Vraag om uitleg van de heer Koen Van den Heuvel, Vlaams volksvertegenwoordiger, aan mevrouw Ingrid Lieten, Vlaams minister van Innovatie, Overheidsinvesteringen, Media en Armoedebestrijding, over het uitblijven van een samenwerkingsovereenkomst tussen het FWO en de Vlaamse overheid, en de op handen zijnde evaluatie van een aantal SOC’s

3 juni 2010 

De voorzitter: De heer Van den Heuvel heeft het woord.

De heer Koen Van den Heuvel: Tijdens mijn eerste vraag heb ik al gezegd dat de evaluatie van het beleid niet ons sterkste punt is. Dit is daar misschien een kleine illustratie van. Bijna 3 jaar geleden is het Fonds Wetenschappelijk Onderzoek-Vlaanderen (FWO), een belangrijke instantie om het wetenschapsbeleid in ons land vorm te geven, geëvalueerd door het adviesbureau IDEA Consult. De beheersovereenkomst tussen de Vlaamse overheid en het FWO was afgelopen. Die overeenkomst liep van 2002 tot 2007. Het was de bedoeling om de FWO-werking te evalueren. De resultaten daarvan zouden dan worden vertaald in een nieuwe beheersovereenkomst.

Na afloop van die beheersovereenkomst in 2007 is er nog geen nieuwe beheersovereenkomst gesloten. De oude wordt dus jaarlijks ad hoc verlengd. Ik wil daar een aantal vraagtekens bij plaatsen. Hoe komt het dat de aanbevelingen van IDEA Consult nog niet hebben geleid tot een nieuwe beheersovereenkomst voor het FWO?

Om dit soort vertragingen in de toekomst te vermijden, is het misschien nuttig om regelmatig te bekijken welke beheersovereenkomsten in de nabije toekomst aflopen om zich daar beter op voor te bereiden. Ik denk dan aan een aantal beheersovereenkomsten met de Strategische Onderzoekscentra (SOC’s) die de volgende jaren aflopen. Ik heb het dan over de samenwerkingsovereenkomsten met het Interdisciplinair Instituut voor Breedband Technologie (IBBT), het Interuniversitair Micro-Elektronica Centrum (IMEC) en het Vlaams Interuniversitair Instituut voor Biotechnologie (VIB), die volgend jaar aflopen, en die met de Vlaamse Instelling voor Technologisch Onderzoek (VITO), die in 2012 afloopt. Dat betekent dat er in de nabije toekomst een evaluatie van deze vier instellingen zal plaatsvinden. Dat staat ook in de beleidsnota. Het zou interessant zijn daar duidelijke afspraken over te maken.

Minister, wat is de stand van zaken over de samenwerkingsovereenkomst die tussen het FWO en de Vlaamse Regering zal worden gesloten? Kunt u daar een correcte timing voor geven? Met welke conclusies en aanbevelingen uit de evaluatie die het FWO in 2007 onderging, zal rekening worden gehouden? Aan welke concrete punten werd er de voorbije 2 à 3 jaar gewerkt? Welke timing stelt u voorop voor de evaluatie van de beheersovereenkomsten van IBBT, IMEC, VIB en VITO? Wat is de timing voor het sluiten van een nieuwe beheersovereenkomst?

De voorzitter: Minister Lieten heeft het woord.

Minister Ingrid Lieten: De oorspronkelijke kalender om een nieuwe overeenkomst met het FWO te laten ingaan, is om diverse redenen niet haalbaar gebleken. Dit had vooral te maken met de erkenning van het FWO als een privaatrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigd agentschap (EVA) in het kader van het decreet betreffende de financiering en organisatie van het wetenschaps- en innovatiebeleid, dat op 30 april 2009 in het parlement is goedgekeurd. Dat decreet vormt de decretale basis voor het betoelagen van het FWO door de Vlaamse Gemeenschap en bevat onder meer de basis voor een uitvoerings- of financieringsbesluit en de opmaak van een samenwerkingsovereenkomst.

Tegelijk is de gelegenheid aangegrepen om het FWO voor het eerst grondig in de breedte te evalueren en te integreren in het geheel van het Vlaamse institutionele landschap van het wetenschapsbeleid. Zo werd ook rekening gehouden met de evaluatie van het instrument Odysseus dat door het FWO wordt beheerd en dat op een later tijdstip is geëvalueerd dan het FWO zelf. Het zou immers onlogisch zijn geweest een overeenkomst op te stellen die dit belangrijke instrument niet zou omvatten. Ten slotte zijn de aanpassingen eveneens geëvolueerd met de recentere vereisten die aan dergelijke overeenkomsten worden gesteld. De bijgestelde kalender streeft ernaar om de nieuwe overeenkomst nog voor het zomerreces van 2010 voor te leggen aan de Vlaamse Regering voor principiële goedkeuring, waarna de nodige adviezen kunnen worden ingewonnen. De finale goedkeuring zal dan in het najaar van 2010 kunnen worden gegeven.

Gelet op de al opgelopen vertraging zal de nieuwe overeenkomst gelden voor de periode 2011-2015. De vorige overeenkomst blijft ondertussen geldig zolang er geen nieuwe is. Aangezien het FWO al bijna alle verplichtingen van de nieuwe overeenkomst naleeft, zoals verder zal blijken, heeft deze vertraging geen noemenswaardige gevolgen. In de praktijk is immers al heel veel rekening gehouden met een aantal bijsturingen en evaluaties. Bij het opstellen van een nieuwe samenwerkingsovereenkomst werd niet enkel rekening gehouden met de resultaten van de evaluatie van het FWO zelf en de repliek van deze instelling, maar ook met die van het instrument Odysseus, met het beleidsplan dat door het FWO werd opgemaakt en met de erkenning van het FWO als een privaatrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigd agentschap.

De meest ingrijpende aanpassing is de verregaande rationalisering en vereenvoudiging van de regelgeving over het FWO en het opstellen van een gegronde decretale basis. Die zit voortaan vervat in het Innovatiedecreet van 30 april 2009. Dat decreet bevat de missie en de taken van het FWO, bepalingen in verband met de dotatie, de samenwerkingsovereenkomst, de organisatie van het toezicht en de evaluatie.

Daarnaast is er een besluit van de Vlaamse Regering in ontwerp dat een aantal zaken nader bepaalt, zoals de actiemiddelen waaraan het FWO de Vlaamse toelagen kan besteden, de onderzoekers aan wie toelagen kunnen worden verleend, kwaliteitsvereisten over de evaluatie- en selectieprocedure, bijzondere bepalingen in verband met specifieke toelagen zoals de deelname van Vlaamse onderzoekers aan onderzoek dat gebeurt aan grote internationale onderzoeksfaciliteiten, het zogenaamde ‘Big Science’-programma, het programma internationale coördinatieacties en bilaterale onderzoekssamenwerking en het Odysseusprogramma, en de bijzondere opdrachten die aan het FWO worden toegewezen.

In het ontwerp van samenwerkingsovereenkomst ten slotte worden – conform de bepalingen in het decreet – onder meer de operationele doelstellingen, de informatie- en rapportageplicht inzake de taken en financiële situatie op basis van vooraf vastgestelde beleids- en beheersrelevante indicatoren, de duur en de opzeggings- en verlengingsmogelijkheden voor de toekomst opgenomen. Bij de opmaak van de bepalingen in het Innovatiedecreet evenals van het ontwerpbesluit en het ontwerp tot samenwerkingsovereenkomst werd rekening gehouden met de aanbevelingen van de evaluatie van het FWO, maar ook met de wijzigingen die uit het beleidsplan komen.

Ik zal een beknopte bloemlezing geven in verband met de aanbevelingen. Ik zal ze ook aan de commissiesecretaris geven.

Een eerste punt gaat over de interne werking, communicatie, nationaal en internationaal beleid. De samenstelling en werking van de raad van bestuur en de verhouding tot zijn bureau werd gespecificeerd in het decreet wat betreft de vertegenwoordiging en het toezicht door de Vlaamse overheid.

De institutionalisering van het bestaande auditcomité en de vastlegging van de rol en de verplichtingen van dit auditcomité zijn statutair verankerd. Dat werd ook opgenomen in het ontwerp van samenwerkingsovereenkomst.Het risicomanagement, inspelend op onverwachte en/of verwachte ontwikkelingen aangaande dotatie en personeelsverloop, zit ook vervat in het onderdeel personeelsbeleid uit het ontwerp van die samenwerkingsovereenkomst. Het FWO heeft ondertussen een vernieuwd personeelsbeleid uitgebouwd dat aan deze opmerkingen tegemoetkomt. Financiële risicobeperking gebeurt binnen het FWO via het auditcomité, toezicht door een commissarisbedrijfsrevisor, de begrotingen en het verslag over de aangegane verbintenissen en een aangepast
personeelskorps.

Welke boodschap wordt gegeven en voor wie is die? Anderstalige communicatie is opgenomen bij de operationele doelstellingen in het ontwerp van samenwerkingsovereenkomst. Een volledige communicatiestrategie werd ondertussen door het FWO opgesteld en is voor een deel al in uitvoering.

Inzake het personeelsbeleid, zijnde een kritische factor voor het functioneren van het FWO, en waarbij een modern hrm-beleid moet worden gerealiseerd, is een ontwerp van samenwerkingsovereenkomst met een onderdeel personeelsbeleid opgenomen. Het FWO heeft echter al uitvoering gegeven aan zijn eigen beleidsplan en heeft al de facto gereageerd op de evaluatie door de uitbouw van een vernieuwd personeelsbeleid dat in grote mate geënt is op dat van de Vlaamse administratie.

Het internationaal beleid en de rol voor het FWO, de doelstellingen, de strategie als het gaat om samenwerkingsverbanden, zal uitgebreid aan bod komen in het ontwerpbesluit van de Vlaamse Regering en vormt een belangrijk deel van het beleidsplan van het FWO. De rol in verband met de beleidsontwikkeling rond fundamenteel wetenschappelijk onderzoek in Vlaanderen werd nader bepaald in het decreet.

Er waren ook een aantal opmerkingen en aanbevelingen in verband met de wetenschappelijke werking. De indeling en samenstelling van de wetenschappelijke commissies met aandacht voor de problematiek van de beoordeling van interdisciplinair en vernieuwend onderzoek wordt uitgebreid behandeld in het ontwerpbesluit van de Vlaamse Regering. Sinds 1 januari 2010 is de nieuwe indeling van de expertpanels, de vroegere wetenschappelijke commissies, een feit. De panels zijn ook volgens de nieuwe regels samengesteld. Hierbij hoort een interdisciplinair, maar ook het internationale karakter.

Vervolgens waren er opmerkingen over de looptijd en hernieuwingsmogelijkheden van de mandaten in de expertpanels. Volgens het nieuwe FWO-reglement worden de experts aangesteld voor een eenmalig hernieuwbare periode van 3 jaar. De procedure voor de selectie van de leden voor de expertpanels wordt bepaald in het ontwerpbesluit van de Vlaamse Regering. Deze regelgeving is ondertussen binnen het FWO al omgezet in reglementen en procedures.

De genderregel bij de selectie van de leden voor de expertpanels wordt ook besproken in het ontwerpbesluit van de Vlaamse Regering. Ook deze bepalingen zijn ondertussen vertaald door het FWO in reglementen en procedures binnen het FWO. De rol van het FWO bij de selectie van nieuwe leden wordt behandeld in het ontwerpbesluit van de Vlaamse Regering.

Het toegelaten taalgebruik voor de opmaak van aanvraagdossiers en de verslaggevingsverplichtingen is, conform de taalwetgeving, het Nederlands. Wel kan om redenen van hoffelijkheid en de internationalisering hiernaast ook het Engels worden gebruikt. Dat is nu gebruikelijk in alle procedures van het FWO. Het gebruik en de verdere opvolging en bijsturing van het internationale ‘peer review’-systeem komt ter sprake in het ontwerpbesluit van de Vlaamse Regering. Het FWO heeft daarin al heel wat stappen gezet. De verduidelijking en het verstrengen van de regels betreffende belangenconflicten werden al ingevoerd via de gedragscode voor de leden van de expertpanels. De regels met betrekking tot het toezicht zijn nu ook opgenomen in het decreet.

De verfijning van de selectiecriteria en -procedure en de transparante communicatie hierover staan vermeld in het ontwerpbesluit. Het FWO heeft er in het dagelijks handelen al heel wat uitvoering aan gegeven.

De rol van de universiteiten in de selectie van mandaten, onderscheid makend tussen aspiranten versus postdocs en projecten, wordt nader bepaald in het ontwerpbesluit van de regering, aangevuld met een aantal interne procedures.

De motivering van de selectiebeslissingen door het FWO en de informatie die een aanvrager moet ontvangen, wordt bepaald in het ontwerpbesluit, dat al in de praktijk is omgezet door het FWO.

Aandacht voor de ‘administratieve lasten’ in verband met de aanvraagprocedure en de verslaggevingsverplichtingen is opgenomen bij de operationele doelstellingen in een ontwerp van samenwerkingsovereenkomst. Het is echter algemeen erkend door de hele wetenschappelijke gemeenschap dat de administratieve verplichtingen in de relatie met het FWO minimaal zijn. Deze instelling is trouwens koploper in het informatiseren van deze betrekkingen en de uitwisseling van informatie. Zo zijn alle formulieren elektronisch en grotendeels online beschikbaar. Onlangs is de verantwoordingsprocedure voor onderzoeksprojecten sterk vereenvoudigd en geïnformatiseerd, zonder daarbij de controlemogelijkheden te veronachtzamen.

De aanbevelingen die werden gemaakt naar aanleiding van de evaluatie van Odysseus, werden omgezet in addendum 15 van de samenwerkingsovereenkomst van het FWO en zijn nu ook mee opgenomen in het betreffende ontwerpbesluit van de Vlaamse Regering. Meer bepaald ging het over volgende wijzigingen: het FWO organiseert periodiek een oproep en dit om de continuïteit van het Odysseusinitiatief te garanderen; bij de datum van de aanvraag wordt de verblijfstijd in België na terugkeer uit het buitenland verlaagd tot maximaal 1 jaar om zo de toegevoegde waarde van het programma te verhogen en bijgevolg ook de effectiviteit van de toelage; de internationale Odysseusjury zal voor de evaluatie van de kandidaten een beroep doen op meerdere referentenrapporten, wat een meer expliciete bepaling is dan vroeger het geval was; het FWO stelt een geanonimiseerde samenvatting van de referentenrapporten ter beschikking aan de kandidaten, iets wat nu in de praktijk ook gebeurt; het FWO staat in voor de bekendmaking van het programma in het buitenland; de minister staat in voor de evaluatie van het Odysseusinitiatief in 2013 en vervolgens vijfjaarlijks. Hierbij gaat de aandacht onder meer uit naar de transparantie van de bekendmaking en de selectie- en evaluatieprocedure bij de universiteiten, en de genderverdeling van de kandidaten. Deze bepalingen zijn nodig nu het programma niet meer eenmalig is.

Tot slot dient nog te worden vermeld dat in het ontwerp van samenwerkingsovereenkomst is opgenomen dat een van de elementen van de evaluatie een toetsing is van de mate waarin en de wijze waarop de aanbevelingen van de evaluatie door het FWO zijn geïmplementeerd. Die bepaling biedt een bijkomende garantie dat de gemaakte afspraken en aanbevelingen effectief in de praktijk worden omgezet.

Ik geef ten slotte nog de timing voor de evaluatie van de strategische onderzoekscentra. Voor IMEC, VIB en IBBT worden de evaluaties voorbereid in de eerste helft van 2010. Conform de lopende beheersovereenkomst voorzien deze evaluaties in de inschakeling van een internationaal panel van experts en een bibliometrische analyse. Bij de evaluaties zullen verder ook consultants worden ingeschakeld. De aanbesteding van de opdracht aan de consultant wordt in principe afgerond omstreeks eind september 2010. De instellingen dienen hun zelfevaluatie en ontwerp van businessplan in te dienen begin 2011. Deze stukken zullen integraal bekeken worden bij de evaluatie. De oplevering van de bibliometrische analyses betreffende de instelling wordt verwacht in het najaar van 2010.

De evaluatie door het panel van internationale experts, de ‘peer review’, dat een plaatsbezoek omvat, is gepland in het voorjaar van 2011. De exacte periode voor het plaatsbezoek zal bepaald worden in overleg met de experts. De evaluaties worden afgerond in juni 2011 zodat de onderhandelingen betreffende een nieuwe overeenkomst nog voor het eind van 2011 klaar kunnen zijn.

Het evaluatieproces met betrekking tot VITO zal analoog verlopen als de evaluatieprocessen voor de andere SOC’s, behalve dat alles ongeveer een jaar later gepland is.

De voorzitter: De heer Van den Heuvel heeft het woord.

De heer Koen Van den Heuvel: Minister, ik dank u voor uw zeer uitgebreid antwoord. Het geeft een duidelijk zicht op de manier waarop de evaluatie en de nieuwe beheersovereenkomst met het FWO is gemaakt. Het zou goed zijn een strikte timing te hanteren voor de vier SOC’s, ook al zijn de evaluatie en de aanbevelingen uit het rapport van IDEA Consult de afgelopen jaren stelselmatig ingevoerd bij het FWO. Het is echter niet de gangbare praktijk dat het 4 jaar duurt vooraleer een nieuwe beheersovereenkomst wordt afgesloten. Ik hoop dat de timing die u daarnet hebt gegeven voor de vier SOC’s wordt gehaald en dat we op die manier toch een zekere continuïteit in de werking van die centra kunnen inbouwen.

De voorzitter: Het incident is gesloten.

     
   
        2010 Koen Van den Heuvel