Home

Biografie

Vlaams Parlement

Puurs

In de pers

Nieuwsbrief

 Contact

Linken

 


 

Koen Van den Heuvel
  Commissie Economie, Economisch Overheidsinstrumentarium, Innovatie, Wetenschapsbeleid, Werk en Sociale Economie
 

Vraag om uitleg van de heer Koen Van den Heuvel, Vlaams volksvertegenwoordiger, aan mevrouw Ingrid Lieten, Vlaams minister van Innovatie, Overheidsinvesteringen, Media en Armoedebestrijding, over het eindrapport van de Innovatieregiegroep Sociale Innovatie

12 mei 2011

De voorzitter: De heer Van den Heuvel heeft het woord.

De heer Koen Van den Heuvel: Voorzitter, minister, het eindrapport van de innovatieregiegroep ‘Sociale innovatie’ is op 17 maart afgeleverd. We kunnen het rapport in twee delen opsplitsen: de ‘workplace innovation’ en de sociale innovatie in brede zin.

Ondertussen hebben we kennis kunnen nemen van het advies van de Vlaamse Raad voor
Wetenschap en Innovatie (VRWI) over dit eindrapport. Er zijn een aantal opmerkingen over
gemaakt die ik graag even wil bespreken.

Een eerste opmerking van de VRWI is dat het een gemiste kans is dat het bedrijfsleven niet
heeft deelgenomen aan deze innovatieregiegroep. Dat is wel gebeurd bij de andere
innovatieregiegroepen zoals die van automotive en chemie. We vragen enige verduidelijking
waarom enige input van het bedrijfsleven in deze regiegroep niet is meegenomen.

De VRWI heeft meer fundamenteel een aantal opmerkingen over de inhoud van het
eindrapport. Over de ‘workplace innovation’ vraagt de VRWI of er niet te veel open deuren
werden ingetrapt, om het wat karikaturaal te zeggen. Is er niet onvoldoende aandacht
geschonken aan evaluaties van initiatieven die hieromtrent de voorbije jaren in Vlaanderen al
zijn gemaakt? Wat is de toegevoegde waarde van deze innovatieregiegroep?

Een andere inhoudelijke opmerking gaat over het tweede deel, de sociale innovatie in brede
zin. Over het eerste deel zegt de VRWI dus dat het opgewarmde kost is, om het oneerbiedig
te zeggen. Van het tweede deel zegt de VRWI dat men zich beperkt tot algemeenheden. Daar
komt vooral de vraag om de hoek kijken wat een eenduidige definitie van sociale innovatie
kan zijn.

Een derde inhoudelijke opmerking is dat de VRWI een negatief advies formuleert over het
oprichten van een overkoepelend platform sociale innovatie. We pleiten er altijd voor om
geen nieuwe initiatieven op te richten. Ook hier is het belangrijk om dat onder de aandacht te
brengen.

Over het eenduidige karakter hebben we ooit al eens van gedachten gewisseld. Toen hebt u
gezegd dat u daar samen met minister Van den Bossche aan zou werken. Dat is de context
van het eindrapport en een zeer kritisch advies erop van de VRWI.

Minister, hoe evalueert u het eindrapport afgeleverd door de innovatieregiegroep ‘Sociale
innovatie’? Hoe staat u tegenover de opmerkingen van de VRWI? Waarom werden er geen
vertegenwoordigers van het bedrijfsleven opgenomen in de innovatieregiegroep? Hoe staat u
tegenover het voorstel van de innovatieregiegroep om een nieuw platform ‘Sociale innovatie’
op te richten? Wat is de stand van zaken rond het eenduidige kader dat u in overleg met
minister Van den Bossche hebt aangekondigd? Is het klaar? Hoever staat men? Intussen
hebben we vernomen dat u de innovatieregiegroepen verder wilt uitbouwen. U kondigde een
nieuwe innovatieregiegroep Bouw aan. Hoe ziet u dat verder verlopen? Zal de VRWI er
steeds bij betrokken worden?

De voorzitter: De heer Diependaele heeft het woord.

De heer Matthias Diependaele: Voorzitter, minister, ik wil me volledig aansluiten bij de
vraag van de heer Van den Heuvel. Bij de bespreking van de beleidsbrief of de beleidsnota
heb ik ook al gewezen op het concept van ‘sociale innovatie’. Ik heb gevraagd wat dat precies
inhield, maar ik heb noch van minister Van den Bossche, noch van u een duidelijk antwoord
gekregen.

Ik heb voor mezelf een definitie van sociale innovatie waar ik volledig kan achterstaan. Het is
ook wat de VRWI aangeeft, namelijk de ‘workplace innovation’. Op die manier is er zeker
innovatie nodig. Ik heb het gevoel dat men, omdat er het woord ‘sociaal’ en het woord
‘innovatie’ is, zegt dat het wel goed zal zijn. Wat het ook is, het zal wel goed zijn. Maar de
VRWI geeft nu zelf aan dat eigenlijk niemand weet wat het precies is. Je kunt er niets aan
doen, je kunt er niets mee doen en er zeker geen geld aan geven, zolang je niet weet wat het
precies is. We wachten nog altijd op die omschrijving. Daarom sluit ik me volledig aan bij de
vraag van de heer Van den Heuvel.

Ik zou ook willen weten hoe Flanders Synergy hierbij betrokken is. Ik ben het nog eens gaan
opzoeken en het gaat specifiek over ‘workplace innovation’. Er bestaat dus al zoiets. Laat ons
dus niet de fout maken om iets nieuw op te richten dat eigenlijk al bestaat, ook al zouden er
problemen zijn – niet dat ik weet – en zou het er niet boteren. Die fout mogen we dus zeker
niet maken.

De voorzitter: De heer Watteeuw heeft het woord.

De heer Filip Watteeuw: Voorzitter, minister, ik wil me ook graag aansluiten bij de vraag
van de heer Van den Heuvel. Ik vind zijn vraag erg terecht.

Ik wil het hebben over twee punten. Het eerste gaat over de plaats van het bedrijfsleven in de innovatieregiegroep. In het advies van de VRWI – en dan refereer ik even naar de discussie
tijdens de bespreking van de beheersovereenkomst van het IWT – staat duidelijk dat de
opdeling tussen technologische, economische en maatschappelijke innovatie in de realiteit
achterhaald is. Als je dan consequent bent, moet je in de innovatieregiegroep alle
stakeholders verzamelen, alle belanghebbenden en zeker alle mensen die een bijdrage kunnen
leveren. Ik vind het wel heel erg jammer dat het bedrijfsleven niet vertegenwoordigd was en
dat hun visie op sociale innovatie niet is meegenomen. Ik denk dat er toch moet worden
nagegaan – en de VRWI suggereert dat ook – wat de reactie van het bedrijfsleven is om er
ook rekening mee te houden.

In het advies staat ook duidelijk dat er geen rekening is gehouden met een aantal vroegere
projecten en onderzoeken. Men is op verschillende fronten bezig met sociale innovatie. Dan
zou het toch normaal zijn dat men rekening houdt met de resultaten die er al zijn. Dat is dus
niet gebeurd en dat begrijp ik niet. Het zou kunnen te maken hebben met de complexiteit van
het speelveld, maar er is geen verantwoording voor. Het zou ook een bewuste keuze kunnen
zijn, maar dan begrijp ik ze niet. Ik zou er toch graag wat opheldering over krijgen.

De voorzitter: De heer Van Malderen heeft het woord.

De heer Bart Van Malderen: Voorzitter, minister, ik zou het willen hebben over een drietal
elementen.

Eerst wil ik het hebben over de rol die we intussen toch kunnen aflijnen in de activiteit van de
innovatieregiegroepen. Bij het begin van de legislatuur hebben de regering en het parlement
de nadruk gelegd op de rol die deze groepen zouden kunnen spelen. Er is intussen over
gediscussieerd, maar ik vind het treurig dat een eminent fractieleider van de oppositie hier
vandaag niet aanwezig is die toen nogal lacherig deed over het woord ‘innovatieregiegroep’.
Het debat dat we hier intussen voeren, bewijst dat de taak effectief is opgenomen en dat er
ook output is die leidt tot een debat en tot initiatieven.

We moeten ook de operationele verantwoordelijkheden aflijnen, los van de politieke
verantwoordelijkheden. Er is een rol voor een Vlaamse Regering en een minister, er is een rol
voor een VRWI en er is ook een rol voor een innovatieregiegroep. Het is logisch dat die met
elkaar in debat gaan en elkaars werk becommentariëren, bekritiseren, aanvullen en verrijken.

Concreet bij de vraag van de heer Van den Heuvel, zou ik zeggen dat het glas een beetje
halfvol of halfleeg is. De VRWI wijst inderdaad op voorafgaandelijk onderzoek dat gebeurd
is. Ik ga ervan uit dat dit verrijkend kan werken en dat dit complementair kan zijn. Men zegt
hier dat men geen nieuwe vehikels moet oprichten. De vraag is dan of zo’n platform een
nieuw vehikel is of een bundeling van bestaande zaken. Ik denk dat men de opmerkingen van
de VRWI niet zo negatief moet beoordelen als daarnet is gebeurd, ook een beetje door
collega Watteeuw.

Het bedrijfsleven heeft zijn stem in het debat niet definitief verloren. Er komen nog stappen
waar die belangrijke stakeholders kunnen gehoord worden.

Mevrouw Patricia Ceysens: Ik ben blij dat de meerderheid al redelijk scherp was. Ik vind
het absoluut niet kunnen dat men hier nog eens zoekt naar een bijkomende instelling of
oprichting van iets, nadat we Flanders Synergy hebben gedaan, wat ik persoonlijk voor een
deel al dubbel werk vond met de Stichting Innovatie & Arbeid die bij de Sociaal-
Economische Raad van Vlaanderen (SERV) functioneert en die eigenlijk ook over die sociale
innovatie gaat. Ik zou het ongehoord vinden als men dat zou durven in deze tijden van
schaarste en besparing.

Ik vind het ook ongehoord dat het bedrijfsleven niet betrokken was bij de innovatieregiegroep.
Ik meen ook gehoord te hebben dat er over de samenstelling binnen de VRWI ook
enorme vragen zijn geweest. Men heeft de manier waarop deze groepen zijn samengesteld
absoluut niet gewaardeerd. Minister, misschien kunt u ons daarover iets zeggen.

De voorzitter: Minister Lieten heeft het woord.

Minister Ingrid Lieten: Voorzitter, collega’s, het begrip ‘sociale innovatie’ is inderdaad een
begrip in volle ontwikkeling. Ik heb eergisteren een internationale conferentie bijgewoond
van het Comité van de Regio’s, dat ook zoekt naar de definitie en naar de aanpak. Iedereen
voelt wel dat sociale innovatie nodig is om een aantal uitdagingen aan te pakken, maar het is
zoeken naar een definitie en naar hoe we dat in het innovatielandschap moeten introduceren.
Ook de Europese Commissie zelf zet het op de agenda. Ik heb ook deelgenomen aan een
workshop waar Barroso het belang van de sociale innovatie is komen benadrukken. Het is
dus geen bedreiging, maar een opportuniteit. Het is een onderwerp in volle beweging.

Ik ben het wel eens met de heer Diependaele die zegt dat er, omdat het woord ‘sociaal’ er in
voorkomt, verkeerde verwachtingen kunnen zijn. Aan de ene kant denken bedrijfsleiders dat
ze er niets mee te maken hebben, omdat het ‘sociaal’ is, wat natuurlijk helemaal niet zo is.
Aan de andere kant denken sommigen dat er geen economische rendabiliteit of
maatschappelijke meerwaarde is, omdat het ‘sociaal’ is, wat zeker ook niet zo is. Ik betreur
ook dat we nog niet echt geland zijn met een algemeen welbevinden rond de inhoud en het
begrip en dat nog niet iedereen inziet dat er een groot belang is voor heel wat groepen in de
maatschappij.

Aan iedereen die hier meteen spoken ziet, wil ik duidelijk maken dat er geen sprake is van
‘oprichting van groepen’ of ‘geld geven’.

We onderzoeken nu wat dat zou kunnen betekenen voor Vlaanderen, welke de strategie zou
moeten zijn en hoe we dat kunnen vertalen via de bestaande instrumenten. Dat was de
opdracht die we aan de VRWI hebben gegeven, om dat verkennend werk te doen.

De VRWI stelt niet dat er te weinig rekening is gehouden met de voorgaande oefeningen die
gebeurd zijn, maar wel dat het rapport met betrekking tot de rijke academische en
conceptuele traditie van het concept ‘workplace innovation’ enkel verwijst naar het
onderzoekswerk binnen Flanders Synergy, de Stichting Innovatie en Arbeid en het SBOproject
(Strategisch Basisonderzoek) VIGOR. De VRWI merkt op dat er daarnaast ook
talrijke fundamentele wetenschappelijke onderzoeksprojecten lopen, onder meer in het kader
van het FWO, die input geven voor ‘workplace innovation’, maar ook voor sociale innovatie
in zijn bredere betekenis. Dat is nu net het debat: moeten we ons alleen focussen op
‘workplace innovation’, of moet het breder gaan en hoe moeten we er verder mee omgaan?

Toen ik in februari 2011 de VRWI heb gevraagd innovatieregiegroepen op te richten, werd in
de bijbehorende conceptnota ‘Transformatie door innovatie, Innovatie-Regiegroepen’
toelichting gegeven over de precieze taak, de werking en de samenstelling van de
innovatieregiegroepen. Daarin wordt verduidelijkt dat de voorzitter van de VRWI elke
innovatieregiegroep samenstelt met een beperkt aantal innovatieleiders en experts, gekozen
uit bedrijfswereld, kenniscentra, professionele en vakorganisaties, en/of de overheid.

Ik heb niet gezegd wie daarin moet zitten en wie niet, integendeel. Het is aan de VRWI om de
nodige mensen met expertise te verzamelen, met hen te brainstormen en proberen tot een
strategie te komen. De VRWI voert daar een debat over en zoekt naar de beste formule. Er is
een ontwikkelingstraject bezig. We moeten de VRWI de kans geven. Als we een meerwaarde
willen, moeten we excellente mensen zoeken die daarover iets kunnen vertellen, liefst ook
internationaal, en met een goede verdeling van de stakeholders. Die randvoorwaarden geef ik
aan de VRWI, maar die is bezig om dat beter te ontwikkelen, misschien met vallen en
opstaan.

Momenteel bekijken we de conclusies, samen met de opmerkingen die de VRWI daarbij
heeft geformuleerd, om te bepalen wat de volgende stappen zijn die we kunnen nemen. We
zullen de opmerking van de VRWI dat het interessant en zelfs wenselijk is om aanvullend te
polsen naar de reacties en opmerkingen van de bedrijven, zeker meenemen. Ik vind dat
superbelangrijk. Ik weet niet goed waarom het mislukt is. Misschien heeft men aan twee
kanten het belang onderschat. Bij het woordje ‘sociaal’ hebben sommige mensen misschien
gedacht dat het niet hun ‘cup of tea’ was. Ik vind het ook jammer. We moeten dat proberen
aan te vullen.

Het voorstel van de energieregiegroep om een platform op te richten, zal ik bekijken. Het is
belangrijk dat een brede betrokkenheid wordt gerealiseerd. Ik wil daarover discussiëren. Dat
is dezelfde discussie die we hadden over I-Cleantech. Mensen uit verschillende geledingen
samenbrengen – onderzoekers, bedrijfsleiders, maatschappelijke actoren – om aan
kennisuitwisseling te doen en samen initiatieven te ontwikkelen, is iets anders dan geld
toewijzen aan een beperkte groep mensen die dat zelf moeten beheren. Zo is het gebeurd met
het Centrum voor Informatie over de Media (CIM) en het Centrum voor Medische Innovatie
(CMI) en enkele andere.

We moeten mensen samenbrengen, er moet kennisoverdracht zijn, maar projectfinanciering
en subsidiëring moeten via de bestaande kanalen gaan. Dat heb ik duidelijk gemaakt bij ICleantech, en dat zal ik ook doen als er andere overlegstructuren of platformen moeten
worden gecreëerd. Dat zullen we ook verder doortrekken naar de andere beleidslijnen.

Vandaag hebben we het Agentschap voor Innovatie door Wetenschap en Technologie
besproken. Dat heeft de voorbije twintig jaar geïnvesteerd in knowhow om projecten te
beoordelen, te evalueren en er het beste uit te halen, en ervoor te zorgen dat de impact en de outcome kunnen worden gemeten. We moeten daar blijven op inzetten, veeleer dan te
verdelen en heersen.

Daarnaast moeten we ook beseffen dat overlegplatformen noodzakelijk zijn. In andere
landen, in Groot-Brittannië bijvoorbeeld, heeft men dat afgebouwd en dat had negatieve
effecten. Als men de mensen niet meer samenbrengt, zit iedereen in zijn eigen hokje en dat
leidt niet tot het indienen via de bestaande kanalen van goede projecten, die alle kennis van
de verschillende actoren bundelen.

Dat is een evenwichtsoefening. Dat debat moeten we hier zeker voeren, ook naar aanleiding
van de competentiepolen. Ik wil iedereen geruststellen. Ik ga niet meteen iets nieuws
oprichten. Als we dat doen, moeten we dat zorgvuldig bekijken en de randvoorwaarden
daarvoor vastleggen. We moeten geen beleid voeren om subsidies uit te delen aan
belangengroepen.

Er werd een reflectiegroep innovatie en sociale economie opgericht, voortbouwend op het
werk van de innovatieregiegroep sociale innovatie. Die heeft de opdracht om uit te kijken
naar een innovatiestrategie voor sociale economie. Deze reflectiegroep werd in februari 2011
voor de eerste keer samengeroepen door Vlaams minister Van den Bossche en zal in
juli/augustus 2011 een rapport afleveren waarin een aantal prioriteiten en uitdagingen zullen
worden voorgesteld.

De reflectiegroep is opgestart met de ambitie om, zoals ook in het rapport van de VRWI is
vooropgesteld, binnen een gezamenlijk strategisch kader te werken aan een deeltraject voor
de sociale economie. Mede daarom maken IWT en VRWI deel uit van deze reflectiegroep,
zodat ze hun kennis en inzichten kunnen inbrengen.

Per brief van 5 april 2011 heb ik de VRWI-voorzitter gevraagd een andere innovatieregiegroep
op te starten rond het thema bouw en duurzame bouw. Dat is breed gedefinieerd, vooral
vanuit de bouwsector zelf, die al voorbereidend werk heeft gedaan en zijn impact op energie,
milieu en grondstoffen inschat. De sector is vragende partij om veel meer te kunnen
innoveren en een beroep te doen op de bestaande kanalen om innovatie in de bouw te
stimuleren.

Omdat dat de volgende innovatieregiegroep zou zijn, heb ik aan de VRWI gevraagd om te
proberen een innovatieagenda en -strategie uit te werken, met de duidelijke focus op bouw en
duurzame bouw. Pas nadat de focus duidelijk is, kan in een volgende stap de samenstelling
van de innovatieregiegroep gebeuren door de voorzitter van de VRWI en een precieze timing
worden afgesproken. Ik heb nog geen verdere afspraken gemaakt met de VRWI over
eventuele andere innovatieregiegroepen. Daarvoor wacht ik tot we met onze conceptnota
voor een nieuw industrieel beleid kunnen nagaan wat zich aandient en wat noodzakelijk is.

De voorzitter: De heer Van den Heuvel heeft het woord.

De heer Koen Van den Heuvel: Minister, u stelt zelf voorop dat de innovatieregiegroepen
een meerwaarde zijn, dat er zoveel mogelijk stakeholders bij betrokken worden. Dat is een
van de voordelen, of zelfs doelstellingen van de groep. Dan is het een gemiste kans dat een
aantal stakeholders en mensen uit het bedrijfsleven niet onmiddellijk betrokken zijn bij die
innovatieregiegroepen. We moeten er scherp op letten dat de stakeholders er van in het begin
bij worden betrokken.

Minister, ik heb uw boodschap gehoord over het oprichten van een nieuw platform. We
hebben allemaal de mond vol over vereenvoudiging en geen nieuwe structuren oprichten, als
er gelijklopende actief zijn. Het is heel belangrijk dat we hier geen nieuwe structuren moeten
creëren voor zaken die al lopend zijn.

We hebben horen waaien dat Ecotech in de pijplijn zou zitten.

Minister Ingrid Lieten: Dat weet ik absoluut nog niet. Ik geef aan wat ik heb gezegd. We
gaan stap voor stap, met het nieuw industrieel beleid, de conceptnota. Op basis daarvan
moeten we, in overleg met de VRWI, kijken wat de volgende prioriteiten zijn.

De voorzitter: De heer Diependaele heeft het woord.

De heer Matthias Diependaele: Minister, met alle respect voor u en uw medewerkers, maar
dit verhaal blijft bij mij gigantische vraagtekens oproepen. Ik begrijp het zelfs niet. Ik vat het
niet. Als ik een logicus was, zou u gebuisd zijn op mijn examen. U hebt een naam en u wilt
daar invulling aan geven. De logica is dat u iets hebt en dat het daarna een naam krijgt. Hoe
kan het dat het Comité van de Regio’s, trouwens de meest nutteloze instelling van de
Europese Unie, dat zich ongetwijfeld graag met dergelijke zaken bezig houdt…
(Opmerkingen)

Ik heb zelf tweeënhalf jaar ervaring in het Europees Parlement. Iedereen die de instelling
kent, zal dat zeggen. Het comité geeft trouwens advies nadat iets is goedgekeurd.
(Opmerkingen van de heer Bart Van Malderen)

Maar ik had het over de sociale innovatie. Er bestaat iets en dan geeft men het een naam. Hier gebeurt het omgekeerde. Ik heb geen enkel probleem met woord ‘sociaal’ of zelfs ‘socialist’, en wat dan ook. (Gelach)

Neem het niet persoonlijk. Ik heb er geen probleem mee. Maar hier heeft men gewoon een
woordje gevonden dat goed klinkt, dat goed verkoopt en men wil er dan iets mee doen. Men
heeft gemerkt dat ‘innovatie’ centen aantrekt, dat er iets mee te doen valt. Men heeft er het
woord ‘sociaal’ voorgezet, want dan klinkt het natuurlijk heel aanvaardbaar voor iedereen in
de maatschappij.

Ik heb al gezegd dat het voor mij overduidelijk is dat die ‘workplace innovation’ een inhoud
heeft. Dat is iets dat ik begrijp. Op onze arbeidsmarkt zitten we met een citroenmodel. We
moeten zorgen dat werk draaglijker wordt voor de mensen omdat ze het langer moet
uithouden. Dan kan gedacht worden aan thuiswerk. Ik had nog een paar voorbeelden, zoals
ICT-oplossingen in bedrijven, het woon-werkverkeer. Dat valt er voor mij allemaal onder. Ik
begrijp perfect dat daarover kan worden nagedacht. Als dat ‘sociale innovatie’ wordt
genoemd, heb ik daar geen enkel probleem mee. Ik sta daar achter.

Minister, ik heb een heel concrete vraag. U hebt zelf gezegd dat u hebt nagedacht in het
Comité van de Regio’s over “‘workplace innovation’ en breder”. Wat is voor u ‘breder’? Wat
valt daaronder? Het is een karikatuur, maar gaat het dan over het feit dat we op een andere
manier elkaars hand schudden? Want dat is ook iets nieuws in de sociale relaties. Wat is dat
eigenlijk? Ik zou het heel graag weten. Ik zou heel graag overtuigd worden, want ik wil de
meerwaarde van dit concept inzien. Maar dit concept is alleen maar ontwikkeld omdat het een
goede naam heeft, omdat het verkoopt. Er is een reclame ontwikkeld en men heeft dan
gezocht welk product men eraan kon verbinden. Dat is totaal onlogisch.

Ik ben wel heel blij om te horen dat het niet gaat over een nieuw instrument. In die zin heb ik
er geen probleem mee. Ik denk dat we het enkel sterk oneens zijn over de inhoud van het
begrip.

De voorzitter: De heer Van Malderen heeft het woord.

De heer Bart Van Malderen: Ik zal heel kort zijn. Ik ben blij dat de heer Diependaele wil
inzien wat het begrip is. Ik zou hem echter een wedervraag willen stellen. Mijnheer
Diependaele, over ‘workplace innovation’ bestaat er geen eenstemmigheid. Sla er de
literatuur maar op na of houd er maar eens een debat over. Sommige mensen stellen
‘workplace innovation’ gelijk met ergonomie. Het is dan iets puur mechanisch, niet
conceptueel of organisatorisch. Alleen al de verenging die u maakt, geeft aanleiding tot
discussie. U zou zo een heleboel begrippen kunnen geven waar dat debat over bestaat. Ik
denk dat het de opdracht is om die aflijning, waarvan ik overtuigd ben dat ze organisch en
evolutief tot stand zal komen, te maken.

U maakt er nu een intentieproces van door te zeggen dat men een leuke naam heeft gevonden en dat men er nu middelen tegenaan zal smijten. Ik denk niet dat dat zo is. Het voorbeeld van de minister in verband met het debat dat op het Europees niveau wordt gevoerd, geeft aan dat daarover een discussie bestaat. Uw voorbeeld geeft aanleiding tot hetzelfde debat en stelt ons voor dezelfde problemen.

De voorzitter: Minister Lieten heeft het woord.

Minister Ingrid Lieten: Mijnheer Diependaele, zeker in de commissie Wetenschapsbeleid en
Innovatie moet u uzelf niet moet nemen als maat der dingen. Het is niet omdat u het niet
begrijpt, dat het dom is. (Opmerkingen van de heer Matthias Diependaele)

Wat ik heb willen aangeven, is dat het zeker geen marketingtruc of communicatie van ons is.
Het is een intellectuele, een maatschappelijke oefening, die op verschillende fronten gedaan
wordt. We kunnen discussiëren over de definitie. Voor sommigen kan dat beperkt zijn tot
workplace innovation, terwijl het voor anderen uitgebreider is. Ik zal u een voorbeeld geven
van het laatste. Sociale innovatie avant la lettre is heel de werking in verband met de
kringloopcentra. Het vertrekpunt was nooit het economisch rendement, wel het maatschappelijk en ecologisch rendement. Men heeft een heel nieuw proces in de maatschappij geïntroduceerd met behulp van de sociale economie. De sociale economie was hier meer een middel dan een doel om de kringloopgedachte te introduceren in de maatschappij.

Zo zijn er nog heel wat projecten die onder de naam ‘sociale innovatie’ zouden kunnen
vallen. Ongetwijfeld zal men in de discussie over de definitie minimalisten en maximalisten
hebben. Wat wij nu vooral moeten doen, is: nagaan hoe we dat introduceren in ons
instrumentarium en hoe we daarvoor ruimte vrijmaken; als we budgetten inschrijven,
aangeven wat dan de randvoorwaarden zijn en wat we willen bereiken. Dat is het debat dat
we nu moeten voeren.

Ik heb zeker niet de maat van mijn ideeën opgelegd. Ik heb aan de VRWI gevraagd te
trachten dat debat te voeren. Ik voel ook aan dat het met horten en stoten gaat. Bij sommige
mensen werkt het woord ‘sociaal’ blijkbaar als een rode lap op een stier. Misschien hadden
we het beter ‘maatschappelijke innovatie genoemd’. Maar internationaal heeft men het nu
eenmaal over ‘social innovation’. Ik vind het wel heel belangrijk. Men vertrekt vanuit een
terechte analyse dat we niet al onze maatschappelijke problemen alleen met economische en
technologische antwoorden kunnen oplossen. We hebben ook sociale, maatschappelijke
innovatie nodig om sommige van onze maatschappelijke uitdagingen aan te gaan. Die geven
op termijn zeker en vast een groot maatschappelijk en hopelijk ook economisch rendement.
Dat is de discussie die we nu voeren. Het is wel zo dat niemand de waarheid in pacht heeft.

Iedereen zoekt nog. Ik denk dat we de volgende maanden het debat daarover nog wel zullen
voeren.

De voorzitter: Het incident is gesloten.

 
 
 
 

 

2011 Koen Van den Heuvel