Home

Biografie

Vlaams Parlement

Puurs

In de pers

Nieuwsbrief

 Contact

Linken

 


 

Koen Van den Heuvel
  Commissie Economie, Economisch Overheidsinstrumentarium, Innovatie, Wetenschapsbeleid, Werk en Sociale Economie
 

Vraag om uitleg van de heer Koen Van den Heuvel tot mevrouw Ingrid Lieten, viceminister-president van de Vlaamse Regering, Vlaams minister van Innovatie, Overheidsinvesteringen, Media en Armoedebestrijding, over het Centrum voor Medische Innovatie (CMI)

16 juni 2011

De voorzitter: De heer Van den Heuvel heeft het woord.

De heer Koen Van den Heuvel: Voorzitter, minister, ik heb een vraag over het Centrum voor Medische Innovatie (CMI). We weten allemaal dat het in 2009 opgericht werd om de toegang voor de patiënt tot innovatie in de medische sector te versnellen en om gebruik te maken van de ruime en internationaal erkende ervaring die ons land heeft in die sector en vooral in de sector van het klinisch en translationeel onderzoek.

Het CMI kreeg voor de opstartfase tot eind 2011 1,5 miljoen euro IWT-middelen (Agentschap voor Innovatie door Wetenschap en Technologie) en 8 miljoen euro via het Financieringsfonds voor Schuldafbouw en Eenmalige Investeringsuitgaven (FFEU), voor het oprichten van de infrastructuur van een Vlaams biobanknetwerk. Van deze FFEU-middelen zou volgens onze informatie tot op heden slechts een beperkt deel zijn aangewend.

In januari bespraken we in deze commissie al de stand van zaken van het CMI. Toen stelde u dat de inventarisaties van de biobank en de bestaande infrastructuur eerstdaags verwacht werden. Ook de voorbereidingen voor de effectieve besteding van de 8 miljoen euro van de FFEU-middelen zouden afgerond zijn. Intussen vernamen wij dat vanuit het CMI een team van experten uit de verschillende instellingen een volledige inventaris opmaakte van de bestaande collecties van de biobank in Vlaanderen, het groeipotentieel daarvan en de noden voor infrastructurele ondersteuning.

De belangrijkste vraag op dit moment is die van de structurele financiering, gezien de IWTfinanciering eind 2011 afloopt. Bij de oprichting van het CMI werd een vervolgfinanciering in het vooruitzicht gesteld, enerzijds voor de instandhouding van de centrale structuur van het CMI, anderzijds voor de ondersteuning van de translationele onderzoeksactiviteiten.

Tijdens de discussie toen stelde u dat het IWT een evaluatie zou maken van het CMI en dat op basis daarvan de structurele financiering verder zou worden uitgetekend. U benadrukte terecht het nut van een degelijke evaluatie. Anderzijds werd al gewezen op het belang om de betrokken actoren tijdig duidelijkheid te verschaffen over de toekomst van het CMI en dit bij voorkeur voor de zomervakantie.

Ten slotte konden we in Trends van enkele weken geleden een oproep lezen van Leo Neels en professor Debackere van de K.U.Leuven, die waarschuwden dat de Vlaamse koppositie in de klinische studies bedreigd wordt, dat er een aantal kapers op de kust zijn. Het CMI kan een heel strategische rol spelen om de Vlaamse toppositie te behouden.

Minister, wat zijn de resultaten en aanbevelingen van de evaluatie die het IWT maakte van de werking van het CMI? Kunnen we deze evaluatie inkijken en er een kleine toelichting bij krijgen? Is er inmiddels een beslissing genomen met betrekking tot het voorzien in een structurele financiering voor het CMI na 2011? Hoe ver staat de uitrol van de ICT- en databeheerinfrastructuur? Hoeveel van het bedrag van 8 miljoen euro werd ondertussen besteed? Op welke manier zal het CMI de koppositie van Vlaanderen inzake klinisch onderzoek mee kunnen ondersteunen? Hoe verloopt de samenwerking met de bedrijven in de sector?

Mevrouw Patricia Ceysens: Minister, ik ondersteun graag de vraag van de heer Van den Heuvel. Het was niet makkelijk om het CMI op te richten. Het was niet eenvoudig de brug te maken tussen het klinische, het wetenschappelijke en academische aspect. Daarnaast moest er absoluut de garantie zijn dat de koppositie in translatiegeneeskunde en het biologische aspect behouden werd. Het heeft heel wat voeten in de aarde gehad. U hebt het niet afgeschaft. Ik neem dan ook aan dat deze meerderheid het zin- en waardevol vindt. Ze moet er dan natuurlijk ook voldoende middelen veil voor hebben.

De voorzitter: Minister Lieten heeft het woord.

Minister Ingrid Lieten: Collega’s, ik moet toch wel zeggen dat het een moeilijke bevalling is. We hebben lang moeten wachten op het tussentijds rapport van het CMI. Het is nu pas bij het IWT aanbeland en moet nog worden voorgelegd aan de raad van bestuur. Het is voor mij moeilijk om er, nog voor de raad van bestuur gezorgd heeft voor de evaluatie, iets over te zeggen. Ik wil wel een paar relevante conclusies meegeven.

De opstartfase van het CMI wordt gefinancierd via een steunovereenkomst, waarbij door de Vlaamse Regering via het IWT een startfinanciering van 1,465 miljoen euro beschikbaar gesteld wordt. Hiernaast wordt in 8 miljoen euro voorzien voor investeringen via het Financieringsfonds voor Schuldafbouw en Eenmalige Investeringsuitgaven (FFEU). De tussentijdse evaluatie waarvan sprake betreft de uitvoering van de overeenkomst voor de opstartfase, die loopt van 1 december 2009 tot 31 december 2011. De tussentijdse evaluatie behandelt meer specifiek de eerste periode van dertien maanden van deze overeenkomst. De tussentijdse evaluatie gebeurt volgens een aantal duidelijke voorwaarden, opgenomen in de overeenkomst. Het doel is om vast te stellen of de subsidie dertien maanden na de start van de overeenkomst stopgezet of voortgezet moet worden. Deze tussentijdse evaluatie door het IWT richt zich in de eerste plaats op de startfinanciering. In de inhoudelijke appreciatie is er wel in een terugkoppeling voorzien naar de opvolging van de FFEU-middelen door Economie, Wetenschap en Innovatie (EWI). Er is een belangrijke vertraging opgetreden in de opstart van het initiatief, waardoor ook de tussentijdse evaluatie later uitgevoerd wordt. Op dit moment wordt ze door het IWT geëvalueerd en ze zal tijdens een van de volgende vergaderingen van de raad van bestuur worden voorgelegd.

De structurele financiering zal worden bepaald op basis van het businessplan en de integratie van alle deelnemende instellingen op regionaal en op Europees vlak. Het ontwerp van businessplan werd pas vorige vrijdag, 10 juni 2011, op de raad van bestuur van het CMI besproken. Ook daar is er dus een vertraging. Ik heb hierin nog geen inzage gehad. De toekomst van het CMI hangt dus af van het businessplan en de integratie in Europese initiatieven en een strategische visie waar dankzij overheidsfinanciering een meerwaarde kan worden gecreëerd. We creëren wel de mogelijkheden en de omstandigheden, maar het moet natuurlijk ook worden waargemaakt door de partners die dat onderschrijven.

Het bedrag van 8 miljoen euro komt van het FFEU. Er werd bepaald dat de uitbetaling van de schijven zal gebeuren volgens de te behalen mijlpalen, die ook zijn vastgelegd. Er wordt nog gewacht op het halen van de eerste mijlpaal, het aangeven welke collecties bij het CMI zullen worden ondergebracht. Het is cruciaal dat duidelijk gesteld wordt welke collecties dat zijn. Indien eerst met de ICT-infrastructuur gestart wordt, riskeert men immers dat de keuzes en prioriteiten nooit gesteld zullen worden en dat het CMI en de Vlaamse biobank verwateren tot een collectie van opslagfaciliteiten voor toekomstige stalen. Dat kan natuurlijk niet de bedoeling zijn. De ambitie moet veel hoger liggen. Het moet de bedoeling zijn om wetenschappelijk onderscheiden te zijn. Dat is de oorspronkelijke ambitie, die ik ook ondersteun. Op het ogenblik dat de middelen werden toegewezen voor het opzetten van een Vlaamse biobank, bleek dat men nog niet over een inventaris beschikte van hoeveel collecties er bestonden die aan de nodige kwaliteitsstandaarden voldoen en zich lenen voor het ondersteunen van translationeel biomedisch onderzoek.

In de beslissing van de Vlaamse Regering van 30 april 2009 wordt gestipuleerd dat de Vlaamse Regering haar principiële goedkeuring hecht aan de ondersteuning van een op te richten onderzoekscentrum volgens de krachtlijnen beschreven in deze nota en inzonderheid de modaliteiten vervat in punt 12 van deze nota. Dat staat zo expliciet in die beslissing. Punt 12 geeft het advies van de raad van bestuur van het IWT weer en bepaalt dat aan de steun een aantal belangrijke voorwaarden zijn gekoppeld. In de eerste voorwaarde staat dat “in de eerste maanden target/focusgebieden gedefinieerd moeten worden. Het is essentieel om van bij de start een duidelijke focus te hebben”. Verder worden als voorwaarde voor de uitbetaling van de FFEU-middelen een aantal te bereiken mijlpalen vastgelegd. De Vlaamse Regering heeft het advies van het IWT nog eens bevestigd en hardgemaakt in haar beslissing.

In de te bereiken mijlpalen wordt onder meer gesteld dat na zes maanden er samenwerkingsovereenkomsten met de Klinische Onderzoekscentra (Clinical Research Centers - CRC’s) moeten zijn en dat de focusgebieden voor de CRC’s moeten zijn vastgelegd. Hierbij moet elke CRC de leiding nemen in één focusgebied. Een van de mijlpalen na twaalf maanden is dat een tweede-fase-businessplan dat gedetailleerder moet zijn uitgewerkt, beschikbaar moet zijn. Deze studie is essentieel om de KPI’s (key performance indicator) op te stellen voor de tweede fase. In het besluit van de Vlaamse Regering van 23 april 2010 worden de bepalingen voor de uitbetaling van de FFEU-middelen op basis van de voorwaarden en bepalingen van de beslissing van de Vlaamse Regering van 30 april 2009 vastgelegd. De verschillende schijven en te bereiken mijlpalen zitten ook in de IWT-steunovereenkomst. Op die manier wordt gepoogd een kader te creëren om de middelen goed en constructief te besteden in het kader van een langetermijnstrategie.

De eerste mijlpaal was dus het maken van een inventaris en het aangeven welke collecties in de biobank zouden worden ondergebracht. Daarvoor moeten de focusdomeinen worden bepaald. Inmiddels is die inventaris inderdaad gemaakt, hoewel het soms nog onduidelijk is welke collecties nu daadwerkelijk worden bedoeld. Zo heeft een van de instellingen een collectie Algemeen. Bovendien heeft tot nu toe slechts één instelling duidelijk aangegeven welke collectie onder de CMI-biobank zal worden geplaatst. De andere instellingen hebben nog geen duidelijke keuzes en selecties gemaakt.

Het is onmogelijk om met een – toch belangrijk – budget van 8 miljoen euro alle bestaande biobankcollecties in de Vlaamse universitaire ziekenhuizen te financieren. Als er geen focusdomeinen worden geïnventariseerd, lopen we het risico dat die middelen echt versnipperd raken. Een aantal instellingen hebben zelfs twijfels over de kwaliteit van hun eigen collecties, en geven er dan ook de voorkeur aan het budget te gebruiken voor het aankopen van opslagcapaciteit. Eenvoudig gesteld, met opslagcapaciteit worden diepvriezers bedoeld. Op termijn zullen die dan worden gevuld met wat men ‘prospectieve collecties’ noemt, ook zonder dat die focusdomeinen worden bepaald.

Ook dit dossier moet dus nog worden bijgewerkt. Ik verwijs in dat verband ook naar de discussie van daarnet over het rapport-Soete. Er moet meer invulling worden gegeven aan die strategische overwegingen, aan een duidelijke intentie om een ruimer maatschappelijk belang te willen dienen, bijvoorbeeld door een aanzet voor te bereiden tot de ontwikkeling van een gepersonaliseerde geneeskunde, waarvoor het gebruik van die biobank essentieel is. Dat was de maatschappelijke doelstelling. Momenteel laat men na een strategie op te zetten om ook zeldzame ziektes aan te pakken, een aanpak die alleen maar kan worden gerealiseerd door een gecombineerde, gecoördineerde aanpak, precies omdat die ziektes zeldzaam zijn en een andere manier weinig soelaas biedt.

Ik moet eveneens zeggen dat er nog geen overeenkomsten met de CRC’s zijn afgesloten. Het is ook niet duidelijk welk CRC het voortouw zal nemen met betrekking tot een of andere biobank. Recent, op 1 juni 2011, werd er wel een ontwerpbusinessplan voorgelegd aan de raad van bestuur. Men meldt me dat dit ontwerp werd besproken op de vergadering van de raad van bestuur van 10 juni 2011. De plannen die tot nog toe werden voorgelegd, zijn echter toch nog altijd onvoldoende uitgewerkt en onvoldoende gedetailleerd en gemotiveerd, in het licht van de voorwaarden die de regering destijds heeft bepaald.

In overeenstemming met de beleidsbrief Innovatie wordt sterk de nadruk gelegd op het belang van internationalisering, zowel wat onderzoek als wat de samenwerking met de industrie betreft. Het is de bedoeling om sterker bij die Europese initiatieven aan te sluiten.

Dat werd ook in de steunovereenkomst met het IWT opgenomen, als voorwaarde voor de uitbetaling van die FFEU-middelen. De investeringen moeten toelaten aan te sluiten bij de Europese infrastructuurprojecten met betrekking tot die biobanken, tot klinisch onderzoek en eventuele andere projecten. Een werkplan voor de aansluiting bij die relevante initiatieven vormt ook een mijlpaal voor de uitbetaling van de vijfde schijf, waarin eigenlijk al was voorzien op 1 juni 2010.

Tot nu toe heeft het CMI echter nog geen afstemming bereikt met die Europese initiatieven qua biobanken, translationeel onderzoek of klinisch onderzoek, die er precies op gericht zijn om die Europese onderzoeksinfrastructuur op elkaar af te stemmen. Ik verneem dat men pas de jongste weken opnieuw stappen heeft gezet, op aandringen van de administratie en het IWT, om zich daar volledig achter te scharen. Succesvolle projecten in een Europees kader zijn mee bepalend voor de toekomstfinanciering en -mogelijkheden. Meerdere voorwaarden zijn dus nog niet vervuld om daadwerkelijk te kunnen overgaan tot een verdere uitbetaling van die FFEU-middelen en de uitrol van die ICT-infrastructuur te kunnen opstarten.

Het CMI kan een sterke coördinerende rol op zich nemen door die klinische onderzoekscentra te vertegenwoordigen. Op die manier is er ook voor de industrie die een klinische studie wil opstarten, slechts één aanspreekpunt, in plaats van dat men elk universitair ziekenhuis afzonderlijk zou moeten contacteren en er een relatie mee moet ontwikkelen, en telkens ook op zoek moet gaan naar een voldoende grote groep van patiënten om er die studies mee te doen.

Het komt erop neer dat dit een enorme opportuniteit is. In het verleden zijn er voorbeelden geweest van grote farmabedrijven die precies om die reden zijn uitgeweken naar andere landen, waar wel een gecoördineerde aanpak bestaat en de samenwerking met de industrie en de farmabedrijven werd gefaciliteerd. Het CMI kan als koepel instaan voor al die regulatorische en ethische zaken. Dat zou ook een meerwaarde zijn van het CMI. Het kan ook Vlaanderen vertegenwoordigen voor de biobanken en translationeel en klinisch onderzoek, door een deelname aan die Europese onderzoeksinfrastructuur. Door lidmaatschap en samenwerking krijgt het dan ook toegang tot andere Europese onderzoeksinfrastructuur.

Andere complementaire infrastructuurprojecten zijn de knock-outmuisfaciliteiten, de bibliotheken van kleine chemische moleculen, de databanken en de hogeveiligheidslaboratoria.

Toegang tot dergelijke infrastructuur is niet alleen belangrijk voor academische onderzoeksgroepen, maar ook voor de samenwerking met de industrie, zowel voor kmo’s als voor de farmaceutische industrie. Het CMI kan als vertegenwoordiger van de Vlaamse biobanken ook deelnemen aan Europese projecten. In het recentste werkprogramma Gezondheid van het kaderprogramma dat officieel zal worden gelanceerd in juli, maar waarover vorige donderdag al een open informatiedag plaatsvond, zijn de diverse mogelijkheden geschetst om projecten in te dienen waarbij klinisch onderzoek en het gebruik van biobanken vereist zijn, en waaraan ook de industrie kan deelnemen. Als koepel voor de CRC’s zou het CMI ook kunnen instaan voor alle regulatorische en statistische protocollen die moeten worden gevolgd. Eenmaal een aantoonbare expertise wordt gerealiseerd onder de koepel van het CMI, zal die meerwaarde zowel voor translationeel biomedisch onderzoek bij academische groepen als voor de industrie duidelijk moeten blijken, en kan Vlaanderen wedijveren met de beste Europese regio’s op dit domein. Die mogelijkheden zijn er dus allemaal. Het CMI kan als koepel voor de biobanken expertise opbouwen voor de ontwikkeling van gepersonaliseerde geneeskunde of een niche proberen te veroveren in het veld van zeldzame ziektes. Dat hangt er een beetje vanaf.

In het reeds vernoemde werkprogramma van het kaderprogramma zal Europa ruim 30 miljoen euro voor onderzoeksprojecten met betrekking tot zeldzame ziekten vooropstellen.

Het CMI zou daaraan in principe actief kunnen deelnemen als entiteit. Dat zijn allemaal mogelijkheden die zich aandienen, maar de handicap is momenteel, lijkt me, dat het CMI nog niet ver genoeg is gevorderd in het definiëren van de eigen strategische doelstellingen, dat het die focusdomeinen nog niet heeft afgebakend, dat er momenteel ook nog geen strategisch plan voorligt, dat de samenwerking tussen de deelnemende instellingen minimaal is. Momenteel bestaat die samenwerking er vooral in dat ze proberen die middelen enigszins gelijk te verdelen, met een minimale overkoepelende organisatievorm.

Ik wil niet op de evaluatie vooruitlopen, maar ik denk toch wel dat we samen zullen moeten bewaken dat de oorspronkelijke ambities effectief worden nageleefd. Mijnheer Diependaele, dat is een mooie illustratie van de discussie van daarstraks waarbij we gezegd hebben dat het niet de bedoeling kan zijn om wat geld onder elkaar te verdelen. De strategische doelstelling en de ambitie moeten worden gehaald en daar moet iedereen zich achterzetten. Ik hoop dat we dat met het CMI-dossier nog kunnen bereiken.

De voorzitter: De heer Van den Heuvel heeft het woord.

De heer Koen Van den Heuvel: Voorzitter, minister, ik dank u voor uw antwoord. We zijn het er allemaal over eens dat de middelen schaars zijn, dat we die moeten inzetten in strategische sectoren en als het kan daar waar we al excellent zijn en een koppositie bekleden zodat we dat zo kunnen houden. Deze sector is excellent, en zeker de klinische en translationele geneeskunde. We moeten absoluut bewaken dat we strategisch de juiste keuzes maken.

We moeten ook bewaken dat we de grote lijnen volgen en de strategische doelstellingen halen. U weet allemaal dat het landschap wat versnipperd is en dat we ervoor moeten zorgen dat de CMI geen verdeelmechanisme wordt waardoor iedereen kleinschalig gaat werken waardoor men comparatieve voordelen mist. We mogen ook niet zo ver gaan om het kind met het badwater weg te gooien. We zitten in een koppositie. Minister, het is goed om er een prioriteit van te maken om te behouden waar we excellent in zijn.

U hebt gezegd dat het wat trager verloopt. Kunt u ons daar wat meer over vertellen? Welke knelpunten ziet u? Wat kan de overheid doen om die knelpunten uit de weg te ruimen zodat we er wat vaart in brengen? De anderen in de wereld staan ook niet stil. We zitten goed, laat ons alles doen om dat zo te houden.

Mevrouw Patricia Ceysens: Ik wil me graag aansluiten. Het CMI was voor ons een keuze om voor de translationele geneeskunde en de medische innovatie te gaan. Eerst wou men iets anders doen rond medische innovatie, maar het is dan Flanders’ Care geworden. Ik herinner me de eerste persconferentie van het CMI in Imec. Men liet toen al duidelijk verstaan dat het mogelijks ook om medische innovatie zou gaan. Er werden voorbeelden gegeven van gepersonaliseerde geneeskunde.

Opeens werd het dan Flanders’ Care met drie ministers. Ik heb de indruk dat er nu veel meer energie gaat naar Flanders’ Care, maar ook weer versnipperd. Elke minister doet zijn ding in Flanders’ Care. U zegt dat u het gaat onderbrengen bij de innovatiecentra, minister-president Peeters doet iets met het Agentschap Ondernemen. In Welzijn en Gezondheid gebeuren dan weer andere dingen. Ik heb de indruk dat men er wel voor kiest om allemaal verschillende dingen te doen in plaats van de focus te houden op de medische innovatie. Ik heb dat al een paar keer gesteld. Ik vind dat heel erg zonde. In Flanders’ Care brengt men continu veertig mensen rond tafel om over van alles en nog wat te praten. Daar zal geen medische innovatie uit voortkomen. Laat ons elkaar niets wijsmaken.

U vraagt waarom het zo traag gaat. Minister, u zult het beter kunnen inschatten dan ik, maar wat ik heb gezien, is dat men heel lang getalmd heeft om een directeur aan te stellen. Het is niet aan mij om hierop in te gaan, maar ik hoor en zie wel het een en ander.

Minister Ingrid Lieten: Het is toch wel belangrijk om de puntjes op de i te zetten.

Voorzitter, ik praat nooit uit mezelf over het verleden, maar als u iedere keer de link legt, dan ben ik wel verplicht om daar ook over te spreken. Bij het CMI zien we net het resultaat van een onzorgvuldige besluitvorming in het verleden. Ik wil de vergelijking eens maken met wat we daarstraks hebben besproken over het TINAfonds.

Voor het TINA-fonds hebben we uitdrukkelijk geen nieuwe organisatie willen oprichten, maar we hebben het ingepast in een bestaande organisatie. We doen dat ook met het CMI. We gaan geen nieuwe organisatie oprichten, maar we passen de doelstelling in in een bestaande organisatie. Zo vermijd je heel veel tijdverlies en heel veel beheersmaatregelen. Anders moeten er raden van bestuur worden samengesteld. Die mensen moeten elkaar leren kennen.

Ze beginnen allemaal het warm water opnieuw uit te vinden. Er wordt heel veel tijd en energie gestoken, niet in de strategische oefening, maar in het opzetten van de beheersstructuren.

Bij het CMI heeft men in het verleden een paar dingen gedaan, waardoor er volgens mij nu vertraging is. Men heeft in de vorige legislatuur een principeovereenkomst gesloten. Men heeft geen tijd genomen – men had ook geen tijd meer, want het was op het einde van de legislatuur – om het goed uit te werken. Men heeft een principebeslissing genomen en er is onvoldoende tijd en energie gestoken in het duidelijk uittekenen van de randvoorwaarden en van de strategische oefening die men vooruitgeschoven heeft. Men stuurt een paar mensen het bos in die vanaf nul moeten beginnen, maar ze kregen wel hun geld toegezegd. Iedereen begint dan natuurlijk te zoeken hoe men dat geld het best voor zijn eigen doelstellingen kan aanwenden. Men verliest dan de scope, de strategische doelstelling van de overheid, uit het oog. Tegelijk hebben wij in deze legislatuur ook nog eens in de nodige middelen moeten voorzien, want die waren er ook niet.

Had men toen ook de keuze gemaakt om die doelstellingen onder te brengen, bijvoorbeeld bij een bestaande organisatie van het Vlaams Instituut voor Biotechnologie (VIB), dan stonden we nu misschien al veel verder. Ik wil helemaal niet de keuzes die men heeft gemaakt, in vraag stellen. Ik stel alleen vast dat het een belangrijke strategische doelstelling is, die ik volledig onderschrijf. Ik stel ook vast dat de mensen die daarvoor zijn aangesteld en voor wie men een aparte organisatie heeft opgericht, vertraging oplopen in de ontwikkeling en de uitrol van die strategie. Ik veroordeel hen niet, ik geef ze tijd, maar ik hoop dat we snel kunnen overgaan tot de evaluatie door het IWT, en dat we kunnen uitzoeken hoe we het CMI kunnen ondersteunen om snel de strategische focus te leggen.

Dit is absoluut niet meer de werkwijze die wij verkiezen. In de conceptnota hebben we duidelijk gezegd dat als we platformen creëren en nieuwe initiatieven nemen, we niet op voorhand nieuwe organisaties oprichten en geld vastleggen, maar wel kansen geven aan de mensen om samenwerkingsovereenkomsten tussen de overheid, het bedrijfsleven en de onderzoekscentra te ontwikkelen en via de bestaande kanalen projecten in te dienen.

Mevrouw Ceysens, dat heeft helemaal niets te maken met Flanders’ Care. Dat haalt u erbij om verwarring te creëren. Flanders’ Care werkt op zorginnovatie. Er is geen enkele beleidsmaatregel genomen die het CMI op de een of andere manier heeft belet om z’n strategische planning en focus op te maken, om z’n businessplan op te maken en om z’n mijlpalen te halen. Dat heeft niemand hun belet.

Mevrouw Patricia Ceysens: Minister, de good practice bij de aftrap van Flanders’ Care was Genzyme, maar we gaan dat hier niet verder bespreken. Ik concludeer dat we vzw ICleantech en het energiebedrijf ook niet gaan moeten behandelen en oprichten.

Minister Ingrid Lieten: Dat is helemaal niet correct, mevrouw Ceysens. We zeggen heel duidelijk – misschien moet u toch de moeite doen om de conceptnota te lezen – dat als je innovatie wilt stimuleren, je partners moet samenbrengen, want het is altijd mensenwerk. Die partners komen dikwijls uit de ondernemingen, uit de academische wereld of de onderzoekscentra. Die moet je samenbrengen, en kansen en ook een basisfinanciering geven om kennis op te doen en met elkaar te overleggen welke projecten ze samen willen doen.

Als ze overgaan tot specifieke projecten, dan moet dat via de bestaande kanalen, via het IWT dat daar specifieke procedures voor heeft. Dat is ook de uitdrukkelijke bedoeling van ICleantech.

Zo heeft de deskundige dat hier in de hoorzitting gemotiveerd. I-Cleantech krijgt geen geld om onderzoek te doen, wel werkingskosten om een platform te creëren om projecten op te zetten. Als er onderzoek wordt gepland, dan gaat dat altijd via de bestaande kanalen. Dat heeft helemaal niets te maken met het Vlaams Energiebedrijf, dat een andere missie en doelstelling heeft. Mevrouw Ceysens, u sleurt er zaken bij die er niets mee te maken hebben.

De voorzitter: Het incident is gesloten.

 
 
 
 

 

2011 Koen Van den Heuvel