|
Vraag om uitleg van de heer Koen
Van den Heuvel, Vlaams volksvertegenwoordiger, aan mevrouw
Ingrid Lieten, Vlaams minister van Innovatie,
Overheidsinvesteringen, Media en Armoedebestrijding, over de
opvolging en uitvoering van de beleidsaanbevelingen in het
rapport Soete
3 juni 2010
De voorzitter: De heer Van
den Heuvel heeft het woord.
De heer Koen Van den Heuvel:
Voorzitter, minister, ik heb een vraag over het rapport-Soete.
Het is in deze commissie geen onbekend document. Het is intussen
een 3-tal jaar oud. We hebben in deze commissie en zelfs in de
plenaire vergadering al verschillende keren kunnen discussiëren,
zeker toen het rapport werd gepubliceerd, over de analyse en
aanbevelingen van de commissie-Soete betreffende het Vlaamse
innovatie-instrumentarium. Het feit dat de aanbevelingen van de
commissie-Soete veelvuldig worden aangehaald, garandeert echter
nog geen daadwerkelijke opvolging. Als experts tijd en moeite
investeren in een diepgaande analyse, is het aan de politici om
te verzekeren dat er met die beleidsaanbevelingen iets
waardevols gebeurt.
In uw beleidsnota Wetenschappelijk Onderzoek en Innovatie
verwijst u naar het rapport-Soete en erkent u de noodzaak om het
bestaande instrumentarium te stroomlijnen en te vereenvoudigen,
en om het innovatietraject zoals door de commissie-Soete
aangehaald, te verbreden en verlengen. Ik zou vandaag graag een
stand van zaken krijgen van de uitvoering van de aanbevelingen
van het rapport-Soete. Ik zou graag weten in hoeverre u dat
concreet wilt vertalen in het beleid.
De vorige ministers, zowel Moerman als Ceysens, hebben ook heel
uitdrukkelijk gezegd dat ze achter de aanbevelingen stonden. We
hebben nog niet de gelegenheid gehad om ook met u van gedachten
te wisselen over het rapport-Soete en de analyse en
beleidsaanbevelingen. Het zou goed zijn uw appreciatie van het
rapport te kennen.
In welke mate vormt het rapport-Soete en de concrete
beleidsaanbevelingen een leidraad voor uw beleid met betrekking
tot het innovatie-instrumentarium? Wat is er tot op heden
concreet gebeurd om tegemoet te komen aan de verschillende
beleidsaanbevelingen uit het rapport? Welke resultaten heeft dit
opgeleverd? Welke nieuwe beleidsinitiatieven, of bijsturingen
van huidig beleid, staan er op het programma om aan de
beleidsaanbevelingen in het rapport-Soete tegemoet te komen?
De voorzitter: De heer Van Malderen heeft het woord.
De heer Bart Van Malderen: Ik sluit me aan bij de vraag.
Ik heb enkele bedenkingen. Zoals de heer Van den Heuvel zegt, is
het rapport 3 jaar oud. Intussen hebben we een financiële en
economische crisis doorgemaakt. Die had consequenties voor de
Vlaamse Regering. We moeten er rekening mee houden dat het
rapport-Soete in een heel andere sfeer en omstandigheden tot
stand kwam. Een aantal aanbevelingen gelden natuurlijk nog
altijd, maar de wereld is veranderd sinds het najaar van 2008.
Dat moet u in rekening brengen bij de appreciatie.
Het rapport pleit voor synergie, verruiming en
internationalisering. Het roept op om het instrumentarium meer
op elkaar af te stemmen, om complementariteit te zoeken en
synergieën op te bouwen. Er zijn initiatieven genomen in die
richting. Die inzet hebben we in de beleidsnota teruggevonden.
Dat blijkt ook uit de discussies hier.
Er is wat werk aan de winkel inzake competentiepolen. Het is een
traditie, ik wil niet te kort door de bocht gaan, maar bijna
iedere minister moest per definitie een competentiepool
oprichten. Met het Medisch Centrum Vlaanderen wordt er nu voor
een andere aanpak gekozen. Er worden lichtere structuren en
programma’s opgezet, eerder dan instellingen en overheid.
Ik heb een vraag bij de verruiming als aanbeveling. In het
verleden werd innovatie heel vaak gezien als technische
innovatie. Het was een zaak van mensen in een labo met witte
jassen. Intussen hebben we geleerd dat er ook sociale innovatie
bestaat. Er is Flanders Synergy gekomen, dat de
arbeidsorganisatie bekijkt. Er is de regiegroep rond sociale
innovatie. Kunnen we daar meer informatie over krijgen? Dat
lijkt me een aspect van die noodzakelijke verruiming.
Ten slotte een kritische noot ten opzichte van het rapport en de
werkgroep. Ik weet niet of dat mag, want de groep- Soete wordt
hier bijna heilig verklaard. Volgens het rapport-Soete moet ons
innovatie-instrumentarium internationaliseren. Ik denk dat de
klemtoon hier verkeerd ligt. Onze economie moet internationaler
worden. Onze kmo’s moeten de weg naar het buitenland vinden.
Eigenlijk ben ik ervan overtuigd dat heel wat van onze
onderzoeksinstellingen vandaag al heel internationaal bezig
zijn. Ik denk dat het probleem zich veeleer bevindt in de
vertaalslag van economische projecten dan wel van innovatieve
projecten.
Minister, is het mogelijk om een overzicht te krijgen van wat
vandaag op het terrein de realiteit is inzake internationale
projecten die onze onderzoeksinstellingen opzetten? Ik ben het
er grif mee eens dat te weinig van onze kmo’s überhaupt bezig
zijn met innovatie en uitbreiding. Maar dat onze
onderzoeksinstellingen niet internationaal bezig zouden zijn …
Er is ook zoiets als voortschrijdend inzicht. Ik ben er intussen
van overtuigd dat dit niet echt klopt.
De voorzitter: Mevrouw Peeters heeft het woord.
Mevrouw Lydia Peeters: Dit is een terechte vraag. Het
rapport-Soete is nog geen 3 jaar oud. Het dateert van eind 2007.
Het is in 2009 besproken in deze commissie. Er zijn een aantal
heel terechte aanbevelingen en bedenkingen opgenomen in het
verslag van professor Soete. Zo is de aantrekkingskracht van
Vlaanderen op de internationale onderzoeksmarkt een zorgpunt. Is
daar al iets concreet voor gebeurd? Gisteren was er in de
plenaire vergadering een actuele vraag over het feit dat minder
buitenlandse investeerders Vlaanderen opzoeken. Wallonië beent
ons stilaan bij op dat vlak. Wat België betreft, scoren we nog
altijd vrij goed. We staan nu op de zesde plaats. Toch moeten we
daar de nodige aandacht aan besteden. Mijn vraag is dan ook wat
er al concreet is gedaan met die aanbevelingen, en dan zeker met
de aanbeveling over de verruimingskracht naar de internationale
markten.
De voorzitter: Minister Lieten heeft het woord.
Minister Ingrid Lieten: Het spreekt voor zich dat
rekening wordt gehouden met de aanbevelingen en uitdagingen uit
het rapport-Soete, ook in de huidige Vlaamse beleidsvorming.
Zoals de heer Van Malderen zegt, moet ook rekening worden
gehouden met de gewijzigde economische context sinds 2007. Ik
heb het dan onder meer over de nood aan crisismaatregelen en de
Europese agenda voor onderzoek en innovatie die steeds meer op
de voorgrond treedt en die mee richting geeft aan de invulling
van de Vlaamse beleidsagenda. In het rapport-Soete van november
2007 staan vijf hoofdaanbevelingen. In de eerste aanbeveling
staat dat een onderbouwde beleidsvisie nodig is, gericht op de
langetermijnontwikkeling van het Vlaamse instrumentarium. Die
moet erop gericht zijn bestaande initiatieven in te bedden en
nieuwe maatregelen te integreren.
Sommige bestaande innovatie-instrumenten werden meer
gestroomlijnd, onder meer de steunmaatregel kmo-portefeuille die
door het Agentschap Ondernemen (AO) wordt beheerd. Het
kmo-programma van het Agentschap voor Innovatie door Wetenschap
en Technologie (IWT) werd geïntegreerd in die kmo-portefeuille
met het oog op vereenvoudiging voor de kmo’s. Hierdoor kunnen
kmo’s nu gemakkelijker een beroep doen op innovatieadvies via de
elektronische kmo-portefeuille.
Onder de nieuwe maatregelen kan onder meer het in 2008
gelanceerde actieplan ‘Innovatief Aanbesteden’ worden gerekend,
dat tot doel heeft de overheid als klant van innovatieve
producten en diensten een meer proactieve en strategisch
anticiperende rol in innovatie te laten vervullen. Het eerste
project ‘e-boekplatform’ werd intussen gelanceerd. Het Vlaamse
innovatie-instrumentarium is volledig maar complex,
ondoorzichtig en weinig gebruiksvriendelijk. Daarom is een
grondige administratieve vereenvoudiging nodig en moeten er
visualiseringsmaatregelen worden genomen.
Als krachtlijn voor het beleid wordt in het rapport-Soete
gestreefd naar een open, transparant en vereenvoudigd eco-
innovatiesysteem. Hier is onder meer al vorm aan gegeven via de
agentschappen, met name door een rationalisatie en realisatie
van synergieën voor meer efficiëntie in het beleid.
De externe verzelfstandiging van de agentschappen IWT en het
Fonds Wetenschappelijk Onderzoek (FWO), verankerd in het decreet
betreffende de organisatie en financiering van het innovatie- en
wetenschapsbeleid, schept de nodige structurele voorwaarden voor
een beter bestuurlijk beleid dat kan tegemoetkomen aan onder
meer de efficiëntienoden zoals geformuleerd in het rapport-Soete.
Het maakt het ook mogelijk om tot een meer slagvaardige overheid
te komen.
Binnen het IWT worden een aantal zaken voorbereid om de
versnippering van het Vlaamse innovatielandschap tegen te gaan.
Er wordt een voorstel uitgewerkt om de aanpak en het landschap
van de competentiepolen te stroomlijnen. Daarbij wordt gestreefd
naar een vereenvoudiging en consolidatie van het huidige
landschap en het vermijden van steeds maar nieuwe bijkomende
structuren in de toekomst. Men is ook bezig met de bijsturing
van het VIS- programma (Vlaams InnovatieSamenwerkingsverband)
via de lancering van VIStrajecten ter vervanging van de huidige
projecten Thematische Innovatiestimulering (TIS), Technologische
Dienstverlening (TD) en Collectief Onderzoek (CO). Dit moet
leiden tot een meer gefocuste en resultaatgerichte aanpak
gericht op innovatie. Men is ook bezig met de versterking van de
rol van de innovatiecentra als frontoffice voor het IWT en als
navigator in het Vlaams Innovatie Netwerk (VIN) voor de periode
2011-2014.
Wat de administratieve vereenvoudiging betreft, worden vanuit
het IWT een aantal initiatieven genomen. Zo is er de hervorming
van de IWT-website, afgerond vorige zomer, die de aanvrager nu
op een gebruiksvriendelijke manier de weg wijst. Daarnaast is er
de vereenvoudiging van de administratie door een systeem van
elektronisch projectbeheer dat in ontwikkeling is. De eerste
stappen zullen dit najaar worden gezet. Indien de nodige
middelen beschikbaar zijn, wordt het systeem in de loop van de
komende 2 jaar uitgerold. De derde aanbeveling luidt dat het
Vlaams innovatie- instrumentarium nood heeft aan evaluatie- en
correctiemechanismen.
Ter vervanging en administratieve vereenvoudiging van de
vroegere interdisciplinaire samenwerkingsprojecten met
bedrijven, de GBO-projecten, zijn recent de oproepen voor het
Interdisciplinair Collectief Onderzoek (ICON) in het leven
geroepen. In het kader van deze oproepen werken een aantal
strategische onderzoekscentra (SOC’s) en competentiepolen, met
name het Interdisciplinair Instituut voor Breedbandtechnologie (IBBT),
het Strategisch Initiatief Materiaal (SIM) en het Milieu- en
Energietechnologie-innovatieplatform (MIP), nauw samen met het
IWT om tot een geïntegreerd evaluatiemechanisme te komen. De
interne evaluaties door de SOC’s, de competentiepolen en het IWT
worden door het IWT in een enkele evaluatieprocedure
samengebracht.
Concreet maakt dit het de bedrijven die aan de voorwaarden van
het IWT voldoen, mogelijk door middel van een enkele
indieningsprocedure bij een SOC of een competentiepool een
aanvraag voor de ondersteuning van een ICON- project door het
IWT in te dienen. De afzonderlijke steunaanvragen van bedrijven
en van SOC’s worden in een aantal domeinen in een ICON-procedure
geïntegreerd.
De vierde aanbeveling luidt dat het innovatietraject in
Vlaanderen aan verruiming en internationalisering toe is.
Mevrouw Peeters heeft hier trouwens ook naar verwezen. We
leveren inspanningen om het begrip innovatie een bredere
invulling te geven. Het gaat, zoals de heer Van Malderen heeft
vermeld, onder meer om de uitbreiding naar diensten en naar
niet-technologische innovatie. Het is de bedoeling het
instrumentarium verder te internationaliseren.
Binnen het beleidsdomein Wetenschap en Innovatie worden
inspanningen geleverd om het begrip innovatie een bredere
invulling te geven. We verlenen steun aan de competentiepool
Flanders InShape, die het industrieel ontwerp en design als
focus heeft. Recent hebben we ook steun verleend aan Flanders
Synergy, een competentiepool die zich op een innovatieve
arbeidsorganisatie focust. Momenteel wordt in de schoot van de
VRWI een innovatieregiegroep ‘sociale innovatie’ opgericht. Die
regiegroep moet op middellange termijn een innovatieagenda voor
dit domein uitwerken. Ik heb de VRWI gevraagd om die regiegroep
op te richten. Dit is volop aan de gang.
De regionale innovatiecentra plannen een integratie van de
ondersteuning aan innovatie in de dienstensector in hun
dienstenpakket. Tevens wordt nagegaan hoe het instrumentarium
verder kan worden geïnternationaliseerd. Om de internationale
dimensie te stimuleren, worden de oproepen in verband met de
thematische innovatiestimulering van het IWT ingebed in Europese
projecten, de pro-INNO-projecten.
Sommige bevindingen in het rapport-Soete moeten overigens worden
genuanceerd. Zo is het Vlaams innovatiesysteem volgens het
rapport onvoldoende internationaal. Hierbij wordt zelfs het
woord ‘provincialistisch’ gebruikt. Dat die omschrijving
onterecht is, blijkt uit de talrijke internationale netwerken
voor de toekenning van grensoverschrijdende steun waar het IWT
deel van uitmaakt. Door middel van verschillende
steunprogramma’s neemt het IWT deel aan verschillende netwerken
van het European Research Area-NET (ERA-NET). Binnen deze
netwerken wordt steun door de lidstaten toegekend en de
coördinatie door de EU gefinancierd. Het is de bedoeling de
nationale programma’s op deze manier beter op elkaar af te
stemmen. Het aantal ingediende projecten met Vlaamse partners
binnen deze netwerken is gestegen van 12 in 2006 tot 31 in 2009.
In 2009 bedroeg de toegekende steun 4 miljoen euro.
Door middel van bedrijfssteun neemt het IWT ook deel aan
intergouvernementele initiatieven als Eureka en aan door de EU
in het leven geroepen initiatieven, zoals de zogenaamde ‘artikel
169-netwerken’ en de joint technology initiatives (JTI’s). In
2009 is ondersteuning toegekend aan elf bedrijfsprojecten in de
informatie- en communicatietechnologieclusters van Eureka, aan
twee bedrijfsprojecten in de bottom-upaanpak van Eureka, aan
twee bedrijfsprojecten in de artikel 169-netwerken en aan acht
bedrijfsprojecten in de JTI’s.
Heel wat programma’s van het IWT bieden de mogelijkheid met
buitenlandse actoren samen te werken. De programma’s strategisch
basisonderzoek (SBO) en toegepast biomedisch onderzoek (TBM)
richten zich tot onderzoeksorganisaties. Buitenlandse actoren
kunnen als contractant deelnemen. Buitenlandse bedrijven kunnen
als onderaannemer van een Vlaamse contractant aan het programma
voor bedrijfssteun deelnemen. Voor deze drie programma’s wordt
ongeveer 45 miljoen euro toegekend aan projecten die op deze
manier met groepen buiten Vlaanderen samenwerken.
Uiteindelijk moeten we opmerken dat de valorisatie van de
resultaten voor de totaliteit van alle door het IWT toegekende
bedrijfssteun in termen van economische toegevoegde waarde voor
75 percent van de bedrijfsprojecten buiten het Vlaamse Gewest
plaatsvindt. De vijfde aanbeveling luidt dat het Vlaams
innovatie-instrumentarium aan de specifieke vragen en noden van
de kmo’s moet worden aangepast.
De aandacht voor kmo’s is en blijft een leidraad in de
beleidsontwikkeling. Hierbij wordt eveneens aandacht geschonken
aan de kleine kmo’s. Ik verwijs in dit verband naar de
vooruitzichten in de beleidsnota. Het is de bedoeling de
steunformules zo aantrekkelijk mogelijk te maken.
Ik verwijs in dit verband ook naar het antwoord dat ik heb
gegeven op vraag om uitleg 2051 over de innovatiesteun aan kmo’s.
Ik heb toen verklaard dat het kmo-programma van het IWT begin
2009 ingrijpend is geheroriënteerd. In datzelfde jaar, in volle
crisisperiode, is in het licht van dit programma aan 324
verschillende bedrijven 22 miljoen euro steun toegekend. In
vergelijking met de voorgaande jaren is dit een groei met een
derde. Hieruit blijkt dat de doorgevoerde vereenvoudigingen de
toegankelijkheid ten goede zijn gekomen. We hebben niet enkel
het kmo- programma, dat steun verleent aan innovatieprojecten
binnen kmo’s, aangepast. We hebben tevens het VIS-programma
bijgestuurd. De subsidies die in het kader van het VIS-programma
zijn verleend, zijn gericht op de ondersteuning van activiteiten
in verband met collectief onderzoek, technologisch advies en
innovatiestimulering ten bate van een collectief van bedrijven.
Ze zijn vooral gericht op de innovatieondersteuning voor kmo’s
en voor bedrijven die slechts een beperkte of geen eigen
onderzoekscapaciteit hebben. De evolutie in de richting van
VIS-trajecten is ingegeven door de doelstelling meer bedrijven,
in het bijzonder kmo’s, te laten innoveren en te laten groeien.
De VIS-trajecten zouden ons in staat moeten stellen met de
beschikbare middelen meer en sneller resultaten te behalen.
Wegens de dreigende versnippering ten gevolge van het gebrek aan
kritische massa van een aantal competentiepolen staat de
groepering van de kleinere intermediaire actoren hoog op de
agenda. Dit staat tevens in de beleidsnota. Daarnaast wil ik ook
verwijzen naar drie initiatieven die de voorbije maanden in
samenwerking met minister-president Peeters zijn ontwikkeld.
Op de eerste plaats staat de Staten-Generaal voor de Industrie,
waar we toch ook proberen om met een meer gecoördineerde aanpak
de relatie met de industriële sectoren die voor ons land
belangrijk zijn, aan te pakken. Ook daar vertrekken we vanuit
innovatie en we bekijken hoe in de waardeketen een meerwaarde
kan worden gerealiseerd.
In de tweede plaats wil ik verwijzen naar de opdrachten die we
aan de VRWI geven om inzake de speerpuntclusters, die ook, toch
al voor een stukje, heel duidelijk in het rapport-Soete naar
voren werden geschoven, samen met de sector
middellangetermijnagenda’s op te maken zodat we die in de
toekomst ook meer als kader kunnen gebruiken om toch zeker de
overheidsmiddelen die we gebruiken in het innovatielandschap,
een beetje meer gecoördineerd en gericht in te zetten op die
speerpunten.
Ten laatste wil ik ook verwijzen naar ons nieuwste initiatief,
dat ik samen met ministerpresident Peeters heb genomen, inzake
het Transformatie, Innovatie en Acceleratie Fonds (TINA-fonds)
en waarbij we ook zeggen dat we middelen willen vrijmaken voor
participaties in projecten die voor een stuk hun oorsprong
vinden in die middellangetermijnagenda’s, maar die ook moeten
worden ingediend door consortia van bedrijven die in een sector
gemeenschappelijk een aantal stappen vooruit willen zetten in de
innovatieagenda om zo toch ook te kunnen aanklampen bij nieuwe
technologieën en processen die in de sector noodzakelijk zijn om
te overleven en om te groeien.
Dit zijn dus een aantal beleidsmaatregelen die we recentelijk op
de sporen hebben gezet, maar die allemaal voor een stuk hun
inspiratie vinden in een aantal aanbevelingen die in het
rapport-Soete naar voren werden geschoven.
De voorzitter: De heer Van den Heuvel heeft het woord.
De heer Koen Van den Heuvel: Voorzitter, minister, ik
dank u voor uw antwoord. U gaf inderdaad een overzicht van een
aantal speerpunten of hoofdaanbevelingen van het rapport-Soete
en op het einde gaf u ook een kort resumé van wat er de voorbije
maanden is gebeurd. Over het TINA-fonds zouden we nog een hele
discussie kunnen voeren, maar dat is nu niet de bedoeling.
Wat ik bij het rapport-Soete vooral heb onthouden, en u hebt dat
daarnet ook zo samengevat, is: evaluatie en vereenvoudiging. In
Nederland gebeurt dan veel meer, niet alleen in het
innovatiebeleid, maar voor het totale beleid. Er is daar veel
meer een evaluatiecultuur. In België en Vlaanderen kennen we
veel minder de cultuur om het beleid te durven evalueren. Is het
beleid efficiënt en effectief? Ik meen dat Soete daar terecht op
alludeerde.
Ik vraag me dan ook af of we niet nog een stapje verder moeten
gaan en streven naar evaluatie om het dan echt correct te kunnen
vereenvoudigen. De Staten-Generaal en ook uw
innovatieregiegroepen zijn initiatieven die er nog eens bij
komen om een aantal zaken die te complex zijn, op de rails te
houden: er wordt dus alweer een gebouwtje bijgebouwd om te
coördineren, om de diverse instrumenten die er zijn op dezelfde
lijn te krijgen. Dat in de regiegroepen de langetermijnvisie
wordt geformuleerd, is een goed initiatief, maar in de toekomst
moeten we er echt over waken dat alle andere instrumenten die de
voorbije jaren werden gecreëerd, echt speerpunten worden in de
uitvoering van die langetermijnvisie. Ik denk echt dat daarover
gewaakt moet worden. Een van de items waar we bijvoorbeeld op
moeten inzetten, is de groene wagen, maar als we dan zien
hoeveel verschillende instanties zich daar al mee bezig beginnen
te houden, heb ik soms schrik dat we een aantal zaken te veel
versnipperen in plaats van ze echt te clusteren in één instantie
zoals Flanders’ DRIVE of een andere organisatie.
Vandaar, minister, dat ik wil aanmoedigen om concrete actie te
ondernemen, niet zozeer om overkoepelende nieuwe strategieën te
ontwikkelen, maar ook om wat er bestaat in de
langetermijnstrategie in te passen en er een concreet actiepunt
van te maken.
De voorzitter: De heer Van Malderen heeft het woord.
De heer Bart Van Malderen: Ik wil even op dat laatste
ingaan. We moeten ons ervoor hoeden een aantal dingen op
hetzelfde niveau te zetten die daar helemaal niet staan. De
regiegroepen kunnen net tot gevolg hebben dat we hier nieuwe
structuren moeten oprichten omdat we het over de strategie eens
zijn. We moeten ons ervoor hoeden om strategieën gelijk te
stellen met instellingen. Het moet een doelstelling zijn om over
verschillende instellingen heen strategieën te ontwikkelen en op
één lijn te zetten zodat ze gaan samenwerken, ongeacht het feit
dat we moeten evalueren en we, indien nodig, wat niet werkt,
vrij rigoureus moeten kunnen aanpakken. Laat ons nu niet zeggen
dat we geen nieuwe strategieën mogen ontwikkelen omdat we er al
een aantal hebben – en ik zeg niet dat u dat hebt gezegd,
mijnheer Van den Heuvel, maar we moeten ons hoeden voor een
begripsverwarring.
De heer Koen Van den Heuvel:
Wat ik alleen maar wou zeggen, is dat de innovatieregiegroepen
oké zijn als instrument om een aantal zaken klaarder te
formuleren en om die langetermijnvisie duidelijker in beeld te
brengen, maar uiteindelijk is het ook toegeven dat er nu te
versnipperd wordt gehandeld. We moeten consequent zijn: als die
langetermijnvisie er is, dan moeten de neuzen van die
verschillende instellingen in dezelfde richting staan en moeten
wij ons durven af te vragen of we er niet te veel hebben en
moeten we dat wat dood gewicht is, durven weg te snijden.
Uiteindelijk liggen onze standpunten niet zo ver uit elkaar.
De voorzitter: Het incident is gesloten.
|