaan kijken. Of toch enkele jaren geleden, het is misschien nu al iets beter.

De ontwrichtingstoets en de bijhorende criteria zijn dus geen verboden eis in de zin van de Europese Dienstenrichtlijn aangezien zij niet zijn ingegeven door een economische doelstelling maar door een dwingende reden van algemeen belang. De concrete modaliteiten en de beoordelingscriteria van de ontwrichtingstoets dienen evenwel nog nader bepaald te worden. We zijn daar zeer druk mee bezig. Hierbij zal uiteraard ook rekening worden gehouden met het restrictieve karakter van de uitzonderingsbepaling van artikel 14.5 van de Europese Dienstenrichtlijn en met het beginsel van noodzakelijkheid en evenredigheid, dat ook terug te vinden is in die Europese Dienstenrichtlijn. Dit veronderstelt dat de ontwrichtingstoets uitdrukkelijk gericht wordt op het voorkomen van een ontwrichting van de kernen. Daarbij zullen de economische criteria strikt beperkt worden tot wat vereist is om tot een dergelijke nieteconomische conclusie te komen.

Het onderzoek dat wij hebben gedaan, wijst uit dat de IKEA-wet moet worden aangepast. De IKEA-wet kan dus as such niet worden behouden, ten einde te voldoen aan de vereisten van de artikelen 9, 10 en 14 van de Europese Dienstenrichtlijn. De IKEA-wet is een federale bevoegdheid. De overheveling van de bevoegdheid inzake handelsvestigingen zou een geïntegreerde oplossing vergemakkelijken. Maar dit vergt dus, zoals u allemaal weet, een aanpassing van de bijzondere wet door de federale wetgever. Zolang deze wet niet wordt aangepast, kunnen wij, met grote nederigheid en met veel ambitie en moed, toch ideeën en suggesties geven of zeggen hoe wij dit zien. Via ons eigen beleid inzake ruimtelijke ordening kunnen we natuurlijk een aantal zorgen, bijvoorbeeld inzake mobiliteit, ter harte nemen.

Mevrouw de voorzitter, collega’s, de heer Bouckaert en ook anderen snijden terecht dit probleem  aan. Het is een ernstig probleem. De bezorgdheid dat wij ons niet zouden conformeren met de Europese Dienstenrichtlijn is bij dezen beantwoord. Het zou niet wijs zijn om ons daar op slinkse wijze, mevrouw Van Volcem, door onduidelijkheden of door ons niet volledig te conformeren, heel wat rechtszaken of discussies op de hals te laten jagen.

Ik ga ervan uit dat iedereen zich kan vinden in het kernversterkende beleid, zeker wat het winkelen betreft. Zeker de meerderheid zal dat kunnen want het staat uitdrukkelijk in het regeerakkoord. Wij zijn volop bezig met het opmaken van een visienota. Ik begrijp dat ik word afgejaagd, het is ook de rol van de oppositie om de meerderheid af te jagen. Mevrouw de voorzitter, dat is ook iets wat u snel onder de knie zult krijgen. U had dat al, maar ik ga ervan uit dat u die kunst nog zult perfectioneren. Geen probleem daarmee. Ik wil echter niet vervallen in de rustige aanpak, in de rustige vastheid. Ik ben meer voor de pragmatische wijsheid, maar dat is dan weer een ander verhaal.

Wij moeten daarmee vooruit, maar ik ga er ook van uit dat de oppositie begrijpt dat deze legislatuur vijf jaar duurt en dat we in deze vijf jaar het regeerakkoord volledig moeten implementeren en dat het een na het ander volgt. Daar zullen we hard aan werken. Over de beleidsnota en de verdere stappen, mevrouw Van den Eynde, zullen we nog kunnen discussiëren. Nu is het belangrijk dat we vooruit moeten met die Europese Dienstenrichtlijn en dat we ons daaraan willen conformeren.

De voorzitter: De heer Bouckaert heeft het woord.

De heer Boudewijn Bouckaert: Dank u, mijnheer de minister-president. Ik stel vast dat de heer Tom Lanoye blijkbaar een politieke autoriteit is geworden. Er is een Latijns spreekwoord dat zegt: “Multa licet stultis et poetis”, “Aan dwazen en poëten is veel toegelaten”. Ik zou dat durven uitbreiden tot mijnheer Lanoye. Ik zou hem niet als een lichtbaken willen zien in het beleid voor de handelsvestigingen.

Het doet me genoegen dat u erkent dat er grote juridische problemen kunnen ontstaan door de niet-aanpassing van de IKEA-wetgeving. We zouden hier de Maddens-doctrine trouwens bij kunnen betrekken: Vlaanderen moet heel assertief optreden inzake de IKEA-wetgeving, die, als ik mij dat goed herinner, een borrelnootje was voor Vlaanderen. Ik ga ervan uit, mijnheer de minister-president, dat uw vertegenwoordiger in het interministerieel comité voor de distributie, dat ook als beroepsinstantie geldt bij het aanvragen van vergunningen voor meer dan 400 vierkante meter – mevrouw Fournier kent dat, want ze heeft reeds zulke zaken gehad in Menen –, vanaf 29 december 2009 het economisch criterium niet langer zal inroepen. Vanaf die datum is er immers een rechtstreekse werking van de Dienstenrichtlijn en er moet helemaal niet gewacht worden op een aanpassing van de IKEAwetgeving. U kent waarschijnlijk ook wel het ‘Smeerkaasarrest’, dat zegt dat er een rechtstreekse werking is en dat die onmiddellijk moet doorwerken in de interne Vlaamse en federale rechtsorde.

Dan is er de ontwrichtingstoets – de toetsen vermenigvuldigen zich, het politieke beleid wordt bijna een piano, als je  het zo bekijkt. Ik heb er niets op tegen dat er een ontwrichtingstoets is, maar ik wil er toch op wijzen dat die niet zomaar vrij kan worden aangewend. De ontwrichtingstoets zal de toets van het Europese beleid moeten doorstaan. Het is inderdaad mogelijk om de impact van een handelsvestiging op het stedelijke weefsel te bekijken en eventueel als een beleidselement te beschouwen, maar toch zal die noodzakelijk en evenredig moeten zijn. Het feit dat ten gevolge van de inplanting van bijvoorbeeld een meubelzaak twee kleine meubelzaken failliet zouden kunnen gaan, is geen voldoende reden om die handelsvestiging te weigeren, want men zal een kosten-batenverhouding moeten maken. Als de baten van de handelsvestiging echt veel groter zijn dan de eventuele marktimpact van die handelvestiging op kleinere zaken, dan zal men die handelsvestiging niet meer kunnen tegenhouden en is er niet langer sprake van ontwrichting.

Besluitend zou ik zeggen dat ik blij ben omdat u dit heel goed opvolgt en omdat u ervoor zult zorgen dat Vlaanderen een goede leerling zal zijn in de Europese klas.

De voorzitter: Mevrouw Van Volcem heeft het woord.

Mevrouw Mercedes Van Volcem: Mijnheer de minister-president, er zaten natuurlijk heel goede dingen in uw betoog, maar ik ben toch ook een klein beetje ongerust. Aan de ene kant zegt u dat alle kleine gemeenten als het ware tegen elkaar zullen worden uitgespeeld, en daar zit misschien iets in, en misschien zullen ook de steden tegen elkaar worden uitgespeeld, binnen een provincie of over de provinciegrenzen heen, maar aan de andere kant zegt u dan dat u een kernversterkend beleid wilt voeren. Ten gunste van wie dan wel? Ik vind dat nogal vaag.

U mag ook niet vergeten dat de komst van grootschalige activiteiten, distributie en toegang tot de markt, alleen maar kunnen in zones die dat toelaten: in de gewestplannen en de RUP’s wordt nu in zones voorzien waar dergelijke activiteiten kunnen, ze zijn zo ingekleurd. Die inkleuring biedt ons rechtszekerheid en betekent bovendien dat ze al een toetsing aan de goede ruimtelijke ordening hebben gehad, want het zijn de administraties die deze plannen opmaken. Als zoiets kan in een gebied, vraag ik me af wat ‘kernversterkend beleid’ wil zeggen. Ik zou niet willen dat dit leidt tot een vaagheid en tot een impasse waardoor investeerders worden afgeschrikt.

Mijnheer de minister-president, ik kan wel begrijpen dat, aangezien CD&V ongeveer 70 percent van de burgemeesters in Vlaanderen levert, elke burgemeester misschien ook voor een stukje aan zichzelf denkt en herverkozen wil worden, opteert voor de kortetermijnpiste omdat de lokale middenstanders angst hebben en actie voeren aan het stadhuis.

Minister-president Kris Peeters: De liberale burgemeesters hebben daar geen probleem mee.

Mevrouw Mercedes Van Volcem: Neen, kijkt u maar naar Mechelen. We hebben maar één liberale burgemeester in een centrumstad.

Mijnheer de minister-president, ik wil alleen maar zeggen dat u de investeringen niet mag tegenhouden alleen maar omwille van lokale druk. Ik denk dat er toch ook heel veel werkgelegenheid mee gepaard gaat, en dus bewijst u er niet altijd een dienst mee door direct toe te geven aan lokale actiegroepen, door tijdelijk te pamperen. U moet op lange termijn denken en daar waar de gebieden het toelaten, mag u geen investeringen afremmen, ook niet onder het mom van een vaag begrip zoals ‘kernversterking’.

De voorzitter: Mevrouw Van den Eynde heeft het woord.

Mevrouw Marleen Van den Eynde: Mevrouw de voorzitter, mijnheer de minister-president, ik kijk echt uit naar de visieontwikkeling over het winkelgebeuren in Vlaanderen. Ik hoop dat die snel wordt uitgevoerd, want, zoals u zelf al aanhaalde, is er echt nood aan om de lokale besturen op een juiste manier te laten handelen als een winkelketen zich op het grondgebied van een gemeente wil vestigen. U verwees naar de Stationsstraat in Sint-Niklaas: de toestand is daar echt schrijnend sinds de komst van een winkelcentrum, zeker omdat we weten welke bloeiende handelstraat dat in het verleden was.

Gelet op de aanpassingen die aan de IKEA-wetgeving nog moeten gebeuren ten gevolge van de Dienstenrichtlijn denk ik dat de overheveling van de bevoegdheden absoluut moet gebeuren. Daarom wil ik u vragen om dit dossier steeds opnieuw op de agenda van het Overlegcomité te plaatsen. Het is immers een hoogdringende zaak. De federale regering moet beseffen dat het ons menens is, dat we onze verantwoordelijkheden willen opnemen en dat we een veroordeling door Europa willen voorkomen. Ik denk dat de studierapporten aan de commissie kunnen worden overgemaakt op het moment dat het debat kan worden opgestart. Ik wil u ten slotte nog vragen om te werken aan een proactief handelsvestigingsbeleid, zodat we snel kunnen handelen zodra de overheveling is gebeurd.

De voorzitter: De heer Laurys heeft het woord.

De heer Jan Laurys: Als CD&V-burgemeester van een kleine gemeente voel ik me aangesproken. Men vroeg me tussen te komen in tempore non suspecto, nog voordat mevrouw Van Volcem de frontale aanval had ingezet. Tot drie jaar geleden werden we in Diest geconfronteerd met tamelijk veel leegstand. Tientallen winkels stonden leeg. Gelukkig is er sinds begin 2007 een kleine heropleving waarneembaar. Ik denk niet dat het met een nieuw beleid heeft te maken; ik wil bescheiden blijven. Sinds begin vorig jaar zijn er toch een vijftiental aanvragen voor de vestiging van nieuwe handelszaken binnengelopen, maar ook voor grotere handelszaken die aan de rand van de stad in dezelfde niches de concurrentie willen aangaan.

Wij zijn nu volop bezig met de uitwerking van een detailhandelsplan. We zijn van plan om daarin begrippen als kernversterking en ontwrichting te integreren. Ik vraag me echt af wat Open Vld wil: het wilde kapitalisme, met leegstand waarbij alleen de sterksten overleven? Of wil men echt levende steden waar mensen kunnen werken, winkelen en verblijven? Als men voor dat laatste is, dan moet men toch kunnen sturen. Uit de uitleg van de minister heb ik begrepen dat het inschrijven van die begrippen in het detailhandelsplan geen problemen zal opleveren. Dat staat niet haaks op de bepalingen in de Europese Dienstrichtlijn. Ik denk dat we zo het algemeen belang dienen, ook van de zelfstandigen en ondernemers.

De voorzitter: Mevrouw Fournier heeft het woord.

Mevrouw Martine Fournier: Ik wil even ingaan op twee puntjes van mevrouw Van Volcem: het lokaal beleid en de tewerkstelling. Ik vind het belangrijk dat het lokaal beleid enige invloed op de lokale middenstand kan uitoefenen. Zonder middenstand in de stadskern is de stad dood. De middenstand houdt een stad levendig, en dat is ook voor het verenigingsleven belangrijk.

U stelt terecht dat grote handelsvestigingen voor tewerkstelling zorgen. De minister-president heeft echter wel gelijk, toen hij naar de toestand in Sint-Niklaas verwees. Ik ken de toestand daar niet, maar het is een feit dat de vestiging van grote handelszaken elders leegstand en faillissementen veroorzaakt. Er is dus een keerzijde, want elders vermindert de tewerkstelling.

De voorzitter: De heer Van den Heuvel heeft het woord.

De heer Koen Van den Heuvel: Ik ben een beetje verbijsterd dat iemand van Open Vld zegt dat lokale middenstanders zeurders zijn en geregeld op het plaatselijke gemeentehuis langskomen. (Opmerkingen van mevrouw Mercedes Van Volcem)

U hebt dat gezegd – niet letterlijk, maar daar kwam het toch op neer. Volgens u kunnen ze niet verder nadenken dan hun neus lang is, en zijn ze in de greep van een kerktorenmentaliteit. In het regeerakkoord staat het en de minister-president heeft het hier gezegd: nergens is er een contradictie tussen de vereisten van ruimtelijke ordening en de ontwikkeling van een visie over een goed commercieel beleid en een kernversterking. We hebben er allemaal belang bij dat onze Vlaamse steden bruisende steden worden waar ook de lokale middenstand zijn plaats heeft en waar het gezellig winkelen is. We moeten daarop inzetten, en dat is in het verleden te weinig gebeurd. Ik ben blij dat nu in het regeerakkoord staat dat we dat project alle kansen willen geven. We hebben daarbij alle krachten nodig. Het is dan ook spijtig dat vanuit politieke hoek sommigen neerbuigend kijken op mensen die daarin willen investeren.

De voorzitter: De heer Bouckaert heeft het woord.

De heer Boudewijn Bouckaert: Mijnheer Laurys heeft het over het wilde kapitalisme. We leven wel in Europa, en in Europa heerst de vrijemarktordening waarbij het concurrentiebeginsel centraal staat. Sinds de jaren dertig is het corporatisme waarbij de economie wordt gestuurd door akkoorden tussen de belangengroepen toch in diskrediet geraakt? Het wilde corporatisme is nog slechter dan het wilde kapitalisme. Ik wil daar nog aan toevoegen dat een liberale visie geen problemen heeft met regulering, maar die regulering mag de concurrentie niet vervalsen. Elke reguleringsmaatregel die kan worden verantwoord op basis van een goede kosten-batenafweging kan ermee door. Als u kunt aantonen dat een middenstand levensnoodzakelijk is voor de handhaving van het stedelijke weefsel, dan hebt u een goed criterium.

Het feit dat er wat huizen leeg komen te staan, is dat evenwel niet. Die huizen kunnen een nieuwe functie krijgen en bewoond worden. Ik ga in tegen het misbruik van criteria. U hebt de woorden van mevrouw Van Volcem verdraaid. Ik heb het over de heer Van den Heuvel. Ik kan uw voorzitter, mevrouw Thyssen, aanhalen in verband met de vergunningen die men niet kan tegenhouden op basis van de Dienstenrichtlijn:“Maar op basis van andere argumenten – van ruimtelijke ordening of mobiliteit – of redenen van algemeen belang, zoals het effect op consumenten en werknemers, de bescherming van het stedelijke milieu kan je nog altijd een vergunning weigeren. Alles hangt af van hoe je de Dienstenrichtlijn wil interpreteren. Politici mogen het kind met het badwater niet weggooien.”

We kunnen tussen de regels lezen dat men moet proberen om de criteria van ruimtelijke ordening en kernversterking zo te interpreteren dat men daar grote handelsvestigingen kan bouwen. Tegen deze vorm van verkapt corporatisme willen we ingaan.

De voorzitter: Mevrouw Van Volcem heeft het woord.

Mevrouw Mercedes Van Volcem: Ik zal de bijzaak van de hoofdzaak scheiden. We mogen nieuwe initiatieven niet dwarsbomen. We mogen ons niet verliezen in procedureslagen. Dat is niet goed voor Vlaanderen. Ik weet niet meer wie het zei, maar ik kijk op niemand neer, zeker niet op iemand die probeert een zaak uit de grond te stampen in de stad. Ik blijf erbij – en het is realiteit, de kranten staan er vol van – mensen hebben schrik voor nieuwe grootschalige projecten. Dat kunnen handelsvestigingen zijn maar ook andere projecten. Als men een steen wil verleggen, heeft dat een impact op de omgeving. De eerste reflex van die omgeving is schrik. Mensen willen de bestaande situatie behouden omdat ze niet weten wat de toekomst brengt. Ik vind, en ook mijn partij, dat we nieuwe initiatieven niet mogen afremmen omwille van die schrik.

Mevrouw Fournier, natuurlijk is een bloeiend winkelcentrum belangrijk voor elke stad en gemeente. De sterkte moet vooral van uzelf uitgaan. Met het dwarsbomen van nieuwe initiatieven wordt de winkelstad niet versterkt, integendeel. Men moet het winkelcentrum zelf sterk houden. Zelfstandigen moeten zichzelf telkens opnieuw uitvinden en blijven investeren. We mogen hen niet bepamperen. Dat verlaagt de kwaliteit. Een sterke stad moet nergens bang voor zijn.

De voorzitter: De heer Van den Heuvel heeft het woord.

De heer Koen Van den Heuvel: Wat mevrouw Van Volcem zegt, is natuurlijk het andere uiterste, dat bedoelen we nu ook weer niet. Ik wil reageren op de woorden van de heer Bouckaert over het verkapte corporatisme dat uit de woorden van mevrouw Thyssen zou blijken. Daar gaat het juist om. We kennen voorbeelden van grootschalige handelsvestigingen die zich willen vestigen zonder rekening te houden met de mobiliteitsvraagstukken of een goede ruimtelijke ordening. Men poot ergens een complex neer onder het mom van honderden arbeidsplaatsen. Dan komt het lokale bestuur onder druk om extra investeringen te doen in verkeersinfrastructuur en een ontsluiting. Ik vind het jammer dat dit allemaal op een hoopje wordt gegooid.

Het is heel belangrijk dat we wachten op de visie die de Vlaamse Regering ontwikkelt. Ik geloof daar sterk in. Dan kunnen we op een volwassen manier de kernwinkelgebieden steunen en stimuleren. Dan kunnen we een globaal beleid voeren. Er moeten niet te pas en te onpas investeringsprojecten doorheen komen fietsen. Er moet een juist kader worden geschetst. Dan moeten we geen schrik meer hebben van grote investeringen, integendeel. Deze regering heeft al verschillende keren laten blijken dat ze wel een steen durft te verleggen.

De voorzitter: Minister-president Peeters heeft het woord.

Minister-president Kris Peeters: Ik geloof dat we hier een boeiende discussie krijgen als de visienota over winkelen aan bod komt. Ik hoop dat we bepaalde uitspraken kunnen overstijgen. Verkapt corporatisme versus vrij kapitalisme, het is een interessant gegeven. Ik zal me op dergelijke discussies voorbereiden, maar dat levert weinig op, behalve de intellectuele genoegdoening.

Ik wil niet vooruitlopen op de visienota, maar zowel de kernversterking als de grootschalige winkelcomplexen hebben een toekomst in Vlaanderen. We moeten die twee niet tegenover elkaar plaatsen. Er is plaats voor beide. De consument vraagt dat ook. Heel wat lokale overheden, ongeacht de politieke kleur, doen verschrikkelijk veel inspanningen om de kern van hun dorpen, gemeenten en steden te versterken. Die kern is ook ontzettend belangrijk op veel vlakken, en minstens om het sociaal weefsel levend te houden. Een winkel omvormen tot appartement ligt op een ander niveau. De aantrekking en de dynamiek zijn natuurlijk heel anders als het gaat om een dorpsstraat die ook een winkelstraat is versus woonstraat. Dat heeft een compleet verschillend effect. Ik begrijp dat men tevreden is over mijn antwoord – dat is telkens een uitdaging – omtrent de implementatie van de Europese Dienstenrichtlijn. We mogen niet het risico lopen om ons niet te conformeren.

De voorzitter: Het incident is gesloten.

     
   
        2009 Koen Van den Heuvel