Home

Biografie

Vlaams Parlement

Puurs

In de pers

Nieuwsbrief

 Contact

Linken

 


 

Koen Van den Heuvel
  Commissie Economie, Economisch Overheidsinstrumentarium, Innovatie, Wetenschapsbeleid, Werk en Sociale Economie
 

Vraag om uitleg van de heer Koen Van den Heuvel, Vlaams volksvertegenwoordiger, aan mevrouw Ingrid Lieten, Vlaams minister van Innovatie, Overheidsinvesteringen, Media en Armoedebestrijding, over het Centrum voor Medische Innovatie (CMI).

27 oktober 2011

De voorzitter: De heer Van den Heuvel heeft het woord.

De heer Koen Van den Heuvel: Ik heb dit dossier voor het reces al een paar keer aangekaart. Er is nog een beetje kadering nodig.

We weten allemaal dat Vlaanderen erg sterk is inzake klinisch onderzoek en de ontwikkeling van medicijnen. Daar bestaan mooie statistieken over. En daaruit blijkt, mevrouw Moerman, dat we voor wat betreft innovatieve medicatie in verhouding tot het aantal inwoners wel bij de wereldtop behoren.

Wij zeggen altijd dat wij als kleine regio moeten inzetten op onze speerpunten, op onze clusters. Wij zijn het erover eens dat we in het translationeel onderzoek een voorsprong hebben. Wij moeten er alles aan doen om dat te behouden. Het CMI speelt hier goed op in. Het situeert zich volop in deze speerpuntsector van de ‘life sciences’. Minister, u hebt dat zelf op 20 januari 2011 in deze commissie gezegd. U hebt toen met nadruk verklaard dat het CMI hier een belangrijke rol kan spelen.

Ik denk niet dat wij moeten uitleggen wat het CMI is. Daar is 1,5 miljoen euro middelen voor uitgetrokken. En dan zijn er nog eens voor 8 miljoen middelen van het Financieringsfonds voor Schuldafbouw en Eenmalige Investeringsuitgaven (FFEU), die zouden worden gebruikt voor de nodige ICT-infrastructuur en databeheersystemen.

Ik heb in juni 2011 in deze commissie gevraagd hoever het stond met dat dossier. We zijn het er allemaal over eens dat dit een heel belangrijk dossier is en een heel belangrijk innovatieinstrument in een speerpuntsector. We zijn het er allemaal mee eens dat we daar sterk staan op wereldvlak en dat we er alles aan moeten doen om die voorsprong te behouden. Oost-Europa ligt op de loer om in het klinisch onderzoek marktaandelen van ons in te pikken.

Het antwoord op mijn vraag van juni 2011 was, vond ik, nogal ontluisterend. Minister, u was nogal streng voor het CMI. Streng zijn is af en toe goed, maar we moeten erop letten dat we voor alle instellingen en innovatie-instrumenten even streng zijn. Dat sterkt de geloofwaardigheid van een parlementslid maar ook van een minister. U zei toen dat het CMI zijn tussentijds rapport veel te laat heeft ingediend, dat het de eerste mijlpaal niet heeft gehaald, dat er een gebrek aan strategische overwegingen is en dat het businessplan niet was ingediend. U hebt toen heel scherp een aantal minpunten naar voren gehaald. U zei dat we zouden uitkijken naar de evaluatie die het agentschap voor Innovatie door Wetenschap en Technologie (IWT) zou maken in de loop van de zomervakantie.

Minister, is die tussentijdse evaluatie van het CMI door het IWT gemaakt? Is die evaluatie al besproken op de raad van bestuur van het IWT? Hebt u daar een neerslag van? Hebt u intussen zelf contact opgenomen met het CMI om te bekijken hoever zij staan? Gelooft u nog in het CMI als belangrijk innovatie-instrument? Welke mijlpalen hebben zij intussen wel gehaald? Hebben zij zich ondertussen ingeschreven in een aantal Europese initiatieven? Hoever staat het met hun businessplan?

Dat zijn allemaal vragen die wij hier moeten stellen. Maar vooral: wat is uw houding? Wilt u, als het CMI dit allemaal in orde probeert te krijgen, het CMI een kans geven? Behoudt u uw strenge beoordeling van juni 2011? Of hebt u die intussen een beetje gewijzigd? Ik vraag naar uw basisgeloof in het CMI omdat wij in de beleidsbrief lezen dat u de oprichting van een nieuw innovatie-instrument voor translationeel onderzoek overweegt. De heer Diependaele zal zeggen dat hij kiest voor een vereenvoudiging van het innovatieinstrumentarium.

Het translationeel onderzoek vormt inderdaad een speerpuntsector in Vlaanderen. Wij staan daar aan de Europese, om niet te zeggen de wereldtop. Het is niet nodig om daar meerdere innovatie-instrumenten naast elkaar te laten opereren. Het CMI heeft inderdaad kinderziekten gehad. Maar daar zijn ondertussen toch een aantal zaken op orde gesteld.

Vandaar mijn  basisvraag, die nog niet in mijn vraag om uitleg was opgenomen omdat ik bij het opstellen daarvan nog niet kon verwijzen naar de beleidsbrief: gelooft u sterk in het CMI als kerninstrument op het vlak van translationeel onderzoek? Of hoe moeten wij dat nieuwe instrument bekijken?

Voorzitter, met deze discussie loop ik misschien wat voor op de discussie in november over de begroting en het beleid.

Mevrouw Patricia Ceysens: Ik sluit mij hierbij aan omdat dit een van mijn stokpaardjes was en blijft. Het translationeel onderzoek en de medische innovatie vormen voor onze regio een belangrijke bron van innovatie en een belangrijke hefboom om in Vlaanderen innovatie te valoriseren.

Minister, ik heb in het verleden aangegeven dat ik de indruk heb dat u dit niet heel genegen bent. Ik zoek daar een verklaring voor. Volgens mij past dit perfect in de lippendienst aan innovatie en zelfs medische innovatie. Ik vond het jammer dat Flanders Health Flanders Care is geworden en dat Flanders Care nu toch meer en meer naar andere zaken dan naar Health gaat. Het zit nu veel meer bij minister Vandeurzen. Het is een gemis dat wij nu meer kiezen voor Care. Health is wel gekoppeld aan Zorg, maar het medische blijft sowieso gemakkelijker aanleunen bij een wetenschappelijke en technologische innovatie, waar er een grote hefboom is voor economische exportmogelijkheden en om het ondernemerschap daarin te laten gedijen.

Ik heb ook de indruk dat er soms met twee maten en twee gewichten wordt gewerkt, zoals de heer Van den Heuvel aangeeft. De ene krijgt niet dezelfde politieke steun. Dat is jammer. Dat blijft voor mij een basisbekommernis. Op basis van wat ik vanuit de sector hoor, heb ik van in het begin het gevoel gehad dat de politiek moeilijker greep krijgt op het CMI. Toen wij daarmee startten, was het absoluut de bedoeling om daar juist industrie en wetenschap samen te brengen. Het academische, de kennisinstellingen, de ziekenhuizen, de universiteiten en de industrie blijven nu ver weg van de politiek. Ik heb nog steeds het gevoel dat dit ons mogelijk zuur zou kunnen opbreken. Dit zou een gemiste kans zijn om te valoriseren waar Vlaanderen goed in is.

De voorzitter: Minister Lieten heeft het woord.

Minister Ingrid Lieten: Voorzitter, bepaalde zaken die ik hier heb gehoord, doen mij de haren te berge rijzen. Voor ik op de vragen van de heer Van den Heuvel inga, wil ik dan ook enkele zaken duidelijk stellen.

Ik sta volledig achter de doelstellingen van het CMI. Ik sluit me aan bij de stelling dat dit centrum belangrijk is en onze onderzoekers veel opportuniteiten biedt. We hebben dit centrum nodig. De passage in de beleidsbrief moet in die zin worden geïnterpreteerd. Het is niet de bedoeling een nieuw of parallel initiatief te nemen. We willen het CMI op de sporen krijgen.

We moeten helaas vaststellen dat dit een moeilijke bevalling is. We hebben een besluit genomen. Het CMI is opgericht. We hebben daarvoor geld gereserveerd. De volledige bevoegdheid voor het strategisch en operationeel plan ligt bij de sector. Dit betekent echter niet dat een dergelijk centrum dadelijk klaar is.

Zoals ik naar aanleiding van de vorige discussie over dit onderwerp al heb gesteld, is dit voor mij een zorgenkind. Ik heb toen al vastgesteld dat het niet goed gaat. Ik ben niet streng. Ik ben bezorgd. Het CMI moet de doelstellingen in de praktijk brengen. Dat verloopt moeilijk. Dit is geen gevolg van politieke inmenging. Indien de belastingbetaler een hoop geld geeft om een doelstelling te bereiken, mogen we toch verwachten dat de sector het over een strategie en over een businessplan eens wordt.

Voorlopig zitten we nog in een sukkelstraatje. De klok tikt. De vraag is hoe we dit dossier kunnen deblokkeren. Ik wil dan ook eerst een overzicht van de stand van zaken geven. Uit dit overzicht van het proces zal blijken waar de knopen zich situeren en hoe we die knopen zouden kunnen ontwarren.

Tijdens de vergadering van de raad van bestuur van het IWT van 14 juli 2011 is geen beslissing genomen over de tussentijdse evaluatie van het CMI. Dat is wel gebeurd tijdens de vergadering van 16 juni 2011. Ik citeer letterlijk het verslag van de raad van bestuur: “Gelet op het recente ontslag van de algemeen coördinator van CMI, na het versturen van de voorbereidende nota en het feit dat de evaluatie al in februari 2011 had moeten gebeuren, maar er toen onvoldoende informatie beschikbaar was, beslist de raad van bestuur nu geen evaluatie uit te voeren en de finale inhoudelijke evaluatie uit te voeren bij de afsluiting van de opstartfase, die eindigt eind 2011, of bij een eventuele aanvraag voor een vervolgtraject. Dit zal gebeuren samen met het departement EWI, de beheerder van de FFEU-middelen waarvan de CMI begunstigde is.”

Het was op 16 juni 2011 duidelijk dat aan meerdere van de gestelde voorwaarden voor een positieve evaluatie niet was voldaan. De templates van de samenwerkingsovereenkomsten tussen het CMI en de deelnemende instellingen waren op het moment van de tussentijdse evaluatie niet beschikbaar. Volgens de overeenkomst met het CMI moesten deze templates ten laatste zeven maanden na de inwerkingtreding of, met andere woorden, op 30 juni 2010, beschikbaar zijn. Een jaar later was de uitlijning van de samenwerking met de verschillende instellingen nog niet uitgeklaard.

De recent door het CMI overgemaakte planning vermeldt dat de samenwerkingsovereenkomsten met de universiteiten, inclusief de intellectual property rights- modellen (IPR-modellen), op 15 december 2011 zullen worden ondertekend. Dit stemt overeen met de afgesloten steunovereenkomst voor het CMI. Aan deze noodzakelijke vereiste voor een positieve tussentijdse evaluatie is op dit ogenblik nog niet voldaan.

Het is niet mijn perceptie dat ik zelf plooien moet gladstrijken. Om uiteindelijk tot een landing te komen, moet hier en daar wel het een en het ander worden gefaciliteerd. Dit moet leiden tot een gedragen strategie, businessplan en organisatiekader. Aangezien dit een moeilijke bevalling blijkt te zijn, neem ik zelf initiatieven om faciliterend op te treden. We stellen immers vast dat we er na maanden en jaren nog steeds niet zijn.

Op 29 juni 2011 is er overleg gepleegd met de voorzitter van de raad van bestuur en met de nieuwe directeur van het CMI. Dit overleg is constructief verlopen. De belangrijkste knelpunten in de werking van het CMI zijn ten gronde besproken.

Iedereen deelde het inzicht dat het CMI op dat ogenblik onvoldoende resultaten voor een nieuwe steunovereenkomst kon voorleggen. Er was voldoende wil aanwezig om beter te presteren en om meer duidelijkheid te scheppen. Er is vastgesteld dat het CMI ten opzichte van de in de overeenkomst vastgelegde planning een belangrijke achterstand had opgelopen. Tijdens diezelfde meeting is, in overeenstemming met de overeenkomst, beklemtoond dat een duidelijke focuskeuze in de biobanken noodzakelijk is om in een of meerdere domeinen van het translationeel onderzoek excellentie te bereiken en om effectief doorbraken tot stand te brengen. Een ruime keuze, waarbij iedereen zijn eigen wensen kan uitvoeren, houdt immers het risico in dat de middelen te veel versnipperd geraken en dat we de meerwaarde, namelijk de ondersteuning van excellent onderzoek, niet realiseren.

Voorts is erop gewezen dat de door het CMI voorgestelde recurrente financiering van de biobanken in strijd is met het door de EU opgelegde principe van de full costing. Op het ogenblik van het overleg was geen model voor de aanwending van de biobanken en de kostenaanrekening beschikbaar.

Tot slot is de mogelijkheid van een verlenging van de steunovereenkomst met het CMI zonder bijkomende middelen besproken. Het CMI beschikt momenteel nog steeds over aanzienlijke middelen. Het is geen kwestie van middelen. Het gaat erom dat geen draagvlak voor de strategie, het businessplan en de organisatie van de interne relaties wordt gevonden. Op 11 augustus 2011 heeft het CMI schriftelijk een verlenging van de steunovereenkomst met zes maanden, tot 30 juni 2012, zonder bijkomende middelen gevraagd. Het CMI wil meer tijd om de situatie uit te klaren. Op basis van de voorgaande elementen ben ik van mening dat we niet kunnen blijven sukkelen. Om het project van het CMI een ernstige slaagkans te bieden, moeten we aan belangrijke doorbraken werken.

Op 14 september 2011 heb ik de directeur van het CMI in een brief gevraagd een aantal essentiële afspraken te maken voor de bedoelde steunovereenkomst kan worden verlengd. Die afspraken betreffen een gemotiveerde keuze van de focusgebieden van de clinical research centers (CRC’s) voor het CMI en een door de raad van bestuur van het CMI goedgekeurd strategisch plan. Hieruit moet duidelijk blijken dat er een draagvlak is. Om budgettair- technische redenen heb ik het CMI gevraagd op uiterlijk 17 oktober 2011 een beslissing te nemen en een onderbouwd businessplan voor te leggen. Als we alles nog voor het einde van dit jaar willen finaliseren, moet we die timing aanhouden.

Aangezien al tijdens het overleg van 29 juni 2011 is vastgesteld dat de plannen van het CMI betreffende de organisatie van de onderzoeksprojecten mogelijk in strijd zijn met de Europese kaderregeling, heb ik het CMI in mijn brief van 14 september 2011 aangeboden voor een nadere toelichting het IWT te contacteren. Het CMI is niet op dit aanbod ingegaan.

Het businessplan, met de keuze van de focus van de biobanken, is op 17 oktober 2011 ingediend. Dit is op zich positief. Uit het businessplan blijkt dat vooruitgang is geboekt. Het voorstel volstaat echter niet om het CMI het project van de biobanken verder te laten uitwerken. Eerst moeten enkele essentiële vragen worden beantwoord.

Het CMI moet duidelijkheid verschaffen over de toegang tot de biobanken. Welke criteria zullen worden gehanteerd om toegang te verlenen? Welke kosten zullen de gebruikers, zowel bedrijven als kennisinstellingen, worden aangerekend? Academici en bedrijven moeten onder duidelijk omschreven voorwaarden toegang krijgen. De biobanken moeten op een bredere basis voor de hele sector van de Vlaamse levenswetenschappen, inclusief de bedrijven, beschikbaar zijn.

Dit punt vormt een belangrijke focus. Het is mogelijk dat niet iedereen het hier aanvankelijk mee eens was. Indien we geld investeren, moet het gebruik echter ruimer zijn dan enkel het gebruik door de academische ziekenhuizen.

Er moet een duidelijke strategie worden vastgelegd voor de wijze waarop en de doelstellingen waarvoor de stalen zullen worden geselecteerd. De kostprijs van de consultaties door derden moet worden vastgelegd. Het gaat dan zowel om academische groepen als om bedrijven die gebruik willen maken van de stalen van de biobank.

Het door het CMI opgemaakte voorstel betreffende het translationele biomedische onderzoek lijkt op basis van een eerste analyse van het agentschap voor Innovatie door Wetenschap en Technologie (IWT) nog altijd in strijd met de Europese kaderregeling. Het CMI werd hier reeds op gewezen tijdens het overleg van 29 juni 2011. Het IWT zegt dat de zaken nog onvoldoende zijn aangepast om wel conform te zijn.

Ik heb de bovenstaande vragen – die werden gedetecteerd na analyse van het businessplan op 17 oktober – op 26 oktober 2011 overgemaakt aan het CMI. We hebben gevraagd om ons zo snel mogelijk een afdoend antwoord te bezorgen zodat we op basis daarvan de steunovereenkomst kunnen verlengen en ze in doorstart kunnen gaan. Dat is de stand van zaken vandaag. Ik wil niet negatief zijn, ik weet dat er heel veel mensen ernstige inspanningen leveren om op basis van die inzichten te beantwoorden aan die vragen en te zorgen voor een effectieve doorstart. Ik heb hoop daarop. Ik zal er zelf voldoende push en power achter zetten om dat te kunnen ondersteunen.

De modaliteiten voor uitbetaling van de FFEU-middelen werden vastgelegd in de beslissing van de Vlaamse Regering in 2010 en het ondertekend ministerieel besluit van 23 april 2010. Enkel de eerste schijf van 300.000 euro van de FFEU-middelen werd betaald na ondertekening van het ministerieel besluit. Tot nog toe werden nog geen van de andere mijlpalen gerealiseerd, zodat de volgende schijven van de FFEU-middelen nog beschikbaar zijn.

Voor zover mij bekend, werd aan het departement geen formele vraag voor verdere uitbetaling van de FFEU-middelen gericht. Men beseft dat men dan moet rapporteren over de realisatie van de mijlpalen. Daar heeft het tot nu toe aan geschort.

Ik neem aan dat u in uw volgende vraag verwijst naar de initiatieven rond Europese onderzoeksinfrastructuur zoals het European Strategy Forum on Research Infrastructures (ESFRI), een strategisch instrument voor wetenschappelijke integratie in Europa en om de internationale positie van de Europese onderzoekswereld te versterken. Voor het CMI zijn in het kader van ESFRI drie initiatieven relevant: het biobankinfrastructuurinitiatief Biobanking and Biomolecular Resources Research Infrastructure (BBMRI), het infrastructuurproject rond translationeel onderzoek de European Advanced Translational Research Infrastructure in Medicine (EATRIS) en het infrastructuurinitiatief rond klinisch onderzoek European Clinical Research Infrastructures Network (ECRIN).

In het kader van het BBMRI werd een Vlaams biobankinitiatief door de Vlaamse universiteiten aan de Herculesstichting aangemeld. Het CMI diende in de eerste oproep voor deelname aan ESFRI-projecten een voorstel in voor deelname aan het BBMRI. Het voorstel werd echter na een internationale review negatief beoordeeld door de Herculesstichting. Het CMI zal door de Herculesstichting eind november uitgenodigd worden om een nieuw voorstel in te dienen voor een tweede oproep voor deelname aan EFSRI-projecten. Er zijn contacten gelegd met de stakeholders van het BBMRI. Voor zover bekend werden geen stappen ondernomen om aan te sluiten bij EATRIS of ECRIN.

Ik heb het proces beschreven. Er is nu een ontwerpbusinessplan overgemaakt op 17 oktober. Krachtlijnen van dit businessplan zijn: het gebruik van de FFEU-middelen voor de uitbouw van biobankinfrastructuur inclusief de ICT-backbone; de uitbouw van de CRC-infrastructuur, de FFEU-middelen en middelen van de deelnemende instellingen zijn daar ook in bepaald; de structurele volledige overheidsfinanciering van de biobanken, dat is een belangrijk aspect; de financiering van het geheel van het biobankproject en projectoproepen voor een bedrag van ongeveer 30 miljoen euro per jaar tegen 2016, dat is een niet-onaanzienlijk bedrag; en de nauwe interactie met de industrie, er is een eerste opening, zonder informatie hoe de industrie in de financiering van de projecten zal bijdragen.

Ik heb nog geen beslissing genomen over een structurele financiering van het CMI. Het strategisch plan CMI werd zoals gezegd vorige week ontvangen. Het is duidelijk dat het CMI een aantal stappen in de goede richting gezet heeft. Op basis van een eerste analyse waren er nog vragen. Die hebben we aan hen overgemaakt.

Ik hoop dat we in de volgende weken tot een doorbraak kunnen komen zodat het voor iedereen duidelijk wordt dat er een draagvlak is. Er zijn nog vragen over de richting, de keuzes, de prioriteiten, de organisatie van de instelling en over de relatie tussen de partners, bedrijven, wetenschappers, academische ziekenhuizen en universiteiten.

Ik heb absoluut de intentie om het te ondersteunen voor zover dat in mijn macht ligt, en om het verder te coachen en begeleiden. Het is een moeilijk proces maar het is essentieel en noodzakelijk dat we zoiets zouden kunnen opstarten.

Tot slot wil ik u zeggen dat ik het helemaal niet eens ben met uw opmerking, voorzitter. Het is zeker niet zo dat deze regering het geweer van schouder zou veranderen en over zou gaan van health naar zorg. Het is wel zo dat deze regering een bijkomende opportuniteit heeft ingeschat en zorginnovatie naar voren schuift. Dat is niet of-of, dat is en-en. We hebben op geen enkele manier de budgetten voor health verminderd, integendeel, ze zijn door de inspanningen van de laatste maanden gestegen. We zullen er verder blijven op inzetten. Ik vind het jammer dat men doet alsof het Flanders Care-initiatief in de plaats komt van health.

Ik wil vooruitlopen op de conceptnota. Deze regering wil juist uitdragen dat we de hele keten moeten benaderen als we grote maatschappelijke uitdagingen willen aanpakken. We mogen niet verkokerd op onszelf ons ding doen. De meerwaarde van Flanders Care is net dat we zowel het basisonderzoek, als het toegepast onderzoek, de noden van de sector zelf, de hele waardeketen, de implementatie en de economische valorisatie samen in één project gieten en er samen op een gecoördineerde manier aan werken. Ik vind het jammer dat dat niet gesteund wordt.

De voorzitter: De heer Van den Heuvel heeft het woord.

De heer Koen Van den Heuvel: Hartelijk dank voor uw antwoord. Ik versta dat er vooruitgang is geboekt. U wilt ook effectief vooruitgang zien. Dat is belangrijk. Het CMI heeft inderdaad een trage start gekend met een aantal onduidelijkheden maar er is in de voorbije weken en maanden hard gewerkt om een grote stap in de goede richting te zetten. Er is een businessplan. Dat is heel belangrijk. Er zit een strategische visie in en een budgettaire opbouw. Dat is duidelijk opgesplitst naar een opdracht voor de centrale structuur projectfinanciering. Vlaanderen is de laatste jaren heel sterk in projecten en onderzoeken rond het neurodegeneratieve. We moeten die vooruitgang bewaken. We hebben daar nu een strategische voorsprong, laten we die behouden.

Er is een Europees kader. Daar kan over worden gediscussieerd. Het CMI wacht de toezeggingen af voor de uitrol van zijn initiatieven om volop te gaan voor de Europese engagementen. Het businessplan is ook goedgekeurd door alle partners van het CMI. Ik heb u in vroegere discussies horen zeggen dat het CMI een veredeld instrument is om middelen aan de universiteiten toe te stoppen. Dat stadium zijn we nu voorbij. Er is een goede verstandhouding tussen alle partijen.

Ik onthoud dat u in het CMI gelooft. Er zijn nog vragen, die moeten worden uitgeklaard, dat ben ik met u eens. Dat moet allemaal goed worden afgelijnd, al krijg ik soms de indruk dat dat bij andere instellingen minder speelt. Ik heb vernomen dat sommige instanties op het vlak van de mobiliteit zonder een businessplan wel subsidies krijgen toegespeeld vanuit de raad van bestuur van het IWT terwijl het CMI een calvarietocht moet afleggen. Ik ben het ermee eens dat het dossier in orde moet zijn, maar dan moet dat voor alle instanties in orde zijn. Die lijn moeten we aanhouden vanuit deze commissie. Iedereen is gelijk voor de wet. Iedereen moet dan een sterk businessplan hebben. Iedereen moet dan beantwoorden aan de criteria. Ik heb er zeker geen probleem mee dat u verduidelijking vraagt aan het CMI, maar dan moet dat voor alle instanties en initiatieven in de mobiliteitssector gelden.

Inzake de beleidsbrief moeten we niet bang zijn dat er een nieuw instrumentarium op poten wordt gezet als alternatief. We moeten dat op een andere manier interpreteren.

De voorzitter: De heer Van Malderen heeft het woord.

De heer Bart Van Malderen: Ik wil even inspelen op de voorzet van de heer Van den Heuvel. We moeten de lat gelijk leggen, maar we moeten wel vergelijken wat er te  vergelijken valt. Ik zou dan ook willen dat u de lat gelijk legt voor andere initiatieven. Ik pleit ervoor om met alle instellingen en organisaties een model uit te werken voor de ondersteuning en het beleid. Een businessplan is er daar één van, er zijn er nog andere. Ik begrijp uw vraag, mijnheer Van den Heuvel. We moeten in deze commissie de lat gelijk leggen.

Mevrouw Patricia Ceysens: Voor ons heeft het CMI de potentie van paradepaardje van Vlaamse innovatie met enorme opportuniteiten, ook naar economische valorisatie, om precies te doen wat we zo moeilijk vinden in Vlaanderen. We moeten zorgen dat het academische maar ook het valoriserende van een industrie wordt uitgebouwd. We moeten de mogelijkheden van de export uitbuiten en onze kennis uitdragen. Het medische en gezondheidsdomein zijn meer maatschappelijk dan we kunnen dromen. Voor ons hoort daar onvermijdelijk het technologische en wetenschappelijke element bij, anders is er niets om te valoriseren.

De voorzitter: Het incident is gesloten.

 
 
 
 

 

2011 Koen Van den Heuvel