De voorzitter: De heer Van den Heuvel
heeft het woord.
De heer Koen Van den Heuvel: Minister, we
hebben het de afgelopen maanden al uitgebreid gehad over de
proeftuin elektrische wagens. Het is dan ook een heel belangrijk
project. Men kan de krant niet openslaan of er staat wel een
artikel in over de uitdaging om de elektrische wagen in
Vlaanderen te promoten.
We hebben daarover gediscussieerd op 6 januari
en op 1 juli. In oktober 2009 hebt u aangekondigd dat u een
proeftuin elektrische wagens zou lanceren. Daarover bestaat een
consensus over alle partijgrenzen heen. Wanneer Vlaanderen de
boot niet wil missen, is het absoluut nodig om alle zeilen bij
te zetten. Ook de buurlanden, de rest van Europa en de wereld
staan immers niet stil.
Vorige maand was er hier een interessante
hoorzitting. Daaruit bleek dat alle actoren in Vlaanderen de
Vlaamse Regering oproepen om werk te maken van die proeftuin.
Vorig jaar hebt u het Vlaams Instituut voor Mobiliteit (VIM)
aangeduid en een budget vrijgemaakt van bijna een half miljoen
euro om een studie uit te voeren. De bedoeling was de grote
lijnen van aanpak vast te leggen. De volgende stap zou een call
zijn van het Agentschap voor Innovatie door Wetenschap en
Technologie (IWT). U stelde toen dat dit in de loop van de
tweede helft van 2010 zou moeten gebeuren. Er is ook 12 miljoen
euro aan FFEUmiddelen (Financieringsfonds voor Schuldafbouw en
Eenmalige Investeringsuitgaven) vrijgemaakt voor de financiering
van het project.
De tweede helft van 2010 is nog niet volledig
achter de rug maar het einde van het jaar komt dichterbij. Ik
wil u dan ook een aantal vragen stellen. Is de studie van het
VIM intussen definitief afgerond? Wat zijn de voornaamste
vaststellingen daaruit? Hoe worden de elementen uit die studie
doorgegeven aan het IWT? Wanneer zal het IWT die call lanceren?
Kunt u een concrete timing geven bij de verschillende stappen?
De voorzitter: De heer Watteeuw heeft het
woord.
De heer Filip Watteeuw: Minister, ik
sluit me aan bij deze vraag. Vorige week hadden we een heel
interessante hoorzitting naar aanleiding van de resolutie die ik
heb ingediend over de elektrische mobiliteit en de groene
stroom.
De mensen uit het bedrijfsleven hebben daar een
niet mis te verstane boodschap gegeven. Het gaat dan niet om
mensen uit de milieubeweging of uit een groene hoek, maar om
mensen van Umicore, Volvo enzovoort. De spreker van Umicore, de
heer Vandeputte, bracht een zeer overtuigend betoog over de
batterijtechnologie. Wanneer de Vlaamse overheid echt gelooft in
de elektrische auto, aldus de heer Vandeputte, dan moet ze nu
keuzes maken en niet in de marge handelen.
De heer Semeese van Volvo zei dat ze daar bezig zijn met het
testen van een ‘Zero Emission Vehicle’. Ze willen dat echt goed
doen en ze willen onderzoeken welke problemen er zich voordoen.
Daarom hebben ze een testvloot nodig van 250 wagens. Zij krijgen
die testvloot niet georganiseerd. De overheid speelt daar ook
een rol in. Dat gebeurt niet. In die zin was er een algemene
oproep, die ook werd ondersteund door de heer Schaeffer van de
Vlaamse instelling voor technologisch onderzoek (VITO), om
sneller te gaan en duidelijke keuzes te maken. De proeftuinen
vormen een onderdeel van het beleid van de Vlaamse Regering. Ook
daar moet het sneller gaan. En misschien moet de schaal ervan
worden uitgebreid.
Minister, ik ben benieuwd naar uw antwoord. De
oproep van de mensen van het bedrijfsleven is niet mis te
verstaan.
De voorzitter: De heer Bothuyne heeft het
woord.
De heer Robrecht Bothuyne: Ik sluit me
zowel bij de heer Van den Heuvel als bij de heer Watteeuw aan.
Het was inderdaad een interessante hoorzitting. Een aantal zaken
waarin de Vlaamse overheid wordt geacht initiatieven te nemen,
kwamen daarin naar voren. De heer Van den Heuvel zegt terecht
dat er geen dag voorbij gaat zonder dat er in de krant iets
verschijnt over elektrische auto’s. Ook vandaag was dat het
geval.
Minister, u kondigt zelf een aantal maatregelen
aan: de afschaffing van de eenmalige belasting op
inverkeerstelling en van de jaarlijkse rijtaks voor elektrische
auto’s. Is dat echt al door de regering beslist? Bij mijn weten
niet, maar misschien weet u meer. Zou het niet beter zijn om dit
in te passen in de vergroening van de autofiscaliteit in haar
geheel? We weten allemaal dat elektrische auto’s een zeer
toekomstgericht deel vormen van het debat. Die fiscale
maatregelen zouden op vrij korte termijn een effect kunnen
hebben op het gedrag van klanten en autogebruikers.
Minister, wat is uw visie op die vergroening van
de autofiscaliteit in haar geheel? In dat persbericht staat
onder andere dat u overleg zou moeten plegen met andere
gewestregeringen. Zijn daar al stappen gezet? Kent u de
standpunten van bijvoorbeeld Brussel of het Waalse Gewest?
De voorzitter: De heer Diependaele heeft
het woord.
De heer Matthias Diependaele: Ik sluit
mij ook aan bij de vorige sprekers. De heer Watteeuw bedoelt
waarschijnlijk dat het een dossier is dat de hele groene
economie betreft, waar de frivole meisjes van de groene beweging
de witte boorden van de economie leren kennen. Dat lijkt wel
heel vruchtbaar te zijn. (Opmerkingen en gelach)
Ik verwijs ook naar het artikel dat ik deze
ochtend in De Standaard vond over de fiscale stimuli. Die zijn
heel nuttig. Tijdens en na die hoorzitting hebben die mensen,
onder andere die van Umicore, er ons op gewezen dat we wel
degelijk een heel mooie kans hebben. Niet zaligmakend en niet de
enige manier om alle leed van de wereld op te lossen, maar toch
een mooie kans om een grote bijdrage te leveren aan de
vergroening van onze economie, en daar ook nog een
leidinggevende rol in op te nemen in de wereld of althans in
Europa.
Mijn fractie heeft al een paar voorstellen
gedaan, onder andere over de openbare aanbesteding. De overheid
zou samen met de lokale besturen en dergelijke kunnen instaan
voor de aankoop van de eerste wagens. De heer Watteeuw verwees
naar de vloot van 250 wagens die Volvo wil lanceren. De Vlaamse
overheid zou daar kunnen aan deelnemen en op die manier de
kostprijs om die auto’s verder op de markt te brengen naar
beneden kunnen helpen halen.
In Nederland hebben ze ook het idee van een
batterijenwaarborgfonds. De afgeschreven batterijen worden
hergebruikt na 4 of 5 jaar. Daarmee wordt de aanschaf van een
nieuwe batterij goedkoper. De Vlaamse overheid kan in de
smartgrids de oude batterijen gebruiken, die nog voor ongeveer
80 percent bruikbaar zijn. De aankoop van een nieuwe batterij
wordt dan voor de consument goedkoper.
Wij moeten deze zaken eens onderzoeken. Ik dacht
dat die proeftuin daarvoor een ideaal middel zou zijn. Hoever
staat het daar nu mee?
Mevrouw Patricia Ceysens: Wij hebben een
kader gemaakt voor innovatief aanbesteden. Daar zijn zeker
mogelijkheden. Er is reglementair hard en goed aan gewerkt om
dat mogelijk te maken. Dat ligt juridisch moeilijk maar het
kader is er. Dat kan van bij het begin gehanteerd worden. Ik heb
ook altijd gezegd dat het belangrijk is dat de overheid de
juiste instrumenten gebruikt.
Fiscaliteit is zeker een sterk instrument.
Reglementeren en via de fiscaliteit in de prijs proberen te
komen: dat zijn echt elementen om een beleid te voeren. Ik heb
altijd het gevoel gehad dat door deze proeftuin naar het Vlaams
Instituut voor Mobiliteit (VIM) te kanaliseren het vooral een
soort van belevings- of consumentenverhaal werd. Terwijl je hier
toch de harde industrie een plaats moet geven. Dan waren spelers
als Flanders’ DRIVE en Agoria toch een ander soort partners om
dat te doen. Zo’n consumentenbelevingsverhaal is wel belangrijk
om dergelijke innovaties in de markt te krijgen, maar toch. Ik
vrees dat er daar wat tijd verloren is gegaan.
Ik heb nog een ruimere bedenking. Ik hoor veel
over het Marshallplan, ook bij Vlaamse ondernemers. Wat men daar
ongelofelijk sterk aan vindt, is dat men de industrie een aantal
sleutels geeft en dat missen wij wat in het Vlaamse
innovatiebeleid vandaag.
De voorzitter: De heer Van Malderen heeft
het woord.
De heer Bart Van Malderen: Ik denk niet
dat ik het eens kan zijn met die laatste vaststelling. Ik heb
begrepen dat het net de bedoeling is om wel degelijk het
bedrijfsleven daarbij te betrekken. Ik zie verschillende
moeilijkheden. Ik wil een er een aanhalen. Elk van die bedrijven
zal een beetje uit de eigen cocon moeten treden om
gemeenschappelijk onderzoek te gaan doen. In andere landen heeft
men grotere tradities om in los-vaste verbanden bedrijven te
laten samenwerken. Ik zie vandaag – men kan mij tegenspreken –
niet echt vehikels voor dat soort van clustervorming.
Competentiepolen zijn een voorbeeld, maar in
commercialisering, dat is ook een eindvisie, hebben wij niet de
grote traditie. In andere landen gaat het wat vlotter; daarvoor
zijn er historische redenen. Ik denk dat dit een grote uitdaging
zal zijn. Verschillende bedrijven maken er ons terecht attent op
dat er hier grote opportuniteiten zijn. De minister
onderschrijft die ook in alle mogelijke uitspraken,
beleidsbrieven en documenten. Wij moeten die aanwenden, maar dat
zal veronderstellen dat wij naar een Vlaams project willen gaan
en dat iedereen voor een stukje uit de eigen cocon treedt en
samen aan die elektrische kar trekt.
Mevrouw Patricia Ceysens: Dat is niet
altijd gemakkelijk, maar wij hebben dat wel gedaan. In de
competentiepolen doet men het. In, bijvoorbeeld, het
waterstofnetwerk, heeft men dat met Umicore en Vandenborre en
alle industriële partners wel gedaan, maar mijn aanvoelen is dat
de keuze ab initio voor VIM, en niet voor een andere echte
industriële cluster, op termijn wat problematisch kan worden.
De voorzitter: Minister Lieten heeft het
woord.
Minister Ingrid Lieten: Collega’s, ik
deel met jullie absoluut het ongeduld en de wens dat het moet
vooruitgaan. Ik geef even de huidige stand van zaken. Ik heb bij
het begin twee initiatieven genomen.
Ten eerste, ik heb aan Flanders’ DRIVE gevraagd
om, aan de zijde van de werkgevers uit de technologiesector, te
coördineren en te bekijken hoe het onderzoek verder ontwikkeld
kan worden en welke onderzoeksdaden gestimuleerd en gesteld
zouden kunnen worden, in het kader van open innovatie.
Flanders’ DRIVE heeft daarvoor een hele analyse
gemaakt. Ondertussen zijn er heel wat extra projecten opgezet,
samen met de industrie, zoals de voorzitter zegt. Onlangs, twee
of drie weken geleden, hebben wij het project inductief laden
gestart, waarbij uiteindelijk gekeken en getest wordt, in een
real life omgeving, hoe voertuigen op een draadloze manier
opgeladen kunnen worden, door over een stuk wegdek te rijden
waarin lussen liggen. Dat is een project dat door heel wat
industriële partners gesteund wordt, zoals Van Hool, Bombardier,
Volvo en een aantal elektronicapartners. Zo heeft Flanders’
DRIVE heel wat projecten die bezig zijn.
Ten tweede, de opdracht aan het VIM was iets
anders, namelijk het voorbereidend werk te doen voor een
proeftuin. Wat is de vaststelling? Die vraag wordt ook bevestigd
door verschillende mensen. Als wij de elektrische voertuigen een
intrede willen laten doen in onze leefomgeving, dan heeft dat
niet alleen te maken met de technologische vernieuwingen, maar
dan zal het ook te maken hebben met heel wat veranderingen van
gedrag. De mensen moeten overtuigd worden. Zij hebben heel wat
vragen en drempels.
Het gaat echter niet alleen over de mensen of de
consumenten, maar ook over onze infrastructuur in de steden en
de gemeenten, de elektriciteitsnetwerken en de technologische
innovatie an sich, bijvoorbeeld de innovatie van de batterijen
en het feit dat die lichter worden en langer stroom geven,
waardoor men die kan toepassen in een voertuig. Die
technologische innovatie heeft ook heel wat andere innovaties
nodig opdat zij succesvol geïmplementeerd zou kunnen worden. Om
dat te kunnen stimuleren, willen wij in het kader van open
innovatie een proeftuinconcept ontwikkelen. Het is wel degelijk
de bedoeling dat er in real life met verschillende partners naar
gedragingen van mensen getest kan worden en dat ook de
consequenties voor de infrastructuur, de laadinfrastructuur en
het hele serviceconcept daarachter getest worden. Wij hebben aan
het VIM gevraagd om de voorbereiding aan te vatten voor die real
life testomgeving.
Ik heb, op 1 juni denk ik, in het parlement een
stand van zaken daarvan gegeven. De inhoudelijke voorbereiding
van de proeftuin heeft uiteindelijk ertoe geleid dat het VIM met
alle mogelijke partners gesprekken heeft gevoerd. Het betreft
partners, uit zowel de industrie, de onderzoekswereld,
leasingbedrijven als elektriciteits- en distributiebedrijven,
die op een of andere manier iets te maken zullen hebben of
verwachten dat zij iets te maken zullen hebben met elektrische
voertuigen. Uiteindelijk heeft die inhoudelijke voorbereiding
inzicht gegeven in de verwachtingen van de stakeholders en in de
opportuniteiten voor economische en maatschappelijke valorisatie
van een proeftuin voor elektrische voertuigen.
Uiteindelijk heeft het VIM al die verwachtingen
opgedeeld in drie hoofdthema’s van onderzoeksvragen. Die drie
hoofdthema’s zijn: verplaatsingsgedrag, technologie en energie.
Het VIM heeft uiteindelijk die onderzoeksvragen geformuleerd. Is
er een wijziging in het verplaatsings- en rijgedrag als men met
een elektrisch voertuig rijdt of met een gewoon voertuig met een
dieselmotor? Waar gaat men vooral laden? Thuis? Op het werk? In
publieke infrastructuur? Wat is de optimale locatie van de
oplaadcapaciteiten? Wat is de wederzijdse relatie tussen
enerzijds rijgedrag en anderzijds oplaadgemak? Welke
prijsmaatregelen en incentives zijn wenselijk om de introductie
van de elektrische voertuigen te versnellen?
Welke businessmodellen – het gaat dan meer over
mobiliteitscontracten, carsharing en batterijleasing – kunnen
zich aandienen? Wat zijn de opportuniteiten voor logistiek en
zwaar vervoer, lichte bestelwagens en koeriersdiensten? Ik gaf
enkele voorbeelden van de onderzoeksvragen die onder het thema
verplaatsingsgedrag zijn geformuleerd. Dan zijn er een aantal
onderzoeksvragen naar boven gekomen en geformuleerd rond het
thema technologie. Welke functionaliteiten moet een
laadinstallatie hebben? Hoe willen we met de modellen van
batterijswap omgaan? Gisteren is naar de aankondiging van
Renault verwezen. Renault werkt met een zeer specifieke
batterijswap. Het bedrijf gaat ervan uit dat de batterij niet
inherent aan het voertuig is verbonden. Niet het voertuig, maar
de batterij moet worden opgeladen en gewisseld. Dit leidt
natuurlijk tot een heel ander serviceconcept. Andere merken
vertrekken veeleer van de stelling dat de batterij inherent aan
het voertuig is en dat bijgevolg het voertuig moet worden
opgeladen. Dit betekent dat de batterij in het voertuig blijft
en dat het voertuig moet worden geïmmobiliseerd. Deze
conceptuele verschillen schuilen achter de vraag naar de
functionaliteiten van de laadinstallatie.
Wat is de actieradius? Onder welke
omstandigheden is dit het geval? Wat is de verhouding tussen de
autonomie en de laadtijd? Hoe zal de integratie in het
straatmeubilair verlopen? Hoe zit het met de standaardisatie? Ik
heb al eens een vraag om uitleg over dit ontwerp moeten
beantwoorden. Gelukkig heeft de Europese Commissie nu een
initiatief genomen. We participeren aan dit initiatief, dat tot
een uniformisering van de oplaadinfrastructuur moet leiden. Dit
is immers een belangrijk beletsel om tot een volledig uitrol
over te gaan. We merken trouwens dat ook in andere landen wordt
gewacht tot afspraken over de standaardisatie zijn gemaakt. Het
is de bedoeling van de Europese Commissie in het voorjaar van
2011 een beslissing te nemen. Zodra we over een standaard
beschikken, zal een belangrijke hinderpaal wegvallen om voluit
in de oplaadinfrastructuur te investeren.
Wat is de levensduur en de kostprijs van de
batterijen? Wat is de impact op het leefmilieu? Hoe zit het met
de onderhoudsaspecten, zoals de veiligheid, de kostprijs en de
frequentie? Al deze onderzoeksvragen horen bij het thema
‘technologie’. Daarnaast is er ook het thema ‘energie’.
Hoe wordt de verbruikte energie aan de
verbruiker aangerekend? De elektriciteit zal niet gratis zijn.
Dit betekent dat een heel beheerssysteem moet worden uitgebouwd.
Dit moet met de elektriciteits- en de distributiemaatschappijen
worden uitgewerkt. Wat is de impact van het opladen van
elektrische voertuigen op het elektriciteitsnet en op de
elektriciteitsproductie? Is er nood aan een managementsysteem
thuis en op het werk? Al die vragen zijn uitgewerkt en leiden
tot verschillende specifieke onderzoeksprojecten. Na de
beëindiging van de inhoudelijke voorbereiding, heeft het VIM de
volgende stap gezet.
In samenwerking met het Vlaams Instituut voor de
Bevordering van het Wetenschappelijktechnologisch Onderzoek in
de Industrie (IWT) is een concept uitgewerkt dat aan de
inhoudelijke vereisten en verwachtingen van de Vlaamse
stakeholders beantwoordt. De houding tegenover de international
property rights (IPR) is aangepast. We hebben nog nooit eerder
met een proeftuinmodel op deze schaal gewerkt. Dit concept is
nooit echt uitgewerkt. In het licht van de open innovatie moet
met veel partners worden samengewerkt. Die partners hebben er
geen probleem mee bepaalde informatie te delen.
Andere onderzoeksvragen zijn echter zeer
specifiek en vertrouwelijk. Aangezien de partners niet alles
willen delen, moeten we heel specifieke IPR uitwerken. Een
concept om tegelijkertijd met zo veel mensen en zo veel belangen
een onderzoeksproject in een proeftuin uit te voeren, bevond
zich niet in ons instrumentarium. Dat kost tijd. Ik ben even
ongeduldig als de vraagstellers. Ik kan enkel vaststellen dat
het IWT en de verschillende partners tijd nodig hebben om dit
allemaal uit te werken.
Bovendien moet deze regeling passen in de
aanmelding bij de Europese steunkaders. We moeten een aangepast
projectbeheer en uiteraard ook de nodige financiering zoeken.
Wat de aanpak van de proeftuin en de financiering betreft, zijn
we klaar. Het IWT heeft een voorstel van beslissing voorbereid.
Het voorbereidend traject wordt afgewerkt. Ik verwacht dit
voorstel van beslissing in de loop van de komende weken aan de
Vlaamse Regering te kunnen voorleggen. Zodra de onderzoeksvragen
op basis van de stakeholderbevraging zijn gedefinieerd en het
concept is uitgewerkt waarbinnen de partners kunnen werken,
kunnen we de voorbereidende fase afsluiten en naar de volgende
fase gaan. Dit is de call ten aanzien van de verschillende
partners, die vervolgens deelprojecten kunnen indienen.
De aanpak en de financiering van de proeftuinen
staan in de ontwerpnota voor de Vlaamse Regering. De
legislatieve procedures, afspraken en overeenkomsten betreffende
de oprichting van een innovatieplatform waarbinnen
hoogtechnologische bedrijven met gebruik van gemeenschappelijke
infrastructuur onderzoek uitvoeren, is relatief nieuw.
De Vlaamse Regering kan niet snel een budget
vrijmaken. We hebben trou wens al 12 miljoen euro vrijgemaakt.
We kunnen dat geld niet zo maar gebruiken om een aantal
elektrische voertuigen aan te kopen en te laten rijden. Op die
manier zouden we onze ambitieuze doelstellingen niet bereiken.
We zouden de verschillende partners geen duidelijk antwoord op
hun onderzoeksvragen kunnen geven.
Ik deel het ongeduld van de vorige sprekers. Ik
ben zelf ook ongeduldig. Om de wetenschappelijke innovatie en de
participerende partners maximaal te laten renderen, moeten we,
spijtig genoeg, heel dit voorbereidend traject doorlopen. Ik wil
ook even naar de middelen kijken. We hebben ondertussen 12
miljoen euro voor de specifieke kosten van de proeftuin
opzijgezet. We hebben tevens 12 miljoen euro vrijgemaakt voor al
de onderzoeksprojecten die in het bestaande kader van Flanders’
DRIVE met verschillende bedrijven aan de gang zijn. Daarnaast
heeft het IWT 6 miljoen euro gereserveerd voor de klassieke
onderzoeksprojecten. Bedrijven als Umicore en Volvo hebben langs
de klassieke weg specifieke onderzoeksprojecten voor hun eigen
bedrijf ingediend. Die projecten passen binnen de algemene
doelstelling de elektrische voertuigen en de innovatie te
stimuleren.
Ik heb het departement de opdracht gegeven een
globaal actieplan uit te werken. Hierin moet duidelijk worden
hoe we elektrische voertuigen binnen de verschillende
beleidsdomeinen kunnen stimuleren. Het is niet enkel een kwestie
van technologische innovatie. Die innovatie moet ook naar de
verschillende beleidsdomeinen worden vertaald. Daarnaast moeten
we incentives geven. Het departement is hiermee bezig.
Ik heb al een aantal suggesties inzake het
beleid van de Vlaamse Regering gekregen. Die suggesties moeten
nog in het actieplan worden opgenomen. De Vlaamse overheid zou
als aankoper voorbeeldgedrag moeten tonen. Zodra elektrische
voertuigen effectief op de markt aanwezig zijn en er wat
concurrentie is ontstaan, moet de Vlaamse overheid voor
elektrische voertuigen kiezen. Een andere suggestie betreft de
innovatieve aanbestedingen. Dit model kan zeker worden gebruikt.
Hetzelfde geldt voor het batterijwaarborgfonds. Al die
waardevolle suggesties houden verband met de onderzoeksvragen en
moeten in het actieplan worden vertaald.
Ik heb gisteren al verklaard dat we ook eens
naar de vergroening van onze belasting op inverkeerstelling
moeten kijken. Het regeerakkoord stelt dat de Vlaamse Regering
aan een hervorming zal werken. Momenteel vindt volop overleg
tussen de kabinetten plaats. We moeten een goede fasering
ontwikkelen. We moeten de mensen stimuleren hun aankoopgedrag te
vergroenen. Daarnaast moeten we ook rekening met de markt
houden. De mensen moeten de kans krijgen hun gedrag aan te
passen. Er moet ook een sociale correctie komen. Het meest
logische gevolg lijkt me een nultarief voor de groenste auto.
Dit moet uiteraard in het licht van het uiteindelijke
gemeenschappelijke voorstel worden bediscussieerd.
De voorzitter: De heer Van den Heuvel
heeft het woord.
De heer Koen Van den Heuvel: Ik dank de
minister voor haar antwoord. Het lijkt me duidelijk dat deze
commissie de minister echt aanmoedigt hier met grote spoed werk
van te maken. De andere laden staan ook niet stil. Ik vermoed
dat we verschillende sporen moeten bewandelen. We moeten het
niet enkel met, maar zeker ook niet zonder, de harde industrie
proberen. We moeten ook oog voor de consument hebben. Dit alles
moet er samen toe leiden dat de elektrische wagen een succes
wordt en dat de puzzelstukjes samen een mooi beeld opleveren.
We hebben een aantal mijlpalen achter de rug. De
studie van het VIM is afgewerkt. Ik hoop dat de commissie
hiervan in kennis zal worden geteld. Ik hoop tevens dat de call
van het IWT snel kan volgen.
De voorzitter: De heer Watteeuw heeft het
woord.
De heer Filip Watteeuw: Ik dank de
minister voor haar antwoord. We hebben nu zicht op de stand van
zaken. Ik vraag me wel af of de mensen die hier vorige week
aanwezig waren, de heer Vandeputte van Umicore, de heer Semeese
van Volvo en de heer Schaeffer van de VITO, met dit antwoord
tevreden zouden zijn. Ik vrees er enigszins voor. Ik heb de
minister vooral over onderzoeksvragen en over een plan horen
spreken. Ik merk dat er veel goede wil aanwezig is. Hun vraag
was echter veel duidelijker. Ze vinden dat er snel keuzes moeten
worden gemaakt. De heer Vandeputte heeft het volgende verklaard:
“We zijn als land veel te klein om geen keuzes te maken.”
Op het vlak van de duurzame mobiliteit zitten we
eigenlijk wat in de marge te morrelen. Ik vind de voorstellen
van de minister inzake fiscaliteit op zich goede voorstellen.
Dat is echter niet de essentie. De essentie is de keuze van het
model dat we naar voren willen schuiven. Het moet allemaal
sneller gaan. Ik merk dat de overige commissieleden dit ook
belangrijk vinden. Deze commissie zal de minister dan ook
blijven aansporen om sneller vooruit te gaan.
De voorzitter: De heer Diependaele heeft
het woord.
De heer Matthias Diependaele: Ik sluit me
aan bij de twee vorige sprekers. De minister heeft al verklaard
ongeduldig te zijn. Ik wil in dit verband toch een punt naar
voren brengen. Er wordt vaak gezegd dat we het warm water niet
opnieuw moeten uitvinden. De onderzoeksvragen die de minister
heeft vermeld, zijn allemaal zeer waardevol. Ik vraag me echter
af welke vraag al niet in het boekje van minister-president
Peeters staat. Eigenlijk zijn die onderzoeksvragen al bekend. Ik
vraag me dan ook af of we voor het voorbereidend werk wel van op
nul moeten beginnen. Hierdoor verliezen we immers veel tijd.
Volgens mij moeten we sneller kunnen gaan. We moeten zeker niet
alles tweemaal doen.
De heer Filip Watteeuw: Ik wil daar even
kort op aansluiten. De heer Schaeffer heeft in zijn
uiteenzetting al veel antwoorden gegeven op vragen die de
minister net heeft vermeld. Die antwoorden moeten allicht nog
worden uitgebreid. Blijkbaar is er wel al een aanzet van
antwoord op veel onderzoeksvragen. We moeten, met andere
woorden, niet alles herbeginnen.
Mevrouw Patricia Ceysens: Ik ben het
ermee eens dat het niet gemakkelijk is. De stelling dat we dit
nog nooit eerder hebben gedaan, klopt echter niet helemaal.
Het waterstofnet was ook niet gemakkelijk. Het
ging toen ook om grote bedrijven, zoals Umicore of Solvay. We
hebben dat op 6 maanden voor elkaar gekregen. We hebben toen met
Nederland samengewerkt, wat de zaken eigenlijk niet
gemakkelijker heeft gemaakt. Hetzelfde geldt voor het netwerk
met betrekking tot de smart grid, dat nu in Waterschei zijn
beslag krijgt. Ook in dat verband hebben grote partijen moeten
samenwerken. Een ander voorbeeld is het translationeel
onderzoek. Dat was ook een kwestie van IPR. We hebben de
universiteiten, de biotechnologie, de farma-industrie en de
geneesheren rond de tafel moeten brengen. Ik heb toen ’s avonds
laat nog telefonisch te horen gekregen dat iedereen de tafel had
verlaten. Het was niet gemakkelijk hun de arm om te wringen.