|
Vraag
om uitleg van de heer Koen Van den Heuvel aan de heer Philippe
Muyters, Vlaams Minister van Financiën, Begroting, Werk,
Ruimtelijke Ordening en Sport betreffende de
tewerkstellingskansen voor 50-plussers
6 mei
2010
De
voorzitter: De heer Van Malderen heeft het woord.
De heer Bart Van Malderen: Voorzitter, minister,
collega’s, mijn interpellatie is geïnspireerd op de vaststelling
dat, behalve in het allicht exotische Slovenië, een werkloze
50-plusser nergens moeilijker aan een baan geraakt dan in
België. Vlaanderen scoort niet structureel beter. Dat blijkt uit
onderzoek van het Steunpunt Werk en Sociale Economie. Het is
geen nieuw feit. We hebben in deze commissie en in de plenaire
vergadering al heel veel gedebatteerd over het feit dat België
en Vlaanderen slecht scoren op het aan de slag houden van zijn
oudere werknemers. Er is de vaststelling dat voor het tweede
jaar op rij de situatie nog verslechterd zou zijn. Amper 6
percent van de mensen die nieuw in dienst komen in Vlaanderen,
is ouder dan 50. Dat staat in schril contrast met de
aanwezigheid van die 50-plussers op de arbeidsmarkt en er komen
er elk jaar bij. Vandaag vertegenwoordigen ze 20 percent van de
beroepsbevolking.
De democratisering van het onderwijs zorgt ervoor dat een
50-plusser ook steeds hoger geschoold is. Het gaat dus niet
alleen om competenties, maar ook om de leeftijd op zich die een
determinerende factor blijkt te zijn in de kans op het al dan
niet vinden van een baan. Zeker op een moment dat er veel
ontslagen zijn, dat de werkloosheid stijgt en dat dus ook
50-plussers hun job verliezen, is dat een zeer zorgwekkende
vaststelling.
Minister, hoe reageert u op de resultaten van het onderzoek door
het Steunpunt WSE? Ik verwijs naar de crisis, maar de crisis
alleen als oorzaak beschouwen is fout omdat andere Europese
landen er blijkbaar beter in slagen om 50-plussers aan de slag
te krijgen. Vlaanderen heeft al geprobeerd om daar een aantal
instrumenten op in te zetten.
Minister, hoe evalueert u de resultaten van het gevoerde beleid?
Acht u het zinvol om de bestaande tewerkstellingspremies te
evalueren en bij te sturen?
Er is ontegensprekelijk minstens een tweesporenbeleid nodig. Dat
staat ook in uw beleidsnota. Ik zal straks pleiten voor een
driesporenbeleid. In uw beleidsnota verwijst u naar het
stimuleren van 52-plussers. U pleit ook voor sociale innovatie
om mensen langer aan de slag te houden. Het is mijn oprechte
mening dat er een probleem is aan de aanbodzijde. Werkgevers
letten te weinig op de positieve kanten van 50-plussers en de
ervaring die zij meebrengen, die vaak niet-gecertificeerd is.
Daarom moeten we hen aanzetten om te investeren in vorming en
opleiding voor 50-plussers. De leeftijd van 50 mag niet langer
een symbool zijn voor het uitvallen uit het arbeidsproces. Alsof
iemand van 49 nog alles kan en als hij een dag later 50 wordt,
plotseling veroordeeld is tot nietsdoen. Er bestaat een brede
consensus over het feit dat onze grootste winsten wellicht
kunnen worden geboekt, ongeacht de discussie over de
pensioenleeftijd an sich, in de groep tussen 50 en 65 wat
arbeidsdeelname betreft. We zijn het er allemaal over eens dat
als we ooit de Lissabondoelstellingen willen halen, we extra
moeten inzetten op die groep.
Als je een tweesporenbeleid voert, is er volgens mij ook een
derde spoor nodig, met name een van aanbod creëren. Ik meen dat
de werkgevers dat ook impliciet toegeven. De week nadat de
studie van het steunpunt naar buiten is gebracht, communiceerden
de werkgeversorganisaties dat zij hun leden gingen stimuleren en
inlichten over kwaliteiten van die groep. Dat zit op een vrij
hoog niveau. De vraag zal zijn hoe men in de individuele
bedrijfsvoering in een individueel dossier van een 50-plusser
die zich aanbiedt, de verantwoordelijke voor de selectie ertoe
kan aanzetten om door die leeftijd heen te kijken en te kijken
naar de kwaliteiten die een persoon heeft.
Minister, hoe denkt u ondernemingen te kunnen aanzetten om
50-plussers beter te begeleiden en te ondersteunen om effectief
aan te werven? Hoe denkt u ondernemingen hun aanwervingsbeleid
te laten bijstellen? Dat er een wijziging nodig is, lijkt mij
duidelijk. Ik maak me bijzonder zorgen over 50-plussers in de
industrie. Als je ziet hoe daar vandaag herstructureringen
gebeuren en ontslagen vallen en dan steevast wordt gekeken naar
50-plussers, dan weet je dat een hele groep bijna gedumpt wordt.
In het licht van de kosten van de vergrijzing, kunnen we ons
echt niet permitteren om een generatie te dumpen.
De voorzitter: De heer Janssens heeft het woord.
De heer Chris Janssens: Minister, ik wil even terug in de
tijd gaan en verwijzen naar een aantal doelstellingen. De
doelstellingen zijn gekend, maar omdat de titel van de studie
van het steunpunt Werk en Sociale Economie is ‘De deadline
bereikt, de doelen niet’, is het volgens mij nuttig om daar nog
eens naar te verwijzen.
De Stockholmdoelstelling uit 2001 stelt voorop om tegen 2010 de
helft van de 55- tot 64-jarigen aan het werk te krijgen in de
toen nog 25 landen van de Europese Unie. Intussen zijn we 2010.
De deadline is dus bereikt, zoals de studie zegt, maar de
doelstelling hoegenaamd niet.
De initiële Lissabondoelstelling stelde ook enkele streefdoelen
voor de arbeidsmarkt in het vooruitzicht tegen dit jaar. De
werkzaamheid van 55-plussers zou moeten worden opgekrikt tot 50
percent. In 2008 is het Vlaamse Gewest gestrand op een
werkzaamheidsgraad van 34,3 percent bij 55-plussers, een
prestatie die erg ver verwijderd blijft van de 50 percentnorm.
Het gemiddelde voor de 27 landen van de Europese Unie bedroeg in
2008 aanzienlijk meer, namelijk 43,7 percent.
Het plan ‘Vlaanderen in actie – Toekomstplan voor 2020’ heeft de
doelstellingen met 10 jaar verlegd. Dat plan vermeldt: “De
globale werkzaamheidsgraad stijgt tot minstens 70 percent in
2020, dankzij een gemiddelde jaarlijkse groei van minstens een
0,5 percentpunt. De werkzaamheidsgraad van vrouwen blijft verder
stijgen. Voor kansengroepen, namelijk allochtonen, personen met
een arbeidshandicap en 50-plussers, verdubbelt de gemiddelde
jaarlijkse groei tot minstens 1 percentpunt. De Europese
doelstelling voor 55-plussers, namelijk een werkzaamheidsgraad
van 50 percent, komt daarmee in zicht.” Wat ‘in zicht’ betekent,
is niet meteen duidelijk. Is dat 43 percent, 40 percent of 47
percent? Uit de cijfers die de heer Van Malderen aanhaalde,
blijkt dat van alle nieuwe indiensttredingen in 2009 slechts 5,7
percent gaat naar iemand van 50 jaar of ouder. In 2008 bedroeg
dat cijfer nog 6,4 percent en in 2007 6,6 percent. Het aandeel
50-plussers in de totale beroepsactieve bevolking blijft echter
stijgen: van 17,6 percent in 2003 tot 22,7 percent in 2009. De
vaststelling dat 50-plussers, zodra ze in de werkloosheid
terechtkomen, het nog moeilijk hebben om een nieuwe job vinden,
is cruciaal in dit dossier. Vlaanderen blijkt een structureel
probleem te hebben als men de vergelijking met de rest van
Europa maakt. Enkel de Waalse, Brusselse en Sloveense werkloze
50-plussers vinden nog moeilijker werk dan hun Vlaamse
leeftijdsgenoten. De wetenschappers besluiten in hun studie: “Op
onze arbeidsmarkt betekent werkloos worden op wat oudere
leeftijd veel vaker dan in andere lidstaten een definitieve
uitval uit het arbeidsproces.” Er is volgens de wetenschappers
meer nood aan een strakkere begeleiding van oudere werklozen. De
slotsom van de studie is: “Vergeleken met heel wat omliggende
economische regio’s hebben wij tijdens de hoogdagen van de
arbeidsmarkt de kansen te weinig verzilverd.”
Minister, hoe reageert u op de studie van het Steunpunt Werk en
Sociale Economie? Welke bijsturingen wil u doorvoeren in uw
werkgelegenheidsbeleid, en meer in het bijzonder wat betreft de
werkzaamheid van 50-plussers? Welke maatregelen hebt u intussen
al genomen om de intrede of herintrede van werkloze of inactieve
50- of 55-plussers te versterken? Welke bijkomende maatregelen
wil u nog nemen? Welk tijdspad acht u daarvoor haalbaar? In de
beleidsnota Werk vermeldt u: “Om de gevolgen van de vergrijzing
op onze arbeidsmarkt te kunnen opvangen is een beleid op twee
sporen nodig: (1) stimuleren van herintrede via een versterkt
activeringsbeleid voor werkzoekende 50- plussers, en (2)
verlengen van de loopbaanduur via competentieversterking van
ervaren werknemers en investering in sociale innovatie in
bedrijven.” Wat hebt u aangaande deze doelstellingen al
ondernomen? Hoe evalueert u het akkoord tussen de Vlaamse
Regering en de sociale partners van oktober 2008, genaamd ‘Samen
op de bres voor 50+’?
De voorzitter: De heer Van den Heuvel heeft het woord.
De heer Koen Van den Heuvel: Voorzitter, ik zal het
cijfermateriaal uit mijn vraag en dat daarnet door beide
collega’s al naar voren is gebracht, niet herhalen. De
vaststelling blijft dat we achterop hinken. We mogen ons niet
laten verblinden door de licht stijgende werkgelegenheidsgraad
van 50-plussers. Dat is vooral aan de vrouwen te danken, die nu
langer werken. Op die manier stijgt de gemiddelde
werkgelegenheidsgraad van de 50- plussers. Het is toch wel
alarmerend dat we op Wallonië, Brussel en Slovenië na nog altijd
het laagst scoren op dat vlak. Dat is structureel zo. Dat is al
jaren het geval. We moeten een tandje bijsteken op dat vlak. De
Vlaamse overheid kan daarin een rol spelen. Er zijn incentives,
waarbij ik vooral denk aan uitkeringen en, vooral, fiscaliteit.
De federale overheid is daarvoor bevoegd. De federale overheid
en de regio’s moeten hun beleid in de toekomst beter op elkaar
afstemmen.
Minister, hoever staat het met de evaluatie van ‘Samen op de
bres’? Daarnaast is er ook de uitbreiding naar 52- plussers. U
weet dat er vanuit het parlement en sommige sociale organisaties
vragen over zijn. Bij andere is dat natuurlijk minder. Het leven
stopt niet op 52 jaar. We moeten daar toch verder over nadenken
om die grens op een goede manier te verleggen.
Daarnaast moeten we het ook hebben over de inspanning bij de
werkgevers. Dat aspect mogen we ook niet uit het oog verliezen.
Het is een en-enverhaal. We moeten niet alleen de 50-plussers
aanmoedigen, wellicht met wortel en stok, om aan de slag te
blijven. Er moet ook een vraag zijn vanuit werkgeverszijde en
een gepast HR-beleid om mensen op een goede manier te
begeleiden, blijvend te vormen en een gepaste baan aan te
bieden. Hoe kunnen we dat beleid ten aanzien van de werkgevers
versterken?
De voorzitter: De heer Diependaele heeft het woord.
De heer Matthias Diependaele: Voorzitter, ik heb er niet
veel aan toe te voegen. Iedereen weet dat de tewerkstelling van
50-plussers in Vlaanderen een groot probleem is. Voor het
overige sluit ik me aan bij de vragen van de heer Van den
Heuvel. Het is niet nodig om daar nog veel woorden aan vuil te
maken.
De voorzitter: Mevrouw Turan heeft het woord.
Mevrouw Güler Turan: Voorzitter, ik zal de verstandige
keuze van mijn collega volgen en kort zijn. Het probleem en het
belang van dat structureel probleem is al geschetst door de
collega’s. Ik denk dat de minister het met ons volmondig eens
zal zijn.
Ik wil er nog één klein aspect aan toevoegen, namelijk over
bijscholing en leermogelijkheden op de werkvloer zelf. Tijdens
een vorige commissievergadering hebben we besproken dat er
minder leermogelijkheden zijn voor vrouwen dan voor mannen, voor
arbeiders minder dan voor kaders of hoger opgeleide mensen, en,
spijtig genoeg, minder voor 50-plussers dan voor andere
collega’s. Als we willen dat andere mensen langer blijven
werken, dan moeten we ze motiveren om dat te doen. Door
leermogelijkheden op de werkvloer worden mensen gemotiveerd om
minder ziek te zijn en meer te werken.
Minister, de bijscholing en leermogelijkheden zijn belangrijk
voor iedereen, ook voor 50- plussers. Welke specifieke
maatregelen bent u van plan te nemen in verband met de
leermogelijkheden van de 50-plussers op het moment dat ze nog
werk hebben, zodat ze nog een aantrekkelijke groep op de
arbeidsmarkt blijven als ze zonder werk vallen?
De voorzitter: De heer Watteeuw heeft het woord.
De heer Filip Watteeuw: Voorzitter, ik deel de
bekommernissen van de collega’s. Ik zal niet alles herhalen wat
ze gezegd hebben. Toch heb ik een aantal bedenkingen en wil ik
nuanceringen aanbrengen. In het onderzoek koppelt het steunpunt
enerzijds de werkzaamheidsgraad van ouderen en anderzijds de
intredekans. Het baseert zich daarbij vooral op de enquête over
de arbeidskrachten. Dat is een waardevol instrument, dat echter
ook zijn beperkingen heeft. Men werkt met een steekproef van
100.000 mensen. De resultaten worden doorgetrokken naar de
totale populatie. Daar moet men toch mee opletten. De manier
waarop wordt gewerkt, maakt vergelijkingen met andere landen
zeer moeilijk. In de enquête worden ook vergelijkingen gemaakt
met Europa. Om te bepalen of iemand werkt, gebruikt men
bijvoorbeeld de vraag: hebt u deze week 1 uur gewerkt? Als men 1
uur heeft gewerkt, valt men onder de werkenden. In België is dat
niet zo evident, want in contracten is de minimumarbeidsduur één
derde van een voltijdse. Dat heb je in Nederland niet. Omdat ze
veel mensen hebben die minder werken per week dan één derde, zal
Nederland hoger scoren qua werkzaamheidsgraad dan Vlaanderen. De
enquête naar de arbeidskrachten is dus waardevol, maar men moet
opletten met conclusies.
Het is spectaculair dat men het heeft over de beperkte
intredekans van 50-plussers. Ik vind dat we nuance verliezen
omdat dat een verkeerde leeftijdsgroep is. 50 tot 64 is een zeer
brede groep met enorme verschillen. De problemen van
werkzaamheidsgraad zitten vooral in de categorie 60 tot 64. Daar
daalt de werkzaamheidsgraad spectaculair. De werkzaamheidsgraad
van 50- tot 55-jarigen is relatief goed, zeker als men zich niet
baseert op de enquête naar arbeidskrachten maar op alle gegevens
van de RSZ en dergelijke. De werkzaamheidsgraad vermindert in de
groep 55 tot 59. In de groep 60 tot 64 is die slecht, maar in de
groep 50 tot 54 is die momenteel absoluut niet slecht. Ik heb
cijfers waaruit blijkt dat de groep van 50 tot 54 ongeveer
hetzelfde scoort als de dertigers en de veertigers.
Er is al op gewezen dat er grote verschillen zijn tussen mannen
en vrouwen. Een andere zaak is de demografie. Een tijd geleden
heb ik samen met andere mensen een motie ingediend over de
demografie. Daarmee moet men ook rekening houden. De groep
mensen van de generaties van net na de oorlog verdwijnt nu
stilletjesaan uit de statistieken. Ik heb enkel cijfers voor
België, maar voor Vlaanderen is dat nog sterker, denk ik. In de
cijfers zie je dat de groep 60 tot 64 in de periode tussen 2002
en 2009 sterk is aangegroeid. In 2009 zijn er bijna 150.000
mensen meer in die groep. Er zijn meer werkenden in die groep,
maar veel minder dan dat er mensen bij zijn gekomen. In de
groepen 50 tot 54 en 55 tot 59 is de aangroei van de bevolking
veel kleiner. Wat nu als een probleem wordt beschouwd, wordt
demografisch veel minder een probleem. We komen stilaan tot een
evolutie waarbij de bevolkingsgroep van de 50-plussers daalt.
De werkzaamheidsgraad van ouderen wordt systematisch naar voren
geschoven als hét grote probleem op de arbeidsmarkt. Ik zie dat
de werkzaamheidsgraad van de jongeren daalt. In de groep van 15-
tot 24-jarigen, minister, zijn we voor het eerst onder de 30
percent gedaald. (Opmerkingen van minister Philippe Muyters en
de heer Bart Van Malderen)
Je zou inderdaad kunnen denken dat dat te maken heeft met een
stijging van het aantal mensen dat langer studeert. Dat is niet
zo. De groep studenten wordt lichtjes groter, maar dat verklaart
de daling van de werkzaamheidsgraad niet. Ik deel de bekommernis
van de collega’s. Goede maatregelen om de werkzaamheidsgraad van
ouderen te verhogen, kunnen mijn steun krijgen, maar vergeet
niet dat er momenteel een probleem is bij de jongeren. De
jongerenwerkloosheid is niet enkel een probleem in Wallonië en
Brussel, maar ook in Vlaanderen.
De voorzitter: Minister Muyters heeft het woord.
Minister Philippe Muyters: Eerlijk, voor mij was de
studie van het Steunpunt Werk en Sociale Economie (WSE) geen
nieuw feit. Ik verwijs naar mijn beleidsnota. U herinnert zich
de vrij originele en nieuwe studie met een vergelijking tussen
90 regio’s. Er waren 23 topregio’s, 27 regio’s in de tweede
categorie en Vlaanderen zat in de derde categorie. De studie was
gebaseerd op vijf parameters. De conclusie was dat onze grootste
achterstand ten opzichte van andere regio’s de
werkzaamheidsgraad van de ouderen is.
De drie sporen die de heer Van Malderen heeft genoemd, benadruk
ik. Ik herhaal dat instrumenten die maken dat de arbeidsmarkt
inkrimpt, verkeerd zijn en getuigen van kortetermijndenken. Nu
mensen weghalen van de arbeidsmarkt is geen goed idee want op
korte termijn gaan we weer naar een vraag naar meer mensen. Dat
is allemaal naar voren gebracht. Ik ben wat verbaasd dat er hier
dan nog interpellaties zijn, maar ik veronderstel dat het ermee
te maken heeft dat men niet alles juist weet. Daarom is het goed
dat ik in deze commissie uiteen kan zetten wat we juist aan het
doen zijn.
Uit de studie blijkt dat de werkzaamheidsgraad moet worden
opgekrikt. Daar ben ik het helemaal mee eens. Ik ben wel blij
dat er vier vragen en twee interpellaties zijn omdat daaruit
blijkt dat iedereen hier, op één uitzondering na, ervan
overtuigd is dat dit een zeer belangrijke doelgroep is waarrond
we fundamenteel moeten werken. Dat blijkt ook uit die studie. Ze
stelt dat er twee wegen zijn: meer werklozen en inactieven aan
het werk krijgen en 50-plussers aan het werk houden.
Dat gaat traag. Ik ben het daarmee eens. In mijn toch vrij
uitgebreide antwoord zal ik daarop ingaan en uiteenzetten in
welke maatregelen we voorzien. Er zijn al maatregelen genomen.
Sommige zijn vrij recent en nieuw. Ze komen er niet naar
aanleiding van deze vragen, maar naar aanleiding van de
uitvoering van de beleidsnota. We bewandelen twee wegen:
versterkt inzetten op het re-integratiebeleid voor werkzoekende
50-plussers en de werkelijke loopbaanduur verlengen. Niemand
hier is vragende partij om de pensioenleeftijd vandaag te
verhogen, maar wel om de werkelijke loopbaanduur te verlengen.
Ter zake ben ik het deels eens met de heer Watteeuw. De cijfers
zijn heel duidelijk. De gemiddelde leeftijd waarop men vandaag
met pensioen gaat, is vandaag te laag. Die kan worden
opgetrokken.
Ik wil de twee wegen toelichten, maar eerst wil ik ingaan op een
opmerking van de heer Van den Heuvel. Toen ik nog aan de andere
zijde van de tafel zat en ‘Samen op de bres voor 50+’ besprak
met mijn voorganger, minister Vandenbroucke, en met de sociale
partners, hebben de organisaties altijd gesteld dat Vlaanderen
alleen nooit de zaken kan oplossen wat het 50-plusbeleid
betreft. Gezien de instrumenten die vandaag federaal zijn, kan
dit niet.
Mijnheer Van Malderen, u stelt dat het erg is dat 50-plussers of
zelfs mensen jonger dan 50 bij herstructureringen vrij snel
worden geviseerd. Het kader waarbinnen wordt gewerkt, met
betrekking tot het brugpensioen, de leeftijdsgebonden
loonopbouw, de loonkosten, de ontslagregeling en het
arbeidsrecht, maakt dat we geen geïntegreerd 50-plusbeleid
kunnen voeren in Vlaanderen. Over al die instrumenten wordt
immers federaal beslist, zoals de heer Van den Heuvel al zei.
Dat maakt het moeilijk. We kunnen activeren en sterk inzetten op
50- plussers, maar elders is er een wetgeving en een sociaal
kader. Zolang die wetgeving bestaat, kunnen we niemand met de
vinger wijzen die daarvan gebruik maakt, noch de vakbonden, noch
de werkgevers.
Voor alle duidelijkheid: ik geef dus geen kritiek op werknemers
die ingaan op brugpensioenvoorstellen of op werkgevers die die
voorstellen doen. Zolang die wetgeving bestaat, kan ze worden
gebruikt. Het is niet aan ons om daar kritiek op te geven, maar
wel kunnen we kritiek geven op het feit dat die wetgeving
bestaat, ook in het licht van de vergrijzing van de bevolking en
de inkrimping van de arbeidsmarkt die daarmee gepaard gaat.
Dit is een zeer fundamenteel punt als wordt gevraagd wat we
zullen doen om dat alles op te lossen. Met de instrumenten die
we vandaag hebben, kunnen we dit deels oplossen, maar u kunt
niet verwachten dat we een volledig antwoord kunnen geven als we
niet beschikken over alle instrumenten.
Ik ga in op het re-integratiebeleid. Ik wil nog een cijfer
toevoegen aan de cijfers die al zijn genoemd: 70 percent van de
niet-werkende werkzoekende 50-plussers is langer dan 1 jaar
werkzoekend. Er is dus duidelijk een probleem van langdurige
werkloosheid bij 50-plussers. Het is al aangehaald. U weet dat
we met ‘Samen op de bres voor 50+’ sinds april 2009 zijn
begonnen met een systematische aanpak, waarbij werkzoekenden
intensief en verplicht worden begeleid en rekening wordt
gehouden met hun specifieke kenmerken. We hebben het hier over
echt maatwerk. Dat is een van de eerste groepen.
Voorlopig geldt de grens van 52 jaar, maar zoals iedereen hier
weet, stellen zowel het regeerakkoord als het werkgelegenheids-
en investeringsplan (WIP) dat er een uitbreiding zal zijn met
betrekking tot die grens van 52 jaar, na de evaluatie die we in
de loop van dit voorjaar zullen doen. Ook rekening houdend met
de conjunctuur, zullen we bekijken hoe we ter zake verdere
stappen kunnen zetten wat anderen betreft.
Ondertussen zitten we niet stil. Dat is recent. Het is niet zo
dat niets wordt gedaan voor 52-plussers. Vandaag nog zitten die
buiten de systematische aanpak. Na een evaluatie, samen met de
sociale partners, zullen we eventueel voorstellen dat uit te
breiden. Ik ga daar ook van uit. Die filosofie zit immers
duidelijk in ‘Samen op de bres voor 50+’ én in het
regeerakkoord. Voor wie daar nu buiten valt, is het bestaande
begeleidings- en opleidingsaanbod toegankelijker gemaakt. Dit
gebeurt op vrijwillige basis. De VDAB verstuurt uitnodigingen
voor infosessies. Opleidingen worden gepromoot, met specifieke
aandacht voor ICT. Op hun vraag kunnen mensen van die groep van
52-plussers worden opgenomen in de automatische vacaturematching.
We bouwen ook voort aan de begeleiding van werknemers die hun
baan verliezen als gevolg van herstructureringen.
Dit is dus een belangrijk recent feit: ten behoeve van diegenen
die niet behoren tot die doelgroep voor de sluitende aanpak, dus
mensen ouder dan 52 jaar, geven we al een extra aanbod en doet
de VDAB aan extra promotie om die mensen daarbij te betrekken.
Na de evaluatie zullen we wellicht ook voor hen een sluitende
aanpak kunnen hebben. Voor mensen die hun baan verliezen, zijn
er natuurlijk al allerhande ondersteunende diensten, zoals
outplacement, loopbaanbegeleiding en competentieversterking. Het
is al vaak aan bod gekomen, zowel plenair als hier: mijn
voorganger is begonnen met kwaliteitsverbetering. In het begin
van dit jaar zijn er afspraken gemaakt tussen de sector in
kwestie, Federgon, en de VDAB over certificering, waarbij er een
kwaliteitslabel zal komen voor outplacementkantoren.
Het is eveneens belangrijk dat is afgesproken dat de
outplacementkantoren voldoende informatie naar de VDAB zullen
laten doorstromen. Indien blijkt dat de outplacementaanpak niet
tot resultaten leidt, kan die aanpak bij de VDAB overvloeien in
wat we een vervolgtraject kunnen noemen. Dat is recent tot stand
gebracht. De labeling staat voor de deur. De afspraken zijn
gemaakt. Dit moet nu verder worden uitgerold.
Om op termijn de loopbanen te verlengen en de 50-plussers aan
het werk te houden, is er behoefte aan competentie- en
loopbaanversterkende maatregelen, aan sociale innovatie en zeker
ook aan sensibilisering. In het werkgelegenheids- en
investeringsplan (WIP) wordt in bijkomende middelen voor
competentie- en loopbaanversterking voorzien. Het gaat om 15
miljoen euro dit jaar en om 16 miljoen euro volgend jaar.
Aangezien we bij het opstellen van een begroting elke euro
driemaal omdraaien, blijkt dat we hier duidelijk kiezen om
bijkomende middelen in te zetten.
Als ik naar de loopbaanbegeleiding voor de groep van de
50-plussers kijk, merk ik duidelijk de verplichting om de helft
aan de kansengroepen te besteden. We hebben recent beslist
iedereen vanaf de leeftijd van 45 jaar hierbij te betrekken. We
willen hier meer aandacht aan besteden. Om de 50-plussers aan
het werk te houden, kunnen we best hun competenties tijdens de
voorafgaande fase versterken. Die mensen moeten meer opleidingen
en vorming krijgen. Om die reden betrekken we de mensen al vanaf
de leeftijd van 45 jaar bij de loopbaanbegeleiding. Op termijn
willen we tot persoonlijke ontwikkelingsplannen komen. Dit
vraagt natuurlijk tijd. Dit zou het mogelijk moeten maken de
loopbaanbegeleiding beter op te volgen.
Ik veronderstel dat iedereen de belangrijke instrumenten kent
die we hiervoor inzetten. Het gaat onder meer om de
sectorconvenants, de diversiteitsplannen, de projecten van het
Europees Sociaal Fonds (ESF) en de versterkte partnerschappen.
Deze instrumenten moeten het mogelijk maken het
competentiebeleid, het diversiteitsbeleid, het loopbaandenken,
het leeftijdsbewust personeelsbeleid en de sociale innovatie
sterke in organisaties en ondernemingen te integreren. Hierdoor
moeten we tot een duurzaam humanresourcesbeleid (HR-beleid)
kunnen komen.
Ik krijg regelmatig de indruk dat mensen zich afvragen of we
iets ten aanzien van de werkgevers doen. Dit is een belangrijk
aspect van het geheel. ‘Samen op de bres voor 50+’ bevat een
idee dat me bijzonder genegen is. Die idee, die ondertussen is
goedgekeurd, betreft de uitwerking van een ‘toolbox 50+’ voor de
werkgevers en voor de werknemers. Ik ga er immers van uit dat er
bij de werkgevers heel wat misverstanden of vooroordelen over
50-plussers leven.
De uitwerking van een toolbox zou werkgevers ertoe moeten
aanzetten om tijdig over 50-plussers na te denken. We gaan naar
een vergrijzing. We moeten sowieso tot een leeftijdsbewust
personeelsbeleid, een preventief retentiebeleid en een
vriendelijk competentie- en loopbaanbeleid komen. Door middel
van een aantal vraagstellingen worden de werkgevers met de neus
op de feiten gedrukt. Dit zou in elk geval een belangrijk
instrument kunnen zijn.
Hetzelfde geldt voor de werknemers. Ze moeten er vroeg genoeg
bewust van worden gemaakt dat ze aan hun vaardigheden moeten
werken. Dat geldt natuurlijk voor iedereen. We willen een
toolbox ontwikkelen met vraagstellingen die tot bewustmaking en
sensibilisering aanzetten.
De sociale partners hebben verklaard dat ze hier werk van willen
maken. Ik wil hier met hen aan voortwerken. Dat idee stelt ons
in staat hier op een niet-dwingende, maar toch effectieve wijze
aan te werken. Dit zal zeker het geval zijn indien we met
betrekking tot die toolbox een campagne zouden kunnen opzetten.
De toolbox moet tevens doorverwijzen. Het is niet de bedoeling
in de plaats van de bedrijven een volledig plan uit te tekenen.
We moeten hen ervan bewust maken dat het voeren van een
leeftijdsbewust personeelbeleid pluspunten heeft en zinvol is.
Ik ben hier zwaar van overtuigd. Ik wil hier verder in
investeren.
Dit is allemaal voorzien in ‘Samen op de bres voor 50+’. We
zullen de toolbox tegen het einde van 2010 trachten af te
werken. In 2011 zullen we de campagne voeren. Eenvoudig is dit
allemaal niet. Indien we een goede toolbox willen die echt bij
de bedrijven en de werknemers aanslaat, moeten we dit goed en
professioneel aanpakken. Het gaat in elk geval om twee
verschillende toolboxes, met andere vragen.
De heer Van Malderen heeft me expliciet geïnterpelleerd over de
zinvolheid van een evaluatie van de tewerkstellingspremies. Wat
de inzetbaarheid van mensen betreft, lijkt dit me een belangrijk
gegeven. Wie bedrijven bezoekt, merkt dat de perceptie is dat
oudere werknemers duur zijn. Ik vraag me af of dit wel klopt.
De Vlaamse tewerkstellingspremie lijkt me in elk geval een
zinvol instrument. Het biedt de werkgever de kans gedurende een
bepaalde termijn een oudere aan te werven en vervolgens te zien
of die zijn prijs eigenlijk waard is. Na een tijdje moet hij de
volle prijs betalen. Ondertussen weet hij of dit al dan niet
kan. Ik stel het hier heel zwart-wit voor. Het gaat erom of die
werknemer dat geld waard is. Ik blijf de tewerkstellingspremie
een goed idee vinden. Als we kijken naar het aantal mensen en
bedrijven die hier ondertussen gebruik van maken, blijkt dit
echt een goede zaak.
Indien we de werknemers aan het werk willen houden, moeten we
het natuurlijk over de federale premie hebben. Ik ga ervan uit
dat die premie zal blijven bestaan. Ik kom straks nog terug op
de verhouding met de federale overheid.
Het lijkt me belangrijk beide loopbaanpremies en het
competentiebeleid nog meer te integreren. Op die manier zouden
we de lastenverlaging en de aanscherping van de competenties
samen kunnen laten verlopen. Het zijn allebei belangrijke
instrumenten.
De heer Van den Heuvel heeft me gevraagd in hoeverre het idee
van een leeftijdsbewust HRbeleid al ingang heeft gevonden. Ik
wil in dit verband een studie citeren. Ik stel me vragen bij die
studie. De heer Watteeuw heeft daarnet echter toegelicht dat we
bij elke studie vragen kunnen stellen. Een studie is waard wat
ze waard is. Het feit dat ik een studie citeer, betekent niet
dat ik die studie helemaal correct vind. Het gaat hier om een
studie over oudere werknemers door de heren Forrier, Marescaux
en De Winne, die in het laatste nummer van Over.Werk is
verschenen.
Volgens de onderzoekers kennen de bedrijven in hun
leeftijdsbewust HR-beleid twee types van maatregelen, met name
een ontwikkelingsbeleid en een ontziebeleid. Het verheugt me dat
het ontwikkelingsbeleid goed is uitgewerkt. Volgens de studie
staat maar liefst 80 percent van de werkgevers achter een
ontwikkelingsbeleid. In grote ondernemingen loopt dat percentage
zelfs op tot 85 percent. Een ontziebeleid omvat maatregelen als
de loopbaanonderbreking, tijdskrediet, het inzetten van oudere
medewerkers als coach of mentor, vrijstelling van overwerk, een
leeftijdsgrens voor ploegenarbeid en onregelmatige arbeid en een
demotie met loonverlies. De inzet als coach of mentor is iets
dat we allemaal willen horen. Bepaalde maatregelen worden
slechts in mindere mate toegepast. De demotie houdt in dat
mensen een andere functie krijgen en tegelijkertijd minder loon
ontvangen.
Volgens de onderzoekers maakt 80 percent tot 85 percent van de
bedrijven al gebruik van de ontwikkelingsmaatregelen. Training
en opleiding zijn de meest gangbare maatregelen. De helft van de
werkgevers zou al persoonlijke ontwikkelingsplannen en
functioneringsgesprekken over het einde van de loopbaan
gebruiken. Mij lijkt dit wat te veel. De filosofie van de
bedrijven zou inhouden dat ze de mensen aan het werk willen
houden. Uit cijfers die niet uit dit onderzoek afkomstig zijn,
kan ik afleiden dat de diversiteitsplannen met betrekking tot
leeftijd en werk in de lift zitten. In 2007 is het
expertisecentrum Leeftijd en Werk van start gegaan en zijn
dertien bijkomende projectontwikkelaars Evenredige
Arbeidsdeelname en Diversiteit (EAD) ingeschakeld. Mijn
voorganger, die de gewoonte had zich hoge doelstellingen op te
leggen, heeft toen verklaard dat hij jaarlijks 100
diversiteitsplannen met de nadruk op leeftijd en werk wilde
zien. Hij heeft dit blijkbaar onderschat. In 2009 zijn 146
diversiteitsplannen met een accent op leeftijdsdiversiteit
ingediend.
Ik zie bovendien ook dat er in de ESF-oproep over
leeftijdsbewust personeelsbeleid momenteel verschillende, naar
mijn mening goede, pilootprojecten lopen over verschillende
aspecten van leeftijdsbewust personeelsbeleid. Ik som er een
aantal op: coachinginitiatieven voor formele en informele
erkenning van oudere werknemers, creatie van tussenfuncties
tussen uitvoerende arbeiders en de afdelingschefs als
supervisor, systemen van interne jobrotatie gekoppeld aan
opleiding of begeleiding op maat, het organiseren van
exitgesprekken met het oog op het voorkomen van een vervroegde
uittreding.
Boven op dit alles is er ook de website www.leeftijdenwerk.be
van mijn diensten en daarop staat een lijst met leerrijke
praktijken over leeftijdsbewust personeelsbeleid in
ondernemingen, en dat is interessant want zo kunnen bedrijven
zien wat er elders gebeurt.
Mevrouw Turan, die ondertussen werd weggeroepen naar een andere
commissie, vroeg uitdrukkelijk om de cijfers over opleidingen te
kaderen. Het aantal werknemers dat ouder is dan 50 en nog een
opleiding volgt, is inderdaad bedroevend te noemen: 6,3 percent,
5,9 percent en lager. Uit mijn uitleg is volgens mij al naar
voren gekomen dat ik dit aspect als cruciaal beschouw. Ik heb al
opgemerkt dat we in het WIP niet alleen via middelen, maar ook
via een aantal instrumenten zullen proberen om het accent naar
voren te schuiven en te verleggen naar de 50-plussers. De
samenwerking met partners zou een oplossing moeten bieden.
Heel recent werd door de VDAB de oproep gedaan om infrastructuur
en lesgevers uit bedrijven in te zetten om opleidingscapaciteit
te genereren en we zullen ook inzetten op werkplekleren en IBO.
Mijnheer Van den Heuvel, u vroeg met betrekking tot de
50-plussers naar de inbreng die we verwachten van de federale
overheid. Er zijn twee elementen die tot op heden besproken
werden. Het eerste is wat ik het belangenconflict inzake de
afschaffing van de doelgroeplastenverlaging voor 50-plus, zal
noemen, zodat iedereen direct weet waarover ik het heb. Inzake
de lastenverlaging die vandaag bestaat voor 50-plussers op
federaal vlak werd naar aanleiding van het interprofessioneel
akkoord van de sociale partners voorgesteld om het
doelgroepenbeleid af te schaffen en lineaire maatregelen te
treffen. Zowel mijn voorganger als wij met de huidige Vlaamse
Regering zeggen dat het doelgroepenbeleid pas kan worden
afgeschaft indien het overgeheveld wordt. U weet dat dit
hangende is, maar ik ga ervan uit dat met de val van de federale
regering het wetsvoorstel niet meer zal worden ingediend en dat
dus ook de bespreking in het parlement, want het zou een
belangenconflict vanuit het parlement geweest zijn, niet zal
moeten gebeuren. Quod non als het toch gebeurt, dan staan er
mijns inziens voldoende mensen klaar om te doen wat er moet
gebeuren.
Daarnaast is er het samenwerkingsakkoord tussen de VDAB en de
RVA. Dat was belangrijk en het werd ook positief onthaald door
de Vlaamse Regering. We hebben daarover ook een boeiend en goed
gesprek gevoerd met de sociale partners die de positieve punten
zagen in het nieuwe samenwerkingsakkoord, dat zo lang op zich
heeft laten wachten en waar we op voorstel van de
secretaris-generaal voorstellen hadden waarmee de ministers van
de verschillende regio’s en de federale minister eigenlijk klaar
waren. Ik weet niet of het nu zal worden goedgekeurd.
Wat ik heel goed vond is dat in het akkoord staat dat men zich
als RVA inschrijft in de systematische aanpak inzake de
50-plussers zoals Vlaanderen dat doet, en in een begeleidend
schrijven tussen RVA en VDAB – en ik kan u zeggen dat er een
begeleidend schrijven was omdat niet alle regio’s even ver
konden gaan – was er ook het protocol om zich in te schrijven in
die systematische aanpak van 50-plus om het verplicht activerend
beleid van Vlaanderen te volgen tot de leeftijd van 52 jaar. Bij
transmissie schrijft de RVA zich in in het passend gevolg geven
eraan. Als Vlaanderen er dus van uitgaat dat een systematische
aanpak verder wordt gezet ten aanzien van andere doelgroepen,
zal de RVA in tegenstelling tot in het verleden, volgen: de
transmissie gebeurde al, maar de RVA volgde niet de filosofie
over activering.
Tot slot nog iets over de evaluatie van het akkoord ‘Samen op de
bres voor 50+’, dat de Vlaamse Regering eind 2008 samen met de
sociale partners heeft afgesloten. U weet dat daarin
verschillende hoofdstukken terug te vinden zijn. U weet dat we
een evaluatie zouden doen zoals voorzien in het WIP, maar ook in
het regeerakkoord, in het voorjaar van 2010. In de loop van juni
zullen we de resultaten, zoals afgesproken, in VESOC bespreken
met de sociale partners om dan te zien op welke manier we verder
moeten inspelen op de maatregelen die erin voorzien waren, waar
we moeten uitbreiden of bijschaven. Wat er moet gebeuren, zal
dan nog meer duidelijk worden, maar ik meen dat ik over de
meeste punten vandaag al heb verteld waar we staan. Er komt
zeker een evaluatie van de maatpakfilosofie voor mensen tot 52
jaar.
Als afsluiter wil ik nog zeggen dat ik ervan overtuigd ben dat
wat we in Vlaanderen doen ten aanzien van 50-plus, op een goed
spoor zit. We hebben hier een goede samenwerking tussen de
overheid, die verantwoordelijk is voor krachtdadig
werkgelegenheidsbeleid, de werkzoekenden, die gemotiveerd moeten
zijn en worden inzake begeleiding en opleiding, en de
werkgevers, die zeker bereid moeten zijn om 50-plussers hun
competenties te laten bijschaven, om 50-plussers aan te werven
en om daarbij waarschijnlijk een aantal vooroordelen te
overbruggen. Ik ben er wel van overtuigd dat zelfs al voeren we
hier het meest perfecte 50-plusbeleid in Vlaanderen, we in
Vlaanderen niet over alle instrumenten beschikken om deze
problematiek op de meest efficiënte en effectieve manier aan te
maken.
De voorzitter: De heer Van Malderen heeft het woord.
De heer Bart Van Malderen: Voorzitter, ik wil in de
eerste plaats ingaan op wat de heer Watteeuw heeft gezegd. Ik
heb geprobeerd om het te noteren, maar door cijfers bij elkaar
te zetten, kan er natuurlijk heel veel worden bewezen. Eén
cijfer staat echter voorop: dat waaruit blijkt dat van wie
vandaag aangeworven wordt, amper 6 percent een 50- plusser is.
Dat is disproportioneel, gelet op hun aanwezigheid op de
arbeidsmarkt. Als we dat bekijken in combinatie met wat er
vandaag in heel wat sectoren gebeurt, dan betekent dat dat we
mensen voor de rest van hun loopbaan in de werkloosheid steken.
Dat is dramatisch, daar gaat het over.
De heer Watteeuw zegt dat er een heel langzame stijging is, en
dat ontkent niemand hier, de werkloosheidsgraad bij 50-plussers
stijgt inderdaad, maar heel langzaam. Er is geen enkel cijfer
dat ons kan doen verhopen dat het vandaag op het natuurlijke
tempo evolueert naar een evenredige participatie. Dat blijkt uit
de cijfers en wordt door niemand tegengesproken.
Mijnheer Watteeuw, ik heb het wat moeilijk met de manier waarop
u zegt dat u het wel eens bent, maar dat we ook naar de jongeren
moeten kijken. Het is inderdaad zo dat er problemen zijn met de
werkloosheid bij jongeren. En we vinden die in steden, bij
laaggeschoolden en bij allochtonen, want ook daar merken we een
probleem met evenredige arbeidsdeelname. Daar wordt op ingezet:
er is de sluitende aanpak, maar er is ook de inclinatie ten
aanzien van de kansengroepen binnen de VDAB en er is het
stedenbeleid dat daarop kan inspelen. We hebben dus een heel
duidelijk instrumentarium en we boeken ook resultaten, dat zien
we als we de resultaten bij jongeren van voor de sluitende
aanpak vergelijken met die na de sluitende aanpak, want er is
een duidelijk verschil merkbaar.
Ik kan me heel moeilijk vinden in het afzetten van jongeren
tegen ouderen. Als we vaststellen wat we in de toekomst zullen
moeten financieren om de pensioenen betaalbaar te houden en om
de gezondheidszorg betaalbaar te houden, dan zullen we werkelijk
iedereen nodig hebben. Het zorgelijke cijfer over jongeren uit
bepaalde groepen in steden, afzetten tegen dat over de ouderen,
is niet de goede methode.
Minister, u zegt dat we in Vlaanderen op het goede spoor zitten.
Ik hoop dat we op het moment dat de conjunctuur opnieuw
aantrekt, dat ook in de cijfers zullen kunnen merken. Ik ben me
er evenzeer bewust van het feit dat er zich heel belangrijke
pakketten op het federale niveau bevinden. In die zin denk ik
dat we minstens één positief aspect kunnen vinden in de val van
de federale regering, namelijk dat de zogenaamde hervorming van
de tewerkstellingspremies van de baan is.
We zullen zien wat de toekomst brengt, maar als dit was
doorgegaan, dan had het de positie van onze 50-plussers op de
arbeidsmarkt nog gevoelig verslechterd. In die zin is er toch
nog iets positief aan de val van de regering, al heeft ze nog
geprobeerd om het bij hoogdringendheid op de agenda te plaatsen,
maar dat is afgevoerd. Ik zou willen pleiten voor een
driesporenbeleid: stimuleren, innoveren met aandacht voor
opleiding ook op de werkvloer, en in slecht Nederlands omwille
van het rijm ‘offreren’, een aanbod waarbij je ook de wortel en
de stok zou kunnen vinden. U hebt verwezen naar ESF en naar
verschillende projecten van de VDAB. Ik denk dat we moeite
moeten doen om die te promoten.
Ik kreeg graag de geüpdatete cijfers van de premies. U hebt
ernaar verwezen, maar hebt ze niet expliciet vermeld. Er is het
kenniscentrum Leeftijd & Werk. Er zijn de diversiteitsplannen
waarop de verschillende projectontwikkelaars op het niveau van
het RESOC en via de sectorconvenanten duidelijk inzetten. Maar
we zouden bijvoorbeeld ook verscherpt kunnen toezien op al dan
niet verdoken leeftijdsdiscriminatie in advertenties en
verplichte disclaimers gebruiken om ervoor te zorgen dat we geen
foute signalen blijven geven en mensen frustreren. Dat is ook
een realiteit. Voor mensen die bereid zijn te gaan werken, die
solliciteren en ingaan op vacatures, maar die geen antwoord
krijgen, is de desillusie moordend voor iedere motivatie.
Ik zou ook willen pleiten voor maatwerk en een realistische
focus in functie van de conjunctuur maar ook van de structurele
wijzigingen op de arbeidsmarkt. Ik heb hier gelukkig – in het
verleden was het ooit anders – niemand horen pleiten voor heel
lineaire maatregelen. Dat zou heel dom zijn in deze conjunctuur.
We moeten aandacht hebben voor zware beroepen, voor mensen die
in ploegen werken of nachtarbeid verrichten, voor bouwvakkers.
Deze jobs vereisen een andere aanpak dan onze job.
Ik ben het wel eens met de heer Watteeuw wanneer hij zegt dat je
in de groep 50-64-jarigen een nuance in leeftijd moet kunnen
opbouwen.
Ik heb het net gehad over het wegwerken van frustratie. Ik heb
hier al een paar keer iets gezegd over de kwaliteit van
outplacement. Er worden goede stappen gezet voor de
kwaliteitsbewaking ervan. Minister, u hebt verwezen naar
certificering via een kwaliteitslabel. Ik had graag de
parameters geweten. Waaraan moet men voldoen? Wat wordt getoetst
om het label te krijgen? Ik vind het zeer goed dat ook de reële
uitstroom en de effectiviteit zal worden gemeten.
Ik zou ook een motie willen aankondigen.
De voorzitter: De heer Van den Heuvel heeft het woord.
De heer Koen Van den Heuvel: Voorzitter, minister, ik
dank u voor het uitgebreide antwoord. Ik heb nog een drietal
bemerkingen.
De heer Van Malderen zegt volgens mij ook terecht dat er geen
afruil is tussen jeugdwerkloosheid en ouderenwerkloosheid. Het
was in de jaren 70, toen de vervroegde uittredingsregelingen
zijn opgestart met het brugpensioen als topper, bijna een
paradigma: als er iemand weggaat, dan krijgt iemand anders een
vaste job. Dat stadium zijn we intussen al lang voorbij. De
arbeidsmarkt is een dynamisch gegeven en het is niet omdat er
iemand weggaat, dat er een andere in de plaats kan komen. We
moeten dynamischer denken dan ‘de jongeren tegenover de ouderen
afzetten’. Dat is intussen voorbijgestreefd. We moeten voor
beide doelgroepen gaan.
Minister, ik ben tevreden over wat u gezegd hebt over het
activeren van 50-plussers met de vele maatregelen die hierop
afgestemd zijn. Met het vooruitzicht van de opflakkering van de
economie, is het belangrijk om ervoor te zorgen dat ook
50-plussers kunnen worden ingezet. Ze moeten werkbereid zijn
maar ze moeten ook hun potentieel kunnen behouden om op een
gemakkelijke manier opnieuw aan de slag te gaan.
Ik heb daarnet al gezegd dat het institutionele gegeven heel
belangrijk is. Als je de arbeidsmarktcijfers bekijkt, zie je een
groot verschil tussen Wallonië en Vlaanderen. De
werkgelegenheidsgraad is bijna 10 percent hoger in Vlaanderen
dan in Wallonië: afgerond 65 percent tegenover 55 percent. Als
je de algemene werkloosheidscijfers bekijkt, dan zie je net
hetzelfde maar dan omgekeerd: in Vlaanderen bijna de helft lager
dan in Wallonië. Maar als je dan de cijfers voor de
50-plussers bekijkt, dan zie je dat we gelijk scoren.
Als je dit op Europees niveau bekijkt, dan kom je dat opnieuw
tegen. In verschillende landen zijn er duidelijke regionale
verschillen in werkgelegenheids- en werkloosheidscijfers, vooral
voor de mensen die jonger dan 50 jaar zijn. Voor 50-plussers zie
je ook in andere landen dat de homogeniteit binnen de
landsgrenzen nogal hoog is. Het relativeert eigenlijk de
inspanningen die Vlaanderen kan doen. Het betekent dat de
problematiek van de werkzaamheidsgraad van 50-plussers vooral
een institutioneel gegeven is. Ondanks de grote verschillen in
België blijken de cijfers voor die groep homogeen te zijn. Dat
is geen typisch Belgisch fenomeen, je vindt het ook terug in
andere landen. Ik heb het zelf nog maar enige tijd geleden
ontdekt.
Het relativeert – relativeren is niet het juiste woord –, het
plaatst de discussie in een bepaald kader. Hoe goed we ook ons
best doen en hoe noodzakelijk het ook is, het zal spijtig genoeg
niet voldoende zijn. Er moet absoluut ook een institutionele
hervorming komen van de fiscaliteit en van de uitkeringen om die
groep van 50-plussers, en wellicht nog meer de groep van
55-plussers, te betrekken en te blijven betrekken op de
arbeidsmarkt. Het is noodzakelijk dat wij ze actief houden,
voldoende vorming geven en niet laten vallen wanneer ze op
prille leeftijd van 50 jaar worden ontslagen.
De voorzitter: De heer Janssens heeft het woord.
De heer Chris Janssens: Minister, u bent begonnen met te
zeggen dat de cijfers niet nieuw zijn, dat er in de beleidsnota
ook al naar verwezen is en dat u daarom verbaasd was dat er een
interpellatie over werd toegestaan. Voor mij was de
doorslaggevende factor om er een interpellatie van te maken en
geen vraag om uitleg, dat het probleem van de lage
werkzaamheidsgraad in Vlaanderen niet zozeer conjunctureel
bepaald is, maar vooral structureel. In een studie werd ook
effectief verwezen naar het gevoerde beleid. U bent hier als
minister natuurlijk nog maar kort verantwoordelijk voor.
U stelt samen met mij en met onze partij al jaren vast dat we in
Vlaanderen te weinig instrumenten hebben. Ik denk bijvoorbeeld
aan het arbeidsmarktbeleid en aan de fiscaliteit. We kunnen dat
alleen maar samen met u betreuren. Wie weet, komt er met een
nieuwe federale regering en met een mogelijk versterkte N-VA als
partner, verandering in, al zult u daarvoor – dat heb ik vandaag
begrepen – niet op de steun van mevrouw Onkelinx moeten rekenen.
Dat zal noch u, noch mij of iemand anders, verbazen.
U hebt veel dingen in uw antwoord aangehaald. Ik ben tevreden
dat de aanwervingsstimuli, de Vlaamse tewerkstellingspremies,
behouden blijven. Wat ik in uw antwoord een beetje gemist heb –
als ik tenminste goed geluisterd heb –, is het woordje
‘trajectbegeleiding’. Als we ouderen werk op maat willen bieden,
dan is trajectbegeleiding een van de belangrijke factoren. Ook
in de studie wordt daarop gewezen dat 50-plussers sterk
ondervertegenwoordigd zijn in trajectbegeleiding. Ik denk dat
daar voor de VDAB en de 50-plusconsulenten bij de VDAB een
belangrijke taak is weggelegd.
Wij kijken samen met u uit naar de evaluatie van het akkoord met
de sociale partners ‘Samen op de bres voor 50+’. Vandaag stellen
we vast uit de vragen die gesteld werden door parlementsleden
uit verschillende leeftijden, dat het duidelijk is dat wij in
deze commissie samen op de bres staan voor zowel jongere als
oudere werklozen en werkzoekenden.
De voorzitter: Mevrouw Peeters heeft het woord.
Mevrouw Lydia Peeters: Minister, u zegt dat u gewoon bent
een kort antwoord te geven, maar u hebt vandaag een vrij lang
antwoord gegeven. Ik blijf toch wat op mijn honger. Ik verwijs
naar een schriftelijke vraag die ik in november 2009 heb
ingediend over wat men concreet zal doen voor een betere
begeleiding van de 50-plussers. Toen hebt u aangekondigd dat u
verder zult werken met het akkoord ‘Samen op de bres voor 50+’,
dat het ook is opgenomen in het werkgelegenheids- en
investeringsplan (WIP) en dat u die groep verder zult laten
begeleiden. U hebt ook aangekondigd dat de evaluatie zou starten
in het voorjaar.
Ik dacht dat we daar vandaag iets meer over zouden horen. U zegt
dat de resultaten daarvan pas in juni worden verwacht. Men zegt
dat het probleem van de tewerkstelling van 50- plussers niet
nieuw is, en dat is onderdaad zo, maar hoe we het draaien of
keren, we kunnen vandaag alleen maar vaststellen dat er hoe
langer hoe meer werklozen zijn bij de 50-plussers. Alleen maar
in onze provincie zoekt één op vier 50-plussers vandaag werk. Ik
hoor hier vandaag heel weinig concrete maatregelen om daar iets
aan te doen. Wij onderschreven ‘Samen op de bres voor 50+’, wij
stonden daarachter. We hebben bij de toelichting bij het
beleidsplan zelfs meer aandacht gevraagd voor de 52-plussers.
Men zegt dat men veel verwacht van het toekomstige beleid en van
de akkoorden die men zal hebben met de sociale partners. Ik heb
begrepen dat men voor de 52-plussers nog helemaal geen akkoord
heeft. Wat dat betreft, blijf ik op mijn honger. Concrete
plannen laten lang op zich wachten. U komt opnieuw aan met
studies en u zegt: we zullen dit en dat doen. Maar gaat u er
concreet iets aan doen? Cijfers blijven cijfers: we gaan eerder
achteruit dan vooruit.
Ik kondig ook een motie aan.
De voorzitter: De heer Watteeuw heeft het woord.
De heer Filip Watteeuw: Mijnheer Van Malderen, ik weet
dat uw persoonlijke werkzaamheidsgraad zeer hoog is, maar ik
veronderstel dat u binnen enkele maanden even vakantie zult
nemen en door Europa zult zwerven. In een aantal landen kan het
zijn dat als u bij een spoorwegovergang komt, u een bordje zult
zien hangen met de tekst: deze trein kan een andere trein
verbergen. Daarover gaat het.
Werkloosheid bij ouderen is het grote probleem. Ik kan dat
onderschrijven. Minister, u hebt gezegd ‘met uitzondering van
één’. Dat is niet juist, ik deel de bekommernis. Wel zeg ik dat
we moeten opletten dat we, als we voortdurend focussen op dit
probleem, we het andere probleem niet zien.
Ik heb cijfers voor mij liggen van de werkzaamheidsgraad in het
Vlaamse Gewest van verschillende leeftijdscategorieën, afkomstig
van de administratie. In de evolutie van 2001 naar 2009 zie ik
dat de werkzaamheidsgraad van 55-plussers systematisch stijgt.
Dat is een goede zaak. We moeten inspanningen doen om daar
verder aan te werken. Ik zie ook dat de werkzaamheidsgraad in de
groep van 15 tot 24 jaar systematisch daalt, ook in tijden van
hoogconjunctuur. Dit wordt niet verklaard door de grotere
aantallen studenten. Daarover gaat het.
Terwijl de replieken werden gegeven, heb ik een grafiek vanuit
het steunpunt WSE bekeken die aantoont dat het aandeel van de
50-plussers in de beroepsactieve bevolking stijgt naar 22,7
percent, terwijl het aandeel van 50- plussers en nieuwe
indiensttredingen de laatste twee jaar is gedaald. Je zou dit
ook kunnen plaatsen tegenover de groep 50-plussers die werk
zoekt. Als je dat doet, zie je dat de groep die niet werkt in de
beroepsactieve bevolking, procentueel nagenoeg gelijk blijft.
Het steunpunt zegt dat er een stijging is van het aandeel van de
50-plussers in de beroepsactieve bevolking en een daling van het
aantal indiensttredingen, en dat is een alarmsituatie. Als je
kijkt naar het aantal mensen dat niet werkt, vertoont de grafiek
een rechte lijn. We moeten alert zijn. Ik betwijfel niet dat het
probleem er is, maar ik wil ook de nuance brengen dat het vooral
een probleem is van de 60- plussers. Nog eens, we mogen
absoluut het probleem van de jongeren niet uit het oog
verliezen. Dat is mijn vraag. Ik vind dat de minister verder een
beleid voor de 50-plussers moet ontwikkelen, maar alsjeblief,
verlies de jongeren niet uit het oog want ook daar is een
probleem.
De voorzitter: Minister Muyters heeft het woord.
Minister Philippe Muyters: Mijnheer Van Malderen zegt dat
we moeten kijken of er geen discriminatie ten aanzien van
ouderen is in advertenties en dergelijke meer. Heel de filosofie
van de toolbox is voor mij essentieel. Men mag in advertenties
controleren zoveel men wil: als het niet tussen de oren zit, dan
helpt dat niet. Ik wil vooral daarop inzetten. Ik begrijp wat u
zegt, het ene sluit het andere niet uit. Ik wil liever inzetten
op het tonen van het winwinaspect en de goede voorbeelden om
werkgevers te overtuigen.
Mijnheer Janssens, de trajectbegeleiding is een onderdeel van de
sluitende aanpak en zit voor 100 percent mee in de aanpak ten
aanzien van de 50-plussers. Wat bijkomende cijfers betreft, zijn
er twee mogelijkheden. Ik kan de cijfers van de
tewerkstellingspremies opvragen en aan het verslag laten
toevoegen. Ik stel voor dat u over de outplacementkwaliteit een
schriftelijke vraag indient. (Opmerkingen van de heer Bart Van
Malderen)
Van al mijn schriftelijke vragen – en dat zijn er heel veel –
heeft gedurende de laatste twee maanden 95 percent een antwoord
gekregen binnen de termijn. We hebben de schade van in de
beginperiode helemaal ingehaald. We hebben een systematiek
ontdekt over hoe we moeten antwoorden.
Ik ben totaal verbaasd over de reactie van mevrouw Peeters. Ik
weet niet hoe ik daar nog op moet antwoorden. U wekt de indruk
dat wij plannen en studeren maar niets doen. Ik zou bijna alles
wat ik heb gezegd, opnieuw naar voren kunnen brengen. Ik zal
enkele dingen herhalen. Ik heb uitdrukkelijk gezegd dat we zelfs
niet wachten op de evaluatie om al een vrijwillig aanbod te doen
aan alle mensen die niet in de sluitende aanpak zitten. Ik heb
uitgelegd hoe. Ik kan u in detail uitleggen dat we volop bezig
zijn met het uitbreiden van de opleidingscapaciteit. Dat zijn we
aan het doen. Dat zijn geen studies, dat zijn acties. Die
uitbreiding is bezig. Ik heb uitgelegd op welke manier dat
gebeurt. We hebben een nieuw akkoord gesloten met de RVA, dat
ingaat op onze filosofie. Dat plannen we niet, dat hebben we
gedaan. Er moet niets meer aan gedaan worden behalve uitgevoerd
worden. De toolbox wordt opgemaakt. Ik heb de planning erin
gezet. Dat is een planning, maar dat wordt gedaan.
Mevrouw Peeters, ik ben verbaasd over uw reactie. U wilt een
bepaalde indruk wekken. U zegt ook dat er geen akkoord is over
de 52-plussers. Ik heb het al regelmatig gezegd en ik zal het
blijven herhalen: ik zou graag hebben dat zowel het WIP als
‘Samen op de bres voor 50+’ gelezen wordt. Dan zult u zien dat
daarin staat dat de systematische aanpak gradueel wordt
doorgevoerd. Er staat niet in dat die stopt op 52 jaar. Er staat
in dat na de evaluatie, die nu in het voorjaar gebeurt en
afgerond is in juni, de uitbreiding gebeurt. Daarover is wel een
akkoord.
En dat dat gebeurt na een evaluatie, dat lijkt me
vanzelfsprekend. Het is iets nieuws, iets dat is opgestart.
Waarschijnlijk moeten we bijschaven om te zorgen voor maatwerk
voor 50- plussers. We moeten er effectief voor zorgen dat er
geen lineaire maatregelen worden genomen. De aard van het werk,
de aard van de competentie moeten in rekening worden gebracht.
Er is een akkoord over. ‘Samen op de bres’, dat was al een
akkoord. Dat geldt ook voor 52+.
U zegt dat 52+ nog niet is ingevoerd. Dat plan wordt uitgerold
na de evaluatie. Ik ben niet mee met u.
De voorzitter: Mevrouw Peeters heeft het woord.
Mevrouw Lydia Peeters: Ik wil daar toch nog even op
reageren. U zegt dat u niet mee bent en dat er tal van plannen
zijn.
Minister Philippe Muyters: Geen plannen, acties!
Mevrouw Lydia Peeters: Oké. U zegt dat er concrete acties
zijn. Maar de cijfers zijn toch wat ze zijn! Daaruit kunnen we
alleen maar concluderen dat de acties die tot nu toe werden
ondernomen, geen resultaat opleveren. U zegt dat er na de
evaluatie eventueel wel een uitbreiding volgt naar die groep van
52+. We zullen dat in juni met argusogen bekijken. Ik hoop het
alleen maar. Eens te meer is de vraag om die doelgroep er ook
bij te betrekken.
Minister Philippe Muyters: Het zou ons echt geholpen
hebben indien de federale regering, met Open Vld, een aantal
andere acties had ondernomen dan wat nu is gebeurd, als men de
regeling voor de brugpensioenen anders zou inzetten, als Open
Vld niet had meegedaan met het doelgroepenbeleid! (Opmerkingen
van mevrouw Lydia Peeters)
Wel, ik doe dat met het Vlaams beleid! Ik doe het. En de cijfers
zijn wat ze zijn. Ze zijn juist. We maken een beleid. Als u zegt
dat het beleid gedraaid kan worden, de resultaten er kunnen
zijn, de mentaliteitsverandering er kan zijn op 3 maanden
tijd, dan moet u me zeggen hoe dat
moet gebeuren en ik zal het uitvoeren.
Mevrouw Lydia Peeters: Ik herhaal dat we de evaluatie
zullen afwachten. We blijven bij ons standpunt en de vraag om
die doelgroep niet te miskennen.
De voorzitter: De heer Janssens heeft het woord.
De heer Chris Janssens: Ik heb in de studie heel wat
cijfers gelezen die verwijzen naar 2008. Toen zat Open Vld ook
in een regering die bevoegd was voor het werkgelegenheidsbeleid
in Vlaanderen. Wat dat betreft, mogen we toch niet te selectief
zijn.
Met redenen omklede moties
De voorzitter: Door de heer Van Malderen, door mevrouw
Peeters, door de heer Janssens en door de heer Watteeuw werden
tot besluit van deze interpellatie met redenen omklede moties
aangekondigd. Ze moeten zijn ingediend uiterlijk om 17 uur op de
tweede werkdag volgend op de sluiting van de vergadering.
Het incident is gesloten. |