De voorzitter: De heer Van den Heuvel
heeft het woord.
De heer Koen Van den Heuvel: Voorzitter,
minister, ik heb een vraag over het Centrum voor Medische
Innovatie (CMI). We weten allemaal dat het in 2009 opgericht
werd om de toegang voor de patiënt tot innovatie in de medische
sector te versnellen en om gebruik te maken van de ruime en
internationaal erkende ervaring die ons land heeft in die sector
en vooral in de sector van het klinisch en translationeel
onderzoek.
Het CMI kreeg voor de opstartfase tot eind 2011
1,5 miljoen euro IWT-middelen (Agentschap voor Innovatie door
Wetenschap en Technologie) en 8 miljoen euro via het
Financieringsfonds voor Schuldafbouw en Eenmalige
Investeringsuitgaven (FFEU), voor het oprichten van de
infrastructuur van een Vlaams biobanknetwerk. Van deze
FFEU-middelen zou volgens onze informatie tot op heden slechts
een beperkt deel zijn aangewend.
In januari bespraken we in deze commissie al de
stand van zaken van het CMI. Toen stelde u dat de
inventarisaties van de biobank en de bestaande infrastructuur
eerstdaags verwacht werden. Ook de voorbereidingen voor de
effectieve besteding van de 8 miljoen euro van de FFEU-middelen
zouden afgerond zijn. Intussen vernamen wij dat vanuit het CMI
een team van experten uit de verschillende instellingen een
volledige inventaris opmaakte van de bestaande collecties van de
biobank in Vlaanderen, het groeipotentieel daarvan en de noden
voor infrastructurele ondersteuning.
De belangrijkste vraag op dit moment is die van
de structurele financiering, gezien de IWTfinanciering eind 2011
afloopt. Bij de oprichting van het CMI werd een
vervolgfinanciering in het vooruitzicht gesteld, enerzijds voor
de instandhouding van de centrale structuur van het CMI,
anderzijds voor de ondersteuning van de translationele
onderzoeksactiviteiten.
Tijdens de discussie toen stelde u dat het IWT
een evaluatie zou maken van het CMI en dat op basis daarvan de
structurele financiering verder zou worden uitgetekend. U
benadrukte terecht het nut van een degelijke evaluatie.
Anderzijds werd al gewezen op het belang om de betrokken actoren
tijdig duidelijkheid te verschaffen over de toekomst van het CMI
en dit bij voorkeur voor de zomervakantie.
Ten slotte konden we in Trends van enkele weken
geleden een oproep lezen van Leo Neels en professor Debackere
van de K.U.Leuven, die waarschuwden dat de Vlaamse koppositie in
de klinische studies bedreigd wordt, dat er een aantal kapers op
de kust zijn. Het CMI kan een heel strategische rol spelen om de
Vlaamse toppositie te behouden.
Minister, wat zijn de resultaten en
aanbevelingen van de evaluatie die het IWT maakte van de werking
van het CMI? Kunnen we deze evaluatie inkijken en er een kleine
toelichting bij krijgen? Is er inmiddels een beslissing genomen
met betrekking tot het voorzien in een structurele financiering
voor het CMI na 2011? Hoe ver staat de uitrol van de ICT- en
databeheerinfrastructuur? Hoeveel van het bedrag van 8 miljoen
euro werd ondertussen besteed? Op welke manier zal het CMI de
koppositie van Vlaanderen inzake klinisch onderzoek mee kunnen
ondersteunen? Hoe verloopt de samenwerking met de bedrijven in
de sector?
Mevrouw Patricia Ceysens: Minister, ik
ondersteun graag de vraag van de heer Van den Heuvel. Het was
niet makkelijk om het CMI op te richten. Het was niet eenvoudig
de brug te maken tussen het klinische, het wetenschappelijke en
academische aspect. Daarnaast moest er absoluut de garantie zijn
dat de koppositie in translatiegeneeskunde en het biologische
aspect behouden werd. Het heeft heel wat voeten in de aarde
gehad. U hebt het niet afgeschaft. Ik neem dan ook aan dat deze
meerderheid het zin- en waardevol vindt. Ze moet er dan
natuurlijk ook voldoende middelen veil voor hebben.
De voorzitter: Minister Lieten heeft het
woord.
Minister Ingrid Lieten: Collega’s, ik
moet toch wel zeggen dat het een moeilijke bevalling is. We
hebben lang moeten wachten op het tussentijds rapport van het
CMI. Het is nu pas bij het IWT aanbeland en moet nog worden
voorgelegd aan de raad van bestuur. Het is voor mij moeilijk om
er, nog voor de raad van bestuur gezorgd heeft voor de
evaluatie, iets over te zeggen. Ik wil wel een paar relevante
conclusies meegeven.
De opstartfase van het CMI wordt gefinancierd
via een steunovereenkomst, waarbij door de Vlaamse Regering via
het IWT een startfinanciering van 1,465 miljoen euro beschikbaar
gesteld wordt. Hiernaast wordt in 8 miljoen euro voorzien voor
investeringen via het Financieringsfonds voor Schuldafbouw en
Eenmalige Investeringsuitgaven (FFEU). De tussentijdse evaluatie
waarvan sprake betreft de uitvoering van de overeenkomst voor de
opstartfase, die loopt van 1 december 2009 tot 31 december 2011.
De tussentijdse evaluatie behandelt meer specifiek de eerste
periode van dertien maanden van deze overeenkomst. De
tussentijdse evaluatie gebeurt volgens een aantal duidelijke
voorwaarden, opgenomen in de overeenkomst. Het doel is om vast
te stellen of de subsidie dertien maanden na de start van de
overeenkomst stopgezet of voortgezet moet worden. Deze
tussentijdse evaluatie door het IWT richt zich in de eerste
plaats op de startfinanciering. In de inhoudelijke appreciatie
is er wel in een terugkoppeling voorzien naar de opvolging van
de FFEU-middelen door Economie, Wetenschap en Innovatie (EWI).
Er is een belangrijke vertraging opgetreden in de opstart van
het initiatief, waardoor ook de tussentijdse evaluatie later
uitgevoerd wordt. Op dit moment wordt ze door het IWT
geëvalueerd en ze zal tijdens een van de volgende vergaderingen
van de raad van bestuur worden voorgelegd.
De structurele financiering zal worden bepaald
op basis van het businessplan en de integratie van alle
deelnemende instellingen op regionaal en op Europees vlak. Het
ontwerp van businessplan werd pas vorige vrijdag, 10 juni 2011,
op de raad van bestuur van het CMI besproken. Ook daar is er dus
een vertraging. Ik heb hierin nog geen inzage gehad. De toekomst
van het CMI hangt dus af van het businessplan en de integratie
in Europese initiatieven en een strategische visie waar dankzij
overheidsfinanciering een meerwaarde kan worden gecreëerd. We
creëren wel de mogelijkheden en de omstandigheden, maar het moet
natuurlijk ook worden waargemaakt door de partners die dat
onderschrijven.
Het bedrag van 8 miljoen euro komt van het FFEU.
Er werd bepaald dat de uitbetaling van de schijven zal gebeuren
volgens de te behalen mijlpalen, die ook zijn vastgelegd. Er
wordt nog gewacht op het halen van de eerste mijlpaal, het
aangeven welke collecties bij het CMI zullen worden
ondergebracht. Het is cruciaal dat duidelijk gesteld wordt welke
collecties dat zijn. Indien eerst met de ICT-infrastructuur
gestart wordt, riskeert men immers dat de keuzes en prioriteiten
nooit gesteld zullen worden en dat het CMI en de Vlaamse biobank
verwateren tot een collectie van opslagfaciliteiten voor
toekomstige stalen. Dat kan natuurlijk niet de bedoeling zijn.
De ambitie moet veel hoger liggen. Het moet de bedoeling zijn om
wetenschappelijk onderscheiden te zijn. Dat is de
oorspronkelijke ambitie, die ik ook ondersteun. Op het ogenblik
dat de middelen werden toegewezen voor het opzetten van een
Vlaamse biobank, bleek dat men nog niet over een inventaris
beschikte van hoeveel collecties er bestonden die aan de nodige
kwaliteitsstandaarden voldoen en zich lenen voor het
ondersteunen van translationeel biomedisch onderzoek.
In de beslissing van de Vlaamse Regering van 30
april 2009 wordt gestipuleerd dat de Vlaamse Regering haar
principiële goedkeuring hecht aan de ondersteuning van een op te
richten onderzoekscentrum volgens de krachtlijnen beschreven in
deze nota en inzonderheid de modaliteiten vervat in punt 12 van
deze nota. Dat staat zo expliciet in die beslissing. Punt 12
geeft het advies van de raad van bestuur van het IWT weer en
bepaalt dat aan de steun een aantal belangrijke voorwaarden zijn
gekoppeld. In de eerste voorwaarde staat dat “in de eerste
maanden target/focusgebieden gedefinieerd moeten worden. Het is
essentieel om van bij de start een duidelijke focus te hebben”.
Verder worden als voorwaarde voor de uitbetaling van de
FFEU-middelen een aantal te bereiken mijlpalen vastgelegd. De
Vlaamse Regering heeft het advies van het IWT nog eens bevestigd
en hardgemaakt in haar beslissing.
In de te bereiken mijlpalen wordt onder meer
gesteld dat na zes maanden er samenwerkingsovereenkomsten met de
Klinische Onderzoekscentra (Clinical Research Centers - CRC’s)
moeten zijn en dat de focusgebieden voor de CRC’s moeten zijn
vastgelegd. Hierbij moet elke CRC de leiding nemen in één
focusgebied. Een van de mijlpalen na twaalf maanden is dat een
tweede-fase-businessplan dat gedetailleerder moet zijn
uitgewerkt, beschikbaar moet zijn. Deze studie is essentieel om
de KPI’s (key performance indicator) op te stellen voor de
tweede fase. In het besluit van de Vlaamse Regering van 23 april
2010 worden de bepalingen voor de uitbetaling van de
FFEU-middelen op basis van de voorwaarden en bepalingen van de
beslissing van de Vlaamse Regering van 30 april 2009 vastgelegd.
De verschillende schijven en te bereiken mijlpalen zitten ook in
de IWT-steunovereenkomst. Op die manier wordt gepoogd een kader
te creëren om de middelen goed en constructief te besteden in
het kader van een langetermijnstrategie.
De eerste mijlpaal was dus het maken van een
inventaris en het aangeven welke collecties in de biobank zouden
worden ondergebracht. Daarvoor moeten de focusdomeinen worden
bepaald. Inmiddels is die inventaris inderdaad gemaakt, hoewel
het soms nog onduidelijk is welke collecties nu daadwerkelijk
worden bedoeld. Zo heeft een van de instellingen een collectie
Algemeen. Bovendien heeft tot nu toe slechts één instelling
duidelijk aangegeven welke collectie onder de CMI-biobank zal
worden geplaatst. De andere instellingen hebben nog geen
duidelijke keuzes en selecties gemaakt.
Het is onmogelijk om met een – toch belangrijk –
budget van 8 miljoen euro alle bestaande biobankcollecties in de
Vlaamse universitaire ziekenhuizen te financieren. Als er geen
focusdomeinen worden geïnventariseerd, lopen we het risico dat
die middelen echt versnipperd raken. Een aantal instellingen
hebben zelfs twijfels over de kwaliteit van hun eigen
collecties, en geven er dan ook de voorkeur aan het budget te
gebruiken voor het aankopen van opslagcapaciteit. Eenvoudig
gesteld, met opslagcapaciteit worden diepvriezers bedoeld. Op
termijn zullen die dan worden gevuld met wat men ‘prospectieve
collecties’ noemt, ook zonder dat die focusdomeinen worden
bepaald.
Ook dit dossier moet dus nog worden bijgewerkt.
Ik verwijs in dat verband ook naar de discussie van daarnet over
het rapport-Soete. Er moet meer invulling worden gegeven aan die
strategische overwegingen, aan een duidelijke intentie om een
ruimer maatschappelijk belang te willen dienen, bijvoorbeeld
door een aanzet voor te bereiden tot de ontwikkeling van een
gepersonaliseerde geneeskunde, waarvoor het gebruik van die
biobank essentieel is. Dat was de maatschappelijke doelstelling.
Momenteel laat men na een strategie op te zetten om ook zeldzame
ziektes aan te pakken, een aanpak die alleen maar kan worden
gerealiseerd door een gecombineerde, gecoördineerde aanpak,
precies omdat die ziektes zeldzaam zijn en een andere manier
weinig soelaas biedt.
Ik moet eveneens zeggen dat er nog geen
overeenkomsten met de CRC’s zijn afgesloten. Het is ook niet
duidelijk welk CRC het voortouw zal nemen met betrekking tot een
of andere biobank. Recent, op 1 juni 2011, werd er wel een
ontwerpbusinessplan voorgelegd aan de raad van bestuur. Men
meldt me dat dit ontwerp werd besproken op de vergadering van de
raad van bestuur van 10 juni 2011. De plannen die tot nog toe
werden voorgelegd, zijn echter toch nog altijd onvoldoende
uitgewerkt en onvoldoende gedetailleerd en gemotiveerd, in het
licht van de voorwaarden die de regering destijds heeft bepaald.
In overeenstemming met de beleidsbrief Innovatie
wordt sterk de nadruk gelegd op het belang van
internationalisering, zowel wat onderzoek als wat de
samenwerking met de industrie betreft. Het is de bedoeling om
sterker bij die Europese initiatieven aan te sluiten.
Dat werd ook in de steunovereenkomst met het IWT
opgenomen, als voorwaarde voor de uitbetaling van die
FFEU-middelen. De investeringen moeten toelaten aan te sluiten
bij de Europese infrastructuurprojecten met betrekking tot die
biobanken, tot klinisch onderzoek en eventuele andere projecten.
Een werkplan voor de aansluiting bij die relevante initiatieven
vormt ook een mijlpaal voor de uitbetaling van de vijfde schijf,
waarin eigenlijk al was voorzien op 1 juni 2010.
Tot nu toe heeft het CMI echter nog geen
afstemming bereikt met die Europese initiatieven qua biobanken,
translationeel onderzoek of klinisch onderzoek, die er precies
op gericht zijn om die Europese onderzoeksinfrastructuur op
elkaar af te stemmen. Ik verneem dat men pas de jongste weken
opnieuw stappen heeft gezet, op aandringen van de administratie
en het IWT, om zich daar volledig achter te scharen. Succesvolle
projecten in een Europees kader zijn mee bepalend voor de
toekomstfinanciering en -mogelijkheden. Meerdere voorwaarden
zijn dus nog niet vervuld om daadwerkelijk te kunnen overgaan
tot een verdere uitbetaling van die FFEU-middelen en de uitrol
van die ICT-infrastructuur te kunnen opstarten.
Het CMI kan een sterke coördinerende rol op zich
nemen door die klinische onderzoekscentra te vertegenwoordigen.
Op die manier is er ook voor de industrie die een klinische
studie wil opstarten, slechts één aanspreekpunt, in plaats van
dat men elk universitair ziekenhuis afzonderlijk zou moeten
contacteren en er een relatie mee moet ontwikkelen, en telkens
ook op zoek moet gaan naar een voldoende grote groep van
patiënten om er die studies mee te doen.
Het komt erop neer dat dit een enorme
opportuniteit is. In het verleden zijn er voorbeelden geweest
van grote farmabedrijven die precies om die reden zijn
uitgeweken naar andere landen, waar wel een gecoördineerde
aanpak bestaat en de samenwerking met de industrie en de
farmabedrijven werd gefaciliteerd. Het CMI kan als koepel
instaan voor al die regulatorische en ethische zaken. Dat zou
ook een meerwaarde zijn van het CMI. Het kan ook Vlaanderen
vertegenwoordigen voor de biobanken en translationeel en
klinisch onderzoek, door een deelname aan die Europese
onderzoeksinfrastructuur. Door lidmaatschap en samenwerking
krijgt het dan ook toegang tot andere Europese
onderzoeksinfrastructuur.
Andere complementaire infrastructuurprojecten
zijn de knock-outmuisfaciliteiten, de bibliotheken van kleine
chemische moleculen, de databanken en de
hogeveiligheidslaboratoria.
Toegang tot dergelijke infrastructuur is niet
alleen belangrijk voor academische onderzoeksgroepen, maar ook
voor de samenwerking met de industrie, zowel voor kmo’s als voor
de farmaceutische industrie. Het CMI kan als vertegenwoordiger
van de Vlaamse biobanken ook deelnemen aan Europese projecten.
In het recentste werkprogramma Gezondheid van het kaderprogramma
dat officieel zal worden gelanceerd in juli, maar waarover
vorige donderdag al een open informatiedag plaatsvond, zijn de
diverse mogelijkheden geschetst om projecten in te dienen
waarbij klinisch onderzoek en het gebruik van biobanken vereist
zijn, en waaraan ook de industrie kan deelnemen. Als koepel voor
de CRC’s zou het CMI ook kunnen instaan voor alle regulatorische
en statistische protocollen die moeten worden gevolgd. Eenmaal
een aantoonbare expertise wordt gerealiseerd onder de koepel van
het CMI, zal die meerwaarde zowel voor translationeel biomedisch
onderzoek bij academische groepen als voor de industrie
duidelijk moeten blijken, en kan Vlaanderen wedijveren met de
beste Europese regio’s op dit domein. Die mogelijkheden zijn er
dus allemaal. Het CMI kan als koepel voor de biobanken expertise
opbouwen voor de ontwikkeling van gepersonaliseerde geneeskunde
of een niche proberen te veroveren in het veld van zeldzame
ziektes. Dat hangt er een beetje vanaf.
In het reeds vernoemde werkprogramma van het
kaderprogramma zal Europa ruim 30 miljoen euro voor
onderzoeksprojecten met betrekking tot zeldzame ziekten
vooropstellen.
Het CMI zou daaraan in principe actief kunnen
deelnemen als entiteit. Dat zijn allemaal mogelijkheden die zich
aandienen, maar de handicap is momenteel, lijkt me, dat het CMI
nog niet ver genoeg is gevorderd in het definiëren van de eigen
strategische doelstellingen, dat het die focusdomeinen nog niet
heeft afgebakend, dat er momenteel ook nog geen strategisch plan
voorligt, dat de samenwerking tussen de deelnemende instellingen
minimaal is. Momenteel bestaat die samenwerking er vooral in dat
ze proberen die middelen enigszins gelijk te verdelen, met een
minimale overkoepelende organisatievorm.
Ik wil niet op de evaluatie vooruitlopen, maar
ik denk toch wel dat we samen zullen moeten bewaken dat de
oorspronkelijke ambities effectief worden nageleefd. Mijnheer
Diependaele, dat is een mooie illustratie van de discussie van
daarstraks waarbij we gezegd hebben dat het niet de bedoeling
kan zijn om wat geld onder elkaar te verdelen. De strategische
doelstelling en de ambitie moeten worden gehaald en daar moet
iedereen zich achterzetten. Ik hoop dat we dat met het
CMI-dossier nog kunnen bereiken.
De voorzitter: De heer Van den Heuvel
heeft het woord.
De heer Koen Van den Heuvel: Voorzitter,
minister, ik dank u voor uw antwoord. We zijn het er allemaal
over eens dat de middelen schaars zijn, dat we die moeten
inzetten in strategische sectoren en als het kan daar waar we al
excellent zijn en een koppositie bekleden zodat we dat zo kunnen
houden. Deze sector is excellent, en zeker de klinische en
translationele geneeskunde. We moeten absoluut bewaken dat we
strategisch de juiste keuzes maken.
We moeten ook bewaken dat we de grote lijnen
volgen en de strategische doelstellingen halen. U weet allemaal
dat het landschap wat versnipperd is en dat we ervoor moeten
zorgen dat de CMI geen verdeelmechanisme wordt waardoor iedereen
kleinschalig gaat werken waardoor men comparatieve voordelen
mist. We mogen ook niet zo ver gaan om het kind met het badwater
weg te gooien. We zitten in een koppositie. Minister, het is
goed om er een prioriteit van te maken om te behouden waar we
excellent in zijn.
U hebt gezegd dat het wat trager verloopt. Kunt
u ons daar wat meer over vertellen? Welke knelpunten ziet u? Wat
kan de overheid doen om die knelpunten uit de weg te ruimen
zodat we er wat vaart in brengen? De anderen in de wereld staan
ook niet stil. We zitten goed, laat ons alles doen om dat zo te
houden.
Mevrouw Patricia Ceysens: Ik wil me graag
aansluiten. Het CMI was voor ons een keuze om voor de
translationele geneeskunde en de medische innovatie te gaan.
Eerst wou men iets anders doen rond medische innovatie, maar het
is dan Flanders’ Care geworden. Ik herinner me de eerste
persconferentie van het CMI in Imec. Men liet toen al duidelijk
verstaan dat het mogelijks ook om medische innovatie zou gaan.
Er werden voorbeelden gegeven van gepersonaliseerde geneeskunde.
Opeens werd het dan Flanders’ Care met drie
ministers. Ik heb de indruk dat er nu veel meer energie gaat
naar Flanders’ Care, maar ook weer versnipperd. Elke minister
doet zijn ding in Flanders’ Care. U zegt dat u het gaat
onderbrengen bij de innovatiecentra, minister-president Peeters
doet iets met het Agentschap Ondernemen. In Welzijn en
Gezondheid gebeuren dan weer andere dingen. Ik heb de indruk dat
men er wel voor kiest om allemaal verschillende dingen te doen
in plaats van de focus te houden op de medische innovatie. Ik
heb dat al een paar keer gesteld. Ik vind dat heel erg zonde. In
Flanders’ Care brengt men continu veertig mensen rond tafel om
over van alles en nog wat te praten. Daar zal geen medische
innovatie uit voortkomen. Laat ons elkaar niets wijsmaken.
U vraagt waarom het zo traag gaat. Minister, u
zult het beter kunnen inschatten dan ik, maar wat ik heb gezien,
is dat men heel lang getalmd heeft om een directeur aan te
stellen. Het is niet aan mij om hierop in te gaan, maar ik hoor
en zie wel het een en ander.
Minister Ingrid Lieten: Het is toch wel
belangrijk om de puntjes op de i te zetten.
Voorzitter, ik praat nooit uit mezelf over het
verleden, maar als u iedere keer de link legt, dan ben ik wel
verplicht om daar ook over te spreken. Bij het CMI zien we net
het resultaat van een onzorgvuldige besluitvorming in het
verleden. Ik wil de vergelijking eens maken met wat we
daarstraks hebben besproken over het TINAfonds.
Voor het TINA-fonds hebben we uitdrukkelijk geen
nieuwe organisatie willen oprichten, maar we hebben het ingepast
in een bestaande organisatie. We doen dat ook met het CMI. We
gaan geen nieuwe organisatie oprichten, maar we passen de
doelstelling in in een bestaande organisatie. Zo vermijd je heel
veel tijdverlies en heel veel beheersmaatregelen. Anders moeten
er raden van bestuur worden samengesteld. Die mensen moeten
elkaar leren kennen.
Ze beginnen allemaal het warm water opnieuw uit
te vinden. Er wordt heel veel tijd en energie gestoken, niet in
de strategische oefening, maar in het opzetten van de
beheersstructuren.
Bij het CMI heeft men in het verleden een paar
dingen gedaan, waardoor er volgens mij nu vertraging is. Men
heeft in de vorige legislatuur een principeovereenkomst
gesloten. Men heeft geen tijd genomen – men had ook geen tijd
meer, want het was op het einde van de legislatuur – om het goed
uit te werken. Men heeft een principebeslissing genomen en er is
onvoldoende tijd en energie gestoken in het duidelijk uittekenen
van de randvoorwaarden en van de strategische oefening die men
vooruitgeschoven heeft. Men stuurt een paar mensen het bos in
die vanaf nul moeten beginnen, maar ze kregen wel hun geld
toegezegd. Iedereen begint dan natuurlijk te zoeken hoe men dat
geld het best voor zijn eigen doelstellingen kan aanwenden. Men
verliest dan de scope, de strategische doelstelling van de
overheid, uit het oog. Tegelijk hebben wij in deze legislatuur
ook nog eens in de nodige middelen moeten voorzien, want die
waren er ook niet.
Had men toen ook de keuze gemaakt om die
doelstellingen onder te brengen, bijvoorbeeld bij een bestaande
organisatie van het Vlaams Instituut voor Biotechnologie (VIB),
dan stonden we nu misschien al veel verder. Ik wil helemaal niet
de keuzes die men heeft gemaakt, in vraag stellen. Ik stel
alleen vast dat het een belangrijke strategische doelstelling
is, die ik volledig onderschrijf. Ik stel ook vast dat de mensen
die daarvoor zijn aangesteld en voor wie men een aparte
organisatie heeft opgericht, vertraging oplopen in de
ontwikkeling en de uitrol van die strategie. Ik veroordeel hen
niet, ik geef ze tijd, maar ik hoop dat we snel kunnen overgaan
tot de evaluatie door het IWT, en dat we kunnen uitzoeken hoe we
het CMI kunnen ondersteunen om snel de strategische focus te
leggen.
Dit is absoluut niet meer de werkwijze die wij
verkiezen. In de conceptnota hebben we duidelijk gezegd dat als
we platformen creëren en nieuwe initiatieven nemen, we niet op
voorhand nieuwe organisaties oprichten en geld vastleggen, maar
wel kansen geven aan de mensen om samenwerkingsovereenkomsten
tussen de overheid, het bedrijfsleven en de onderzoekscentra te
ontwikkelen en via de bestaande kanalen projecten in te dienen.
Mevrouw Ceysens, dat heeft helemaal niets te
maken met Flanders’ Care. Dat haalt u erbij om verwarring te
creëren. Flanders’ Care werkt op zorginnovatie. Er is geen
enkele beleidsmaatregel genomen die het CMI op de een of andere
manier heeft belet om z’n strategische planning en focus op te
maken, om z’n businessplan op te maken en om z’n mijlpalen te
halen. Dat heeft niemand hun belet.
Mevrouw Patricia Ceysens: Minister, de
good practice bij de aftrap van Flanders’ Care was Genzyme, maar
we gaan dat hier niet verder bespreken. Ik concludeer dat we vzw
ICleantech en het energiebedrijf ook niet gaan moeten behandelen
en oprichten.
Minister Ingrid Lieten: Dat is helemaal
niet correct, mevrouw Ceysens. We zeggen heel duidelijk –
misschien moet u toch de moeite doen om de conceptnota te lezen
– dat als je innovatie wilt stimuleren, je partners moet
samenbrengen, want het is altijd mensenwerk. Die partners komen
dikwijls uit de ondernemingen, uit de academische wereld of de
onderzoekscentra. Die moet je samenbrengen, en kansen en ook een
basisfinanciering geven om kennis op te doen en met elkaar te
overleggen welke projecten ze samen willen doen.
Als ze overgaan tot specifieke projecten, dan
moet dat via de bestaande kanalen, via het IWT dat daar
specifieke procedures voor heeft. Dat is ook de uitdrukkelijke
bedoeling van ICleantech.
Zo heeft de deskundige dat hier in de
hoorzitting gemotiveerd. I-Cleantech krijgt geen geld om
onderzoek te doen, wel werkingskosten om een platform te creëren
om projecten op te zetten. Als er onderzoek wordt gepland, dan
gaat dat altijd via de bestaande kanalen. Dat heeft helemaal
niets te maken met het Vlaams Energiebedrijf, dat een andere
missie en doelstelling heeft. Mevrouw Ceysens, u sleurt er zaken
bij die er niets mee te maken hebben.
De voorzitter: Het incident is gesloten.