|
Vraag om uitleg van de heer Koen
Van den Heuvel, Vlaams volksvertegenwoordiger, aan mevrouw
Ingrid Lieten, Vlaams minister van Innovatie,
Overheidsinvesteringen, Media en Armoedebestrijding, over de
proeftuin elektrische wagens.
1 juli 2010
De voorzitter: De heer Van den Heuvel heeft het woord.
De heer Koen Van den Heuvel: Minister, op 6 januari van
dit jaar lichtte u in deze commissie de opstart van de proeftuin
voor de elektrische wagens toe, die u kort daarvoor had
aangekondigd.
U hebt toen gezegd dat we aan de start stonden van dat project
en dat de grote doelstelling is na te gaan hoe de consument zal
reageren op de invoering van de elektrische wagen, en te
bekijken in welke stimulansen de overheid kan voorzien. U hebt
gezegd dat Vlaanderen daar de voorbije jaren wat weinig aandacht
voor heeft gehad en dat met deze proeftuin wordt geprobeerd een
aantal zaken te versnellen. Verder hebt u toen weinig details
kunnen geven onder meer over de modaliteiten die deze proeftuin
zouden kenmerken.
We zijn nu 6 maanden later, en ik stel u de vraag of we wat meer
duidelijkheid kunnen krijgen onder meer over de actoren die bij
deze proeftuin zijn betrokken. De voorbije maanden hebben we in
de pers kunnen lezen en hebt u geantwoord op een vraag van de
heer Chris Janssens dat Ford Genk wellicht zou deelnemen, alsook
het bedrijf Better Place. Ook een heel aantal andere opties
betreffende het onderzoeksopzet moeten nog verder worden
uitgeklaard. Begin dit jaar hebt u gezegd dat nog niet geweten
was hoeveel elektrische wagens gevolgd zouden worden en welke
parameters en variabelen in aanmerking zouden worden genomen om
op te volgen. Ook de kostprijs en het bedrag dat de Vlaamse
Regering zou besteden om dit proefproject op de rails te zetten,
was nog niet bekend.
Nu zijn we 6 maanden later. De uitrol kan in de tweede helft van
2010 gebeuren. Ik heb een aantal vragen om meer duidelijkheid te
krijgen met betrekking tot deze proeftuin. Welke actoren zullen
worden betrokken bij de proeftuin voor de elektrische wagen, en
wat is de specifieke rol van elke partner? Wat zijn de
specifieke onderzoeksvragen? Welke parameters zullen worden
gemeten en waarom? Hoeveel elektrische wagens zullen er worden
gevolgd? Welke beslissingen met betrekking tot de besteding van
het voorziene budget werden er inmiddels genomen?
De voorzitter: Mevrouw Turan heeft het woord.
Mevrouw Güler Turan: Voorzitter, met de nieuwe
technologieën en ideeën op komst, zullen we het in deze
commissie nog dikwijls hebben over de elektrische wagen. Ik
sluit me aan bij de vragen die de heer Van den Heuvel heeft
gesteld.
Ik wilde er graag een ander aspect aan toevoegen. Vorige week
hebben we het naar aanleiding van de actuele vraag van onze
commissievoorzitter al gehad over de verkoopcijfers van
elektrische wagens die zij teleurstellend vond. Ik was zeker
niet verontwaardigd omdat ik heb geleerd dat we nog altijd in
een opstartfase en in een belangrijke innovatieve fase zitten.
We zitten nog niet in de fase dat we de elektrische wagen gaan
‘consumeren’ als ik het zo mag formuleren. Als ik de Europese
cijfers bekijk, wordt tegen 2020 verwacht dat slechts 2 percent
van het marktaandeel elektrische wagens zullen zijn. Mijnheer
Diependaele, ik herhaal deze cijfers, ik heb ze opgezocht: ze
zijn juist.
De voorzitter: 2 tot 20 percent.
Mevrouw Güler Turan: Dit zijn de Europese cijfers. Ik
denk niet dat Vlaanderen kan zeggen: wij ontwikkelen de
elektrische wagen, wij verwachten 20 percent en we gaan dat hier
alleen in Vlaanderen doen. Dat moet in een bredere context
gebeuren. Het Europese verwachtingscijfer is 2 percent tegen
2020 en 11 tot 30 percent in 2030.
De onzekerheid van de consument en bij de producent is op dit
ogenblik nog te groot om naar massaproductie en massaconsumptie
te kunnen gaan. Dat maakt dat de betaalbaarheid momenteel zelfs
niet aan de orde is. Als ik dan bekijk welke wagens aan welke
prijzen zijn verkocht, dan lijkt het me normaal dat het
marktaandeel nog aanzienlijk moet stijgen. De prijzen moeten
dalen en de technologische voordelen en de schaalvoordelen
moeten nog uitgebreid worden.
Schaalvoordelen vragen een standaardisering die er op dit
ogenblik nog niet is. Wanneer iedere producent zijn eigen
technologie en zijn eigen producten als standaard wil nemen, en
er geen harmonie is, dan denk ik dat we niet ver zullen geraken.
Elke wagen moet via één welbepaalde stekker overal opgeladen
kunnen worden. Wanneer men naar een specifiek oplaadpunt moet
gaan zonder standaardisering, dan vrees ik dat we er niet zullen
geraken.
Daarom heeft Europa hier een belangrijke rol in te spelen. Ik
ben blij vast te stellen dat uropa al een aantal initiatieven
heeft genomen. De Europese Commissie lanceerde eind april 2010
een nieuwe strategie voor schone en energiezuinige voertuigen.
In deze strategie worden er verschillende concrete en ambitieuze
Europese actiepunten bekendgemaakt om de introductie van de
elektrische wagen in Europa verder te stimuleren. Onder meer
voor wat de infrastructuur, met name de openbare oplaadpunten
betreft, geeft de commissie aan het voortouw te zullen nemen in
de samenwerking met de lidstaten op nationaal en regionaal
niveau met het oog op de opbouw van oplaad- en
bijvullingsinfrastructuur. Daarnaast zal de Europese Commissie
met de Europese Investeringsbank nagaan op welke wijze
investeringen in de opbouw van infrastructuur kunnen worden
bevorderd. Er worden dus ook middelen uitgetrokken.
Minister, hebt u sinds het lanceren van de nieuwe strategie al
contact opgenomen met de commissie om de voordelen van
Vlaanderen als proeftuin voor de elektrische wagen te
benadrukken? Nergens is de afstand tussen werk- en woonplaats zo
klein. Hebt u zicht op het soort infrastructuurinvesteringen die
de commissie wil bevorderen? Zult u dergelijke investeringen in
Vlaanderen verder stimuleren? Welke rol speelt u in de
uitwerking van de Europese standaarden? In het kader van het
Belgisch voorzitterschap van de EU lijkt het me een
opportuniteit voor u om daar een voortrekkersrol in te spelen.
De voorzitter: De heer Bothuyne heeft het woord.
De heer Robrecht Bothuyne: Dit is een heel interessante
vraag. Ik heb die ook in de plenaire vergadering al gesteld als
actuele vraag. Ik ben benieuwd naar het antwoord en vraag me af
of het zal verschillen van wat u een aantal weken geleden hebt
verteld.
Mevrouw Güler Turan: Mijn vraag was schriftelijk
ingediend voor uw actuele vraag.
De heer Robrecht Bothuyne: Ik heb twee andere concrete
vragen over dit thema. Minister, u hebt in het verleden in deze
commissie al toelichting gegeven over de plannen die u hebt met
de diverse competentiepolen die actief zijn rond dit thema. Kunt
u hierover een stand van zaken geven? Er was sprake van om een
aantal zaken samen te bekijken.
Is er een link tussen de plannen en de IWT-steun (Agentschap
voor Innovatie door Wetenschap en Technologie) die is toegekend
aan Volvo en de proeftuin elektrische voertuigen die u hebt
gelanceerd?
De voorzitter: De heer Diependaele heeft het woord.
De heer Matthias Diependaele: Die standaardisering is
inderdaad al ter sprake geweest. Daar is toen op geantwoord dat
de Europese Commissie een aantal weken geleden wel degelijk
concrete afspraken heeft gemaakt. Ik weet niet of die
standaardisering er toen al door was. Het zou interessant zijn
om dat te weten. Die standaardisering is immers de eerste
voorwaarde om verder te kunnen gaan met de productie van die
elektrische wagen.
Wat die cijfers betreft, had ik vorige week gezegd dat het over
20 percent gaat. Fedis spreekt ook over 2 tot 20 percent. Dat
zegt zeer weinig. Ik denk dat we onze ambitie hoog genoeg mogen
leggen. Als het over slechts 2 percent gaat, dan vraag ik me af
of het de moeite is om daar al die inspanningen voor te doen. 2
percent zou een flop zijn.
De voorzitter: De heer Watteeuw heeft het woord
De heer Filip Watteeuw: Wat de proeftuin elektrische
wagens betreft, zou ik willen weten of er ook oog is voor groene
stroom. In mijn voorstel van resolutie stel ik een keuze voor.
Ik vind dat daar nu al aan gedacht moet worden.
De proeftuin en de andere initiatieven zijn op zich vrij
bescheiden qua omvang. Het gaat niet om een groot programma om
de elektrische wagen ingang te doen vinden in Vlaanderen. Zijn
er plannen om daar een investeringsprogramma aan te koppelen?
Wat de infrastructuur betreft, gaat de vraag van mevrouw Turan
vooral over de Europese Commissie. Zij verwijst ook naar de
infrastructuurinvesteringen. Als men dan inderdaad naar de
Europese Commissie stapt, wordt dan ook het luik hernieuwbare
energie daarin opgenomen?
De voorzitter: De heer Janssens heeft het woord.
De heer Chris Janssens: Minister, op 24 maart heb ik in
deze commissie een vraag gesteld over de eventuele toetreding
van Ford tot de proeftuin voor de invoering van de elektrische
wagen. Ik wil daar nog even op terugkomen. Hebt u daarover nog
contact gehad met de Forddirectie of met de verantwoordelijke?
Zal Ford inderdaad deelnemen aan de proeftuin?
Intussen circuleren heel wat nog niet bevestigde verhalen over
de eventuele komst van de Mondeo naar Ford Genk. De
minister-president zei onlangs nog in de commissie dat daarover
pas eind dit jaar een definitieve beslissing valt. De productie
van de elektrische wagen kan in elk geval helpen om de
activiteit in de automobielindustrie in Vlaanderen te
verankeren. Hebt u daarover met Ford Genk of met de Europese
directie nog contact gehad?
U hebt in de commissie gezegd dat het Vlaams Instituut voor
Mobiliteit de opdracht heeft gekregen om te bekijken hoe die
proeftuinconcepten kunnen worden opgezet vanuit een
maatschappelijke benadering. Is die opdracht van het VIM
intussen volbracht? U hebt toen gezegd dat u tegen de zomer
voorstellen verwachtte met ramingen van de budgettaire gevolgen
en een beschrijving van de inhoud van de proefprojecten. Hebt u
die voorstellen intussen ontvangen van het VIM?
De voorzitter: De heer Watteeuw heeft het woord.
De heer Filip Watteeuw: Minister, de milieuorganisatie
Transport & Environment heeft op een bepaald moment aangegeven
dat de ontwikkeling van de elektrische voertuigen door
autofabrikanten wel eens een vreemd effect zou kunnen hebben
omwille van de Europese regelgeving. Het ontwikkelen van
elektrische wagens met minder uitstoot zou kunnen betekenen dat
men een soort verhoogde CO2-uitstoot voor de andere modellen kan
afkopen. Wat men wint bij het ene soort voertuig, zou dan voor
een deel worden tenietgedaan door het andere soort voertuig. Die
tegenstelling zou moeten verdwijnen.
Mevrouw Patricia Ceysens: Minister, ik heb eens gekeken
welke verklaringen over de elektrische wagen er het voorbije
jaar zijn afgelegd. Het is een nogal warrige communicatie. In
het begin hebt u naar aanleiding van een academische zitting
Flanders’ DRIVE in De Morgen en Het Belang van Limburg gezegd
dat “de Vlaamse elektrische auto uit de startblokken komt”. Dat
zijn de koppen van Vlaamse kranten, maar we gaan toch niet snel
een Vlaamse elektrische auto in elkaar steken? Dan kwam er een
proeftuin, maar dat was voor mij even verwarrend. Ik weet nog
altijd niet wat het nu is. Er zijn andere kranten die zeggen:
“De minister doekt VIM op.” Dat wordt in alle mogelijke
tonaliteiten beschreven terwijl u zegt dat het net VIM is die
een proeftuin zal moeten maken over beleving en maatschappelijke
valorisatie. Andere verklaringen waren: “Ik heb aan Flanders’
DRIVE de opdracht gegeven om een bevraging te doen. Flanders’
DRIVE is hier geweest en heeft gezegd dat ze in plaats van
oplaadpalen ook denken aan batterijwissels of een andere manier
van opladen. Als ik alles overlees en naast elkaar leg, dan
krijg ik er kop noch staart aan.
Ik heb ook de indruk dat het project ‘Proeftuin VIM’ nog niet
zomaar uit de startblokken is, maar dat er ook nog problemen
zijn met de Inspectie van Financiën. Ik las in Het Belang van
Limburg ook dat er in Hasselt iets van een proeftuin is geweest,
namelijk de bevoorrading van winkels met elektrische wagens en
elektrische fietsen. Was dat dan het proefproject? Ik kan een
map vullen met alles wat er verteld is over de elektrische
wagen, maar ik vrees dat het uiteindelijk niet veel betekent. Ik
heb althans geen tastbaar verhaal van wat in Vlaanderen de
visie, het beleid en de stand van zaken is.
Er wordt een heel jaar een hype gecreëerd rond de elektrische
auto, maar we weten nu dat er 15 elektrische auto’s zijn. Ik
begrijp het wel van de consumenten: ze zijn onbetaalbaar. Ze
liggen niet binnen het bereik van de consument. Een beleid dat
echt tot zulke auto’s wil komen, zal fiscaal moeten onderzoeken
hoe ze betaalbaar worden voor de consument.
Er beweegt natuurlijk ook iets bij private partners. Ik heb
contact opgenomen met Total, dat een plan heeft om oplaadpalen
aan zijn infrastructuur te koppelen. Dat lijkt me de juiste weg.
We openen als overheid ook geen benzinestations. De brandstof
van de toekomst zal een andere zijn dan die we vandaag
gebruiken. Het is dan ook goed dat private marktpartijen die
transitie maken. Misschien is het goed om te onderzoeken hoe men
die transitie kan maken, in plaats van veel tijd en middelen te
verliezen. Ik denk dat enige opheldering aan de orde is.
Minister Ingrid Lieten: Voorzitter, collega’s, tot nader
order ben ik jammer genoeg niet verantwoordelijk voor de
krantenkoppen. Ik zou dat wel willen en ik denk dat meerdere
politici dat wel zouden willen. Ik denk niet dat we ooit gezegd
hebben dat wij in Vlaanderen een elektrische auto gingen bouwen.
(Opmerkingen van mevrouw Patricia Ceysens)
Nee, ik denk het niet mevrouw. U zult geen enkel citaat van mij
vinden.
Wij hebben altijd gezegd dat we in Vlaanderen effectief een
inhaaloperatie moesten doen omdat er nog geen beleidslijn was en
geen initiatieven waren genomen. We zien natuurlijk de
opportuniteiten wanneer de elektrische auto zijn intrede gaat
maken in onze steden. We willen dat stimuleren. Dat is de eerste
belangrijke beleidsvraag die door ons positief wordt beoordeeld.
We moeten uiteraard blijven inzetten op zo veel mogelijk het
STOP-principe in de steden en blijven stimuleren dat de mensen
zich te voet, met de fiets en het openbaar vervoer verplaatsen.
Het is natuurlijk zeer wenselijk dat de verplaatsingen die met
de auto gebeuren, met zo duurzaam mogelijke auto’s gebeuren. De
elektrische auto is een project waar met veel publieke en
private partners aan wordt gewerkt op verschillende terreinen en
dat ons een perspectief biedt om met nul CO2-uitstoot met de
auto in de steden te rijden.
Uiteraard gaat dat niet van vandaag op morgen. De weg ernaartoe
zal heel wat opportuniteiten bieden om de bestaande auto’s al
duurzamer te maken. Daardoor alleen al is het traject naar
elektrische auto’s, zowel voor industriële vernieuwing als voor
stedelijke vernieuwing, erg belangrijk. Het is belangrijk om
erin te geloven en eraan te werken.
Hoe hebben we er tot nu toe aan gewerkt? We hebben altijd op
twee benen gewandeld. Het eerste been is de opdracht van
Flanders’ DRIVE om met de industriële partners na te gaan hoe
zij daartegenover staan en welke innovatieve projecten ze op
stapel hebben staan. Het is de bedoeling van Flanders’ DRIVE om
testomgevingen te creëren zodat men met toeleveranciers en met
de autoconstructeurs kan nagaan welke soorten
oplaadmogelijkheden er zijn. Flanders’ DRIVE is daarmee bezig en
er lopen projecten. Men zou kunnen opladen via een rail of
contactpunten in de weg. Er zijn ook projecten om na te gaan hoe
de wagens lichter kunnen worden, hoe er andere materialen kunnen
worden gebruikt zodat er minder energie moet worden gebruikt.
Die projecten lopen allemaal via Flanders’ DRIVE.
Het tweede been waarop we staan, is de proeftuin die we willen
organiseren om na te gaan hoe de overheid haar beleid verder
vorm moet geven. Proeftuinen zijn een projectvorm waarbij, met
het oog op het doorvoeren van innovaties, de interactie met de
uiteindelijke gebruiker onderzocht wordt. Omdat we zo de
behoeften en verwachtingen van die gebruiker beter leren kennen,
kan innovatie worden verbeterd en versneld. Anderzijds is het
zinvol om de eindgebruiker te overtuigen van het nut van een
innovatie door hem er in reële omstandigheden mee te laten
kennismaken. Een proeftuin is dus een gestructureerde
testomgeving waarin bedrijven of organisaties innovatieve
technologieën, producten, diensten en concepten kunnen testen
met een representatieve groep van individuen of organisaties.
Deze individuen of organisaties worden als testers ingezet in
hun bestaande eigen leef- en werkomgeving. Het doel is om de
innovatie bij te sturen en/of te versnellen of om toekomstige
noden te capteren. Essentieel in deze definitie is de
aanwezigheid van een testpopulatie in zijn eigen leef- of
werkomgeving. Hierdoor onderscheidt een proeftuin zich onder
andere van initiatieven waarbij onderzoek wordt gedaan in
labo-omstandigheden. Een proeftuin ondersteunt dus altijd
innovatie. Afhankelijk van het thema, kan de nadruk echter
liggen op respectievelijk een economische finaliteit, waarbij de
nadruk ligt op het versnellen van de innovatiecyclus ten behoeve
van bedrijven die daarmee economische meerwaarde genereren. Het
is bijvoorbeeld belangrijk om informatie over de elektrische
auto te genereren die op basis van het principe van open
innovatie ter beschikking kan worden gesteld aan alle
toeleveringsbedrijven en aan bedrijven actief in de
brandstofsector zodat ze die informatie kunnen gebruiken om hun
eigen strategie bij te stellen. Een tweede nadruk ligt op de
maatschappelijke finaliteit waarbij wordt nagegaan hoe we die
innovaties die we maatschappelijk wenselijk achten en dus willen
stimuleren, kunnen aanzwengelen. We kunnen er ook informatie uit
halen om het beleid beter te organiseren. In veel gevallen zal
een proeftuin beide finaliteiten combineren, en dit is zeker het
geval voor de proeftuin rond elektrische voertuigen.
De essentiële elementen in dergelijke proeftuin zijn dus een
infrastructuur waarop de proeven plaatsvinden, een
ondersteunende structuur, een representatieve groep van
eindgebruikers van de innovatieve producten, diensten en
concepten en de bedrijven en organisaties die deze potentiële
innovaties willen onderzoeken.
De organisatie van dit alles moet uiteraard worden gesteund door
een belangrijk aantal initiatiefnemers. De voorbereiding van de
proeftuin voor elektrische voertuigen is een – eindige –
opdracht die we aan VIM hebben gegeven en die geen belemmering
vormt voor de verdere samenwerking met de onderzoeksinstellingen
die op mobiliteitsvlak actief zijn. Die gesprekken zijn volop
bezig: hoe kunnen we de publieke middelen die we investeren in
innovatie en mobiliteit bundelen, zodat er geen versnippering
komt?
Ik hoop dat we daar binnenkort uitsluitsel over hebben. De
opdracht van VIM om de proeftuin voor te bereiden, staat los van
de finaliteit van VIM op termijn. In eerste instantie peilde VIM
bij een aantal belangrijke spelers naar de criteria waaraan deze
proeftuin volgens hen dient te voldoen om succesvol te zijn. Dat
gebeurde onder meer in vijf specifieke workshops met bedrijven
uit de automobielindustrie, de energiesector, de ICT, de
industrie die bezig is met laadinfrastructuur en de
componentenbouwerssector. Daarbij werden telkens een vijftiental
pionierbedrijven aangezocht. Die waren dan ook aanwezig.
Ook hebben al drie steden hun interesse uitgedrukt om betrokken
te worden. Ook daar zijn al gesprekken mee gevoerd. Dan zijn er
nog een aantal andere spelers die zich hebben aangemeld of waar
gesprekken mee zijn gevoerd. Dat zijn dan spelers die
hoofdzakelijk in het domein van het mobiliteitsaanbod een
bepaalde dienstverlening leveren en die daar nieuwe
opportuniteiten zien.
Grosso modo hebben op dit moment meer dan 130 partners,
bedrijven en organisaties zich gemeld. Met die 130 partners zijn
er gesprekken gevoerd. Intussen zijn er, zoals VIM aangeeft, 57
die concreet hebben aangegeven welke onderzoeksvragen zij
behandeld willen zien en welke hun inbreng en verwachtingen
zouden zijn bij die proeftuin.
Uiteraard wordt er ook gekeken naar de testpopulatie. We zitten
nu in de fase dat VIM op basis van al die gesprekken stilaan een
duidelijk zicht begint te krijgen op hoe de proeftuin zou moeten
worden uitgerold. Natuurlijk moeten de procedures bij de uitrol
van de proeftuin worden gevolgd. Dat wordt nu voorbereid met het
IWT. Er zal uiteraard een call georganiseerd moeten worden via
het IWT. De specifieke onderzoeksvragen en de details van de
testomgeving, die nu allemaal zijn voorbereid door VIM, zullen
uiteindelijk in een call worden samengevat die het IWT zal
organiseren.
Op dit ogenblik zijn er dus een aantal onderzoeksvragen
verzameld. Voorlopig zitten we met de volgende hoofdthema’s:
verplaatsingsgedrag, technologie en energie. Bij
verplaatsingsgedrag gaat het erover of er dan een wijziging komt
in het verplaatsings- en rijgedrag van de gebruiker. Waar wil de
gebruiker laden? Thuis? Op het werk? Op een publieke plaats? In
de huidige stand van de technologie is het niet zo dat, als je
aan een benzinestation passeert en even de stekker in het
stopcontact steekt, je auto in 5 minuten tijd opgeladen is. Dat
duurt uren. Er wordt op dit moment gekeken hoe dat bij de
gebruiker thuis kan en op de plaatsen waar hij zijn auto
langdurig parkeert, zoals op zijn werk of in parkeergarages.
Wat is de wederzijdse relatie tussen rijgedrag en oplaadgemak?
Welke prijsmaatregelen en incentives zijn wenselijk om de
introductie van de elektrische voertuigen effectief te
versnellen? Welk businessmodel is er mogelijk? Biedt het een
opportuniteit om meer met mobiliteitscontracten te werken?
Moeten we afstappen van het eigenaarschap van vervoersmodi en
meer gaan naar dienstencontracten waarbij je op een variabele
manier je verplaatsingen kunt inhuren, en afhankelijk van de
soort verplaatsing het juiste voertuig inhuurt? Car sharing komt
daar ook ter sprake.
Dan is er nog de hele discussie over batterijleasing. Dat is op
dit moment nog een open vraag. We zijn op dat vlak ook
afhankelijk van de constructeurs. Veel constructeurs hebben daar
verschillende opinies over. Een concept van Better Place
bijvoorbeeld vertrekt vanuit het concept dat je zou kunnen komen
tot een standaardisatie van een batterij, waardoor je van
batterij zou kunnen wisselen in bijvoorbeeld een garage of een
benzinestation. Andere constructeurs
houden die boot wat af en zeggen dat de batterijen te
merkspecifiek zijn en dat dat proces veel te fijngevoelig is en
dat je het niet zomaar kunt uitbesteden. Die discussie is dus
nog volop bezig en zou op de een of andere manier mee moeten
worden gevolgd in de proeftuin.
Wat zijn de opportuniteiten voor logistiek en zwaar vervoer,
lichte bestelwagens en koeriers? Er is effectief ook een
aanverwant projectje gelanceerd in Hasselt, mevrouw Ceysens,
maar daar zijn kleine duurzame hybride en kleine elektrische
voertuigen gebruikt. Daar werd vooral vertrokken vanuit de vraag
of je nieuwe beleveringssystemen kunt toepassen in de steden. In
de plaats van al die zware vrachtwagens die voor
just-in-timeleveringen permanent rondjes draaien in de steden en
zo de leefbaarheid verminderen, wou men kijken of het mogelijk
is om de steden te beleveren met distributiepunten buiten de
stad. De vrachtwagens leveren al hun pakketjes voor alle
handelaars daar aan, en dan wordt er verder gedistribueerd met
kleinere voertuigen, fietsen, elektrische voertuigen. Dat
project vertrok dus veeleer vanuit de vraag naar andere
distributieconcepten. VIM heeft daar ook aan meegewerkt, en
heeft van de gelegenheid gebruik gemaakt om daar ook een
elektrisch bestelwagentje te introduceren.
Het tweede hoofdstuk betreft de technologie. Daar worden de
volgende vragen geformuleerd. Welke functionaliteiten moet een
laadinstallatie hebben? Daarin past ook de discussie over
battery swap. Wat is de actieradius van die technologie? Onder
welke omstandigheden kan de actieradius verbeterd worden? Of zal
die eventueel negatief beïnvloed worden? Er is ook het punt van
de autonomie van zo’n batterij versus de laadtijd die nodig is
om ze iedere keer opnieuw op te laden. Hoe moet je de
infrastructuur in een stad dan integreren binnen het bestaande
straatmeubilair? Hoe zit het met de standaardisatie? Daar kom ik
straks op terug, mevrouw Turan. Wat is de levensduur en
kostprijs van batterijen? Wat is de impact op het leefmilieu?
Hoe gaat men met de onderhoudsaspecten omgaan, met de
veiligheid, kostprijs en frequentie?
Het derde blok heeft te maken met energie. Hoe gaan we de
verbruikte energie verrekenen naar de verbruiker? Als de
verbruiker thuis, op het werk of bij publieke laadinfrastructuur
gaat opladen, hoe moet die rekening dan worden betaald. Door
wie? Welke processen zijn daar nodig? Welke businessmodellen
staan daarachter? Wat is de impact van al die laadinstallaties
op het elektriciteitsnet en de productie? Dat gaat dan over de
‘smart grids’ en ‘smart meters’. Hoe gaan we het net beheren als
al die specifieke oplaadpunten erbij komen? Biedt dat
opportuniteiten om effectief ’s nachts te laden waardoor die
batterijen op hun beurt ook allemaal rijdende energiereservoirs
zijn? Misschien kan dat bijdragen aan het evenwicht op het
netwerk. Dat heeft in elk geval te maken met de gedragingen van
de consument. Is er nood aan managementsystemen thuis en op het
werk? De consument kan misschien zijn eigen consumptie en
kostprijs beheersen en managen. De specifieke onderzoeksopzet
zal onderwerp zijn van de voorstellen die ingewonnen worden via
de oproep.
We trachten nu heel die voorbereidende fase om te zetten in een
document, in een call die door het IWT kan worden gelanceerd. Ik
kan uiteraard nog niet zeggen hoeveel elektrische wagens zullen
worden gevolgd. Dat zal afhangen van de concrete voorstellen in
de call. Welke parameters gemeten worden, is afhankelijk van het
type onderzoeksvragen. Een paar parameters heb ik al opgenoemd.
Het zijn actieradius, oplaadtijd en dergelijke. Maar
uiteindelijk zal dit in de definitieve onderzoeksopzet duidelijk
worden.
De activiteiten die in relatie tot de proeftuinen in het
algemeen met het geplande budget kunnen worden gesubsidieerd,
passen in de toegelaten steunmechanismen zoals in de Europese
kaderregeling voorgeschreven. Dit is in Vlaanderen al
geïmplementeerd door het IWT via eerder uitgewerkte en bij
Europa aangemelde kaders, zoals het O&O-kader, het VISbesluit
(Vlaamse Innovatiesamenwerkingsbestanden) en dergelijke meer.
De hierboven geschetste principes worden verder voorbereid in
samenwerking met het VIM en het IWT, dat de call zal kunnen
lanceren. Dat is de stand van zaken betreffende de
voorbereidingen rond de proeftuin.
Mevrouw Turan, wij volgen de ontwikkeling en discussies op
Europees niveau op de voet, maar voor de positionering van
Vlaanderen als proeftuin voor de elektrische wagen kijken we wel
in de eerste plaats naar de competenties en opportuniteiten in
onze regio, en meer bepaald hoe we met deze een hefboomeffect
kunnen genereren. We waken daarbij zeker over de
representativiteit van Vlaanderen voor een breder Europa. Zoals
u zegt, het verstedelijkte gebied dat Vlaanderen is, de
verkeerscongestie die er heerst, de hoogtechnologische
competenties die er zijn bij verschillende
onderzoeksinstellingen en bedrijven en de korte
communicatiekanalen, zijn allemaal positieve elementen die
aangeven dat Vlaanderen opportuniteiten heeft om als pilootmarkt
te fungeren.
Daarom willen we van Vlaanderen een internationaal zichtbaar en
erkend innovatieecosysteem
maken voor onderzoek, ontwikkeling, testen en implementeren van
vernieuwende
mobiliteitsconcepten. De samenwerking met de nutsbedrijven,
communicatiespelers,
dienstenleveranciers, softwarehuizen en nog vele andere
ondernemingen die de voorbije
maanden zijn opgestart, biedt een hecht weefsel waardoor we op
termijn in staat zouden
moeten zijn om als biotoop te fungeren voor het nieuwe
innovatie-ecosysteem.
Zoals gemeld volgt mijn kabinet de Europese ontwikkelingen op de
voet op, bijvoorbeeld het Forum on Electro- Mobility – European
Economic and Social Committee, dat in Brussel vergadert op 30
juni. Daar is een nieuw project aangekondigd. Naar aanleiding
van die bijeenkomst heeft Europees Commissaris Tajani op 29 juni
gezegd dat de Europese standaardisatie moet worden opgestart.
Hij heeft een mandaat gegeven aan drie Europese organisaties om
zo’n Europese standaard uit te werken voor de plug-insystemen.
De drie organisaties zijn het European Committee for
Standardization, het European Committee for Electrotechnical
Standardization en het European Telecommunications Standards
Institute. Die drie zoeken nu een systeem dat voor alle soorten
elektrische voertuigen geschikt zou zijn: niet alleen auto’s,
maar ook scooters en elektrische fietsen. Het systeem zou in
alle 27 lidstaten bruikbaar moeten zijn. Tajani heeft gevraagd
om daarmee klaar te zijn midden 2011.
Dat is de meest actuele stand van zaken. We volgen dat op. We
juichen toe dat Europa het voortouw neemt omdat dat voor onze
bedrijven een meerwaarde gaat genereren. Ze kunnen hun
innovatiestrategieën daarop afstemmen. Als de timing wordt
gehandhaafd, kunnen de bedrijven zich daar al op richten. We
kunnen daar dan ook bij onze investeringsplannen om de proeftuin
te gaan uitrollen, rekening mee houden.
De voorzitter: De heer Van den Heuvel heeft het woord.
De heer Koen Van den Heuvel: Ik dank u voor uw antwoord,
minister. Ik wil alleen maar zeggen: hou het tempo erin. Dat is
de belangrijkste boodschap. Minister, u hebt een stand van zaken
gegeven. In vergelijking met 6 maanden geleden zijn er enkele
zaken uitgeklaard. Ik denk dat niemand in deze commissie het
jammer zou vinden dat het tempo verder wordt opgevoerd. De
wereld buiten Vlaanderen staat niet stil. Het is aangewezen dat
we in een stevig tempo de juiste beslissingen nemen om die
uitdaging aan te gaan.
De voorzitter: Mevrouw Turan heeft het woord.
Mevrouw Güler Turan: Minister, vandaag is duidelijk
geworden dat het laatste woord over de elektrische wagen nog
niet is gezegd. We gaan dat blijven opvolgen. Ik heb nog een
vraag over de opdracht aan de drie Europese instellingen die u
hebt opgesomd, om die standaardisatie uit te werken. Hoe zit het
met de Belgische of Vlaamse vertegenwoordiging in die
instellingen? We hebben ook bedrijven, knowhow en technologie,
waarvan onze producenten wellicht willen dat die als norm worden
aanvaard en dat daarover wordt gediscussieerd.
De voorzitter: De heer Bothuyne heeft het woord.
De heer Robrecht Bothuyne: Ik heb nog een vraag over de
IWT-call. Ik ga ervan uit dat die die worden verwacht om in te
dienen, uit de groep van 57 bedrijven en onderzoeksinstellingen
komen. Wie wordt verwacht om op die call in te tekenen? Met
welke timing wordt die call in de markt gezet?
De voorzitter: De heer Diependaele heeft het woord.
De heer Matthias Diependaele: Ik kan me niet van de
indruk ontdoen dat er nog heel veel vragen zijn en nog heel veel
werk is. Het is ook wachten op Europa en de privésector. Als de
heer Watteeuw me toelaat te verwijzen naar zijn voorstel van
resolutie, daar staan ambities in van Duitsland dat 1 miljoen
elektrische wagens wil maken tegen 2020, Spanje wil er 1 miljoen
maken tegen 2014, Nederland wil 10.000 publieke laadzuilen voor
elektrische voertuigen maken tegen 2012. Minister, als ik uw
antwoord hoor, dan denk ik dat we nog heel veel werk voor de
boeg hebben. Daar moet dringend vaart achter gezet worden, zeker
als we de leiding willen nemen in dit segment in Europa.
De voorzitter: De heer Watteeuw heeft het woord.
De heer Filip Watteeuw: We zullen het tempo inderdaad
moeten opdrijven als we willen meetellen in het verhaal van de
elektrische wagen. De ambities van andere landen zijn vrij hoog.
We moeten ook naar dat niveau gaan, maar we moeten ook de goede
keuze maken.
Minister, u hebt verwezen naar Better Place. Het is goed te
weten dat dat project niet alleen gaat over de inwisselbaarheid
van batterijen. Shai Agassi zegt dat hij altijd werkt met groene
energie. Dat is heel zijn concept. Het is dan de vraag of zo’n
bedrijf geen plaats moet krijgen in uw proeftuin. Hun kennis en
knowhow zouden de proeftuinen toch versterken.
Minister, straks komt er nog heel wat aan bod in mijn voorstel
van resolutie. Ik heb het voordeel dat uw antwoord heel
uitvoerig en interessant was. Dat maakt dat ik heel wat zaken al
niet meer moet verduidelijken. Waarvoor dank.
De voorzitter: De heer Janssens heeft het woord.
De heer Chris Janssens: Minister, u hebt heel wat vragen
beantwoord, maar niet mijn vraag over Ford Genk. Hoe zijn de
gesprekken verlopen die u 3 maanden geleden had met Ford Genk?
Hebt u al zicht op een eventuele deelname aan die proeftuin?
De voorzitter: Minister Lieten heeft het woord.
Minister Ingrid Lieten: We hebben met Better Place
contact gehad in februari en die contacten lopen verder. We
zullen zeker nagaan of ze kunnen bijdragen tot onze proeftuin.
Ook met Ford hebben we contacten gehad, vooral met mensen die
met resource and development bezig zijn. We proberen de
Ford-directie te wijzen op de opportuniteiten als ze zou meedoen
aan de proeftuin. Ze bestuderen dit dan ook. We wachten af hoe
het met de Mondeo zou gaan. Ik heb in elk geval begrepen van de
Ford-directie dat er ook een project loopt om na te gaan of er
van de Mondeo een hybride versie kan worden gemaakt. Dat zal dan
ook wel mogelijkheden bieden. Al die beslissingen moeten nog
worden genomen door de directie in Detroit. Wij kunnen alleen
maar blijven aandringen, en dat doen we ook. We hebben een
relatie met de mensen van het Research and Development Center in
Aken en Keulen.
Ik ben het ermee eens dat we er vaart achter moeten zetten. We
zijn gestart met een inhaaloefening. Er is heel veel tijd en
energie gestopt in de contacten met alle mogelijke
businesspartners en publieke organisaties. Dat loopt goed. Ik
ontwaar overal een groot enthousiasme en geloof dat er moet
worden doorgewerkt. Dat is dus positief. We plannen om dit na de
zomer te lanceren. Dan zal het ervan afhangen welke consortia
zich zullen aanbieden om welke proeftuin te organiseren. Die
kunnen dan de onderzoeksvragen, de parameters en de
kwaliteitscriteria leveren. Dat kunnen consortia zijn van
bedrijven en onderzoeksinstellingen samen. Daarop kunnen we niet
vooruitlopen, maar het zal iets van die aard zijn.
We zullen daar geregeld over moeten spreken omdat het project
zo’n effect heeft op heel veel aanverwante plekken, op ons
energiebeleid, op de organisatie van onze steden en op ons
mobiliteitsbeleid. Er zal nog veel eten en drinken zijn in de
komende tijd.
Mevrouw Patricia Ceysens: Mij is nog altijd iets niet
duidelijk. U zei in december: “Vlaams minister van Innovatie
Ingrid Lieten maakte gisteren 400.000 euro vrij voor de
opstartfase van de experimenten.” Ik neem aan dat dat bedrag
naar VIM is gegaan voor het voorschrijven van de IWT-call. Het
is de IWT-call die de proeftuin zal zijn.
Minister Ingrid Lieten: De opdracht van het VIM is het
voorbereidend traject naar de proeftuin. Het VIM heeft met al
die organisaties contact genomen, heeft veel studie en analyse
gedaan en zal de paper om de call te organiseren, kant-en-klaar
moeten afleveren.
Mevrouw Patricia Ceysens: Flanders’ DRIVE is de echte
technologische component waar de economische valorisatie zal
gebeuren. Ik hoor u alleen verwijzen naar de projecten die er
vorige legislatuur al waren zoals de lichtere deuren en alles
wat Flanders’ DRIVE hier is komen voorstellen.
De voorzitter: Het incident is gesloten. |