Vraag om uitleg van de heer Koen Van den Heuvel, Vlaams volksvertegenwoordiger, aan mevrouw Ingrid Lieten, Vlaams minister van Innovatie, Overheidsinvesteringen, Media en Armoedebestrijding, over het actieplan Wetenschapscommunicatie 2010

22 april 2010

De voorzitter: De heer Van den Heuvel heeft het woord.

De heer Koen Van den Heuvel: Voorzitter, mijn vraag gaat over het actieplan Wetenschapscommunicatie. We zijn allemaal overtuigd van de noodzaak om jonge Vlamingen meer dan ooit naar richtingen van wetenschappen en techniek te leiden, dit om twee redenen. Ten eerste: als we willen investeren in onderzoek en ontwikkeling (O&O) en in fundamenteel onderzoek, is het nodig om absoluut voldoende wetenschappers te hebben die daarvoor in aanmerking komen. Ten tweede: wat betreft het praktisch-technische vlak, ziet men aan de vacatures en de knelpuntberoepen bij de Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding (VDAB) dat de technische beroepen steeds tot de knelpuntberoepen behoren. Daarom moeten we absoluut inzetten op de wetenschapscommunicatie en het overtuigen van jonge Vlamingen dat wetenschappelijke richtingen ook hot kunnen zijn en absoluut niet saai. De cijfers van de laatste jaren tonen aan dat alle sensibiliseringscampagnes spijtig genoeg niet tot een opstoot leiden van het aantal jongeren dat een wetenschappelijke richting kiest.

Ik heb een vraag over het actieplan Wetenschapscommunicatie dat in 2009 is opgesteld. Er zijn in Vlaanderen heel wat acties, onder andere Technopolis dat enkele weken geleden nog zijn jubileum heeft gevierd. Er wordt heel wat aandacht gegeven aan de popularisering van wetenschap, techniek en technologische innovatie. Er zijn heel wat actoren actief. Maar wat me in al die acties opvalt, is dat het nogal geïndividualiseerd en geatomiseerd verloopt. Er ontbreekt een integrale aanpak.

Minister, hoe evalueert u het actieplan Wetenschapscommunicatie 2009? Hoe evalueert u de aanpak van wetenschapscommunicatie in het algemeen en het aanmoedigen van jonge Vlamingen om in wetenschappelijke richtingen te studeren? Hoe staat het met het nieuwe plan voor 2010? Wat zijn de klemtonen? Wat is het budget om het wetenschapscommunicatieplan waar te maken?

De voorzitter: De heer Van Malderen heeft het woord.

De heer Bart Van Malderen: Minister, collega’s, ik zou me willen aansluiten bij deze vraag. Naar aanleiding van het budget en de beleidsnota is er opnieuw gedebatteerd over absorptiecapaciteit. Een van de belangrijke factoren is de aanwezigheid van voldoende excellente kenniswerkers in de regio. Op dat vlak doen we het niet zo goed. We stellen vast dat heel wat studenten in Vlaanderen kiezen voor niet-wetenschappelijke en niet-technologische richtingen. Op termijn dreigt dit ronduit een probleem te worden. Vandaar het belang van wetenschapscommunicatie. Collega Van den Heuvel heeft verwezen naar Technopolis, waar tienduizenden leerlingen in contact zijn gekomen met technologie en innovatie. Het is goed dat de overheid er planmatig mee bezig is.

Ik zou ervoor willen pleiten om te kijken naar andere landen die het beter doen dan wij. Er wordt vaak verwezen naar Scandinavië, maar er zijn heel veel voorbeelden. Het zou nuttig kunnen zijn om eens over het muurtje te kijken en bij de opmaak van een volgend plan na te gaan wat andere landen die hoger scoren, doen aan wetenschapscommunicatie. Baat het niet, dan schaadt het niet. Goede voorbeelden kunnen ons dienstig zijn.

De voorzitter: Minister Lieten heeft het woord.

Minister Ingrid Lieten: Voorzitter, collega’s, het beleid op het vlak van wetenschapscommunicatie werd in 2009 geëvalueerd door een extern bureau, Resource Analysis. De evaluatie had betrekking op de periode 2002-2008. Zij moest de sterktes en zwaktes van het beleid in kaart brengen en de impact en het effect van de afzonderlijke acties uit het actieplan meten. De ex-postevaluatie van het beleid gebeurde aan de hand van documentenanalyse, behoeftebevragingen en focusgroepsgesprekken met doelgroepen en stakeholders en een ‘strengths, weaknesses, opportunities, threats’-analyse (SWOT). De evaluatie had eveneens tot doel bouwstenen voor toekomstige beleidsscenario’s voor te stellen op korte, middellange en lange termijn.

De studie concludeert dat er geen causale verbanden worden aangetoond tussen het beleid en de tendensen op het gebied van arbeidsmarkt, innovatie, ondernemen, uitstroom van wetenschappelijk geschoolden enzovoort. Het is immers niet mogelijk aan te tonen dat de toename van inschrijvingen in wetenschappelijke en technische studierichtingen te wijten zou zijn aan de inspanningen op het vlak van popularisering van wetenschap, techniek, technologie en innovatie (WTTI). Toch hebben de inspanningen betreffende popularisering van WTTI wellicht bijgedragen tot de huidige positieve tendensen op het gebied van studiekeuze. De tendensen betreffende interesse bij het grote publiek zijn echter negatief. Ondanks het feit dat de doelstellingen in de verschillende actieplannen gericht zijn naar verschillende doelgroepen – het groot publiek, jongeren, leerkrachten, wetenschappers – is de doelgroep die hoofdzakelijk wordt bereikt de schoolgaande jeugd (85 percent). Leerkrachten (3 percent), wetenschappers (3 percent) en het groot publiek (8 percent) hinken duidelijke achterop. Een substantieel deel van het budget (43 percent) van wetenschapscommunicatie wordt bijvoorbeeld gereserveerd voor het doecentrum Technopolis, dat in de praktijk vooral gericht is op kinderen en schoolgaande jeugd.

Een groot deel van de doelgroepen geven aan dat er ondermeer nood is aan meer betrouwbare en overzichtelijke informatie rond wetenschap, technologie en technologische innovatie. Persoonlijk contact en uitwisseling van ervaringen blijven hierbij belangrijk. De actoren vinden dat het verbeteren van het imago van wetenschappen en techniek dient te worden nagestreefd. Ook het verbeteren van de wetenschappelijke en technische geletterdheid staat vooraan op het verlanglijstje. Er worden minder prioriteiten gesteld met betrekking tot het promoten van de studierichtingen. Er moet niet alleen worden ingespeeld op bestaande behoeften bij de doelgroepen maar het aanbod dient ook in te spelen op nieuwe maatschappelijke behoeften. Een goede samenwerking met onderwijs, media en het vrijetijdsaanbod is noodzakelijk en dient te worden nagestreefd volgens de resultaten van de studie.

Naar aanleiding van dit onderzoek werden door het beleidsdomein Economie, Wetenschap en Innovatie (EWI) alvast een viertal beleidsscenario’s bekeken met elk een afzonderlijke focus, gaande van innovatie tot wetenschappelijke geletterdheid. Deze vier scenario’s gaan er echter van uit dat de overheid expliciet kiest voor één enkele doelstelling. Het moge duidelijk zijn dat ik als minister toch wil opteren voor een combinatiescenario dat rekening houdt met alle geformuleerde doelstellingen. Het voorkeursscenario gaat er hoe dan ook van uit dat ook de komende jaren de middelen voor wetenschapsbeleid en wetenschapscommunicatie verder kunnen stijgen. Dit biedt ruimte om nieuwe doelstellingen, zoals het versterken van wetenschap als maatschappelijke actor, op te nemen in het beleid en om het beleid rond de andere doelstellingen verder uit te bouwen.

Verdere aanbevelingen die EWI naar aanleiding van het onderzoek geformuleerd heeft ter voorbereiding van het nieuwe actieplan, zijn onder andere: meer topdownbeleid vanuit de overheid; ritsen met andere beleidsdomeinen zoals Onderwijs en Vorming: responsabilisering van de structurele partners en andere betrokkenen en dus een meer consequente evaluatie invoeren: partnerschappen met andere overheden, met de structurele partners en met projectpartners structuren.

Het actieplan 2010 is momenteel in voorbereiding. Het zal rekening houden met de beleidsaanbevelingen uit de eerder vermelde evaluatie, met de concrete feedback die de actoren uit het veld door middel van het wetenschapsinformatienetwerk aan het Departement Economie, Wetenschap en Innovatie (EWI) hebben gericht en met de aanbevelingen uit internationale studies en tendensen. Op die manier beantwoord ik zeker en vast de oproep van de heer Van Malderen om hier rekening mee te houden. Ik zal tevens rekening houden met de aanbevelingen van de Vlaamse Raad voor Wetenschapsbeleid en Innovatie (VRWI). Bovendien zal het actieplan verschillende doelstellingen van Vlaanderen in Actie (ViA) moeten onderschrijven en in de praktijk moeten brengen.

Het vertrouwen van de bevolking in de toegepaste wetenschap en de technologie is een essentiële randvoorwaarde voor het maatschappelijk en economisch succes in onze regio. Ik wil geen afbreuk doen aan het belang van een verhoogde instroom in wetenschappelijke en vooral technische richtingen. De stijgende aandacht voor publiek engagement in wetenschap moet leiden tot een verbreding van de doelgroepen en van de gebruikte methoden.

Concreet betekent dit dat we meer aandacht en middelen zullen besteden aan de versterking van het maatschappelijk draagvlak voor wetenschap en technologische innovatie. Het gaat dan om een breed maatschappelijk gedragen cultuur van wetenschap, technologie en innovatie. Dit is van groot belang voor de positie van Vlaanderen in Europa en in de wereld. We zullen hierbij de nadruk leggen op de verhoging van de participatie van alle bevolkingslagen, met inbegrip van diegenen die nu worden uitgesloten, aan het maatschappelijk debat over de impact van wetenschap en technologie op de samenleving.

De participatieve wetenschapscommunicatie vormt een essentieel instrument voor de realisatie van de doelstelling van ViA inzake sociale inclusie en maatschappelijke participatie. De toenemende digitale kloof en de betrokkenheid bij de wetenschappelijke en technologische aspecten van de samenleving zijn inherent aan de sociale uitsluiting, het opleidingsniveau en de activiteitsgraad.

Daarnaast zullen voor het reeds aanwezige Vlaamse toptalent gerichte stimuleringsacties worden uitgewerkt. Hierdoor zullen we de kansen verhogen om van Vlaanderen een topregio te maken.

De initiële begroting 2010 voorziet voor het actieplan Wetenschapscommunicatie in totaal in 8.712.000 euro. Momenteel wordt al met verschillende actoren samengewerkt. Het gaat om Flanders Technology International vzw (FTI), de vijf expertisecellen Wetenschapscommunicatie van de associaties van de Vlaamse universiteiten en hogescholen, de Roger Van Overstraeten Society vzw, de zes Vlaamse volkssterrenwachten, de organisatoren van de vijf Vlaamse olympiades, de Koninklijke Vlaamse Ingenieursvereniging (KVIV), de VRT, het Vlaams Instituut voor de Zee (VLIZ), Jeugd, Cultuur en Wetenschap vzw, Natuur en Wetenschap vzw, het Solvay Instituut en Link in de Kabel vzw.

In functie van de nieuwe doelstellingen, met name de versterking van het maatschappelijk draagvlak, kan deze lijst met nieuwe relevante partners worden aangevuld. Met deze partners kan een structurele samenwerking worden opgezet.

Dit alles vormt voor ons een uitdaging. Uit internationale benchmarks blijkt dat het belang van wetenschap en innovatie enigszins onder druk komt te staan naarmate het maturiteitsniveau van een maatschappij stijgt. Ik verwijs in dit verband naar het Vlaams regeerakkoord. We moeten het DNA van onze cultuur veranderen. Op dit vlak vormt dit beleid nog een belangrijke uitdaging. Ik hoop dat we dit op basis van alle evaluaties in het volgende actieplan zullen kunnen vertalen.

De voorzitter: De heer Van den Heuvel heeft het woord.

De heer Koen Van den Heuvel: Ik dank de minister voor haar antwoord. Dit is een zeer belangrijk debat. Veel debatten hebben natuurlijk een maatschappelijke relevantie. Wanneer we het over de transformatie van onze economie hebben, moeten we natuurlijk over de nodige elementen beschikken. Het gaat dan niet enkel om het kapitaal, maar ook om de ‘brains’ en om de mensen.

Wetenschapscommunicatie kan heel breed worden opgevat. We kunnen hier verschillende bevolkingsgroepen bij betrekken. Ik wil het hier even specifiek over de jongeren hebben. We moeten ervoor zorgen dat de instroom in de wetenschappelijk-technische richtingen groter wordt. Ik ben het absoluut eens met de stelling dat we het onderwijs hierbij moeten betrekken.

Ik heb minister Smet 2 weken geleden een vraag om uitleg over dit onderwerp gesteld. In het buitenland werken heel wat modellen. Enkele weken geleden hebben we een bezoek aan Nederland gebracht. Door middel van het Platform Bèta Techniek zijn de Nederlanders er in 10 jaar tijd in geslaagd een duidelijke knik in de instroom van jongeren in de wetenschappelijke en technische richtingen te bewerkstelligen. Ze hebben met een platform en met een integrale aanpak gewerkt. Het onderwijs is geresponsabiliseerd. Er is een ketenaanpak van het kleuteronderwijs tot aan de universiteiten. De scholen zijn geresponsabiliseerd en hebben hiervoor voldoende budgetten gekregen.

Ik denk dat die integrale aanpak bij ons enigszins ontbreekt. Wie naar het onderwijs kijkt, kan een panoplie van initiatieven opsommen. Ik denk hierbij onder meer aan Techniek Op School voor de 21e eeuw (TOS21), aan de innovatieve trailers die de lagere scholen afgaan en aan de verschillende initiatieven van de provinciebesturen en van de sectorfederaties. Enkele weken geleden heeft de Unie van Zelfstandige Ondernemers (UNIZO) een initiatief genomen en twee weken geleden heeft het regionaal sociaal-economisch overlegcomité (RESOC) Kempen een initiatief genomen.

Al deze initiatieven zijn goedbedoeld. Er is echter geen integrale aanpak. Het gaat eigenlijk om druppels op een hete plaat. Ik wil deze initiatieven niet bagatelliseren. Op zich hebben ze een verdienste. Mijn jongste zoon heeft gedurende een halve dag in een vrachtwagen rondgelopen. Daar is geen vervolg op gekomen. Hij heeft een halve dag in Technopolis doorgebracht. Dat is allemaal leuk. Het gaat hier echter steeds om geatomiseerde acties die, spijtig genoeg, niet volstaan.

Dat is niet alleen een kwestie van budget maar ook van integrale aanpak en responsabilisering. In Nederland worden de scholen geresponsabiliseerd. Wanneer de middelbare scholen kunnen aantonen dat een bepaalde uitstroom drastisch is gestegen, krijgen zij extra subsidies. Ik moet zeggen dat het antwoord van minister Smet me teleurstelde, in tegenstelling tot uw antwoord, dat toch uitgaat van de wil en het totale besef. Ik wil u oproepen om samen met minister Smet na te denken over de mate waarin een integrale aanpak tot betere resultaten kan leiden zonder dat daar enorm veel extra budgettaire middelen voor vrijgemaakt moeten worden.

De voorzitter: Het incident is gesloten.

     
   
        2010 Koen Van den Heuvel