|
Vraag om
uitleg van de heer Koen Van den Heuvel, Vlaams
volksvertegenwoordiger, aan mevrouw Ingrid Lieten, Vlaams
minister van Innovatie, Overheidsinvesteringen, Media en
Armoedebestrijding, over het gewicht van gericht en niet-gericht
onderzoek binnen het Vlaamse innovatiebeleid
11 maart 2010
De voorzitter
: De heer Van den Heuvel heeft het woord.
De heer Koen Van den Heuvel
: Ik heb een vraag over het gewicht van het gericht en het
niet-gericht onderzoek. We hebben er de voorbije jaren al over
gediscussieerd omdat daar in het Vlaamse innovatielandschap wat
discussie over bestaat. De twee invalshoeken hebben zeker en
vast hun eigen waarheid. Het is aan het beleid om een aantal
keuzes te maken.
Minister, u hebt in de beleidsnota geschreven
dat intussen het aandeel van gericht onderzoek is gestegen tot
ongeveer 56 percent. U hebt aangehaald dat dat voor u in de
toekomst het juiste evenwicht lijkt te zijn.
We hebben bij manier van spreken de Agoria’s
van deze wereld. Zij vormen het industriële weefsel. De
industrie vindt dat we in deze crisistijd misschien meer moeten
inzetten op gericht onderzoek dat onmiddellijk een zekere
economische valorisatie heeft. In enkele Scandinavische landen
is het aandeel van het gericht onderzoek opgelopen tot ongeveer
twee derde of 70 percent. Vanuit universitaire hoek pleit men
voor voldoende aandacht voor het fundamenteel onderzoek omdat
dat aan het begin van de innovatieketen ligt. Als we dat
verwaarlozen, gaan we op termijn een aantal zaken missen. U
opteert in uw beleidsnota voor het behoud van de huidige
verdeling tussen beide onderzoeksvormen.
Minister, hoe beoordeelt u de verhouding
tussen gericht en niet-gericht onderzoek? Blijft u bij dat
standpunt en vindt u de huidige verdeling oké? Of vindt u dat de
veranderende economische context ons noopt tot enige
flexibiliteit op dat vlak? Hebt u concrete gegevens over de
economische return van gericht versus niet-gericht onderzoek?
Hoe bekijkt u de werking van de bestaande
instrumenten zoals het Industrieel Onderzoeksfonds (IOF), het
Strategisch Basisonderzoek (SBO), en het Projectmatig
Wetenschappelijk Onderzoek (PWO)? In welke mate dragen die bij
tot een economische valorisatie?
De voorzitter
: De heer Diependaele heeft het woord.
De heer Matthias Diependaele
: Minister, ik vind dit een heel interessante vraag. Ik ben nog
nooit betrokken geweest bij discussies over gericht en
niet-gericht onderzoek, maar ik ben zeer geboeid. Volgens mij
draait alles rond de doorstroming; ik meen dat ook gelezen te
hebben in uw beleidsnota. In tijden van crisis moet men aan
commercialisering van onderzoek kunnen doen. Men kan niet op
voorhand weten waar men het meest moet op inzetten, op
fundamenteel of niet-fundamenteel, op gericht of niet-gericht
onderzoek. Men moet daarom vooral de doorstroming ondersteunen
van het niet-gericht naar het gericht onderzoek, naar de
commercialisering. Welke initiatieven neemt u op dat vlak?
De voorzitter
: De heer Vereeck heeft het woord.
De heer Lode Vereeck
: Naast het fundamenteel en het toegepast onderzoek, of het
gericht en niet-gericht, bestaat er ook een tussenniveau. In
onze kenniscentra, universiteiten en hogescholen werken ook
professoren die volledig vrij zijn in hun onderzoek,
niet-gericht dus. Anderen zijn volledig vrij binnen een bepaald
thema. Nog een andere categorie werkt heel gericht. Er is ook
nog het zwaartepuntonderzoek.
Binnen het fundamentele, niet-gerichte
onderzoek is er soms een zekere gerichtheid. We zien dat ook bij
de steunpunten. Dertien steunpunten hadden we in het verleden.
Er worden vrij themata bepaald waarin een zekere vrijheidsgraad
bestaat. Er is dus een overgangszone.
De voorzitter
: De heer Creyelman heeft het woord.
De heer Frank Creyelman
: In de meeste landen valt de budgetverdeling toch wel uit in
het voordeel van gericht onderzoek. In sommige Scandinavische
landen is de verhouding 70/30. Moeten wij ook niet in die
richting denken? We moeten intussen wel de kool en de geit
sparen. We mogen niet minder uitgeven aan niet-gericht
onderzoek, maar wel het budget optrekken en dan een
70/30-verdeling realiseren.
De voorzitter
: Minister Lieten heeft het woord.
Minister Ingrid Lieten
: De verhouding tussen gericht en niet-gericht onderzoek is op
basis van de initiële begrotingskredieten 2010 geëvolueerd tot
ongeveer 53/47, een verhouding die al enkele jaren min of meer
constant is. De vrees voor een sluipende afbouw van één type
onderzoek ten koste van het andere is duidelijk niet aan de
orde.
Bij de verwijzing naar Finland moet ik wel
extra duiding geven. Het is duidelijk dat bij hen een andere
berekeningswijze gebruikt wordt dan in de ons omringende landen,
waardoor de opdeling gericht/niet-gericht onderzoek niet zomaar
uit de begrotingscijfers kan worden afgeleid. In Finland wordt
bijvoorbeeld infrastructuur altijd bij het gericht onderzoek
gerekend, wat het aandeel gericht onderzoek uiteraard doet
stijgen. Een omrekening leert dat zij op een gelijkaardige
verhouding gericht/niet-gericht onderzoek uitkomen als wij als
we gelijkaardige criteria zouden gebruiken.
Bij de verdeling van toekomstige, bijkomende
onderzoeksmiddelen zal dit evenwicht een aandachtspunt blijven.
Gericht en niet-gericht onderzoek versterken elkaar immers.
Landen en regio’s die opteren om excellent kennisgrensverleggend
onderzoek voluit te ondersteunen, plaatsen zich in een goede
positie voor economische groei, een groeiende welvaart én het
welzijn van alle burgers. Er is een duidelijke correlatie tussen
wetenschappelijke performantie, met als maat de ‘citation
intensity’ van de wetenschappelijke output van een land of
regio, en economische welvaart, met als maat het bnp, van een
land. In het kader van een relancebeleid doet de noodzaak aan
gericht onderzoek, dat sneller tot concrete vermarktbare
resultaten leidt, zich uiteraard ook voor. De verdeling van de
bijkomende onderzoeksmiddelen zal ook deze noodzaak erkennen.
Niet-gericht onderzoek heeft primair een
kennisgrensverleggende finaliteit. Het is onderzoek dat zich pas
op langere termijn in de praktijk laat omzetten. Ook dient
veelzijdigheid gegarandeerd te worden. Het is immers
onvoorspelbaar in welke wetenschapsgebieden de belangrijkste
doorbraken in de toekomst te verwachten zijn. Gericht onderzoek
heeft daarentegen een expliciet maatschappelijke of economische
finaliteit en leidt sneller tot concrete, vermarktbare
resultaten.
Een vergelijking inzake economische return van
het gericht onderzoek, met economische of maatschappelijke
finaliteit, en het niet-gericht onderzoek, met een
kennisgrensverleggende finaliteit, gaat gezien de verschillende
primaire finaliteiten en tijdshorizonten moeilijk op. Ik beschik
dan ook niet over cijfers die de economische return van
niet-gericht onderzoek in Vlaanderen in kaart brengen. Op
macroniveau is het echter wel een feit dat landen die voldoende
investeren in niet-gericht onderzoek, het op lange termijn ook
economisch beter blijken te doen. Echter, het pad van
niet-gericht onderzoek naar economische return is niet lineair
en evenmin kort in de tijd.
Het niet-gericht onderzoek dient immers te
worden aangevuld, langsheen de innovatieketen, met gericht
onderzoek, met marktontwikkeling en internationalisatie, en,
niet het minst, met ondernemerschap. Niet-gericht onderzoek is
met andere woorden een nodige, doch niet voldoende voorwaarde
tot economische groei en welvaartscreatie.
Echter, het is duidelijk dat indien we onze
inspanningen voor niet-gericht onderzoek zouden afbouwen, we dan
wel een vitale schakel in deze welvaartscreatie ondergraven. Het
is bovendien duidelijk dat een aantal succesverhalen, zoals de
strategische onderzoekscentra, bijvoorbeeld het
Interuniversitair Micro-electronicacentrum (IMEC), het Vlaams
Interuniversitair Instituut voor Biotechnologie (VIB), het
Interdisciplinair Instituut voor Breedband Technologie (IBBT),
VITO, en de valorisatie die daaruit volgt, maar mogelijk zijn
omdat er ook een belangrijk aandeel fundamenteel onderzoek
bestaat.
Er zijn verschillende wetenschappelijke
studies in het domein van economics of science die aantonen dat
de sterkte van de Verenigde Staten in innovatief ondernemerschap
juist komt omdat er zo massaal in fundamenteel onderzoek wordt
geïnvesteerd. Meer bepaald, de vele tientallen jaren van massale
investeringen in niet-gericht onderzoek door de National Science
Foundation, zijn een aantoonbare en wezenlijke bron van
innovatief ondernemen gebleken, zowel binnen bestaande
ondernemingen – het zogenaamde intrapreneurship – als via nieuwe
startende ondernemingen – het zogenaamde entrepreneurship.
Vernieuwing vloeit dus niet enkel voort uit de
markt, maar zeker ook uit fundamenteel onderzoek, niet het minst
waar het doorbraken betreft. Denken we maar aan de verschillende
domeinen waarin Vlaamse biotechnologiebedrijven vandaag actief
zijn, of nog, het domein van nanotechnologie waarin steeds meer
bedrijven zich willen bewegen.
In 2007 werd een analyse van het Industrieel
Onderzoeksfonds doorgevoerd. Op basis van de resultaten van deze
analyse is het instrument bijgestuurd. In het kader van de
beleidsnota werd vermeld dat de verdere uitrol van deze
aanpassingen in de komende jaren centraal zal staan. Concreet
betekent dit dat de parameters, op basis waarvan de middelen
verdeeld worden, verbreed zijn en meer resultaatgericht worden,
de middelen verbonden zijn aan de opmaak van een strategisch
plan en het toepassingsgebied is uitgebreid tot de hogescholen.
De parameters op basis waarvan de middelen verdeeld worden,
onder andere inkomsten uit industriële contractinkomsten en
opgerichte spin-offs, vormen een permanent evaluatie-instrument.
Het SBO-programma biedt steun aan vernieuwend
hoogwaardig onderzoek dat in geval van wetenschappelijk succes
een vooruitzicht biedt voor toekomstige economische
toepassingen. Het doel is bij te dragen aan een instroom van
nieuwe ideeën en concepten die op langere termijn de basis
kunnen zijn voor een nieuwe generatie van producten, processen
of diensten in de bedrijfswereld. De implementatie van de
economische toepasbaarheid gebeurt door samenwerking met
bedrijven en transfer van de kennis naar die bedrijven.
Door de grotere afstand van de markt zal een
succesvol SBO-project in de eerste plaats resulteren in
opvolgingsprojecten Onderzoek en Ontwikkeling (O&O). Om de
dialoog te stimuleren omringen de uitvoerders van een
SBO-project zich van bij de start van het project met een
begeleidingscommissie van bedrijven, namelijk de
gebruikersgroep, die een forum biedt voor latere samenwerking en
valorisatietrajecten. Tevens worden bij de selectie van de
SBO-projecten zowel de wetenschappelijk-technologische dimensie
als de valorisatiedimensie van de ingediende voorstellen
prominent geëvalueerd. Opnieuw is het dus een en-enverhaal, en
zeker geen of-ofverhaal.
In de eerste helft van 2007 werd een
effectenmeting uitgevoerd voor het SBO-programma, en de
voorlopers van dit programma, het Generisch Basisonderzoek aan
de Universiteiten (GBOU) en Strategische Technologieën voor
Welzijn en Welvaart-programma (STWW). Uit de resultaten bleek
dat deze programma’s er goed in geslaagd zijn om een niche in te
vullen die zich bevindt tussen het niet-gericht onderzoek
enerzijds en het industrieel of toegepast onderzoek anderzijds,
maar ook dat er duidelijk onvoldoende samenwerking was tussen de
uitvoerders en de bedrijven. Veel projecten bleven
eenrichtingsverkeer.
In navolging van deze effectenmeting werd het
programma bijgevolg bijgestuurd om de samenwerking te
stimuleren, met een aanpassing van het selectiesysteem om de
steun primair toe te kennen aan projecten waar een duidelijke
dialoog en samenwerking aanwezig is. Tegelijk wordt erover
gewaakt de positionering te behouden, zodat de focus op
hoogwaardig onderzoek dat in geval van wetenschappelijk succes
een vooruitzicht biedt voor latere economische toepassingen,
ongewijzigd blijft.
Het valt trouwens op dat de bedrijven zelf
vragende partij zijn om het strategisch basisonderzoek, met een
langetermijnoriëntatie, zeker niet te verwaarlozen in het
innovatie-instrumentarium van de Vlaamse overheid. De selectie
van SBO-projectvoorstellen gebeurt via een jaarlijkse oproep. De
bijsturing werd gerealiseerd in drie stappen. Een eerste stap
werd doorgevoerd bij de oproep opengesteld in 2007, verdere
preciseringen werden doorgevoerd bij de oproepen opengesteld in
2008 en 2009. Hierbij werden de selectiecriteria aangepast en
werd in de mogelijkheid voorzien voor financiering van een
voortraject voor de projecten in het maatschappelijke
programmaonderdeel, waarbij de aanvragers de kans wordt geboden
een netwerk met potentiële gebruikers uit te bouwen voorafgaand
aan de indiening van een voorstel. De impact van deze
aanpassingen op de valorisatie van de projectresultaten via
samenwerking met de bedrijven na de uitvoering van de
projectuitvoering, zal in de toekomst nauwlettend worden
gevolgd.
Sinds 2003 investeert de Vlaamse overheid
expliciet geld in projectmatig wetenschappelijk onderzoek binnen
de professionele bacheloropleidingen. Drie aspecten kenmerken
het PWO: het maakt gebruik van wetenschappelijke resultaten; het
vertrekt vanuit de praktijk, vanuit het werkveld; en de
resultaten in de vorm van producten, instrumenten of methoden
hebben een impact op het onderwijs aan de hogeschool.
Studenten worden mee ingeschakeld in dit
onderzoek, zodat ze tijdens de opleiding met
onderzoeksmethodologieën worden geconfronteerd. Het onderzoek
dient dus ook relevant te zijn voor een of meerdere
professionele bacheloropleidingen van de hogeschool. PWO legt
dus een duidelijke link tussen hogescholen en bedrijven,
voornamelijk de kmo’s, en zijn in die zin een goede aanvulling
op de bovenstaande programma’s. PWO levert voordelen op, zowel
voor hogescholen als voor de universiteit.
Het is een belangrijke stap bij de
professionalisering van de hogeschooldocenten en kweekt ook bij
hun studenten een gevoeligheid voor het belang van onderzoek en
innovatie. Bovendien ontdekken hogescholen zo gemakkelijker
nieuwe trends die ze in hun onderwijs kunnen integreren.
Universitaire onderzoekers krijgen via PWO een unieke kans om te
leren uit onderzoek rond zeer specifieke praktijkthema’s die
voor hen als onderzoeksonderwerp misschien minder interessant
zijn.
Wat de werking van het PWO betreft, is in het
decreet betreffende de hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap
voorzien dat een deel van de middelen vanaf 2011 wordt
uitbetaald op basis van een reeks van weloverwogen voor dit
onderzoek relevante output-indicatoren. Uiteraard zal erop
worden gelet dat hier geen administratieve overlast wordt
gecreëerd.
De associaties zijn bezig met het afronden van
een strategisch beleidsplan inzake het IOF en hun
interfaceactiviteiten. Dat plan zal ertoe bijdragen dat de
middelen effectiever worden ingezet in de constellatie van de
associaties en zal de samenwerking met het bedrijfsleven en de
valorisatie van het onderzoek verstevigen. Een mogelijkheid die
ik zal onderzoeken, is de stroomlijning van de
toepassingsgerichte financieringskanalen, zoals IOF,
academisering en PWO, en hun werking rekening houdend met de
eigenheid en de achterliggende doelstellingen van ieder kanaal.
Zoals hierboven gesteld, werd het
SBO-programma in navolging van de effectenmeting in 2007
bijgestuurd om de samenwerking te stimuleren, met een aanpassing
van het selectiesysteem om de steun primair toe te kennen aan
projecten waar een duidelijke dialoog en samenwerking aanwezig
is. Tegelijk werd erover gewaakt de positionering te behouden
zodat de focus op hoogwaardig onderzoek dat in geval van
wetenschappelijk succes een vooruitzicht biedt voor latere
economische en maatschappelijke toepassingen, ongewijzigd
blijft.
De voorzitter
: De heer Van den Heuvel heeft het woord.
De heer Koen Van den Heuvel
: Het is inderdaad belangrijk om het niet-gericht onderzoek niet
te verwaarlozen. We moeten de uitdaging beantwoorden hoe we de
valorisatie kunnen optimaliseren. Wat de volgende weken heel
actueel zal worden, is de discussie over het hoger onderwijs en
de inkanteling ervan bij de universiteiten. Het werkveldgericht
onderzoek voor de kmo’s door de hogescholen moet goed worden
bewaakt.
Het PWO heeft daar zijn rol in te spelen. Die
uitdaging moeten we de volgende weken bekijken zodat we ook daar
het juiste evenwicht vinden opdat de inkanteling van de
hogescholen naar het universitair onderwijs geen negatieve
effecten zou hebben op het werkveldgerichte onderzoek dat nu
onder meer ook via het PWO en de Tetra’s wordt geleverd.
De voorzitter
: De heer Vereeck heeft het woord.
De heer Lode Vereeck
: Minister, van harte dank voor het omstandige antwoord. Er
zitten enkele interessante pistes en goede aanzetten in. Er
gebeurt inderdaad onderzoek naar de relatie tussen de
macro-economische prestaties van een land en de investeringen in
O&O. Tegelijkertijd zijn er toch ook wel enige empirische
kanttekeningen bij te plaatsen. Zo hebben wij in Vlaanderen heel
veel Chinese studenten en onderzoekers. Je ziet in de ‘citation
counts’ dat er heel veel Chinese onderzoekers topresearch doen.
Maar de economische groei van China komt vaak van
laagtechnologische productie. Wij trekken nog vaak naar ginder.
En veel van de groei van Japan van na de Tweede Wereldoorlog
kwam vaak van kopieergedrag.
U zegt dat het een noodzakelijke maar niet een
voldoende voorwaarde is. En u legt de link naar het
entrepreneurship en het intrapreneurship. Ik ondersteun dat.
U noemt het IMEC en nog een aantal van die
centra als goede voorbeelden. Ik ben het daarmee eens. Naar
aanleiding van onze discussie over de competentiepolen, het
Vlaams Instituut voor Mobiliteit (VIM) en dergelijke, waarbij ik
een aantal kritische kanttekeningen plaatste, ben ik de
afgelopen weken in het veld met een aantal mensen gaan spreken.
Het probleem van het VIM en andere competentiepolen en de
oplossing van het IMEC en andere heeft hiermee te maken dat de
bedrijven die in het VIM en andere competentiepolen niet het
achterste van hun tong laten zien, dat wel doen bij het IMEC
wanneer ze samen met het IMEC werken. De reden is dat het IMEC
over een grote eigen staf van fundamentele onderzoekers
beschikt. De bedrijven gaan met veel ‘goesting’ naar daar omdat
het IMEC zelf een kritische massa heeft. In het VIM zitten geen
onderzoekers. Het VIM is een doorgeefluik. Dat betekent dat zij
op hun hoede zijn.
We moeten leren van wat het IMEC zo succesvol
maakt, ook in zijn valorisatie en spin-off. Dat hebben onze
competentiepolen op dit ogenblik minder. Het gaat vaak over
kritische massa. Als ik dan denk aan de groep onderzoekers in
Nederland rond elektrische wagens: daar zitten er 400 bij
elkaar. U hebt 400.000 euro gegeven aan het VIM. Naar het IMEC
wijzen, waar het wel lukt, is een goede insteek. Meteen ligt
daar een deel van de oplossing voor onze competentiepolen, die
we de komende weken of maanden moeten hervormen.
De voorzitter
: Het incident is gesloten. |