| |
Vraag om uitleg
van de heer Koen Van den Heuvel, Vlaams
volksvertegenwoordiger, aan mevrouw Ingrid Lieten, Vlaams
minister van Innovatie, Overheidsinvesteringen, Media en
Armoedebestrijding, over het eindrapport van de
VRWI-Innvatieregiegroepen Automotive 20
januari 2011
De voorzitter: De heer Van den Heuvel
heeft het woord.
De heer Koen Van den Heuvel: Voorzitter, minister, u hebt
wellicht gemerkt dat zowel deze
vraag als mijn volgende vraag over het Centrum voor Medische
Innovatie (CMI) begin december werd ingediend. We zijn nu bijna
zeven weken later. Door agendaproblemen komen ze pas vandaag aan
bod. De vragen hebben inmiddels wat aan actualiteitswaarde
ingeboet.
De vraag handelt over het eindrapport van de Innovatieregiegroep
(iRG) Automotive, dat half
november is afgeleverd. Het is het eerste eindrapport van de
drie innovatieregiegroepen. In
het verleden hebben we al een paar vragen gesteld om het werken
van die innovatiegroepen
in het oog te houden en op te volgen.
In de aanbevelingen van het eindrapport wordt gepleit voor onder
meer een nieuwe drietrapsaanpak. Nieuw hierbij is ondermeer de
oproep om zogenaamde speerpuntbedrijven te identificeren en
extra te versterken. De Vlaamse Raad voor Wetenschap en
Innovatie (VRWI) becommentarieert in zijn advies het
eindrapport. Daarbij wordt gezegd dat deze nieuwe
drietrapsaanpak moet zorgen dat de hefboomfunctie van publieke
O&O-uitgaven (Onderzoek en Ontwikkeling) versterkt wordt. De
VRWI vraagt ook aandacht voor de uitbouw van
grensoverschrijdende samenwerkingsverbanden met
automobielclusters over de grens, zoals in Noord-Frankrijk het
Duitse Rijnland.
Wat verder opvalt bij het lezen van de aanbevelingen uit het
rapport, is de oproep om innovatiesteun voor de automotive
vooral te richten op de zogenaamde harde O&O-activiteiten.
Aanvullend kan de overheid een belangrijke rol spelen in het
uitrollen van nieuwe mobiliteitsconcepten, maar deze moeten er
sterk op gericht zijn het industrieel weefsel in Vlaanderen
kansen tot ontwikkeling aan te reiken, aldus de iRG Automotive.
Gisteren hebben we daar in de plenaire zitting ook een discussie
over gehad. Minister, ik denk dat het belangrijk is dat wat hier
duidelijk wordt gesteld, ook in het achterhoofd wordt gehouden
en dat niet alleen de proeftuin wordt gericht op
consumentenervaringen en maatschappelijk relevant onderzoek. In
dit eindrapport van de iRG Automotive wordt duidelijk gepleit om
vooral oog te hebben voor de meerwaarde voor het industriële
weefsel in Vlaanderen.
Tot slot stelt het rapport dat de aanwezige competenties bij
Flanders’ DRIVE en andere relevante competentiepolen, tot op
heden nog te weinig toepassingsgebieden binnen de automotive
hebben gevonden. Daarom wordt er ook gepleit om hiervoor een
duidelijke agenda op te stellen.
Minister, hoe wilt u concreet uitvoering geven aan de
aanbevelingen uit het eindrapport en wat is de specifieke timing
hiervoor? Op welke manier wordt er reeds ingezet op
grensoverschrijdende samenwerkingsverbanden ten aanzien van
andere automobielclusters en hoe ziet u dat in de toekomst
verder evolueren? Kunt u een overzicht geven van de Vlaamse
Innovatiesteun voor de automotive die momenteel specifiek
gericht is op het versterken van het industrieel weefsel? Welke
onderzoeksresultaten van Flanders’ DRIVE zijn tot op heden een
element gaan uitmaken van commercieel vermarkte toepassingen?
Welke aanbevelingen zal de minister meenemen in de voorbereiding
van een nieuwe beheersovereenkomst voor Flanders’ DRIVE? Komt er
een meer planmatige en structurele samenwerking tussen de
verschillende actoren? Is er een aangepaste timing voorhanden?
De voorzitter: De heer Van Malderen heeft het woord.
De heer Bart Van Malderen: Ondertussen serveren we de
mosterd na de maaltijd, maar dat
is niet de verantwoordelijkheid van ook maar iemand aan deze
tafel. Dat neemt niet weg dat
dit een belangrijk rapport is, dat ook – dat is ook gebleken bij
de bespreking van de nota
nieuw industrieel beleid – dat andere debat zal voeden. Ik heb
daarom vooral een vraag naar
systematiek. Dit is een van de innovatieregiegroepen. Ik vraag
naar een methode hoe we daar
in het parlement mee kunnen omgaan. Op het moment dat een
innovatieregiegroep een rapport wereldkundig maakt, kunnen we er
allemaal als de kippen bij zijn om er een vraag over te stellen.
Er kan ook een meer systematische agendering gebeuren. Mij is
het eender. Het zou wel goed zijn dat er een link wordt gelegd
met het parlement zodat we de belangrijke opdracht van de
innovatieregiegroepen kunnen opvolgen en bespreken.
Mevrouw Patricia Ceysens: Het is goed dat de puntjes nog
eens op de i worden gezet, zeker na wat er gisteren niet aan bod
kon komen in de actuele vraag, namelijk de vraag hoe het ene
zich tot het andere verhoudt. Minister, het valt me op dat u
heel vaak verwijst naar maatschappelijke innovatie. We moeten
ook bewaken dat de economische toegevoegde waarde van de
projecten in heel het kader van de transitie van de industrie,
niet ondergesneeuwd geraakt.
Minister, het groenboek en de VRWI geven vaak een insteek naar
meer economische innovatie. Het is mij niet duidelijk hoe u die
twee sporen voldoende bewaakt. Ik heb de indruk dat het ene
spoor wat ondergesneeuwd geraakt ten opzichte van het andere.
Het wordt op termijn moeilijk te zien hoe een en ander past in
een grotere visie. Op dit moment ontwaar ik dat alvast
niet.
De voorzitter: Minister Lieten heeft het woord.
Minister Ingrid Lieten: Het is uiteraard de bedoeling dat
we de adviezen kunnen vertalen in ons beleid en in de
instrumenten die daarvoor worden gebruikt. Automotive mogen we
niet apart doen van een andere belangrijk initiatief dat de
regering heeft genomen, het Nieuw Industrieel Beleid (NIB). De
automotivesector zit daar zeker in. De regering gaat na hoe we
kunnen omgaan met alle adviezen die er gekomen zijn op basis van
het groenboek en hoe dat kan worden omgezet naar het witboek.
Daarin zullen we ook de adviezen van de VRWI over automotive
opnemen.
Flanders’ DRIVE heeft al belangrijke inspanningen geleverd om
samen te werken met de buitenlandse automobielclusters. Dat
gebeurt onder meer vanuit het EMR 2012-project in de Euregio
Maas-Rijn, waar in clusters zoals CAR/Agit uit Duitsland,
Automotive Technology Centre ATC-HTAS uit Nederland en CAW uit
Wallonië heel intensief wordt samengewerkt in verschillende
projecten. Vanuit die aanpak wordt de verdere samenwerking nu
ook ingevuld met onder andere ‘Les pôles de compétitivité
automobile’ in Frankrijk en met een initiatief in
Noordrijn-Westfalen. Daarnaast zijn er verschillende
samenwerkingsverbanden met verschillende onderzoeksorganisaties
zoals Swerea uit Zweden en Tuv uit Duitsland,en met
onderzoeksafdelingen van verschillende internationale bedrijven,
zoals Volvo en Ford.
Waar de opportuniteiten zich voordoen, tracht Flanders’ DRIVE
met buitenlandse initiatieven samen te werken, en dat proberen
we ook te doen binnen de IWT-steunmaatregelen. Daarvan zijn er
twee belangrijke voorbeelden. Een: samenwerking bij de
ontwikkeling van de elektronica voor de auto. Twee: de recent
gestarte deelname aan het ERAnet + ‘Electromobility’. Het eerste
voorbeeld betreft de deelname via IWT aan de EUREKA-cluster
Micro-Electronics Development for European Applications (MEDEA),
Cluster for Application and Technology Research in Europe on
NanoElectronics (CATRENE) en Information Technology for European
Advancement (ITEA) en de deelname aan de Joint Technology
Initiatives zoals Electronic Numerical Integrator And Computer (ENIAC)
en Advanced Research & Technology for EMbedded Intelligence and
Systems (ARTEMIS). Alle vier die initiatieven organiseren
onderzoek en ontwikkelingssamenwerkingen op Europees niveau in
de ICT-sector en respectievelijk in de hardwarecomponent en
embedded systems.
Als belangrijke markt voor elektronische componenten komt ook de
automobielsector in the picture en worden grote Europese
consortia opgezet. De Vlaamse bedrijven kunnen daaraan
deelnemen. In het bijzonder in MEDEA en ARTEMIS is er op dit
moment een deelname van Vlaamse bedrijven en
onderzoeksinstellingen. Recent besliste het IWT om ook deel te
nemen aan het ERAnet + ‘Electromobility’. Via dit initiatief,
waaraan de Vlaamse automobielsector en belangrijke landen zoals
Duitsland, Frankrijk en Zweden deelnemen, worden ook
internationale projecten gefinancierd, die de middel- en
langetermijnontwikkeling van Electromobility ondersteunen. De
eerste oproep voor projecten loopt momenteel. Flanders’ DRIVE
bereidt ook in deze nieuwe oproep projecten voor met een aantal
partners uit de Vlaamse voertuigindustrie.
Via de bedrijfssteun van het IWT worden projecten gesteund,
geïnitieerd door bedrijven, al
dan niet in samenwerking met onderzoeksinstellingen. Dit biedt
alleszins de mogelijkheid om de twee hoogste trappen uit het
voorstel van de innovatieregiegroep in te vullen, namelijk de
speerpuntbedrijven versterken en ook individuele bedrijven
ondersteunen om mee te spelen in internationale waardeketens. De
ruime value chain wordt hierbij bestreken. Via dit instrument
werden recent projecten gesteund, die assemblagebedrijven
toelaten hun productiemethodes aan te passen en die
toeleveranciers toelaten nieuwe componenten te ontwikkelen. Ook
bedrijven die heel specifieke competenties ontwikkelen, kwamen
aan bod. Als voorbeeld kunnen we wijzen op de steun die wordt
gegeven aan twee specifieke competenties waarin Vlaamse
bedrijven een unieke positie ontwikkelen, namelijk het
ondersteunen van ontwerp van voertuigen en de verdere
ontwikkeling van de batterijtechnologie. De hoger vermelde
internationale projecten vallen ook onder de IWT-bedrijvensteun.
De belangrijkste inspanning met betrekking tot de bedrijven is
zeker en vast ook geconcentreerd bij Flanders’ DRIVE. Flanders’
DRIVE heeft in zijn huidige convenant veertien projecten in
uitvoering met zeventig unieke industriële en
onderzoekspartners. Daarnaast is er de proeftuin elektrische
voertuigen die op 17 december is goedgekeurd. Die moet bij
uitstek een platform bieden waarop Vlaamse bedrijven nieuwe
producten en processen, die de waardeketen kunnen versterken,
kunnen uittesten. Die oproepen zijn gelanceerd en de procedure
loopt.
Ik begrijp de bijkomende vragen van de voorzitter niet zo goed,
omdat ze het idee heeft dat maatschappelijke innovatie en de
doelstelling om economisch toegevoegde waarde te creëren, twee
gescheiden werelden zijn. Alles wat we doen in verband met
automotive toont aan dat alles met elkaar samenhangt.
Ik wil ook even ingaan op de vraag van de heer Bothuyne van
gisteren over de Vlaamse meerwaarde. Ik heb in maart een
visienota over innovatie in de automotive voorgelegd aan de
regering. Daarin hebben we heel duidelijk gekeken naar waar we
vandaag staan. We moeten beseffen dat inzake automotive de grote
constructeurs momenteel alleen in Vlaanderen assemblagebedrijven
hebben. De aangevraagde innovatiesteun heeft vooral betrekking
op de verbetering van de productieprocessen. De verbetering van
productieprocessen is natuurlijk een goede zaak. Op die manier
kan de competitiviteit van de bedrijven, in het bijzonder van de
assemblagebedrijven, in Vlaanderen verstevigen.
Onderzoek naar nieuwe modellen en ontwikkelingen gebeurt niet in
de assemblagebedrijven
in Vlaanderen. Dat gebeurt op andere plaatsen, waar de
development centers van de automotive bedrijven zijn gevestigd.
Er zijn een aantal internationale tendensen in de automotive
industrie. De globalisering zet
zich verder. Er wordt veel meer uitbesteed. De positie van
toeleveranciers bepaalt steeds meer de beslissingen over de
vestigingsplaatsen en de assemblagelijnen. Als de
toeleveranciers snel, accuraat en goedkoop kunnen leveren, zal
een grote constructeur gemakkelijker beslissen een assemblage-
of productielijn te handhaven.
Vanuit die positie is het belangrijk rekening te houden met de
stand van zaken en met de opportuniteiten die de toeleveranciers
bieden. We moeten ons inzetten om de innovatie bij de
toeleveranciers, waarvan Vlaanderen er veel telt, te stimuleren.
Dit moet hen in staat stellen vooraan te lopen in het
innovatietraject. We moeten hen minstens een beetje steunen in
verband met de innovatie in de globale automobielsector.
Hierdoor komen wij in een sterkere positie terecht om
beslissingen over de handhaving van de productie met economische
argumenten te motiveren.
Die theorie is zichtbaar bij Flanders’ DRIVE en bij het
Agentschap voor Innovatie door Wetenschap en Technologie (IWT).
Het gaat niet enkel om de door de constructeurs ingediende
projecten in verband met procesinnovatie. Ze leveren ook
inspanningen om onze kmo’s en onze toeleveranciers bij de
innovatie te helpen.
Dit brengt me bij de elektrische auto. Het betreft hier absoluut
geen wollig, groen project. Dit is een project dat ons in staat
zal stellen twee belangrijke meerwaarden te realiseren. De
eerste meerwaarde is de economische meerwaarde voor onze
voertuigindustrie. De tweede meerwaarde is maatschappelijk en
heeft betrekking op de verbetering van de leefomstandigheden in
de steden en op de gezondheidstoestand van onze mensen. Dit
heeft ook een economische en zelfs een overheidsgebonden
kostprijs. Tegelijkertijd leveren we een bijdrage in de
klimaatproblematiek. Op wereldschaal is die bijdrage klein, maar
in Vlaanderen kan ze significant zijn. Het wegwerken van de
negatieve effecten van de klimaatproblematiek brengt ook veel
kosten met zich mee.
De uitspraken die sommigen gisteren hebben gedaan, hebben me
enigszins ontgoocheld. Ze laten uitschijnen alsof het onze
bedoeling is gewoon een aantal mensen met een auto te laten
rondrijden. Ik heb in de commissie al een aantal keren
toegelicht dat het meer dan dat is. We hebben het Vlaams
Innovatienetwerk (VIN) gevraagd een aantal onderzoeksopdrachten
uit te werken. Het VIN heeft dit samen met alle economische
partners uitgevoerd. Die onderzoeksopdrachten vallen uiteen in
drie groepen.
Het is uiteraard de bedoeling het consumentengedrag te testen.
We doen dit niet omdat we het interessant vinden hier meer over
te weten. We doen dit omdat de bedrijven die informatie nodig
hebben om hun producten en hun diensten met het oog op de nieuwe
markt verder te verfijnen.
Het gaat hier niet in de eerste plaats om de grote
constructeurs. Hoewel ze ook vragende
partij zijn, wedden de grote constructeurs op verschillende
paarden. In andere landen zijn ze
hier ook mee bezig. Het gaat hier vooral om de toeleveranciers.
De innovatie heeft niet enkel
betrekking op de auto en zijn besturing. Veel innovatie heeft te
maken met batterijtechnologie, een domein waarin we zeker en
vast sterke partners hebben, met ICT en met communicatie in en
van het voertuig met distributienetten, smart meters en smart
grids. Ik wil benadrukken dat, ten gevolge van alle initiatieven
die door het VIN, Flanders’ DRIVE en het kabinet zijn genomen,
meer dan vijftig bedrijven interesse hebben getoond. Ze zien
opportuniteit en willen hier figuurlijk hun wagentje aan hangen.
Ze willen gebruik maken van de proeftuinen en de specifieke
testresultaten om zich op verbeteringen van hun eigen producten
en diensten voor te bereiden.
In die zin kan een project dat een maatschappelijk probleem
aanpakt, in dit geval de gezondheid en het klimaat, uitzicht op
veel economisch rendement bieden. Dit geldt vooral voor heel wat
Vlaamse bedrijven. Door deze informatie te verstrekken, hoop ik
alle misverstanden te hebben weggewerkt.
Het is uiteraard de bedoeling dat alles op een wetenschappelijke
manier gebeurt. De proeftuin
draait om open innovatie. Daarnaast is het mogelijk bij het IWT
projecten in te dienen waarvan de informatie niet wordt gedeeld.
Parallelle en aanvullende circuits behoren tot de mogelijkheden.
De opzet is alles op een wetenschappelijk verantwoorde manier
aan te pakken.
Veel individuele bedrijven, die niet in staat zijn zelf een
grootschalig proefexperiment op te
zetten, kunnen aan dit collectieve proefexperiment deelnemen. Op
die manier kunnen ze allemaal hun eigen kennis verbeteren. Het
gevolg is dat ze hun nieuwe producten en diensten
op een betere manier op de markt kunnen brengen.
Vervolgens is me een vraag gesteld over de eigenlijke resultaten
van Flanders’s DRIVE. In welke mate vormen die resultaten
momenteel een element van de commerciële toepassingen? De eerste
projecten vanuit Flanders’ DRIVE hebben al geleid tot dertig
leads, zowel commerciële als met betrekking tot R&D-samenwerking
met de industrie. Flanders’ DRIVE heeft mij wel gezegd dat zij
over die concrete afspraken om confidentiële redenen niet in
detail kunnen gaan. Het betreft verder trajecten van
productontwikkeling tussen Flanders’ DRIVE, de Vlaamse industrie
en toonaangevende assemblagebedrijven. Er zijn ook een aantal
patenten in voorbereiding. De eerste resultaten van de projecten
van manufacturing zijn volledig geïntegreerd in de Vlaamse
bedrijven en hierdoor zijn ze ook verder leading kunnen worden,
juist in die internationale waardeketen en in de internationale
groep waartoe ze behoren.
Ik kan de collega’s die daar meer over willen weten alleen maar
aanraden om rechtstreeks met Flanders’ DRIVE contact op te
nemen. Dan kan men misschien in een vertrouwelijkere sfeer hier
en daar wat bijkomende informatie opvragen. Wij kunnen het
vertrouwen dat de bedrijven vragen met betrekking tot de
confidentiële behandeling van Flanders’ DRIVE hier niet in het
openbaar beschadigen. Wij moeten uiteraard voor de nieuwe
beheersovereenkomst rekening houden met aanbevelingen.
Mijnheer Van Malderen, in dat onderzoek moeten ook de
aanbevelingen van de Vlaamse Raad voor Wetenschap en Innovatie (VRWI)
worden doorvertaald naar de instrumenten. Flanders’ DRIVE is een
belangrijk instrument voor de automotive-innovatie. Dat debat
met Flanders’ DRIVE is aan de gang: we gaan na hoe zij verder
input kunnen geven, hoe zij dat in hun werking kunnen
doorvertalen en hoe wij dat in de beheersovereenkomst kunnen
doen.
Ik ben ook vragende partij om afspraken te maken over hoe we
kunnen omgaan met de VRWI- adviezen. Ik richt mij daarvoor tot
de commissie. Wij proberen met de VRWI tot een stramien te
komen: speerpunt, regiegroep, innovatieagenda op de lange of
middellange termijn die dienstig moet kunnen zijn bij de verdere
doorvertaling naar het beleid en de manier waarop de
instrumenten worden gebruikt. Ik sta open voor de manier waarop
jullie dat willen organiseren. Ik richt mij daarvoor tot de
commissie, maar het kan ook op een later moment worden
besproken.
De voorzitter: Wij krijgen de adviezen pas als ze
gepubliceerd zijn. Wij hebben ook geen tijdslijn. Het is niet
evident. Hoe je het draait of keert, we zitten altijd in een
fase achter jullie.
Ik ken het reglement. Maar ik wil ook niet zeggen dat we het
niet kunnen. Ik ben hierover wel
redelijk formeel omdat dit anders tot niets leidt. Ik begrijp
dat iedereen honger heeft, maar ons werk bevindt zich in een
tweede fase. De regering werkt met zijn organen en levert iets
af, pas dan kunnen wij dat bekijken.
De heer Koen Van den Heuvel: Voorzitter, ik wil het debat
productief houden. Wij hebben
nu kennisgenomen van die eindrapporten. Er komen er nog een
aantal aan. Dan komt er reactie van een aantal spelers, de VRWI
maar ook eventueel Flanders’ DRIVE zelf of nog andere spelers.
Het is misschien goed om hierover in de commissie een debat te
hebben waarbij de VRWI en nog anderen hun standpunt kunnen komen
duiden en waarbij elke partij en de minister daarop reageren.
Dan kunnen wij daarover een debatje houden. Dan gebeurt het
structureel. Dat kan in een voor- of namiddagsessie. Dan heb je
onmiddellijk alle partners aan tafel en bestaat daarover
geen onduidelijkheid.
Minister, ik dank u voor het antwoord. Ik ben ervan overtuigd
dat u wel ziet waar de klepel hangt en dat u oog hebt voor onze
bekommernis, die gisterenmiddag en ook hier in deze vraag aan
bod is gekomen: is er voldoende aandacht voor het industriële
weefsel? Dat moet uiteindelijk de toegevoegde waarde in onze
economie brengen. Worden de maatschappelijke relevantie en het
belang van de consument-kiezer niet te veel ondergesneeuwd door
snel gewin?
Minister, ik wil oproepen om de hele uitdaging, waarvoor bij
alle actoren op het veld en op het politieke vlak een zo groot
mogelijk draagvlak moet worden gecreëerd, voldoende middelen te
genereren. Wij moeten de beperkte overheidsmiddelen op een
juiste manier toewijzen. Het is dan ook spijtig dat daarover
door misverstanden discussie ontstaat. Laat het ons zo zeggen:
het is goed dergelijke misverstanden te vermijden. Het is nodig
om op dat vlak de nodige omzichtigheid aan de dag te leggen. Men
moet niet te snel willen scoren. Het is niet altijd de
voetbalploeg die in de eerste 5 minuten twee keer scoort die na
90 minuten de winnaar is. Het is goed om dat in het achterhoofd
te houden als we ervoor zorgen dat het draagvlak niet wordt
aangetast zodat we voldoende engagementen kunnen losweken om de
innovatieagenda met betrekking tot automotive door te zetten.
De voorzitter: De heer Bothuyne heeft het woord.
De heer Robrecht Bothuyne: Vijftig bedrijven met
interesse voor de proeftuinen is heel positief. Dat bewijst dat
er in de automotivesector in Vlaanderen heel wat leeft. Aan de
andere kant zegt u, terecht, dat er momenteel heel weinig R&D-capaciteit
is in Vlaanderen. U moet ervoor zorgen dat die wordt opgebouwd.
Het experiment van Infrax maakt gebruik van buitenlandse
technologie voor de laadarm.
Ik weet niet waar de auto’s vandaan gaan komen. Als die ook uit
het buitenland komen, is dat twee keer een gemiste kans, terwijl
Volvo hier is komen vertellen dat ze hier 350 auto’s willen
laten rondrijden in de experimentele fase. Ik hoop dat Infrax
straks Volvo’s gaat gebruiken. We moeten de twee op elkaar
afstemmen: wat leeft in de bedrijven en de experimenten van de
energie-intercommunales. Het is jammer dat Eandis anderhalf jaar
geleden een kleiner experiment aankondigde en dat nu Infrax met
een ander project afkomt.
Als dat niet op elkaar afgestemd is, verliezen we tijd en geld,
mensen en middelen. Dan komen we ook niet geloofwaardig over bij
de sector. Dat is de taak van de Vlaamse Regering, die
afstemming en coördinatie. Ik ben ervan overtuigd dat u mijn
mening deelt. Helaas loopt het op het terrein niet altijd zoals
het in de visietekst van maart staat. Er is nog werk op dat punt
voor de Vlaamse Regering.
Mevrouw Patricia Ceysens: Ik ben het daarmee eens. De
meerderheid spuit een woordenbrij. Voor mij sputtert dit aan
alle kanten.
De voorzitter: Minister Lieten heeft het woord.
Minister Ingrid Lieten: Collega’s, ik ben het daar echt
niet mee eens. Ik begrijp uw bezorgdheden, ik hoop dat die
wegvallen als u alle documenten en feiten kent.
Toen we een jaar geleden met overleg begonnen, vonden heel wat
actoren dat niet relevant.
Daar is zeker en vast bewustmaking nodig, niet zozeer van de
publieke opinie maar vooral van de actoren. Zij moeten vooraan
staan in die evolutie en ze moeten zich voorbereiden. We zijn
erin geslaagd daar ruchtbaarheid aan te geven door het concept
van die proeftuin uit te werken. Er zijn heel veel gesprekken
gevoerd, door het IWT, door Flanders’ DRIVE, door mijn kabinet.
U mag zich niet blindstaren op de positie van
de autoassemblagebedrijven. Die zijn niet ons
primair doel. We kunnen hun verankering alleen maar realiseren
door in te zetten op de
ondersteunende actoren, en dat zijn de toeleveranciers. Als we
hen kunnen helpen met hun voorbereiding en met het zoeken naar
lichtere materialen, naar andere productiemethoden, naar nieuwe
communicatietools in die voertuigen, dan kunnen ze aantrekkelijk
zijn voor de assemblagebedrijven. Dat zal een belangrijke rol
spelen in de afweging die al de assemblagebedrijven ieder jaar
maken: waar vinden ze de beste prijs, welke producten gaan ze
handhaven en welke gaan ze verplaatsen.
Een tweede manier om de verankering te bevorderen is het
inspelen op de nieuwe
toeleveranciers die geen klassieke onderdelen maken maar
producten voor elektrische
voertuigen. Dat biedt veel mogelijkheden voor de toeleveranciers
in de ICT-sector. We hebben sterke spelers op dat gebied. Ze
zijn daar volop mee bezig. Ze zien de opportuniteit van nieuwe
concepten. Dan zijn er nog de spelers in de batterijtechnologie.
Ook daar hebben we sterke spelers en ook zij zijn op die kar
gesprongen. Ze lopen daar nu vooraan en ze hebben kansen om
expertise op te bouwen.
De elektrische wagen biedt tevens opportuniteiten aan de
dienstverleners zoals leasebedrijven. Ze werken nieuwe
mobiliteitsconcepten uit waarmee ze ook economische
meerwaarde kunnen creëren.
Of we het nu willen of niet, de distributiemaatschappijen zijn
ook belangrijke hefbomen. Zij
hebben dat ingezien. Eandis en Infrax hebben op dat vlak
gelukkig een open geest. Ze zijn
beide bezig met aanvullende projecten. Eandis heeft vooral
ingezet op ‘smart meters’ en heeft
een proefproject lopen dat wij mee financieren. De resultaten
worden gedeeld. Infrax heeft een project gelanceerd om de
capaciteit van de huidige distributienetten te kunnen gebruiken
en fiks te verhogen zonder proportioneel dezelfde investeringen
te moeten doen. Dat project is door Europa erkend. Infrax wil nu
ook mee kijken hoe heel die distributie en verwerking van de
elektriciteit van de elektrische auto’s gebruikt gaat worden. We
moeten daar komen tot een nieuw communicatiemiddel tussen de
consument, de autobestuurder, en de distributienetbeheerder die
de facturatie gaat doen. Ik verwijs naar Nederland. Daar spelen
de distributienetbedrijven een grote rol bij de infrastructuur
van de laadpalen.
Ik kan u geruststellen, die projecten staan niet los van elkaar.
De proeftuin heeft juist de bedoeling om in het kader van open
innovatie te vermijden dat alles dubbel gedaan wordt en dat men
geen informatie uitwisselt. De proeftuin heeft juist de
bedoeling om voldoende schaalgrootte te creëren en te zorgen dat
de informatie wordt uitgewisseld. Ik wil het nog eens
benadrukken, ik had gisteren de indruk dat daarover een
misverstand bestond, we gaan niet slechts één project in de
proeftuin goedkeuren. Het is juist zo beschreven dat heel veel
projecten die andere doelstellingen nastreven en met andere
consortia van partners naast elkaar kunnen opstarten en dat de
informatie aanvullend ten dienste kan worden gesteld van
iedereen.
In die zin stimuleer ik iedereen. Ik ga de boer op en ga naar
vele bedrijven die me uitnodigen
om daarover te praten en hen te stimuleren op projecten in te
dienen. Dat geeft hoop.
Volgens mij is het de taal van de regering om die innovatie te
stimuleren. Uiteraard zijn er de nodige procedures om juist die
projecten goed te keuren die de nodige wetenschappelijke
onderbouwing hebben, het nodige businessmodel om de projecten te
kunnen financieren en die passen binnen het wetenschappelijk
kader.
We moeten afwachten tot de hele procedure afgerond is en zien
welke projecten er zijn. Ik
heb er een goed vertrouwen in dat we zeer waardevolle projecten
zullen hebben. Uiteindelijk
heeft dat allemaal een effect op hoe de assemblagebedrijven
Vlaanderen beoordelen als
vestigingsplaats. Dat zie je nu ook al bij Volvo, dat zeer sterk
mee op de kar springt en ziet dat de Vlaamse Regering daar
ernstig werk van maakt. Het bedrijf kijkt hoe het de
ontwikkeling van een elektrische wagen voor een deel in Gent kan
positioneren. We zien nu ook bijvoorbeeld al lichte tekenen van
verbetering bij Ford, dat vorige week heeft aangekondigd te
willen versnellen in het tempo van introductie. Men kijkt
daarbij naar de Ford Focus. Ook dat is voor Vlaanderen een
belangrijk model. Ik heb er vertrouwen in dat we daardoor
positieve vestigingsvoorwaarden creëren om die assemblage hier
zo lang mogelijk te kunnen verankeren.
De voorzitter: De heer Van den Heuvel heeft het woord.
De heer Koen Van den Heuvel: Minister, het is duidelijk
dat een dergelijke proeftuin daartoe kan bijdragen. Er is alleen
maar de bekommernis bij heel wat leden van deze commissie en het
parlement om daar het juiste evenwicht in te vinden en de
hoofddoelstelling zeker niet uit het oog te verliezen.
Ik wil met volgende opmerking het debat afsluiten, want we
moeten het debat van gisteren niet overdoen. Het is goed om een
volledig rendement van proeftuinen na te streven. Er mag geen
onduidelijkheid zijn over hoe de toewijzing zal gebeuren,
veroorzaakt door een zekere onzekerheid bij de betrokken
actoren. We leven niet in een ivoren toren. We merken dat door
sommige misschien niet zo bedoelde initiatieven, er een zekere
onrust bij anderen kan ontstaan. Ik denk dat deze perceptie de
voorbije weken en dagen is ontstaan. Over de doelstelling zelf
zien wij allemaal wel dat ze een meerwaarde kan hebben. Het is
heel belangrijk dat we de proeftuininitiatieven volledig laten
renderen en dat we daar geen onduidelijkheid of twijfel in laten
ontstaan.
Mevrouw Patricia Ceysens: Naast een taak is er hopelijk
ook altijd een deontologie.
Minister Ingrid Lieten: Voorzitter, ik pik dat echt niet
meer. U hebt mij gisteren proberen in
een hoekje te duwen en nu probeert u dat weer. Ik heb het
gisteren in de plenaire vergadering ook al gezegd: ik daag
iedereen uit om ergens één uitspraak van mij te vinden die
deontologisch niet correct zou zijn.
Mevrouw Patricia Ceysens: De uitspraken van Infrax zeggen
veel.
Minister Ingrid Lieten: Wat ik doe, is naar heel veel
bedrijven en organisaties gaan om hen
te stimuleren en aan te moedigen om voorstellen te doen. Dat is
misschien wat u het meeste
stoort.
Mevrouw Patricia Ceysens: Ik denk dat ik mijn punt
gemaakt heb. Kort is soms duidelijk.
De heer Koen Van den Heuvel: Voorzitter, ik hoopte in
mijn repliek als vraagsteller dit onderwerp op een vreedzame
manier af te ronden. Ik weet niet of het een prerogatief van de
voorzitter is om daar dan nog een verlengstuk aan te breien.
Deontologie speelt langs alle kanten op dezelfde manier.
(Opmerkingen van de voorzitter. Gelach)
De voorzitter: Het incident is gesloten.
|