Vraag om uitleg van de heer Koen Van den Heuvel, Vlaams volksvertegenwoordiger, aan mevrouw Ingrid Lieten, Vlaams minister van Innovatie, Overheidsinvesteringen, Media en Armoedebestrijding, over de opvolging en uitvoering van de beleidsaanbevelingen in het rapport Soete

3 juni 2010

De voorzitter: De heer Van den Heuvel heeft het woord.

De heer Koen Van den Heuvel: Voorzitter, minister, ik heb een vraag over het rapport-Soete. Het is in deze commissie geen onbekend document. Het is intussen een 3-tal jaar oud. We hebben in deze commissie en zelfs in de plenaire vergadering al verschillende keren kunnen discussiëren, zeker toen het rapport werd gepubliceerd, over de analyse en aanbevelingen van de commissie-Soete betreffende het Vlaamse innovatie-instrumentarium. Het feit dat de aanbevelingen van de commissie-Soete veelvuldig worden aangehaald, garandeert echter nog geen daadwerkelijke opvolging. Als experts tijd en moeite investeren in een diepgaande analyse, is het aan de politici om te verzekeren dat er met die beleidsaanbevelingen iets waardevols gebeurt.

In uw beleidsnota Wetenschappelijk Onderzoek en Innovatie verwijst u naar het rapport-Soete en erkent u de noodzaak om het bestaande instrumentarium te stroomlijnen en te vereenvoudigen, en om het innovatietraject zoals door de commissie-Soete aangehaald, te verbreden en verlengen. Ik zou vandaag graag een stand van zaken krijgen van de uitvoering van de aanbevelingen van het rapport-Soete. Ik zou graag weten in hoeverre u dat concreet wilt vertalen in het beleid.

De vorige ministers, zowel Moerman als Ceysens, hebben ook heel uitdrukkelijk gezegd dat ze achter de aanbevelingen stonden. We hebben nog niet de gelegenheid gehad om ook met u van gedachten te wisselen over het rapport-Soete en de analyse en beleidsaanbevelingen. Het zou goed zijn uw appreciatie van het rapport te kennen.

In welke mate vormt het rapport-Soete en de concrete beleidsaanbevelingen een leidraad voor uw beleid met betrekking tot het innovatie-instrumentarium? Wat is er tot op heden concreet gebeurd om tegemoet te komen aan de verschillende beleidsaanbevelingen uit het rapport? Welke resultaten heeft dit opgeleverd? Welke nieuwe beleidsinitiatieven, of bijsturingen van huidig beleid, staan er op het programma om aan de beleidsaanbevelingen in het rapport-Soete tegemoet te komen?

De voorzitter: De heer Van Malderen heeft het woord.

De heer Bart Van Malderen: Ik sluit me aan bij de vraag. Ik heb enkele bedenkingen. Zoals de heer Van den Heuvel zegt, is het rapport 3 jaar oud. Intussen hebben we een financiële en economische crisis doorgemaakt. Die had consequenties voor de Vlaamse Regering. We moeten er rekening mee houden dat het rapport-Soete in een heel andere sfeer en omstandigheden tot stand kwam. Een aantal aanbevelingen gelden natuurlijk nog altijd, maar de wereld is veranderd sinds het najaar van 2008. Dat moet u in rekening brengen bij de appreciatie.

Het rapport pleit voor synergie, verruiming en internationalisering. Het roept op om het instrumentarium meer op elkaar af te stemmen, om complementariteit te zoeken en synergieën op te bouwen. Er zijn initiatieven genomen in die richting. Die inzet hebben we in de beleidsnota teruggevonden. Dat blijkt ook uit de discussies hier.

Er is wat werk aan de winkel inzake competentiepolen. Het is een traditie, ik wil niet te kort door de bocht gaan, maar bijna iedere minister moest per definitie een competentiepool oprichten. Met het Medisch Centrum Vlaanderen wordt er nu voor een andere aanpak gekozen. Er worden lichtere structuren en programma’s opgezet, eerder dan instellingen en overheid.

Ik heb een vraag bij de verruiming als aanbeveling. In het verleden werd innovatie heel vaak gezien als technische innovatie. Het was een zaak van mensen in een labo met witte jassen. Intussen hebben we geleerd dat er ook sociale innovatie bestaat. Er is Flanders Synergy gekomen, dat de arbeidsorganisatie bekijkt. Er is de regiegroep rond sociale innovatie. Kunnen we daar meer informatie over krijgen? Dat lijkt me een aspect van die noodzakelijke verruiming.

Ten slotte een kritische noot ten opzichte van het rapport en de werkgroep. Ik weet niet of dat mag, want de groep- Soete wordt hier bijna heilig verklaard. Volgens het rapport-Soete moet ons innovatie-instrumentarium internationaliseren. Ik denk dat de klemtoon hier verkeerd ligt. Onze economie moet internationaler worden. Onze kmo’s moeten de weg naar het buitenland vinden. Eigenlijk ben ik ervan overtuigd dat heel wat van onze onderzoeksinstellingen vandaag al heel internationaal bezig zijn. Ik denk dat het probleem zich veeleer bevindt in de vertaalslag van economische projecten dan wel van innovatieve projecten.

Minister, is het mogelijk om een overzicht te krijgen van wat vandaag op het terrein de realiteit is inzake internationale projecten die onze onderzoeksinstellingen opzetten? Ik ben het er grif mee eens dat te weinig van onze kmo’s überhaupt bezig zijn met innovatie en uitbreiding. Maar dat onze onderzoeksinstellingen niet internationaal bezig zouden zijn … Er is ook zoiets als voortschrijdend inzicht. Ik ben er intussen van overtuigd dat dit niet echt klopt.

De voorzitter: Mevrouw Peeters heeft het woord.

Mevrouw Lydia Peeters: Dit is een terechte vraag. Het rapport-Soete is nog geen 3 jaar oud. Het dateert van eind 2007. Het is in 2009 besproken in deze commissie. Er zijn een aantal heel terechte aanbevelingen en bedenkingen opgenomen in het verslag van professor Soete. Zo is de aantrekkingskracht van Vlaanderen op de internationale onderzoeksmarkt een zorgpunt. Is daar al iets concreet voor gebeurd? Gisteren was er in de plenaire vergadering een actuele vraag over het feit dat minder buitenlandse investeerders Vlaanderen opzoeken. Wallonië beent ons stilaan bij op dat vlak. Wat België betreft, scoren we nog altijd vrij goed. We staan nu op de zesde plaats. Toch moeten we daar de nodige aandacht aan besteden. Mijn vraag is dan ook wat er al concreet is gedaan met die aanbevelingen, en dan zeker met de aanbeveling over de verruimingskracht naar de internationale markten.

De voorzitter: Minister Lieten heeft het woord.

Minister Ingrid Lieten: Het spreekt voor zich dat rekening wordt gehouden met de aanbevelingen en uitdagingen uit het rapport-Soete, ook in de huidige Vlaamse beleidsvorming. Zoals de heer Van Malderen zegt, moet ook rekening worden gehouden met de gewijzigde economische context sinds 2007. Ik heb het dan onder meer over de nood aan crisismaatregelen en de Europese agenda voor onderzoek en innovatie die steeds meer op de voorgrond treedt en die mee richting geeft aan de invulling van de Vlaamse beleidsagenda. In het rapport-Soete van november 2007 staan vijf hoofdaanbevelingen. In de eerste aanbeveling staat dat een onderbouwde beleidsvisie nodig is, gericht op de langetermijnontwikkeling van het Vlaamse instrumentarium. Die moet erop gericht zijn bestaande initiatieven in te bedden en nieuwe maatregelen te integreren.

Sommige bestaande innovatie-instrumenten werden meer gestroomlijnd, onder meer de steunmaatregel kmo-portefeuille die door het Agentschap Ondernemen (AO) wordt beheerd. Het kmo-programma van het Agentschap voor Innovatie door Wetenschap en Technologie (IWT) werd geïntegreerd in die kmo-portefeuille met het oog op vereenvoudiging voor de kmo’s. Hierdoor kunnen kmo’s nu gemakkelijker een beroep doen op innovatieadvies via de elektronische kmo-portefeuille.

Onder de nieuwe maatregelen kan onder meer het in 2008 gelanceerde actieplan ‘Innovatief Aanbesteden’ worden gerekend, dat tot doel heeft de overheid als klant van innovatieve producten en diensten een meer proactieve en strategisch anticiperende rol in innovatie te laten vervullen. Het eerste project ‘e-boekplatform’ werd intussen gelanceerd. Het Vlaamse innovatie-instrumentarium is volledig maar complex, ondoorzichtig en weinig gebruiksvriendelijk. Daarom is een grondige administratieve vereenvoudiging nodig en moeten er visualiseringsmaatregelen worden genomen.

Als krachtlijn voor het beleid wordt in het rapport-Soete gestreefd naar een open, transparant en vereenvoudigd eco- innovatiesysteem. Hier is onder meer al vorm aan gegeven via de agentschappen, met name door een rationalisatie en realisatie van synergieën voor meer efficiëntie in het beleid.

De externe verzelfstandiging van de agentschappen IWT en het Fonds Wetenschappelijk Onderzoek (FWO), verankerd in het decreet betreffende de organisatie en financiering van het innovatie- en wetenschapsbeleid, schept de nodige structurele voorwaarden voor een beter bestuurlijk beleid dat kan tegemoetkomen aan onder meer de efficiëntienoden zoals geformuleerd in het rapport-Soete. Het maakt het ook mogelijk om tot een meer slagvaardige overheid te komen.

Binnen het IWT worden een aantal zaken voorbereid om de versnippering van het Vlaamse innovatielandschap tegen te gaan. Er wordt een voorstel uitgewerkt om de aanpak en het landschap van de competentiepolen te stroomlijnen. Daarbij wordt gestreefd naar een vereenvoudiging en consolidatie van het huidige landschap en het vermijden van steeds maar nieuwe bijkomende structuren in de toekomst. Men is ook bezig met de bijsturing van het VIS- programma (Vlaams InnovatieSamenwerkingsverband) via de lancering van VIStrajecten ter vervanging van de huidige projecten Thematische Innovatiestimulering (TIS), Technologische Dienstverlening (TD) en Collectief Onderzoek (CO). Dit moet leiden tot een meer gefocuste en resultaatgerichte aanpak gericht op innovatie. Men is ook bezig met de versterking van de rol van de innovatiecentra als frontoffice voor het IWT en als navigator in het Vlaams Innovatie Netwerk (VIN) voor de periode 2011-2014.

Wat de administratieve vereenvoudiging betreft, worden vanuit het IWT een aantal initiatieven genomen. Zo is er de hervorming van de IWT-website, afgerond vorige zomer, die de aanvrager nu op een gebruiksvriendelijke manier de weg wijst. Daarnaast is er de vereenvoudiging van de administratie door een systeem van elektronisch projectbeheer dat in ontwikkeling is. De eerste stappen zullen dit najaar worden gezet. Indien de nodige middelen beschikbaar zijn, wordt het systeem in de loop van de komende 2 jaar uitgerold. De derde aanbeveling luidt dat het Vlaams innovatie- instrumentarium nood heeft aan evaluatie- en correctiemechanismen.

Ter vervanging en administratieve vereenvoudiging van de vroegere interdisciplinaire samenwerkingsprojecten met bedrijven, de GBO-projecten, zijn recent de oproepen voor het Interdisciplinair Collectief Onderzoek (ICON) in het leven geroepen. In het kader van deze oproepen werken een aantal strategische onderzoekscentra (SOC’s) en competentiepolen, met name het Interdisciplinair Instituut voor Breedbandtechnologie (IBBT), het Strategisch Initiatief Materiaal (SIM) en het Milieu- en Energietechnologie-innovatieplatform (MIP), nauw samen met het IWT om tot een geïntegreerd evaluatiemechanisme te komen. De interne evaluaties door de SOC’s, de competentiepolen en het IWT worden door het IWT in een enkele evaluatieprocedure samengebracht.

Concreet maakt dit het de bedrijven die aan de voorwaarden van het IWT voldoen, mogelijk door middel van een enkele indieningsprocedure bij een SOC of een competentiepool een aanvraag voor de ondersteuning van een ICON- project door het IWT in te dienen. De afzonderlijke steunaanvragen van bedrijven en van SOC’s worden in een aantal domeinen in een ICON-procedure geïntegreerd.

De vierde aanbeveling luidt dat het innovatietraject in Vlaanderen aan verruiming en internationalisering toe is. Mevrouw Peeters heeft hier trouwens ook naar verwezen. We leveren inspanningen om het begrip innovatie een bredere invulling te geven. Het gaat, zoals de heer Van Malderen heeft vermeld, onder meer om de uitbreiding naar diensten en naar niet-technologische innovatie. Het is de bedoeling het instrumentarium verder te internationaliseren.

Binnen het beleidsdomein Wetenschap en Innovatie worden inspanningen geleverd om het begrip innovatie een bredere invulling te geven. We verlenen steun aan de competentiepool Flanders InShape, die het industrieel ontwerp en design als focus heeft. Recent hebben we ook steun verleend aan Flanders Synergy, een competentiepool die zich op een innovatieve arbeidsorganisatie focust. Momenteel wordt in de schoot van de VRWI een innovatieregiegroep ‘sociale innovatie’ opgericht. Die regiegroep moet op middellange termijn een innovatieagenda voor dit domein uitwerken. Ik heb de VRWI gevraagd om die regiegroep op te richten. Dit is volop aan de gang.

De regionale innovatiecentra plannen een integratie van de ondersteuning aan innovatie in de dienstensector in hun dienstenpakket. Tevens wordt nagegaan hoe het instrumentarium verder kan worden geïnternationaliseerd. Om de internationale dimensie te stimuleren, worden de oproepen in verband met de thematische innovatiestimulering van het IWT ingebed in Europese projecten, de pro-INNO-projecten.

Sommige bevindingen in het rapport-Soete moeten overigens worden genuanceerd. Zo is het Vlaams innovatiesysteem volgens het rapport onvoldoende internationaal. Hierbij wordt zelfs het woord ‘provincialistisch’ gebruikt. Dat die omschrijving onterecht is, blijkt uit de talrijke internationale netwerken voor de toekenning van grensoverschrijdende steun waar het IWT deel van uitmaakt. Door middel van verschillende steunprogramma’s neemt het IWT deel aan verschillende netwerken van het European Research Area-NET (ERA-NET). Binnen deze netwerken wordt steun door de lidstaten toegekend en de coördinatie door de EU gefinancierd. Het is de bedoeling de nationale programma’s op deze manier beter op elkaar af te stemmen. Het aantal ingediende projecten met Vlaamse partners binnen deze netwerken is gestegen van 12 in 2006 tot 31 in 2009. In 2009 bedroeg de toegekende steun 4 miljoen euro.

Door middel van bedrijfssteun neemt het IWT ook deel aan intergouvernementele initiatieven als Eureka en aan door de EU in het leven geroepen initiatieven, zoals de zogenaamde ‘artikel 169-netwerken’ en de joint technology initiatives (JTI’s). In 2009 is ondersteuning toegekend aan elf bedrijfsprojecten in de informatie- en communicatietechnologieclusters van Eureka, aan twee bedrijfsprojecten in de bottom-upaanpak van Eureka, aan twee bedrijfsprojecten in de artikel 169-netwerken en aan acht bedrijfsprojecten in de JTI’s.

Heel wat programma’s van het IWT bieden de mogelijkheid met buitenlandse actoren samen te werken. De programma’s strategisch basisonderzoek (SBO) en toegepast biomedisch onderzoek (TBM) richten zich tot onderzoeksorganisaties. Buitenlandse actoren kunnen als contractant deelnemen. Buitenlandse bedrijven kunnen als onderaannemer van een Vlaamse contractant aan het programma voor bedrijfssteun deelnemen. Voor deze drie programma’s wordt ongeveer 45 miljoen euro toegekend aan projecten die op deze manier met groepen buiten Vlaanderen samenwerken.

Uiteindelijk moeten we opmerken dat de valorisatie van de resultaten voor de totaliteit van alle door het IWT toegekende bedrijfssteun in termen van economische toegevoegde waarde voor 75 percent van de bedrijfsprojecten buiten het Vlaamse Gewest plaatsvindt. De vijfde aanbeveling luidt dat het Vlaams innovatie-instrumentarium aan de specifieke vragen en noden van de kmo’s moet worden aangepast.

De aandacht voor kmo’s is en blijft een leidraad in de beleidsontwikkeling. Hierbij wordt eveneens aandacht geschonken aan de kleine kmo’s. Ik verwijs in dit verband naar de vooruitzichten in de beleidsnota. Het is de bedoeling de steunformules zo aantrekkelijk mogelijk te maken.

Ik verwijs in dit verband ook naar het antwoord dat ik heb gegeven op vraag om uitleg 2051 over de innovatiesteun aan kmo’s. Ik heb toen verklaard dat het kmo-programma van het IWT begin 2009 ingrijpend is geheroriënteerd. In datzelfde jaar, in volle crisisperiode, is in het licht van dit programma aan 324 verschillende bedrijven 22 miljoen euro steun toegekend. In vergelijking met de voorgaande jaren is dit een groei met een derde. Hieruit blijkt dat de doorgevoerde vereenvoudigingen de toegankelijkheid ten goede zijn gekomen. We hebben niet enkel het kmo- programma, dat steun verleent aan innovatieprojecten binnen kmo’s, aangepast. We hebben tevens het VIS-programma bijgestuurd. De subsidies die in het kader van het VIS-programma zijn verleend, zijn gericht op de ondersteuning van activiteiten in verband met collectief onderzoek, technologisch advies en innovatiestimulering ten bate van een collectief van bedrijven. Ze zijn vooral gericht op de innovatieondersteuning voor kmo’s en voor bedrijven die slechts een beperkte of geen eigen onderzoekscapaciteit hebben. De evolutie in de richting van VIS-trajecten is ingegeven door de doelstelling meer bedrijven, in het bijzonder kmo’s, te laten innoveren en te laten groeien.

De VIS-trajecten zouden ons in staat moeten stellen met de beschikbare middelen meer en sneller resultaten te behalen. Wegens de dreigende versnippering ten gevolge van het gebrek aan kritische massa van een aantal competentiepolen staat de groepering van de kleinere intermediaire actoren hoog op de agenda. Dit staat tevens in de beleidsnota. Daarnaast wil ik ook verwijzen naar drie initiatieven die de voorbije maanden in samenwerking met minister-president Peeters zijn ontwikkeld.

Op de eerste plaats staat de Staten-Generaal voor de Industrie, waar we toch ook proberen om met een meer gecoördineerde aanpak de relatie met de industriële sectoren die voor ons land belangrijk zijn, aan te pakken. Ook daar vertrekken we vanuit innovatie en we bekijken hoe in de waardeketen een meerwaarde kan worden gerealiseerd.

In de tweede plaats wil ik verwijzen naar de opdrachten die we aan de VRWI geven om inzake de speerpuntclusters, die ook, toch al voor een stukje, heel duidelijk in het rapport-Soete naar voren werden geschoven, samen met de sector middellangetermijnagenda’s op te maken zodat we die in de toekomst ook meer als kader kunnen gebruiken om toch zeker de overheidsmiddelen die we gebruiken in het innovatielandschap, een beetje meer gecoördineerd en gericht in te zetten op die speerpunten.

Ten laatste wil ik ook verwijzen naar ons nieuwste initiatief, dat ik samen met ministerpresident Peeters heb genomen, inzake het Transformatie, Innovatie en Acceleratie Fonds (TINA-fonds) en waarbij we ook zeggen dat we middelen willen vrijmaken voor participaties in projecten die voor een stuk hun oorsprong vinden in die middellangetermijnagenda’s, maar die ook moeten worden ingediend door consortia van bedrijven die in een sector gemeenschappelijk een aantal stappen vooruit willen zetten in de innovatieagenda om zo toch ook te kunnen aanklampen bij nieuwe technologieën en processen die in de sector noodzakelijk zijn om te overleven en om te groeien.

Dit zijn dus een aantal beleidsmaatregelen die we recentelijk op de sporen hebben gezet, maar die allemaal voor een stuk hun inspiratie vinden in een aantal aanbevelingen die in het rapport-Soete naar voren werden geschoven.

De voorzitter: De heer Van den Heuvel heeft het woord.

De heer Koen Van den Heuvel: Voorzitter, minister, ik dank u voor uw antwoord. U gaf inderdaad een overzicht van een aantal speerpunten of hoofdaanbevelingen van het rapport-Soete en op het einde gaf u ook een kort resumé van wat er de voorbije maanden is gebeurd. Over het TINA-fonds zouden we nog een hele discussie kunnen voeren, maar dat is nu niet de bedoeling.

Wat ik bij het rapport-Soete vooral heb onthouden, en u hebt dat daarnet ook zo samengevat, is: evaluatie en vereenvoudiging. In Nederland gebeurt dan veel meer, niet alleen in het innovatiebeleid, maar voor het totale beleid. Er is daar veel meer een evaluatiecultuur. In België en Vlaanderen kennen we veel minder de cultuur om het beleid te durven evalueren. Is het beleid efficiënt en effectief? Ik meen dat Soete daar terecht op alludeerde.

Ik vraag me dan ook af of we niet nog een stapje verder moeten gaan en streven naar evaluatie om het dan echt correct te kunnen vereenvoudigen. De Staten-Generaal en ook uw innovatieregiegroepen zijn initiatieven die er nog eens bij komen om een aantal zaken die te complex zijn, op de rails te houden: er wordt dus alweer een gebouwtje bijgebouwd om te coördineren, om de diverse instrumenten die er zijn op dezelfde lijn te krijgen. Dat in de regiegroepen de langetermijnvisie wordt geformuleerd, is een goed initiatief, maar in de toekomst moeten we er echt over waken dat alle andere instrumenten die de voorbije jaren werden gecreëerd, echt speerpunten worden in de uitvoering van die langetermijnvisie. Ik denk echt dat daarover gewaakt moet worden. Een van de items waar we bijvoorbeeld op moeten inzetten, is de groene wagen, maar als we dan zien hoeveel verschillende instanties zich daar al mee bezig beginnen te houden, heb ik soms schrik dat we een aantal zaken te veel versnipperen in plaats van ze echt te clusteren in één instantie zoals Flanders’ DRIVE of een andere organisatie.

Vandaar, minister, dat ik wil aanmoedigen om concrete actie te ondernemen, niet zozeer om overkoepelende nieuwe strategieën te ontwikkelen, maar ook om wat er bestaat in de langetermijnstrategie in te passen en er een concreet actiepunt van te maken.

De voorzitter: De heer Van Malderen heeft het woord.

De heer Bart Van Malderen: Ik wil even op dat laatste ingaan. We moeten ons ervoor hoeden een aantal dingen op hetzelfde niveau te zetten die daar helemaal niet staan. De regiegroepen kunnen net tot gevolg hebben dat we hier nieuwe structuren moeten oprichten omdat we het over de strategie eens zijn. We moeten ons ervoor hoeden om strategieën gelijk te stellen met instellingen. Het moet een doelstelling zijn om over verschillende instellingen heen strategieën te ontwikkelen en op één lijn te zetten zodat ze gaan samenwerken, ongeacht het feit dat we moeten evalueren en we, indien nodig, wat niet werkt, vrij rigoureus moeten kunnen aanpakken. Laat ons nu niet zeggen dat we geen nieuwe strategieën mogen ontwikkelen omdat we er al een aantal hebben – en ik zeg niet dat u dat hebt gezegd, mijnheer Van den Heuvel, maar we moeten ons hoeden voor een begripsverwarring.

De heer Koen Van den Heuvel: Wat ik alleen maar wou zeggen, is dat de innovatieregiegroepen oké zijn als instrument om een aantal zaken klaarder te formuleren en om die langetermijnvisie duidelijker in beeld te brengen, maar uiteindelijk is het ook toegeven dat er nu te versnipperd wordt gehandeld. We moeten consequent zijn: als die langetermijnvisie er is, dan moeten de neuzen van die verschillende instellingen in dezelfde richting staan en moeten wij ons durven af te vragen of we er niet te veel hebben en moeten we dat wat dood gewicht is, durven weg te snijden. Uiteindelijk liggen onze standpunten niet zo ver uit elkaar.

De voorzitter: Het incident is gesloten.

     
   
        2010 Koen Van den Heuvel