|
Vraag om uitleg van de heer Koen Van den Heuvel
tot mevrouw Ingrid Lieten, viceminister-president van de Vlaamse
Regering, Vlaams minister van Innovatie, Overheidsinvesteringen,
Media en Armoedebestrijding, over de proeftuin voor elektrische
wagens
Vraag om uitleg van mevrouw Liesbeth Homans tot
mevrouw Ingrid Lieten, viceminister-president van de Vlaamse
Regering, Vlaams minister van Innovatie, Overheidsinvesteringen,
Media en Armoedebestrijding, over het onderzoek naar de
introductie van de elektrische auto
6 januari 2010
De voorzitter: Mevrouw Homans heeft het
woord.
Mevrouw Liesbeth Homans: Mevrouw de
minister, mevrouw de voorzitter, geachte collega’s, u hebt het
net gehad over de auto van de toekomst. Ik denk dat er een
belangrijke rol is weggelegd voor de elektrische auto. In de
buurlanden Nederland en Duitsland heeft men al ambitieuze
plannen ontwikkeld. U hebt zelf een eerste aanzet gegeven in
oktober 2009, toen u zei dat u wilde onderzoeken wat de concrete
plannen en inspanningen voor een elektrische auto kunnen zijn.
Dat is geen overbodige luxe, want ik denk dat het de auto van de
toekomst is. De huidige generatie elektrische auto’s kan zich
perfect meten met de huidige generatie benzine- en dieselauto’s.
Voor de regio Vlaanderen, waar de auto-industrie het toch wel
moeilijk heeft, zal innovatie op de automarkt opportuniteiten
bieden.
Mevrouw de minister, u hebt begin oktober 2009
gezegd dat u bepaalde plannen in die richting had. U hebt een
proeftuin voor elektrische wagens opgericht. U hebt ook 400.000
euro vrijgemaakt. Wat is de stand van zaken? Bent u van plan om
nog meer middelen uit te trekken? Nederland heeft een budget van
65 miljoen euro. Duitsland heeft meer dan een half miljard euro
vrijgemaakt.
Stroomvoorziening is uiteraard een belangrijke
factor om de introductie van elektrische auto’s te versnellen.
Men heeft het over oplaadpunten. In de buurlanden heeft men er
al onderzoek over gedaan en men is het er over eens dat dit niet
meer de techniek van de toekomst is. Het zal eerder gaan over
stroomopwekking door inductie. Als men stilstaat voor
bijvoorbeeld een verkeerslicht, kan men stroom leveren aan een
elektrische auto.
Zult u bij de eventuele ontwikkeling voor de
innovatie van de elektrische auto vertrekken van de meest
vernieuwende techniek? Anders is het misschien wat zinloos omdat
men dan achterop loopt. In Nederland is er bijvoorbeeld een
belangrijke rol weggelegd voor de spoorwegen bij het aanleveren
van de elektriciteit voor de elektrische wagens. Er zal een
extra hoeveelheid elektriciteit nodig zijn. Is daar in
Vlaanderen een rol weggelegd voor het Vlaams Energiebedrijf? Hoe
ziet u dat? Wordt er gewerkt aan een globale strategie om de
elektrische auto in Vlaanderen te introduceren? Zo ja, wie zijn
de betrokken partners? In Nederland heeft men een Nationaal
Platform Elektrische Auto opgericht. Kunnen we dat in Vlaanderen
bijvoorbeeld ook doen? Kunnen we er de overheden bij betrekken,
de auto- industrie zelf, de netwerk- en verkeerssystemen, zoals
De Lijn of wagenparkbeheerders, en uiteraard ook de
universiteiten en de kennisinstituten?
De voorzitter: De heer Van den Heuvel heeft
het woord.
De heer Koen Van den Heuvel: Mevrouw de
voorzitter, mevrouw de minister, we hoeven de voordelen van de
elektrische wagens niet meer op te sommen. Men moet niet enkel
met woorden de elektrische wagen aankondigen, maar er ook werk
van maken. De proeftuin is één uitdaging, een andere is het
opladen van die wagen. Hebben we daarvoor een beleid klaar? Het
is belangrijk dat er een overheidsbeleid komt om de
stroomcapaciteit te optimaliseren en in oplaadpunten te
voorzien. Als we rondkijken naar andere landen, gaat men daar te
werk met een visie en een actieplan om dat elektrisch netwerk
qua capaciteit en oplaadpunten de volgende jaren te versterken.
Mevrouw Homans, ik geloof ook wel dat u binnen enkele jaren
stilstaand voor een verkeerslicht uw wagen kunt opladen, maar
laat ons enig realisme aan de dag leggen: dat is nog niet voor
morgen.
Enkele weken geleden hebt u, mevrouw de
minister, de proeftuin voor elektrische wagens aangekondigd bij
uw bezoek aan Ford Genk. Dat bezoek is zeker opgevallen. Naast
de oplaadpunten en het elektrisch stroomnetwerk is het ook van
belang om de elektrische wagens zo goedkoop en rendabel mogelijk
te maken. Als een wagen minder weegt, verbruikt die ook minder
energie. Het komt erop aan om de wagens ook op dat vlak sterk te
verbeteren.
Dan is een proeftuin belangrijk om het concept
van een wagen te optimaliseren. Mevrouw de minister, u hebt
400.000 euro vrijgemaakt voor de proeftuin. Dat is niet weinig,
maar wonderen kunt u daarmee niet verrichten. Is de proeftuin
intussen opgestart of wat is de timing daarvoor? Hoe pakt men
dat aan? Hoeveel elektrische wagens zullen worden gevolgd? Wat
zijn de parameters en de modaliteiten? Welke selectiecriteria
zijn gehanteerd om die proeftuin te operationaliseren?
De voorzitter: De heer Bothuyne heeft het
woord.
De heer Robrecht Bothuyne: Het is heel
belangrijk dat we tot één groot en concreet plan komen. Er zijn
verschillende actoren in Vlaanderen in dit veld. Ik was verrast
door de aankondiging van de proeftuin. Ik begreep niet goed: is
dit nu het grote plan met alle actoren of een nieuw initiatief
naast de andere? Er zijn initiatieven van private spelers, zoals
Punch en Volvo. Ook Eandis heeft een proefproject met tien
elektrische autootjes, omgebouwde Fiats. Daar zou ook de
oplaadcapaciteit worden uitgetest.
Er zijn hoe dan ook nog heel veel vragen te
beantwoorden: de performantie van de batterijen, de
infrastructuur, de smart grid, de meetapparatuur, de
oplaadpunten, de verbinding met de telematiek, de verhouding met
gps en dergelijke. Uiteraard is er ook de impact op de
mobiliteit zelf. Wordt het straks goedkoper of duurder om met
die elektrische auto op de weg te komen? Als het goedkoper
wordt, zullen we waarschijnlijk met meer mensen op de weg zijn.
Dat heeft dan ook weer zijn impact op onder andere de
fileproblematiek.
We zijn niet het enige land dat bezig is met de
auto van de toekomst, verre van. In Spanje is het de bedoeling
om volgend jaar met 2000 elektrische wagens in een soort
proefproject rond te rijden in een aantal grote steden. In China
willen ze er dit jaar 10.000 op de weg hebben.
Ook in de VS, onder andere in Los Angeles, zijn
er proefprojecten bezig of in opstart. Heel belangrijk lijkt me
de standaardisering. Als we straks die oplaadpunten installeren,
moeten we ervoor zorgen dat die overal gebruikt kunnen worden en
door elke auto, overal geproduceerd. Het Belgische
EU-voorzitterschap op het einde van dit jaar is misschien een
opportuniteit om het gesprek op Europees niveau daarover te
trekken en misschien tot conclusies te laten komen.
Er zijn ook andere technieken voor de wagen van
de toekomst, onder andere waterstof. Plant u ook daarvoor op het
vlak van innovatie bijkomende acties? Of heeft de elektrische
wagen alle prioriteit?
De voorzitter: Mevrouw Fournier heeft het
woord.
Mevrouw Martine Fournier: De Katholieke
Hogeschool Limburg is een onderzoek gestart om de oplaadtijd in
ongeveer tien minuten te kunnen realiseren. Ik zie de files al
voor mij die dat zal veroorzaken. De heer Bothuyne verwees er
ook naar. Staatssecretaris voor Mobiliteit Etienne Schouppe
heeft een oplaadpunt geopend in december. In tegenstelling tot
de buurlanden blijven wij enorm achter bij de uitbouw van die
oplaadinfrastructuur. In Londen zullen de komende jaren
bijvoorbeeld 25.000 oplaadpunten worden geïnstalleerd. In
Nederland gaat de overheid er 10.000 financieren. België houdt
de boot nog een beetje af. Als die auto rijdt in 2011, wordt het
wel heel dringend om die oplaadpunten te realiseren.
Schouppe wacht op privé-initiatieven. Mevrouw de
minister, wacht u daar ook op? Of zult u zelf vanuit de Vlaamse
overheid in samenwerking met de federale initiatieven nemen?
De voorzitter: De heer Van Malderen heeft
het woord.
De heer Bart Van Malderen: Ik sluit mij aan
bij een aantal vragen en opmerkingen die hier gemaakt zijn. Er
is nog niet gezegd: waarom hebben we het over die elektrische
wagen? In welke context zien we dat? Er is het evidente
ecologische vraagstuk. Autogebruik neemt het gebruik van
fossiele brandstoffen met zich mee. Maar het feit dat we het
hierover hebben in de commissie Economie en Innovatie heeft te
maken met het belang dat de automobielindustrie vandaag in onze
regio heeft. Dat zouden we bestendigd willen zien. Het is niet
zo zorgwekkend dat ook anderen ermee bezig zijn. Het is zeker
goed dat er in heel veel landen initiatieven genomen worden om
elektrische wagens te faciliteren. Het komt erop aan de omgeving
te creëren die ertoe leidt dat de wagens op zijn minst voor een
deel hier worden geassembleerd. Op die manier kan de toegevoegde
waarde voor de productie ervan, naast de ecologische winst, hier
worden geboekt. We hebben immers troeven in handen. In andere
landen wordt gewezen op de stedelijke ontwikkeling. Er is
verwezen naar Londen en Nederland. Bijna heel Vlaanderen
kenmerkt zich door een grote mate van verstedelijking. We rijden
vrij korte afstanden. Dat vergemakkelijkt het gebruik van de
elektrische wagen.
Het is belangrijk dit proces in het nodige
tijdsperspectief te zien. Bronnen zeggen dat tegen 2025 de
elektrische wagens 10 percent van de markt zullen uitmaken. In
de tussenfase zal moeten worden ingezet op hybride modellen.
2025 is de middellange termijn. Daar moet vandaag aan worden
gewerkt. Het komt erop aan tussen nu en 2025 de industriële
basis te hebben om de assemblage hier te hebben en te houden.
Het feit dat we de kennis, het industriële weefsel en de markt
in huis hebben mag ons niet zelfgenoegzaam maken en laten
veronderstellen dat de ontwikkeling en de assemblage van de
elektrische wagen automatisch in onze schoot zal vallen. Er is
al verwezen naar investeringen in een netwerk. Het is ook
belangrijk te weten welke elektrische standaard men zal
hanteren. Iedereen denkt hier blijkbaar dat we met de wagen naar
een soort van stopcontact zullen moeten rijden en daar dan
inpluggen. Er zijn ook andere manieren denkbaar. Men zou
bijvoorbeeld van batterij kunnen wisselen, wat meer aansluit bij
de huidige tankstations. Men zal op Europees en internationaal
niveau moeten evolueren naar een technische standaard. Als
Vlaanderen daar een vooraanstaande rol kan in spelen, bepaalt
Vlaanderen ook mee de marktomgeving.
De heer Bothuyne heeft het debat over de prijs
al op gang getrokken. De elektrische wagen zal pas competitief
worden als elektriciteit betaalbaar is. België scoort op dat
vlak helemaal niet goed en iedereen kent er de achtergrond van.
Het debat moet aan de overzijde worden gevoerd. De laatste jaren
zijn er geen stappen in de goede richting gezet. Er is de
ecologische winst van de elektrische wagen, maar dat is maar zo
als de gebruikte stroom groene stroom is. Als de stroom wordt
opgewekt door oude kolencentrales, wordt de efficiëntie veel
minder op het vlak van de CO²-uitstoot. Er is heel wat werk aan
de winkel op het federale niveau om de juiste omgevingsfactoren
te creëren zodat de elektrische auto competitief wordt en
ecologische winst boekt.
Ik heb in het verleden al een voorstel
gelanceerd om in deze commissie een hoorzitting of
gedachtewisseling te organiseren waarbij verschillende
invalshoeken aan bod kunnen komen. Zo kan worden nagegaan hoe
wij vanuit het parlement maatregelen kunnen stimuleren of
aankaarten die deze omgeving en ruimere context mee kunnen
creëren. Dat is een vraag aan de voorzitter.
De voorzitter: Mevrouw Turan heeft het
woord.
Mevrouw Güler Turan: Ik zal kort zijn. Er is
meer Onderzoek en Ontwikkeling nodig. Als ik de heer Van
Malderen mag geloven, zal pas in 2025 10 percent van de wagens
elektrisch worden aangestuurd. Intussen is er een onderzoeksfase
nodig. Nergens anders dan in Vlaanderen is de afstand tussen
woon- en werkverkeer zo klein. Dat maakt van Antwerpen een
ideale stad om deze elektrische wagens te testen. Ik stel dus
voor om Internationaal Vlaanderen te promoten als pilootzone
voor elektrische wagens. Klein maar dapper Vlaanderen moet deze
kansen zeker niet laten liggen.
Of het nu oplaadpunten, inductiestromen of
inwisseling van batterijen wordt, we moeten met onze
netbeheerders samenwerken. Ik weet niet of er al stappen in deze
zin zijn ondernomen. Ik denk aan Infrax of Eandis waarmee zal
moeten worden samengewerkt om de elektrische wagens te voorzien
van energie.
Als ik hoor van het jaar 2025 en de ecologische
prioriteit, is mijn voorstel dat de Vlaamse overheid haar eigen
wagenpark al zou vergroenen met zuinigere, klimaatvriendelijkere
wagens. Dat is op de korte termijn een groene en innovatieve
maatregel.
De voorzitter: We zullen bij de regeling van
de werkzaamheden een datum zoeken voor het voorstel van de heer
Van Malderen.
Mevrouw Patricia Ceysens: Vandaag heerst een
ongelooflijke hype rond de elektrische wagen. Sommige automerken
zullen op het autosalon staan met een elektrische wagen. Ik ben
wel wat bang van een overdreven overheidsimpact alsof de
overheid de elektrische wagen gaat creëren. Het debat neigt daar
soms naartoe. We moeten realistisch blijven. Het zal
uiteindelijk de markt zijn en de producenten die zullen bepalen
welke de wagen van de toekomst zal zijn. Ook al schaart de hype
zich nu rond de elektrische wagen, dan zal de echte groene auto
nog een heel stuk efficiënter zijn, zeker op de korte termijn.
Dat zal de wagen zijn die voor de meeste consumenten bereikbaar
en haalbaar is. De resultaten zijn vrij spectaculair, al zijn ze
niet zo sexy. Het gaat om de hybride wagen.
Ik denk voorts aan de gemiste kansen voor het
invoeren van biobrandstoffen. Op een bepaald moment was het een
hype, vervolgens werd het voorstel aan diggelen geschoten. Het
is heel gevaarlijk te denken dat men de waarheid in pacht heeft.
Er zijn ook mogelijkheden voor waterstof.
Sommige producenten willen de hype rond de elektrische wagen
afkoelen. Vorig jaar hebben 13 producenten aan de pers
meegedeeld dat de waterstofwagen nog voor de elektrische wagen
zal worden gelanceerd. We moeten daar als politici vrij
voorzichtig mee omspringen. De overheid moet de groene wagen van
de toskomst niet creëren, dat zal het verhaal niet worden. We
moeten natuurlijk wel de ambitie hebben om ons wagenpark te
vergroenen. Dat is evident. Het is dus belangrijk te weten hoe
de infrastructuur wordt aangepast en hoe er wordt omgegaan met
de taksen. Dat is, naast normering, een goed instrument om de
consument aan te sporen.
U hebt het erover Vlaanderen te promoten. Er
zijn een paar landen ons te snel afgeweest. Wat eind vorig jaar
in Londen en Amsterdam is gebeurd, is daar een goed voorbeeld
van. Deze steden hebben zich net voor het kerstreces
ongelooflijk op de kaart gezet als de stadsregio’s die de
elektrische wagen zullen invoeren. Men gaat daar zeer ver in. In
Londen wil men met taksen de consument stimuleren om deze wagen
aan te kopen. Dat zal het verschil uitmaken.
De voorzitter: Minister Lieten heeft het woord.
Minister Ingrid Lieten: Mevrouw de
voorzitter, in Vlaanderen moeten we vaststellen dat het jammer
is dat we de niet vroeger zijn begonnen na te denken over de
mogelijkheden die de elektrische auto voor ons heeft. Dat
betekent dat we daarover tot nu toe ook geen gecoördineerd
beleidsplan hadden en dat we nu begonnen zijn met een
inhaalbeweging.
Het is zeker en vast niet de bedoeling dat de
overheid investeert in een fabriek die elektrische auto’s
ontwikkelt en produceert. We zullen ons houden aan de
beleidslijnen en proberen de bestaande privé-initiatieven en de
belangrijke automobielsector te stimuleren en te helpen bij
Onderzoek en Ontwikkeling bij de transitie, die wel degelijk aan
de gang is, zodat de automobielsector in Vlaanderen, de
tewerkstelling, de innovatie en de industriële bedrijvigheid,
gesteund wordt. Het is belangrijk dat de overheid hierin
initiatieven neemt door de industriële bedrijvigheid te
stimuleren en ervoor te zorgen dat de tewerkstelling blijft
bestaan. Het gaat dan niet alleen over de tewerkstelling bij de
autoassemblagebedrijven, maar ook bij heel wat toeleveranciers
die werken in die sector. Een tweede reden waarom de overheid
actief en proactief moet ingrijpen, is dat de elektrische auto
heel wat potentieel biedt op het vlak van de leefbaarheid van
onze steden en gemeenten.
Zoals verscheidene sprekers hebben opgemerkt,
leven we in een dichtbevolkt land, waarbij het samenleven op een
beperkte oppervlakte tot heel wat overlast en
gezondheidsproblemen leidt. De luchtkwaliteit in onze steden,
waar het grootste deel van de mensen woont, is zeer slecht, een
van de slechtste van Europa. Een belangrijke bijdrage wordt
geleverd door de uitstoot van de wagens. Niet alleen de
luchtkwaliteit is slecht. Ook de geluidsoverlast zorgt voor heel
wat gezondheidsproblemen. Als de technologie het mogelijk maakt
om duurzamere wagens te produceren, dan moeten we daar volop op
inzetten om te zorgen dat die zo snel mogelijk geïntroduceerd
kunnen worden in onze steden en gemeenten. Maar daarvoor is
uiteraard een globaal actieplan nodig, en tot nu toe hadden we
dat niet.
Het eerste initiatief dat ik heb genomen,
richtte zich tot de industriezijde. U herinnert zich misschien
dat bij de viering van het achtjarig bestaan van Flanders’ DRIVE
in oktober ik aan Flanders’ DRIVE expliciet de opdracht heb
gegeven om proactief een actieplan te ontwikkelen om de
bestaande industrie te helpen om in te zetten op die
transformatie van de automobieleconomie en ervoor te zorgen dat
onze huidige toeleveranciers, die nu aan de automobielsector
leveren, straks ook kunnen leveren als de automobielsector
nieuwe – elektrische of hybride – wagens op de markt brengt. Het
gaat niet om een keuze tussen elektrische en hybride wagens of
wagens die rijden op waterstof. Het is een en-enverhaal.
Heel de technologische ontwikkeling en onderzoek
voor de elektrische auto’s vindt eerst haar toepassing bij de
hybride wagens. Die komen nu volop op de markt. De technologie
zal verder geperfectioneerd worden naarmate de infrastructuur
voor het opladen wordt geperfectioneerd voor de volledig
elektrische auto’s.
We hebben dus aan Flanders’ DRIVE gevraagd een
volledig plan te maken, de sector te bevragen, te kijken naar de
bestaande industriële bedrijven in de automobielsector om te
zien hoe we kunnen helpen bij het onderzoek en de ontwikkeling,
zodat de bestaande toeleveranciers voorbereid worden op de
nieuwe evoluties en ook nieuwe leveranciers worden geholpen.
Voor de elektrische auto’s worden immers nieuwe technologieën
ontwikkeld. Er zijn toeleveranciers die nu niet actief zijn in
de automobielsector, maar die met hun bestaande kennis en
competentie wel applicaties en onderdelen kunnen ontwikkelen
voor de elektrische auto. Denken we maar aan Picanol, dat heel
wat competenties in huis heeft en volop bezig is om nieuwe
markten te ontwikkelen. Flanders’ DRIVE heeft die opdracht
gekregen en is daar ook mee bezig.
Als de elektrische auto wordt geïntroduceerd in
onze steden, dan is daar in de eerste plaats natuurlijk
infrastructuur voor nodig. Er zullen ook heel wat
samenwerkingsverbanden nodig zijn op het vlak van de
energievoorziening. Het zal belangrijk zijn na te gaan hoe de
consument daarop zal reageren en te kijken hoe we kunnen zorgen
voor een stimulans.
Ik heb daarom de opdracht gegeven om daarvoor
een proeftuin op te starten. Ik zal dieper ingaan op wat die
proeftuin betekent. De proeftuin is inmiddels opgestart. In de
eerste fase wordt heel duidelijk in kaart gebracht welke
onderzoeksvragen moeten worden gesteld, welke technologische
aspecten en potentiële proeftuinen moeten worden uitgerold en
welke engagementen vanuit de industrie, de steden en andere
stakeholders wij nodig hebben om dat project succesvol in actie
te stellen. Het project moet heel duidelijk door verschillende
overheidspartners en privépartners gedragen worden.
Na deze fase van de beschrijving, komen we bij
het uitrollen en opstarten van de proeftuin voor elektrische
voertuigen in Vlaanderen. Hierbij moeten we uitkijken naar het
gebruikersperspectief en moet de openinnovatiegedachte maximaal
worden meegenomen. In de proeftuin is het heel duidelijk de
bedoeling om informatie en testen te verzamelen die toegankelijk
zijn voor alle steden, gemeenten, gebruikers en industriële
partners die die informatie kunnen omzetten in hun eigen acties.
De proeftuin moet een zo volledig mogelijk
ecosysteem omvatten. Dit houdt in dat we alle relevante
stakeholders, zowel de binnen- als buitenlandse spelers, actief
betrekken in de opzet en implementatie van de proeftuin,
enerzijds om het nodige draagvlak te creëren en anderzijds om de
proeftuinactiviteiten te kunnen uitwerken. Naast de producenten
van zowel voertuigen als technische componenten, denken we
hierbij ook aan de huidige distributieactoren, de laadstations
bijvoorbeeld, en aan de lokale en regionale beleidsactoren. Het
zal immers een effect hebben op het mobiliteitsbeleid door het
verkeersgenererend aspect en de afwikkeling van het verkeer. Ik
denk ook aan de belangenorganisaties, bijvoorbeeld de Bond Beter
Leefmilieu, de beroepsverenigingen in de automobielindustrie,
zoals Febiac, Federauto en ASBE, de toeleveranciers, de
importeurs, de brandstofleveranciers, de wagenparkeigenaren, de
overheden en de diverse onderzoekscentra die al op een of ander
terrein actief zijn. We moeten proberen alle actoren die er op
een of andere manier mee te maken hebben, te betrekken in de
proeftuin om na te gaan wat hun engagementen, ambities en
opportuniteiten zijn.
Naast technologisch onderzoek is het voornaamste
doel van de proeftuin aan te tonen hoe innovatie en adoptie van
elektrische voertuigen kan worden versneld. Hierbij moeten we de
focus leggen op het identificeren en monitoren van de
gebruikerspatronen en -activiteiten. Hoe beïnvloedt de
introductie van elektrische voertuigen de huidige
vervoerspatronen en welke implicatie heeft dit op technisch en
infrastructureel vlak? Hierbij komen aspecten kijken zoals: waar
gaan de mensen opladen? Moet er een oplaadinfrastructuur worden
voorzien te velde? Gaat men in oplaadinfrastructuur in de
parkeergarages voorzien?
Een tweede focus komt te liggen op het
experimenteren met specifieke concrete ‘use cases’ zodat
duidelijk wordt welke hefbomen er zijn om het gebruik van die
elektrische voertuigen te versnellen. Hoe kunnen we de
consumenten stimuleren om, als er effectief voertuigen op de
markt worden gebracht, zo snel mogelijk over te gaan tot de
aanschaf van die voertuigen en ze te introduceren in onze steden
en gemeenten? Er zijn een aantal motiverende elementen mogelijk
waarbij de overheid een rol zou kunnen spelen, zoals tijdens de
spits elektrische voertuigen toelaten op de busstrook,
gereduceerde parkeertarieven voor elektrische voertuigen,
informatie over de beschikbare laadstations, fiscale systemen.
De overheid kan dus heel wat motiverende elementen ontwikkelen
om de introductie van die voertuigen te versnellen.
Naast dat technologisch onderzoek en het gebruik
moeten we ook kijken naar een optimale afstemming tussen de
beschikbare infrastructuur en de ondersteunende
beleidsmaatregelen en initiatieven, en de specifieke
experimenten die in de proeftuinen worden ontwikkeld. Daar
moeten we dus een goed samenwerkingsverband hebben, onder meer
ook met de steden en gemeenten. Er moet een duurzame
onderzoeksomgeving worden uitgebouwd, die ook een blijvende
ondersteuning kan bieden. Het mag geen one shot blijven, met één
dik rapport. Er moet een onderzoeksomgeving komen die permanent
alle actoren begeleidt in de verdere ontwikkeling van die
diverse initiatieven en trajecten, om uiteindelijk tot de
implementatie te kunnen overgaan. Via die proeftuinwerking moet
ook inzicht worden gecreëerd in de mate waarin het
proeftuinconcept en de permanente uitbouw van die testbench om
in een ‘semi real life’-omgeving’ nieuwe automobielconcepten te
testen, kunnen bijdragen tot de verankering van de
automobielindustrie in Vlaanderen. Als de overheid investeert in
die proeftuinen en wagens kunnen worden getest, is het immers de
bedoeling dat dit kan bijdragen, binnen een open
innovatiesysteem, tot de ondersteuning van de
automobielindustrie in Vlaanderen.
Hoeveel elektrische wagens zullen er op die
manier worden gevolgd, en welke parameters moeten precies in
kaart worden gebracht? In het haalbaarheidsproject van het
testen van batterijelektrische voertuigen in een
praktijkomgeving moet uiteraard worden nagegaan hoe die
proefomgeving concreet vorm moet krijgen, hoeveel wagens er
moeten worden getest, het aantal laadpalen, welke doelgroepen er
moeten zijn in die testomgeving, hoe het zit met de
meetapparatuur en hoe de variabelen moeten worden opgenomen. Ook
moet worden nagegaan hoe we die resultaten maximaal kunnen
uitrollen en ten dienste stellen van de diverse partners die ze
nodig hebben om hun eigen processen te kunnen ondersteunen. Dat
is de oefening die nu bezig is. Tevens moet worden bekeken wat
de kostprijs zal zijn als we dat uitrollen in de diverse
scenario’s, van kleinschalig tot grootschalig, en welke
engagementen er zullen zijn van andere partners om daar mee in
te investeren en mee die kostprijs te dragen.
Het verzamelen van de data is zeer belangrijk in
een onderzoeksproject. Dan gaat het over de installatie van
meetmateriaal in voertuigen, maar ook in infrastructuur, die
moet gebeuren. Die infrastructuur moet ook de nodige
functionaliteiten bevatten. Voertuig en gebruiker moeten kunnen
worden geïdentificeerd. Er is de activering van het type
laadproces: zal dit gebeuren via smart metering, fast charging,
laden tegen het goedkoopste tarief? Wanneer wordt een auto
opgeladen? Hoe kunnen we daar de relatie vinden met de smart
grids en de smart meters, zodat we het beheer van ons
elektriciteitsnetwerk belasten op de juiste manier en niet
overbelasten op verkeerde momenten. Dataverzameling en
-transmissie moeten natuurlijk verlopen via de bestaande
technologische standaarden, zoals WiFi en General Packet Radio
Service (GPRS). Er moet een server worden geïnstalleerd om dat
allemaal te beheren. Om het te verwerken, moet er uiteraard ook
de nodige capaciteit zijn. Het is immers belangrijk dat al die
informatie wordt verwerkt, precies om een antwoord te bieden op
de vragen van de diverse actoren. De automobielproducenten
hebben andere vragen dan de steden en gemeenten en de
stedenbouwkundigen, die bepaalde dingen mee zullen moeten
vertalen in de toekomstige organisatie van onze steden.
We moeten ook kijken naar de milieu-impact en de
technische impact. De veiligheid en de betrouwbaarheid van
voertuig en infrastructuur staan natuurlijk voorop. Dan moet er
worden gekeken naar de prestaties, naar de actieradius en het
gebruik. Soms opperen mensen dat ze nu met die elektrische
voertuigen slechts 70 à 80 kilometer kunnen rijden, dat ze er
niet mee op vakantie kunnen gaan. Nu, 340 dagen per jaar rijden
we maximaal slechts 80 kilometer met onze wagen. Er zijn diverse
nieuwe innovatieve concepten mogelijk om er, met die
technologische kennis, uiteindelijk toch voor te zorgen dat zo
veel mogelijk mensen hun gedrag kunnen aanpassen. Er zouden
combinaties van oplossingen kunnen worden gegenereerd om ervoor
te zorgen dat we die elektrische voertuigen zo snel mogelijk
kunnen introduceren in onze steden en gemeenten. Er moet
uiteraard een vergelijking worden gemaakt tussen de diverse
soorten laadinstallaties. Diverse sprekers hebben er al op
gewezen dat er verschillende innovaties zijn, die elk een eigen
businessconcept kunnen krijgen en ook een eigen manier van
gebruikersadaptatie hebben. Veel mensen zullen hun elektrische
wagen kunnen opladen in hun garage. Mensen die geen garage
hebben, moeten echter ook die mogelijkheid tot opladen
krijgen. Hoe kunnen we die infrastructuur inpassen in het
dagelijks gedrag van die mensen en bij de marktspelers die
er nu zijn en ter zake misschien ook voorzien in een nieuw
businessconcept? Dat moet worden bekeken.
Er is ook de invloed van de roll-out van
elektrische voertuigen op de elektriciteitsvraag. Hoe staat dit
in relatie tot de elektriciteitsdistributie? Wat zijn de
opportuniteiten, maar ook de bedreigingen? Er moet een
standaardisatie gebeuren van de laadinfrastructuur, van de
stekkers, van de communicatieprotocols – er zal een facturatie
moeten gebeuren tussen de verschillende elektriciteitsbedrijven
–, van de niet-technische aspecten zoals de signalisatie en
branding ten behoeve van parkeervoordelen, fiscaliteit.
De well-to-wheel energie-efficiëntie en de
impact op het broeikaseffect moeten worden nagegaan. Het gaat
dan ook over hoe de elektriciteitsproductie gebeurt. Kunnen we
in de keten nog meer vergroening stimuleren? Er moet ook gekeken
worden naar de capaciteit, naar de tijdstippen waarop er kan
worden geladen en hoe dit invloed zal hebben op de
elektriciteitsbevoorrading.
Er is ook de milieugerelateerde levenscyclus,
rekening houdend met de recyclage van het materiaal, dit is het
cradle- o-grave-principe. Wat zal hiervan de impact zijn? Hoe
zullen we omgaan met de batterijen? Er zijn heel wat
opportuniteiten in de technologische evolutie maar ook heel wat
bedreigingen in verband met grondstoffen, recyclage en invloed
op de ecosystemen.
In de proeftuin kijken we ook naar de
socio-economische impact. We focussen vooral op het
marktonderzoek. In het marktonderzoek zal de markt gesegmenteerd
worden. Er zal worden nagegaan welke doelgroepen de early
adopters zullen zijn en het meest vatbaar zijn voor de aanschaf
van een elektrische auto. Hoe zullen we die doelgroepen kunnen
identificeren? Wat zijn hun beweegredenen? Hoe kunnen we het
beleid daarop afstemmen? Wat is de publieke aanvaarding? Welke
emotionele, objectieve of subjectieve argumenten kunnen
tegenwerken? Is er een verandering in aankoopgedrag? Gaat men
misschien een ander type van voertuig kopen, bijvoorbeeld een
kleiner of groter type? Is er een wijziging in
verplaatsingsgedrag? Hoe wordt het feit ervaren dat ze
geluidsarm zijn? In eerste instantie klinkt dit positief, maar
men moet ook naar de veiligheidsaspecten kijken. Voertuigen
kondigen nu hun komst aan, zeker aan de zwakkere weggebruikers.
Welke prijsmaatregelen kunnen we nemen: fiscaliteit, subsidies,
accijnzen? Welke incentives – gratis parkeren, gebruik busbanen,
geen tolheffing – zijn wenselijk en wat zal hun effect zijn?
Hierbij is de kennis van de reële mobiliteitskost belangrijk.
Dit debat wordt ook gevoerd in functie van een aantal andere
maatschappelijke uidagingen.
Zo komen we stilaan naar voorstellen van
beleidsmaatregelen die de toegang tot die markt kunnen
bevorderen. Er moet zeker en vast naar het buitenland worden
gekeken. Wat zijn daar de positieve voorbeelden? We moeten niet
opnieuw het warm water uitvinden. Dan kunnen we scenario’s maken
die haalbaar zijn en de randvoorwaarden opstellen.
Ik kom nog eens terug op de stimulering van de
autosector in Vlaanderen. De haalbaarheidstudie moet nagaan hoe
en op welke manier een proeftuin een reële meerwaarde kan bieden
aan de bestaande autosector. Ik verwijs naar de gesprekken met
Volvo, dat technologisch zeer ver staat in de productie van een
hybride en een elektrische auto. De Vlaamse overheid gaat samen
met Volvo na hoe men tot een winwinsituatie kan komen die niet
alleen voor de steden en gemeenten belangrijk is, maar ook voor
de industriële productie in Gent en omgeving. Er wordt ook
gekeken naar de toeleveranciers, naar de lessen die kunnen
worden getrokken en zeker ook naar hoe de overheid zelf, als
grote aankoper, een voorbeeldrol kan spelen en een early adopter
kan worden, rekeninghoudend met de principes van aanbesteding.
In verband met de businessmodellen heb ik al
opgesomd dat er verschillende partners actief zijn, niet enkel
overheidspelers, maar ook privéspelers, niet enkel de
automobielsector als
toeleverancier, maar ook
uitbaters van parkeergarages of mensen die nu in de
brandstofsector actief zijn. We moeten onderzoeken wat de
introductie van het elektrische voertuig voor hen betekent en
wat de effecten zijn op de businessmodellen die daar dienstig
zouden kunnen zijn.
Als we kijken naar de gebruiker: de aankoop van
de batterij is nu duur en maakt de aankoop van de elektrische
voertuigen duur. Zijn daar nieuwe mogelijkheden, zoals
batterijleasing of het integreren van de batterijkost in de
gebruikskost van het voertuig? Kunnen we samenwerken? Kunnen we
businessmodellen ontwikkelen? Ik verwijs naar de gsmoperatoren,
die een goede samenwerking hebben gevonden. Het gaat erom het
leven van de gebruiker aangenamer te maken en ervoor te zorgen
dat die geen negatieve gevolgen ondervindt.
Als we kijken naar het mobiliteitsaanbod:
misschien moeten we naar nieuwe processen gaan waarbij mensen
een elektrisch voertuig hebben om de korte verplaatsingen te
doen en via andere dienstverleningsconcepten voor hun vakanties
een wagen krijgen aangeboden die langere verplaatsingen aankan.
Die gebruiken ze dan enkel in het kader van leasing of
autodelen. Cambio is daar een mogelijke partner.
Er zijn grote vlootbeheerders die een
voortrekkersrol kunnen spelen. Zij moeten ook kijken wat het zal
betekenen voor hun administratie. Ik denk verder aan de
voertuigindustrie zelf en de elektriciteitsproducenten. Wat is
de invloed ervan op de batterijlevensduur? Aan welk tarief moet
de klant worden vergoed voor het gebruik van zijn batterij?
Welke waarde heeft die batterij aan het einde van haar
levensduur en wat moet er dan mee gebeuren? Zijn die oude
batterijen dan nog recycleerbaar of bruikbaar voor andere
toepassingen? Ik som op om aan te geven dat we proberen om met
dat proeftuinconcept zeer volledig te zijn en alle actoren mee
te nemen.
Hoe worden de elektrische wagens verder
geselecteerd en is deze selectie al gemaakt? We gaan naar een
open karakter en gebruikersgerichte aanpak. De schaalbaarheid
zal belangrijk zijn. We willen voluit gaan voor meten is weten.
De proeftuin moet maximaal data verzamelen die kunnen worden
gebruikt door de verschillende partners in hun eigen processen
van innovatie en ontwikkeling. We willen een innovatieve manier
om de overheid een brug te laten slaan tussen research,
development en innovatie en daadwerkelijke implementatie door
deze proeftuin in te zetten in een systeem van precommercial
procurement. Het innovatief aanbesteden bij de overheid zelf zal
zeker ook een belangrijke hefboomfunctie hebben.
Daarmee geef ik u het concept van de proeftuin.
Ik heb verschillende partners gevraagd om samen te werken. We
zullen verschillende competenties en kennis nodig hebben en die
moeten worden gebundeld. De definitie is nu bezig. In de tweede
helft van 2010 zal de uitrol kunnen plaatsvinden.
Bij de definitie moeten we keuzes maken over de
kostprijs. We kunnen inzetten op kleine proeftuinen met een
aantal aspecten of we kunnen grootschalig gaan. Die afweging
moeten we nog maken en dan ook relateren aan de beschikbare
budgetten.
Mevrouw Homans, wat gebeurt er nu al? Momenteel
is voor de proeftuin al 400.000 euro vrijgemaakt, voor de eerste
fase van de beschrijving van wat er nodig is en hoe het moet
worden uitgerold. De assemblagebedrijven bereiden zich nu ook al
voor op de productie van elektrische en hybride voertuigen. De
kost van de eerste projecten is geraamd op 7,5 miljoen euro. Dat
wordt nu ondersteund vanuit IWT en Flanders’ DRIVE. Er zijn een
aantal projecten lopende en budgetlijnen vrijgemaakt.
Daarnaast wordt ingezet op enkele andere groene
technologieën. We mogen waterstof zeker en vast ook niet
vergeten. Daar zijn nog heel wat andere technologische
uitdagingen. Alle ervaringen die we zullen opdoen, zeker met
betrekking tot de batterijen en de oplaadcapaciteiten, zullen we
deels kunnen doorvertalen naar de waterstofindustrie en de
mogelijkheden die er daar zijn.
Stroomvoorziening is, zoals mevrouw Homans zegt,
cruciaal. Het is belangrijk dat de gebruiker de wagen kan
opladen. Daarom heeft de Europese Unie ook als doelstelling de
uitwerking van geharmoniseerde regels en normen, zodanig dat er
een snelle invoering en een bredere toepasbaarheid van de
laadinfrastructuur kan zijn. Op dit ogenblik gebeurt de
standaardisatie binnen de International Electrotechnical
Commission en de Technical Committee 69 (IEC TC69), die
“electric road vehicles and electric industrial trucks” als
voorwerp heeft. Ook daar volgen wij de evoluties om te komen tot
een standaardisatie.
Mevrouw Homans wijst erop dat we iedere keer de
nieuwe state of the art moeten nemen en niet blijven vaststeken
in oude technieken. Wij zetten inderdaad in op de meest
innovatieve en toekomstgerichte technologie van het inductief
laden of het al rijdend laden. Flanders’ DRIVE heeft daar nu al
samen met de industrie een concept voor. Ik weet nog uit mijn
vorig leven dat daar al heel wat ervaring is opgedaan met trams
die al rijdend worden geladen. Dat gebeurde in enkele Franse
steden. Bordeaux liep daarin proef. Er waren ook enkele
negatieve startproblemen, maar ondertussen begint men daar toch
al heel wat ervaring op te doen, die men kan doorvertalen.
Er wordt dus gekeken naar de technologie. Maar
er wordt ook onderzocht wat dit betekent voor de infrastructuur
en de infrastructuurkost. Niet elke technologische vernieuwing
is maatschappelijk verantwoord. We moeten daar de verschillende
variabelen en mogelijkheden bekijken. Dat gebeurt zeker in het
project van Flanders’ DRIVE.
De stroommarkt is hier een belangrijke partner.
Er zijn in Vlaanderen al enkele projecten opgestart met
betrekking tot slimme elektriciteitsnetwerken, de ‘smart grids’.
Doel is het toekomstige elektriciteitsnetwerk klaar te maken
voor de verdere introductie van hernieuwbare energie, maar ook
voor decentrale energieproductie en -opslag, wat zeker van
toepassing is voor elektrische voertuigen.
Momenteel lopen meerdere gesteunde en
complementaire projecten, met een focus op slimme
elektriciteitsnetten. De belangrijkste zijn het
onderzoeksproject ‘Generaties’, uitgevoerd door de Vlaamse
Instelling voor Technologisch Onderzoek (VITO), de K.U.Leuven en
het Vlaams Smart Grids Platform (VSGP), waarbij de betrokken
onderzoeksgroepen en industrieën betrokken zijn. Het
overkoepelende project ‘Generaties’ bevat een onderzoeksgedeelte
‘Smart grids’. Dit onderzoeksproject start begin 2010 en bevat
een deeltaak in verband met elektrische voertuigen.
In Hombeek zal een proefproject ‘LINEAR’ worden
opgezet waarin de impact van elektrische voertuigen en ‘plug
in’- hybride voertuigen op het elektrische netwerk zal
bestudeerd en getest worden. Ook in Diepenbeek wordt onderzocht
op welke wijze elektrische voertuigen intelligent aan het net
gekoppeld kunnen worden om tot de meest energie- efficiënte
oplossing te komen. Dat aspect zal volledig aan bod komen in het
VSGP.
Er zijn heel veel partners betrokken. Er dienen
zich heel veel maatschappelijke opportuniteiten aan. Niet alleen
met betrekking tot de leefkwaliteit maar ook met betrekking tot
industriële activiteiten. Met dat proeftuinproject en met de
opdracht van Flanders’ DRIVE proberen wij zowel aan de
industriezijde als aan de vraagzijde de zaken in beweging te
zetten en tot een versnelling over te gaan, om stilaan te komen
tot de bouwstenen voor een Vlaams beleid ter stimulering van de
invoering van de elektrische auto, zowel in de industriële
technologische toepassingen als in onze steden en gemeenten.
De voorzitter: Mevrouw Homans heeft het
woord.
Mevrouw Liesbeth Homans: Dank u, mevrouw de
minister, voor het zeer uitgebreide antwoord. De proeftuin vind
ik op zich een zeer goed initiatief. Maar u hebt, zoals ik al
heb aangegeven, een achterstand opgelopen door het vorige
beleid. U moet nu een inhaalbeweging maken. (Opmerkingen)
Die inhaalbeweging kan niet snel genoeg
gebeuren. Men moet in de toekomst voldoende blijven investeren,
zowel in mankracht als in financiële middelen.
Mijnheer Van Malderen, uiteraard is dit een
project van lange termijn. Ik had ook niet verwacht dat in 2015
al onze wegen al zouden worden bereden door elektrische wagens.
De termijn van 2025 is inderdaad misschien realistisch, maar dat
is ook al over vijftien jaar, en dus moeten we nu investeren in
innovatie. Dat was mijn punt. Het klopt ook dat de prijs te hoog
is. De gemiddelde prijs van een elektrische wagen ligt momenteel
twee keer zo hoog als die van een normale benzine- of
dieselauto.
We moeten het warm water hier niet uitvinden. We
kunnen echt leren van wat de buurlanden op dat terrein al doen.
In Nederland heeft men bijvoorbeeld een aanbesteding
georganiseerd en gaat men gezamenlijk drieduizend wagens
aankopen, waarbij dan het marktprincipe van vraag en aanbod kan
werken. Zo kan men de ontwikkelingskosten betalen en zal de
prijs ook automatisch dalen.
Mevrouw de minister, u kent mijn obsessie met
het Vlaamse energiebedrijf. Ik heb u daar al verschillende
vragen over gesteld. Misschien is dit wel een taak die kan
worden opgenomen in het pakket dat zal worden uitbesteed aan het
Vlaamse energiebedrijf. U bent daar niet op ingegaan, maar
misschien is dat wel een suggestie om mee te nemen. Het
energiebedrijf zal toch in deze legislatuur moeten worden
opgericht, dus ik neem aan dat suggesties welkom zijn. Bij deze.
De heer Koen Van den Heuvel: Mevrouw de
voorzitter, u zei daarnet dat het een hype is, maar het is toch
een hype die we niet mogen missen, want de elektrische wagen is
duurzamer dan de biobrandstoffen.
Mevrouw de minister, ik dank u voor uw zeer
uitgebreide en volledige antwoord. We weten nu allemaal goed wat
daaromtrent zal gebeuren. Het is goed dat een aantal zaken
worden opgelijst. Ik vraag me wel af of we niet veel dubbel werk
gaan verrichten. Als je de voorbeelden uit het buitenland ziet,
waar men volop in de actie zit en niet meer in de voorbereidende
omgevingsanalyse, denk ik dat wij daar snel overheen kunnen
gaan. We moeten hier inderdaad niet het warm water uitvinden,
maar moeten zeker ook geen evidenties meer onderzoeken, alsof we
in Vlaanderen op een eilandje leven, terwijl de andere landen
heel operationeel bezig zijn.
De heer Bothuyne heeft daarnet een vraag gesteld
over het innovatief aanbesteden in de Verenigde Staten. Dat is
nu niet meteen het land dat men qua milieuvriendelijke
investeringen aan de top verwacht, maar daar zou de overheid dus
wel de ambitie hebben dat tegen 2012 de helft van de wagens die
worden aanbesteed, elektrisch of hybride zou zijn. Dat zijn
concrete maatregelen. Laten wij ons dus niet beperken tot die
proeftuin, maar laat ons overgaan tot actie. Het innovatief
aanbesteden kan daar één element in zijn. Een ander element is
dat van het stroomnet. Ook daar mogen we niet bij de pakken
blijven zitten.
Volgende week zullen er verschillende
elektrische wagens op het Autosalon staan, maar we gaan ze niet
allemaal naar Grobbendonk kunnen rijden om het
Schouppe-oplaadpunt te gebruiken, zoals mevrouw Fournier zei.
Als ze maar 80 kilometer kunnen rijden, zullen we niet vanuit
elke Vlaamse hoek tot in Grobbendonk kunnen rijden om op te
laden.
Ik zou zeggen, mevrouw de minister, nog een
beetje studeren, en nadien vooral met concrete acties naar voren
komen.
De heer Robrecht Bothuyne: Mevrouw de
minister, ik dank u voor het uitgebreide antwoord, hoewel het
eigenlijk nog meer vragen omvatte dan de vragen die wij hier al
hadden gesteld. Dat wijst erop dat wij als Vlaanderen inderdaad
niet klaar zijn om een voortrekkersrol te spelen. Wiens
verantwoordelijkheid dat is, laat ik nu in het midden. Ik stel
het alleen maar vast. We missen hier en daar misschien een
aantal kansen. Mijn vorige vraag ging over innovatief
aanbesteden. De projecten die daar op kop zitten, zijn zeer
belangrijk, maar ik stel vast dat, ondanks het feit dat we drie
jaar geleden al over de elektrische auto spraken in dat kader,
de elektrische auto op dit moment niet is meegenomen in de
eerste projecten inzake innovatief aanbesteden. Ook daar hebben
we de boot dus voorlopig gemist.
U sprak ook over het ‘grand projet’ dat u van
Flandres’ DRIVE verwacht. Ik heb niet goed begrepen hoe de
proeftuin, die eerder een beschrijvend onderzoek zal vormen en
in een eerste fase weinig concrete testing zal inhouden, zich
zal verhouden tot het ‘grand projet’ van Flandres’ DRIVE, met de
veelheid aan technieken en technologieën die daarvan te
verwachten zijn.
Het is mij ook nog niet helemaal duidelijk wie
nu concreet de proeftuin gaat trekken. Gebeurt dat vanuit
Flandres’ DRIVE, vanuit het IWT of vanuit nog een andere
instantie? Als je niet betrokken bent bij deze proeftuin, sta je
echt langs de kant. U hebt een zeer volledige opsomming gegeven
van mogelijke actoren. Het is belangrijk dat we ook heel snel
resultaten zien, want de wereld staat niet stil.
U hebt het belang van standaardisatie zelf
aangehaald. Ik heb daarnet gesuggereerd om dat in het kader van
het EU- voorzitterschap misschien te proberen te trekken, en te
proberen om vanuit Europa met iets te komen dat wereldwijd de
standaard kan zijn.
Bij om het even welk initiatief is het
belangrijk dat we vooral Vlaamse technologie gaan gebruiken. Ik
heb vastgesteld dat Eandis op basis van Fiatautootjes gaat
werken, en tegelijk zie ik dat Punch al een tijdje met een
elektrisch autootje rond z’n eigen fabriek rijdt, in de hoop er
een aantal prototypes van te kunnen en mogen produceren. Het ene
spreekt het ander dus een beetje tegen: de Vlaamse
distributie-intercommunale Eandis gaat in zee met Fiat, terwijl
het Vlaamse bedrijf Punch mogelijke partners en afnemers zoekt
voor de ontwikkeling van hun prototype.
Mevrouw Patricia Ceysens: Mevrouw de
minister, het enige tastbare en concrete waar in de vorige
legislatuur hard money voor is uitgetrokken, is inderdaad het
Generatieproject en het hele gebeuren rond smart grid, wat
natuurlijk cruciaal is om de elektrische auto te kunnen
invoeren. Dat is het enige uit uw antwoord dat met hard money is
waargemaakt. En dat is iets wat ik in de vorige legislatuur heb
gedaan.
Het spijt mij, maar ik zal nooit geloven dat de
overheid de markt één bepaald type van innovatie zal opdringen.
Het is zeer zinvol om te testen, te stimuleren, te proberen, te
clusteren en mensen bijeen te brengen, maar er is maar één
manier om de vergroening door te doen dringen, en dat is door de
onzichtbare hand van de markt groen te kleuren. Dat doe je met
twee harde instrumenten, namelijk normeren en taxeren. Dat zijn
de twee instrumenten die een overheid heeft om een markt groen
te kleuren.
Verder huiver ik van het nieuwe etatisme – ik
heb dat ooit de Wallonisering genoemd – dat het de overheid is
die één bepaald type van innovatie opdringt. Zo zal het niet
zijn. Het zullen de consument en de markt zijn die zullen
uitmaken wat de groene wagens zullen zijn. Er zullen nu eenmaal
meerdere technologieën zijn, ook de zeer zware, kijk maar naar
het Drive E-verhaal van Volvo. De efficiëntie zal nog altijd een
van de belangrijkste innovaties zijn.
Mijnheer Van den Heuvel, het is maar hoe u het
bekijkt. De heer Van Malderen heeft erop gewezen dat je ook bij
de elektrische wagen de hype op een bepaald moment aan diggelen
kunt schieten als je gaat kijken waar de elektriciteit vandaan
komt, zoals je dat ook kunt doen bij de biobrandstoffen.
Ik geloof maar in één echte vergroening, en dat
is de vergroening die tot stand komt als de overheid met
onzichtbare hand de markt groen gaat kleuren. Dat zie ik niet in
dit beleid.
De voorzitter: Minister Lieten heeft het
woord.
Minister Ingrid Lieten: Het is een open
vraag voor mij. Het is heel duidelijk wat de voorzitter stelt.
Er is een duidelijk verschil tussen dit beleid en het vorige.
Als we gewoon de markt haar gang laten gaan en de
geglobaliseerde automobielmarkt ondergaan, zullen we binnenkort
geen auto-industrieactiviteiten meer in België hebben. Dat is
zeker niet mijn wens of bedoeling. Ook in de vorige legislatuur,
binnen de Vlaamse Raad voor Wetenschapsbeleid en binnen ViA is
ervoor gekozen om een aantal maatschappelijke uitdagingen te
definiëren.
Mevrouw Patricia Ceysens: Dat gebeurde wel
door de industrie.
Minister Ingrid Lieten: Ik ben het daar niet
mee eens.
Mevrouw Patricia Ceysens: Dat is het
fundamentele verschil. Men moet de zaken juist definiëren.
Minister Ingrid Lieten: Dat zeg ik net. Dat
is het fundamentele verschil tussen het vorige en het huidige
beleid. We staan voor grote maatschappelijke uitdagingen zoals
het klimaat of de gezondheidszorg. We zeggen dat we als overheid
onze krachten moeten bundelen, stimulerend en een stukje
proactief moeten optreden, en niet alleen maar alles ondergaan.
Maar we moeten tegelijk ook rekening houden met de verschillende
actoren op de markt. De overheid speelt haar rol, maar de
industriële sector en de privésector spelen ook hun rol.
Mevrouw Patricia Ceysens: Wij moeten ze
laten doen.
Minister Ingrid Lieten: Dat doe ik ook,
mevrouw Ceysens. Sommige mensen hebben dat goed begrepen, u
misschien niet. Wat de proeftuin betreft, stellen we duidelijk
dat we op een open en innovatieve manier informatie verzamelen,
die we de privéspelers aanreiken zodat zij deze informatie in
hun marktwerking kunnen gebruiken. Ik denk bijvoorbeeld aan
informatie over hoe de gebruiker zich gedraagt, hoe de gebruiker
kan worden gestimuleerd om elektrische wagens aan te kopen of
hoe de industriële sector zich kan aanpassen om voldoende
industriële activiteit aan te houden.
Wij gaan niet met onze armen gekruist afwachten
wat er in andere landen gebeurt. Wij gaan actief inspelen op de
situatie en rekening houden met de belangen die wij in de
Vlaamse steden en gemeenten hebben. We houden ook rekening met
de gezondheid van onze inwoners en met het belang van de
industriële activiteiten in Vlaanderen.
Mevrouw Patricia Ceysens: Normeren en
taxeren is niet hetzelfde als met gekruiste armen zitten af te
wachten. Het is sturen zodat de markt haar werk kan doen.
Minister Ingrid Lieten: Het is een
en-enverhaal. Een onderdeel van de proeftuin bestaat er ook in
om na te gaan welke incentives de overheid kan gebruiken. Ik wil
erop wijzen dat alles in deze sector redelijk snel gaat. Er zijn
verschillende spelers en verschillende activiteitskernen. De
elektriciteitssector is belangrijk, en de automobielsector is
belangrijk.
Het is wel goed dat we alle partners
samenbrengen en kijken hoe we de dingen gaan aanpakken. We
hebben aan verschillende partners gevraagd er samen aan te
werken. Het Vlaams Instituut voor de Mobiliteit moet dat voor
een gedeelte coördineren, samen met de onderzoeksinstellingen en
Flanders Logistics. We moeten er juist voor zorgen dat we de
kennis niet versplinteren, maar de aanwezige kennis bundelen.
Ik beaam voorts volledig wat de heer Van den
Heuvel zegt: de tijd van studeren is voorbij. De eerste fase van
de proeftuin bestaat erin snel te beschrijven wat nog moet
worden onderzocht. Vervolgens kan men trachten de consequenties
te meten op het vlak van de kostprijs, het volume en de
schaalgrootte. De tweede fase zit mee vervat in de opdracht die
nu is gegeven, namelijk om de opstart en de uitrol te doen. We
moeten de ervaring die in het buitenland voorhanden is,
gebruiken en onze tijd niet verliezen.
We moeten ook weten wat we willen, mijnheer
Bothuyne. Enerzijds willen we snel gaan omdat er een grote
maatschappelijke meerwaarde aan verbonden is, anderzijds zou het
ook niet verstandig zijn om onszelf voorbij te lopen, en als
overheid alleen maar elektrische wagens aan te kopen, want dan
wordt er in Vlaanderen geen enkele elektrische wagen meer
geproduceerd. Het zou ook niet aanvaardbaar zijn sommige
producenten exclusief te bevoordelen en andere niet.
Concreet zijn er verschillende toeleveranciers
die belangrijke technologie in huis hebben. Punch Powertrain
heeft bijvoorbeeld belangrijke technologie in huis in verband
met versnellingsbakken. Zij installeren hun versnellingsbakken
nu al in Chinese en Indische voertuigen die hybride of
semi-elektrisch rijden. Op dit moment moeten we de activiteiten
bij de toeleveranciers en de assemblagebedrijven in ogenschouw
nemen en trachten ze te stimuleren. Ik vermoed dat we op dat
punt dezelfde mening zijn toegedaan.
De voorzitter: Het incident is gesloten. |