| |
Vraag om uitleg van
de heer Koen Van den Heuvel tot mevrouw Ingrid Lieten,
viceminister-president van de Vlaamse Regering, Vlaams minister
van Innovatie, Overheidsinvesteringen, Media en
Armoedebestrijding, over het Innovatiecentrum Vlaanderen
30 juni 2011
De voorzitter: De heer Van den
Heuvel heeft het woord.
De heer Koen Van den Heuvel: Voorzitter, we hebben de
voorbije weken deze conceptnota
al ter sprake gebracht. Het is misschien goed om er na het reces
uitgebreider op terug te
komen en ze op een structurele manier te behandelen.
Een van de kernelementen uit de nota zijn de nieuwe
innovatieknooppunten. U zegt dat deze
moeten worden aangescherpt. Ze willen verder bouwen op bestaande
sterktes in Vlaanderen.
Verder stelt u de link met de grote maatschappelijke uitdagingen
als uitgangsprincipe voorop.
We hebben al onze clusters. De innovatieknooppunten lijken
echter ook een verschuiving in
prioriteiten in te houden. Duurzaamheid wordt extra beklemtoond,
dat kunnen we een beetje
volgen, alhoewel ik vind dat we daar realistisch in moeten zijn.
Het zou overdreven zijn om
uitsluitend daarop in te zetten. Er is in elk geval extra
aandacht voor eco-innovatie, groene
energie en duurzame mobiliteit.
Verder wordt er ingezet op zorg en sociale innovatie. Er is nog
een knooppunt rond de
maakindustrie.
Wij missen wel het gezondheidsluik, een sector waar we sterk in
zijn. Of valt dat onder een
van die knooppunten? De gezondheidsindustrie, zowel de farma-
als de biotechnologie, wordt
slechts summier vermeld.
Hoe zit het met de structuur en organisatie van de
innovatieknooppunten? Er zouden ook
subknooppunten komen met een apart innovatietraject. Dat zou
worden geregisseerd door een
innovatieregiegroep. Het is een nieuw instrumentarium en een
nieuw conceptueel kader. We
willen het in deze commissie allemaal een beetje eenvoudiger en
duidelijker maken. We
tasten daar een beetje in het duister.
De conceptnota stelt dat de nieuwe innovatieknooppunten verder
bouwen op de bestaande
sterke punten in de Vlaamse onderzoekswereld. Is dat gebaseerd
op een analyse die wij niet
kennen? Mogen we die resultaten eventueel inkijken? Beantwoorden
de door u geformuleerde innovatieknooppunten beter aan de
recente onderzoeksresultaten dan de vroegere door de VRWI
geformuleerde clusters? Wat is de timing van heel dit traject
met betrekking tot de uitwerking van de innovatieknooppunten? Ik
heb een vraag naar de modaliteiten en de strategie die u gaat
ontwikkelen om deze innovatiestrategieën in de praktijk te
brengen. Hoe beantwoorden die aan de gecreëerde verwachtingen?
De voorzitter: Mevrouw Moerman heeft het woord.
Mevrouw Fientje Moerman: Ik sluit me aan bij wat de heer
Van den Heuvel zegt, en wil
mijn vraag van daarnet herhalen. Het is belangrijk in de timing
dat we meenemen dat dit de
materie zou kunnen uitmaken van een eerste advies van de
internationale reflectiekamer
omdat er een aantal nieuwe concepten in zitten, zoals de
innovatieknooppunten.
Onwillekeurig denk ik bij knooppunten aan verkeersknooppunten.
Dan denk ik aan Lummen-
Leuven en dan denk ik aan file. Dat is geen positieve
gedachteassociatie.
Wat de heer Van den Heuvel heeft opgeworpen, is correct: er
leeft in deze commissie een permanente bekommernis om ervoor te
zorgen dat het onderzoeks- en innovatielandschap niet nodeloos
gecompliceerd wordt. Wanneer we een nieuw concept invoeren, dan
is het toch wel goed dat we een opinie hebben over de vraag of
dit bijdraagt tot transparantie ofwel dat dit integendeel het
landschap nog ingewikkelder zal maken. Daarom mijn vraag: is het
mogelijk om voor het Innovatiecentrum Vlaanderen in uw timing
ook een reflectie van die internationale reflectiekamer in te
bouwen?
De voorzitter: De heer Bothuyne heeft het woord.
De heer Robrecht Bothuyne: Voorzitter, ik heb een korte
bijkomende vraag in het verlengde van de
operationaliseringsvraag die de heer Van den Heuvel stelde. We
hebben ondertussen ook het nieuw industrieel beleid. Daar hoort
een belangrijk deel innovatiebeleid in thuis. Ik veronderstel
dat dit samen moet worden gelezen. De vraag is of het ook samen
geoperationaliseerd zal worden. In de teksten van het nieuw
industrieel beleid is sprake van rondetafels over bepaalde
industrieën. Hier wordt er in innovatieregiegroepen voor
diezelfde industrieën voorzien. Ik kan me moeilijk voorstellen
dat die twee naast elkaar gaan werken.
Die moeten geïntegreerd samenlopen. Op welke manier zult u
ervoor zorgen dat wat is voorzien in het Innovatiecentrum
Vlaanderen, ten dienste staat van het nieuw industrieel beleid
en er maximaal in wordt ingeschakeld?
De voorzitter: De heer Van Malderen heeft het woord.
De heer Bart Van Malderen: De verleiding is groot om op
vele dingen in te gaan, maar ik
ga dat niet doen. Ik wil me wel aansluiten bij de vraag van de
heer Van den Heuvel om na het
reces hierover structureel een themadebat te hebben, ook op
basis van een volledige toelichting. Nu worden er een aantal
delen uit gelicht.
De voorzitter: Minister Lieten heeft het woord.
Minister Ingrid Lieten: Collega’s, ik ben zeker vragende
partij om hier eens een grondige
dialoog over te hebben omdat het een zeer belangrijk document
is. We proberen tegemoet te
komen aan een belangrijke aanbeveling van het rapport-Soete,
namelijk dat we een strategische focus nodig hebben in ons
innovatiebeleid. Het is een aanzet tot die strategische focus.
Het is zeker belangrijk dat we daarover eens grondig van
gedachten kunnen wisselen. We hebben ondertussen informatie
gevraagd aan de Vlaamse Raad voor Wetenschap en Innovatie (VRWI),
de Minaraad en de Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen
(SERV). Die adviezen zullen ons zeker helpen om die reflectie te
organiseren. Ik ben het eens met mevrouw Moerman dat een
‘international advice report’ heel veel licht zou kunnen werpen
op de zaak en ons kunnen helpen in de finetuning.
Mijnheer Bothuyne, we hebben die documenten volledig afgestemd
op het witboek Nieuw
Industrieel Beleid om ervoor te zorgen dat we elkaar versterken
en dat het innovatiebeleid,
dat ook een belangrijk onderdeel is van het nieuw industrieel
beleid, daar goed in past. We
gaan daar zeker de nodige aandacht aan spenderen bij het
uitwerken van de verschillende
acties, zowel van het witboek Nieuw Industrieel Beleid als van
deze conceptnota.
Als voorafname op het debat, wil ik proberen te antwoorden op de
vragen die gesteld zijn. De
innovatieknooppunten beginnen niet helemaal out of the blue,
volledig vanaf nul. Integendeel, we bouwen voort op de bestaande
sterktes in Vlaanderen. Het heeft ook geen enkele zin om dat
niet te doen, want dan kunnen we zeker en vast niet tot
realistische innovatiestrategieën komen. De sterktes waar de
conceptnota van uitgaat zijn degene die de VRWI in zijn
verkenningsstudie in 2006 heeft geïdentificeerd. Maar onze
innovatieknooppunten gaan nog een stukje verder dan deze
identificatie. Het gaat hier om een aanpak om een betere focus
te bereiken.
Collega’s, er is een contradictie in het Vlaamse landschap:
iedereen is altijd voorstander van
een focus, maar op het moment dat we de focus beginnen uit te
werken, is er dikwijls afwezigheid in het debat. De bedoeling is
om die focus te bereiken. Dat was ook de expliciete vraag van de
VRWI zelf. Hij vroeg dat op basis van zijn eigen
verkenningsstudies er scenario’s zouden worden uitgewerkt die
bijdragen tot de creatie van economische of maatschappelijke
toegevoegde waarde.
Dat is ook het doel van deze conceptnota. Ik wil daarom een
beetje dieper ingaan op de innovatieknooppunten. Er is ook
aansluiting met een ander beleidsdocument, namelijk het
programma van Vlaanderen in Actie (ViA). Daarin hebben we de
doorbraak ‘Innovatiecentrum Vlaanderen’, dat ook in het
regeerakkoord is opgenomen. Ook daarin wordt de focus en de
gerichtheid op de maatschappelijke uitdagingen benadrukt. De
innovatie-inspanningen die door de overheid worden ondersteund,
moeten zich ook voldoende richten op de maatschappelijke en de
economische uitdagingen waarmee we in toenemende mate worden
geconfronteerd. Zij moeten dus ook een redelijke bijdrage
leveren tot oplossingen voor deze maatschappelijke en
economische uitdagingen.
Die maatschappelijke en economische uitdagingen zijn evenwel
complex van aard en ze vergen vaak een bredere benadering dan
enkel via innovatie. Toch is innovatie een belangrijke en steeds
prominenter wordende schakel bij structurele en duurzame
oplossingen.
We zien dat ook helemaal vertaald in alle besprekingen
betreffende de verschillende doorbraken van ViA. Iedere keer
wordt gezegd dat we om die doorbraak te realiseren, ook input
vanuit de innovatie nodig hebben. De innovatie is in die zin
dienend ten aanzien van een aantal belangrijke economische en
maatschappelijke doorbraken die we willen leveren. We moeten dus
zien dat we de innovatie voor een stuk ook strategisch
aansturen.
Verder is het ook belangrijk om te blijven benadrukken dat niet
de overheid de innovatie en
wetenschapsvooruitgang realiseert, dat wil ik heel uitdrukkelijk
nog eens bevestigen. Het beleid moet er juist op gericht zijn om
de eigenlijke wetenschaps- en innovatieactoren, dat zijn de
kennisinstellingen en de bedrijven, te mobiliseren en te
enthousiasmeren in de richting van de doelen die wij economisch
en maatschappelijk belangrijk vinden.
Een top-down planningsaanpak is dit zeker niet, want die kan
niet slagen. Het is wel een missiegedreven aanpak. We kunnen ons
hiervoor ook inspireren op een aantal andere landen die zoekende
zijn. Ik verwijs naar het Zweedse IWT: VINNOVA. Die gebruikt
deze aanpak ook en noemt die in hun teksten een
“challenge-driven innovation”. Hierbij wordt richting gegeven,
gesensibiliseerd en gemobiliseerd, maar met erkenning van het
belang van de verschillende actoren. De “challenge-driven”
benadering moet dus een aantal strategieën gebruiken die als
oriëntatie kunnen dienen. Dat gebeurt juist in de
innovatieknooppunten.
Deze strategische koppeling van kennis en innovatie door
instellingen en bedrijven, gebeurt dan in functie van de
maatschappelijke en economische uitdagingen. Deze knooppunten
vallen ook grotendeels samen met de VRWI-speerpuntclusters
(Vlaamse Raad voor Wetenschap en Innovatie) zoals ze
gedefinieerd zijn. Die VRWI-speerpuntclusters geven input en een
accuraat beeld over waar onze wetenschappelijke en innovatieve
sterktes zich bevinden in onze kennisinstellingen, onze
universiteiten en onze bedrijven. De innovatieknooppunten
recapituleren deze speerpuntclusters of vullen ze aan en leggen
de link met de maatschappelijke en economische uitdagingen die
we hebben.
Zo worden de innovatieknooppunten een instrument van verdere
focus. Ik wil heel uitdrukkelijk zeggen dat het geen nieuwe
organisaties zijn, maar dat het vooral een strategische analyse
is. In de conceptnota kunt u ook lezen dat we vooral willen
benadrukken dat we het bestaande instrumentarium, het FWO (Fonds
Wetenschappelijk Onderzoek – Vlaanderen), en omdat het hier
vooral over het toegepast onderzoek gaat, ook het IWT, voor 100
procent verder willen ontwikkelen, maar dat het wel de bedoeling
is van deze denkoefening om de strategische focus te kunnen
ontwikkelen. Dat is belangrijk. De VRWI heeft ook naar voren
geschoven en heeft gezegd dat het belangrijk is om in de
strategische focus de link te leggen.
Waar we ons ook op kunnen inspireren, is de aanpak van de
Europese Commissie,die voor de selectie en de invulling van de
Europese innovatiepartnerschappen (EIP’s) ook een aantal
criteria naar voren schuift en stelt dat er “een significante
bijdrage tot het oplossen van een of meerdere grote
maatschappelijke uitdagingen” moet zijn. En ook dat er “een
positieve impact op concurrentievermogen (exportbevordering),
groei (vermarkting), tewerkstelling en duurzaamheid” moet zijn,
evenals “een sterke onderzoeksagenda gecombineerd met het
versteken van de vraag voor innovatie zodat de time-to-market
verkort wordt en er een duidelijk zicht is op valorisatie en
roll-out van de innovatie, een toegevoegde waarde voor
Vlaanderen en concrete en wervende doelstellingen met publieke
weerklank die ook goed te communiceren zijn, en een duidelijk
engagement van de bedrijven en het middenveld.” Dat zijn de
doelstellingen die we hiermee willen bereiken.
We hebben expliciet gezorgd naar de link tussen de strategische
focus en de andere belangrijke strategische teksten waarvoor we
ons politiek engageren op internationaal en op nationaal niveau
zoals het Pact 2020, het ViA-programma en de verdere definiëring
van de verschillende beleidslijnen van de verschillende
ministers. Voor het toegepast onderzoek is het belangrijk dat we
die link proberen te leggen.
U vroeg hoe het zit met de timing en met de uitwerking ervan. In
de eerste plaats hebben we de conceptnota voorgelegd voor advies
aan de VRWI, de SERV en de Minaraad. Ik verwacht de meeste van
die adviezen de volgende weken, in het midden van juli. Verder
is de uitwerking van de conceptnota bedoeld als een continu en
dynamisch proces. We zijn momenteel met de eerste stappen bezig.
Het innovatieknooppunt ‘Transformatie door innovatie’ is
natuurlijk het knooppunt dat het meeste aansluit met het
industrieel innovatiebeleid. De verdere uitwerking gebeurt dan
ook samen met de uitwerking van de acties van het nieuw
industrieel beleid (NIB) Voor de innovatieknooppunten ‘Eco-innovatie’
en ‘Groene Energie’ wordt er gewerkt aan de voorbereiding van de
opstart van de innovatieregiegroep voor de twee in het najaar
van 2011.
Zorginnovatie is inbegrepen de medische wereld, en we zoeken
uiteraard naar de nodige afstemming op alle initiatieven die
Flanders’ Care al heeft ontwikkeld. Op 12 juli zal een
toelichting worden gegeven van de conceptnota op het
zorgvernieuwingsplatform om verder te werken aan de dialoog en
het gesprek.
Voor duurzame mobiliteit en logistiek wordt er ook bekeken hoe
we de juiste aanpak kunnen
organiseren.
Rond sociale innovatie is al een eerste denkoefening gebeurd
door de regiegroep sociale innovatie. Er is echter nog nood aan
verdere verdieping en duiding. We bekijken hoe we dat verder
kunnen invullen.
De innovatiestrategieën uit de conceptnota zijn
beleidsstrategieën. Het is niet de bedoeling om nieuwe
structuren te creëren, maar wel om focus en beleidsstrategieën
te brengen. Die
kunnen dan door het IWT en andere worden gebruikt. Die
strategieën geven antwoord op de
vraag hoe we als overheid onderzoek, ontwikkeling en innovatie
kunnen opwekken, stimuleren en oriënteren op de strategische
uitdagingen waar we als maatschappij voor staan.
Zo’n strategie bestaat niet alleen uit innovatie, maar uit een
policy mix van beleidsmaatregelen die door de verschillende
beleidsniveaus worden genomen rond regelgeving, sensibilisering,
subsidie, enzovoort. Het is belangrijk dat we ervoor zorgen dat
innovatie nog meer dienend is, ook naar de beleidsontwikkeling
en de andere beleidsdomeinen als het gaat over toegepast
onderzoek. Zo kunnen we effectief een dienende rol spelen in het
bereiken van een aantal grote maatschappelijke uitdagingen.
De innovatieregiegroepen spelen daar een belangrijke rol in.
Zo’n groep is iets anders dan sectoroverleg. Zo’n groep is
samengesteld uit een beperkt aantal innovatieleiders en
-experts, liefst ook internationaal. Het zijn geen
vertegenwoordigers van verschillende sectoren.
Anders zouden we een ander soort dynamiek krijgen. We willen net
die excellentie, de internationale benchmark bereiken. Het is
belangrijk dat we een aantal innovatieleiders vinden die op
basis van hun expertise een oordeelkundig advies kunnen geven
over de manier waarop de innovatiestrategie moet worden
ontwikkeld. Dat staat dus naast het sectoroverleg, dat uiteraard
ook nodig is, maar een andere scope heeft en vooral vanuit het
nieuw industrieel beleid zal worden gevoerd. Ze zullen elkaar
beïnvloeden en input bezorgen.
Na de oplevering van een rapport van zo’n innovatieregiegroep
wordt dat eerst voorgelegd
aan de VRWI. Nadien kan dat rapport naar buiten worden gebracht.
De opdracht van de
innovatieregiegroep is ook duidelijk geformuleerd: “De
regiegroepen worden uitgenodigd om
een strategische innovatieagenda voor de middellange termijn uit
te tekenen. Deze bevat
duidelijke strategische en operationele doelstellingen,
meetindicatoren en een stappenplan om
de maatschappelijke en economische uitdagingen in kwestie aan te
pakken.”
De contouren van die innovatieregiegroep liggen dus duidelijk
vast. Het is niet de bedoeling
dat ze op andermans terrein komen. Hun input kan worden gebruikt
voor de
beleidsontwikkeling op de verschillende andere terreinen.
Hoe matchen de VRWI-clusters met de innovatieknooppunten? De
VRWI-cluster LOGISTECH – logistiek, transport, en supply chain
management – past bij duurzame mobiliteit en logistiek.
I-HEALTHTECH – ICT en gezondheidszorg – passen duidelijk bij
zorginnovatie. MEDITECH past ook bij zorginnovatie. NANOTECH
past bij transformatie door innovatie en bij eco-innovatie.
SOCIOTECH, ICT voor socio-economische innovatie past bij sociale
innovatie.
ECOTECH – energie en milieu –, ten slotte, pas bij eco-innovatie
en energie-innovatie.
Ook in de nota hebben we doelbewust de link gelegd met de
doelstelling van het Pact 2020 en met de doorbraak in het plan
Vlaanderen in Actie om de strategische planning volledig in
elkaar te schuiven. We zijn daarin geslaagd wat het theoretische
denkwerk betreft. We moeten dat nu op het spoor zetten en ervoor
zorgen dat alle actoren in onze beleidsvorming op elkaar
inspelen.
De voorzitter: De heer Van den Heuvel heeft het woord.
De heer Koen Van den Heuvel: Minister, ik dank u voor uw
uitgebreid antwoord. Het is een
goede suggestie om hier na het reces meer aandacht aan te
besteden. Het concept heeft
theoretisch wellicht zijn verdienste, de operationalisering moet
echter volgen. Het is
aangewezen dat we dat vanuit de commissie scherp opvolgen.
De voorzitter: Het incident is gesloten. |