| |
Vraag om uitleg van de
heer Koen Van den Heuvel tot mevrouw Ingrid Lieten,
viceminister-president van de Vlaamse Regering, Vlaams minister
van Innovatie, Overheidsinvesteringen, Media en
Armoedebestrijding, over het FWO
30 juni 2011
De voorzitter: De heer Van den Heuvel heeft het woord.
De heer Koen Van den Heuvel: Voorzitter, ik zal kort
zijn, want wij kennen allemaal de
problematiek. Wij zijn heel blij dat in de begrotingscontrole 65
miljoen euro extra is voorzien
voor het domein Onderzoek en Ontwikkeling. Een deel van die
bijkomende middelen zou
naar het Fonds Wetenschappelijk Onderzoek (FWO) gaan en een
ander deel zou naar een
nieuw financieringskanaal gaan binnen het FWO, “dat meer
inspeelt op de door de VR
gedefinieerde clusters en speerpunten”. Zo hebben we dat kunnen
lezen. Daar is wat onrust
rond ontstaan in de onderzoekswereld. De Onderzoekers in Actie
vinden dat het
fundamenteel onderzoek aan de leiband wordt gelegd.
Ik dacht dat de extra middelen voor het FWO zouden worden
aangewend om het
succespercentage bij de aanvragen van de bestaande
FWO-financieringskanalen significant te
verhogen. Dat is gezakt tot minder dan 20 procent. Het moet geen
50 procent zijn, maar toch
30 à 35.
We hebben al vragen gesteld over de nieuwe beheersovereenkomst.
U ging die afronden
tegen begin 2011. Dat is nog niet gebeurd. Gaat de Vlaamse
Regering ervoor zorgen dat in
die overeenkomst met het FWO iets staat over het inspelen van
het onderzoek op de
gedefinieerde clusters en speerpunten?
Minister, wat is de stand van zaken met betrekking tot de
beheersovereenkomst? Wat is de
timing?
Zal daar iets meer in staan over de trend die u hier de laatste
weken en maanden hebt
gelanceerd, namelijk dat het fundamenteel onderzoek zich meer
moet richten op een aantal
thematische clusters? Welke clusters zijn dat dan? Welk deel van
de nieuwe middelen zal
daarvoor worden ingezet?
Wat zijn de modaliteiten van het nieuwe financieringskanaal?
De heer Matthias Diependaele: Ik sluit me aan bij de
analyse en zal alleen enkele bijkomende vragen stellen.
Is er overleg geweest met de onderzoekswereld over de invulling
van de extra budgettaire
middelen? De heer Van den Heuvel heeft al gevraagd naar
uitwerking en modaliteiten van het
nieuwe financieringskanaal. Hoe worden de projecten gekozen en
op welke basis worden de
middelen besteed? Op welke manier zal u de sector bij dit alles
betrekken? Hoe past dit
nieuwe financieringskanaal in de aanbevelingen van het
rapport-Soete?
De voorzitter: De heer Vereeck heeft het woord.
De heer Lode Vereeck: Het kader is geschetst. Deze
commissie zal het belang van
wetenschappelijk onderzoek zeker niet in vraag stellen. Het
vormt ook de basis van het
toegepast onderzoek en de kennismaatschappij. We hebben daarvoor
twee fondsen ter
beschikking. Het gaat nu over de bijkomende 10,3 miljoen euro
die in de laatste
begrotingscontrole naar het FWO gaat. Dat bedrag zal deels naar
de basiswerking gaan, deels
naar het nieuwe kanaal dat gericht is op clusters en
speerpunten.
Ik wil nog wat cijfers meegeven omdat ik natuurlijk al kritiek
heb op deze beslissing. Mocht
dat budget uitsluitend voor de basiswerking worden gebruikt, dan
konden we het slaagpercentage van de FWO-projecten optrekken
naar 20 procent. Het rapport-Soete zei
enkele jaren geleden al dat we moesten evolueren naar één op
drie voor beide pijlers, en toen
waren de slaagkansen voor onderzoeksmandaten één op vier en voor
projecten één op drie.
Mijnheer Van Malderen, er is mij gevraagd om het kort te houden,
dat betekent ook: minder
genuanceerd.
De heer Bart Van Malderen: Ik wil me alleen maar
aansluiten, mijnheer Vereeck.
De heer Lode Vereeck: We hebben vandaag nog geen 20
procent slaagkansen, of iets minder dan één op vijf. We zitten
met een ondergefinancierd FWO, dat wordt bevestigd in advies 148
van de VRWI. Dat brengt mij tot de vraag of dat nieuwe kanaal
wel wenselijk is, of het op dit moment wenselijk is enzovoort.
Ik denk van niet, maar ik wil uw analyse wel horen, minister.
Gelet op de lage slaagkansen en de aanbevelingen van professor
Soete en de internationale trend, denk ik dat die 10,3 miljoen
euro prioritair naar de basiswerking moeten gaan.
Doet dit kanaal geen afbreuk aan de basisopdracht van het FWO?
Dat wil ik met u bespreken.
Die basisopdracht is juridisch-statutair enkel fundamenteel
onderzoek, wat per definitie niet
kan worden gestuurd.
Ik sluit me aan bij de vraag van de heer Diependaele. In de
begrotingsbespreking hebben
CD&V en de N-VA al gevraagd of er overleg is gepleegd met het
FWO en de onderzoekerswereld. Uit het verslag heb ik niet kunnen
afleiden wat u daarop geantwoord hebt. Ik neem aan, mijnheer
Diependaele, dat u de vraag opnieuw stelt omdat er geen antwoord
is gekomen.
We hebben wel al reactie gekregen van de onderzoekerswereld
zelf. De Onderzoekers in
Actie vormen een representatieve groep van een kleine
zevenduizend academici. Zij zijn niet
tevreden. Ik had een lang citaat mee, ik zal het niet voorlezen,
maar ze nemen zware woorden in de mond zoals “kaakslag” en
dergelijke. Het is blijkbaar weer hard aangekomen. We kunnen wel
zeggen dat er geen steun is voor dit nieuwe kanaal binnen het
FWO. Als dat zo is, heb ik volgende vragen.
Op basis van welke elementen acht u dit nieuwe
financieringskanaal, dat meer inspeelt op de
door de Vlaamse Regering gedefinieerde clusters en speerpunten,
beleidsmatig nodig?
Waarom brengt u dat onder bij het FWO? Kunt u het nieuwe
financieringskanaal binnen het
FWO toelichten? Hoe zal dit vormgegeven worden en met welke
doelstellingen? Ik wil u een
forum geven om te reageren op de zware kritiek vanuit de
onderzoekswereld. Gaat u daarmee
rekening houden? De oproep is verwoord in een opiniestuk in De
Morgen.
De decretale basis van het FWO wordt geboden door hoofdstuk 2
van het decreet van 30 april
2009. De basismissie van het FWO wordt verankerd in artikel 17:
“Het FWO bevordert het
fundamenteel wetenschappelijk onderzoek in alle
wetenschappelijke disciplines in de Vlaamse universiteiten, met
inbegrip van samenwerkingsverbanden tussen universiteiten en
andere onderzoeksinstellingen, in het bijzonder door financiële
steun te verlenen aan onderzoekers en onderzoeksprojecten op
basis van wetenschappelijke competitie en rekening houdend met
internationale kwaliteitsmaatstaven.” Hoe rijmt u dit nieuwe
kanaal, dat zeer duidelijk een toegepast kanaal is, met de
basismissie van het FWO zoals bepaald in het zonet geciteerde
artikel 17 van het decreet? Op basis van welke decretale
bepalingen bent u van oordeel dat dit verzoenbaar is en kan
worden vormgegeven binnen het FWO, gelet op de decretaal
bepaalde missie?
Wat is de timing voor de samenwerkingsovereenkomst tussen het
FWO en de Vlaamse
Regering, aangezien we de deadline van begin dit jaar niet
hebben gehaald?
De voorzitter: Mevrouw Moerman heeft het woord.
Mevrouw Fientje Moerman: Ik zal niet herhalen wat gezegd
is. Ik beschouw het als gezegd,
ook in mijnen hoofde. Toch wil ik een aantal zaken eens heel
duidelijk stellen.
De taak van het FWO is om aan fundamenteel onderzoek te doen.
Fundamenteel onderzoek is
onderzoek dat zich niet laat sturen door politici maar dat
drijft op het initiatief, de kwaliteit en
de creativiteit van de onderzoekers zelf. Niet alle geld voor
onderzoek moet naar fundamenteel onderzoek gaan. Niemand zegt
dat. Niet alles moet naar strategisch basisonderzoek, naar
toegepast onderzoek of naar innovatie gaan. Er moet een
evenwicht in zijn. Mijn vrees, en ook die van vele anderen, is
dat met wat hier gebeurt, dit evenwicht dat al heel lang min of
meer gerespecteerd werd, grondig wordt doorbroken. We hebben te
maken met een echte paradigmashift waarbij de politiek het
fundamenteel onderzoek begint te sturen. We zitten met een
probleem omdat we met zijn allen in eenzelfde denkkader gevangen
zitten en dezelfde opties nemen.
Minister, de Nederlandse minister Verhagen, vertelt net dezelfde
onzin. Hij zegt: ik heb grote
en kleine ondernemingen in negen topsectoren van onze economie
gevraagd om samen met
de wetenschappers te kijken hoe dat kan worden bereikt. Hij zegt
dat het gaat om de sectoren waar ze traditioneel
wetenschappelijk en economisch sterk in zijn: chemie, agrofood,
biotech, water, creatieve industrie, hightech, life sciences,
energie, logistiek en tuinbouw.
Iedereen in onze omgeving en in de wereld heeft dezelfde geniale
ideeën en concentreert zich op hetzelfde. Wij riskeren dat we
met deze fundamentele wijziging – het is echt een paradigmashift
– waarbij we het fundamenteel onderzoek reguleren en de
creativiteit van de onderzoekers aan banden leggen, in deze val
trappen en met zijn allen dezelfde collectieve fout maken.
Indien al het bijkomende geld dat er nu gekomen is bij de
begrotingswijziging, ongekleurd naar het FWO ging, dan kwamen we
aan een magere 20 procent. Met deze maatregel zullen we aan
minder komen, althans wat de traditionele opdrachten van het FWO
betreft. Minister, u hebt een fundamenteel evenwicht uit het
verleden, dat ook noodzakelijk is om onze wetenschappelijke
toekomst te bestendigen, doorbroken. Ook is er een tijdspanne
die fundamenteel verschillend is. Innovatie is op korte termijn
verbeteringen doorvoeren.
Strategisch basisonderzoek heeft een horizon van tien jaar.
Fundamenteel onderzoek heeft
geen onderzoek op korte termijn en is gelegen in een totaal
ander kader, waarbij je soms
zaken vindt waar je niet naar op zoek was. Als u dat aan banden
probeert te leggen binnen de
optieken van ViA, dan vrees ik dat u verkeerd bezig bent.
Mijn vragen sluiten aan bij die van de collega’s en overlappen
ze gedeeltelijk. Minister, wat is uw motivatie om dat gekleurde
geld te geven aan de clusters en speerpunten? Welke zijn de
criteria? Wanneer zult u aan de onderzoekers zeggen wat de
gedefinieerde clusters en speerpunten zijn? Welke plaats ruimt u
in de toekomst nog in voor fundamenteel onderzoek in zijn
originele en juiste definitie?
De voorzitter: De heer Van Malderen heeft het woord.
De heer Bart Van Malderen: Na een aantal dingen die hier
zijn gezegd, denk ik dat enige nuance op zijn plaats is. De heer
Vereeck heeft ten minste het excuus dat hij geknipt heeft in
zijn redenering. Mijnheer Vereeck en mevrouw Moerman, in 2011 is
voor het eerst in jaren de invullingsgraad van het FWO gestegen.
Er wordt in extra middelen voorzien.
Ook de invullingsgraad die jaar na jaar na jaar achteruit is
gegaan, is voor het eerst in jaren gestegen, en dat is de
verdienste van de mensen van het FWO, maar toch ook van de
regering en de minister die in middelen voorziet.
Mevrouw Fientje Moerman: Mijnheer Van Malderen, sorry,
maar de heer Vereeck heeft
cijfers geciteerd over de slaagkansen. U doet mijn tenen
krullen, zeker nu ik niet geslapen
heb.
De heer Bart Van Malderen: De invullingsgraad is voor het
eerst in jaren hoger. Ik haal dit
uit cijfers die ik van het FWO zelf heb.
Er moet toch een verschil worden gemaakt tussen enerzijds een
besluit, een tekst, een
beheersovereenkomst en anderzijds, en dat is de aanleiding van
de vragen die hier gesteld
zijn, een interpretatie daarvan in een opiniestuk en vervolgens,
mevrouw Moerman, een
extrapolatie en een vergelijking met een Nederlandse regering –
waar ik nog maar weinig
zaligmakends van heb zien komen, maar ik weet wel dat partij- en
zielsgenoten van u beiden
er deel van uitmaken. U hebt het over een paradigmashift, maar
daar zit toch ook een hellend
vlak in dat ik heel weinig zaligmakend vind.
Ik wil benadrukken dat voor ons excellentie, bottom-up en
fundamenteel basisonderzoek
vandaag evenzeer als gisteren en morgen belangrijk zijn en
zullen blijven. Het is inderdaad zo
dat het basisonderzoek de sokkel is waarop innovatie en
toegepast onderzoek staan. Ik vind
het dan ook toe te juichen dat deze regering van de 65 miljoen
euro waarin is voorzien, een
significant deel inzet op dat fundamenteel onderzoek volgens
evenwichten uit het verleden.
Iedereen moet toch maar eens in de spiegel kijken. Ik heb hier
in deze commissie al
onomwonden niet alleen horen pleiten voor valorisatie – en ik
ben voor maatschappelijke
valorisatie –, maar ook voor het commercialiseren van het
onderzoek. Het is belangrijk om
die evenwichten te bewaren en te respecteren. Dat belet aan de
ander kant niet dat ik hier in
deze commissie ook al heb horen zeggen dat we erin zouden moeten
slagen om de Europese
middelen die er liggen, maar waar we vanuit Vlaanderen veel te
weinig een beroep op doen,
optimaal aan te snijden. Ik stel vast dat er op Europees niveau
thema’s naar voren worden
geschoven die niet in de weg staan dat er binnen het afgebakende
domein fundamenteel
grensverleggend onderzoek wordt gedaan, maar Europa schuift wel
een aantal zaken naar
voren. ERA-NET (European Research Area Networks) zijn thematisch
afgebakende potten
die daar staan en waar we vandaag eigenlijk te weinig uit kunnen
halen. Dat is ook kritiek die
hier al geuit is.
Ik heb hier ook al horen opmerken dat de minister meer geld
vraagt en dat zou kunnen krijgen
op voorwaarde dat ze output kan bewijzen. Waarom zou er dan niet
worden gezocht naar
manieren om de output beter te meten door te bekijken in welke
sferen die zit, zonder dat dit
– en dat is belangrijk – de bottom-up aanpak of de vrijheid van
de onderzoeker in gevaar
brengt. Dit geldt toch voor iedere onderzoeker, ongeacht het
feit of er voor een deel wordt
ingegaan op een Europese realiteit? Ik heb ook gekeken wie de
eerste ondertekenaars van het
opiniestuk waren en in welke sfeer van het onderzoek zij zich
bevinden. Er wordt nu naar
bepaalde minder technische en minder harde wetenschappelijke
richtingen gekeken om er
geen geld aan te besteden.
Vergeef me mijn langdradigheid, voorzitter, maar ik meen dat
enige nuancering op zijn plaats
was.
De voorzitter: Minister Lieten heeft het woord.
Minister Ingrid Lieten: Voorzitter, dames en heren, ik
sta ook een beetje verbaasd van de
snelheid waarmee sommige collega’s tot conclusies overgaan. Als
het aan mijn uitspraken
ligt, wil ik me daar zeker voor verontschuldigen. Ik wil u graag
allemaal een beetje
geruststellen, maar ik wil ook een beetje op mijn punt blijven
staan, want hier worden
onterecht een aantal premisses geformuleerd die ik helemaal niet
ondersteun. Ik vind de
vergelijking met Nederland helemaal niet op zijn plaats, mevrouw
Moerman, want ik haal op
dit moment geen enkele inspiratie uit het beleid in Nederland.
Daar wil ik duidelijk over zijn.
In de eerste plaats wil ik u er nog eventjes aan herinneren dat
de Vlaamse Regering heeft
beslist en dat we er allemaal samen vragende partij voor waren –
ik dank deze commissie
trouwens voor haar steun ter zake – om na de eerste
besparingsoperatie opnieuw middelen
vrij te maken voor onderzoek en ontwikkeling.
Als u de begrotingscontrole bekijkt en bekijkt hoe die middelen
besteed worden, zult u zien
dat er nauwkeurig over wordt gewaakt dat er geen paradigmashift
is, mevrouw Moerman, van
de aandelen toegepast onderzoek/basisonderzoek. Integendeel, we
hebben erover gewaakt dat we minstens de verhouding aanhouden
van 45 procent voor basisonderzoek en 55 procent voor toegepast
onderzoek. Wat mij betreft, is dat een verhouding die ik graag
wil bestendigen en waar ik niet onder wil gaan. Ik kijk ook uit
naar de steun van deze commissie om die verhouding aan te
houden, want het is inderdaad zo dat er in de maatschappij
regelmatig debatten worden gevoerd om die verhouding in vraag te
stellen. Ik deel helemaal de analyse die hier wordt gemaakt dat
het basisonderzoek de basis biedt voor ons toekomstig toegepast
onderzoek en voor onze toekomstige welvaart. Als u allemaal
samen zou kunnen ondersteunen dat we minstens die verhouding
45/55 moeten behouden, dan zal dat mij sterken in de toekomstige
onderhandelingen hierover.
U ziet dat ook als we bekijken wat we met de 65 miljoen euro
hebben gedaan. We hebben het
budget van het FWO verhoogd met 10,3 miljoen euro. We hebben het
budget voor het Odysseusprogramma doen stijgen met 2,1 miljoen
euro omdat we een schuld hadden in te lossen omdat we daar bij
de besparingen sterker op hadden ingekort. We hebben in 3,5
miljoen euro voorzien voor het tenure trackstelsel aan de
universiteiten waarbij we onderzoekers voorbereiden op een vaste
aanstelling en daarbij bekijken we hoe we meer vrouwelijke
onderzoekers aan die academische carrière kunnen helpen. We
hebben ook 4 miljoen euro geïnvesteerd voor de werking en de
uitbreiding van de doctoraatsscholen, waarmee we ook jonge
onderzoekers willen begeleiden naar een bredere inzetbaarheid in
onze maatschappij.
Parallel met die begrotingscontrole hebben wij de voorbije
maanden gesprekken gevoerd met
het FWO om de nieuwe samenwerkingsovereenkomst voor te bereiden.
Er is dus zeker overleg met het FWO. In die
samenwerkingsovereenkomst hebben we de laatste evoluties van de
begrotingscontrole kunnen verwerken. De onderhandelingen met het
FWO zijn inmiddels afgerond. We hopen dat de overeenkomst nog
voor het reces kan worden goedgekeurd door de regering.
In die samenwerkingsovereenkomst hebben we met het FWO ook
duidelijke afspraken gemaakt over die zogenaamde nieuwe
financieringskanalen waar jullie naar verwijzen. Wat zijn die
financieringskanalen? Die omvatten twee elementen. Ten eerste –
zoals we hebben besproken op de laatste strategische dag die het
FWO had georganiseerd met zijn raad van bestuur en met de
vicerectoren onderzoek – willen we het werk honoreren dat het
FWO heeft verricht om een labeling uit te voeren en een systeem
van labeling te ontwikkelen van goedgekeurde
onderzoeksprojecten. We willen dat het FWO daar verder mee gaat.
Dan kunnen we beter in het licht stellen op welke manier en voor
welke projecten en domeinen het FWO via zijn geijkte procedures
onderzoek financiert. Er wordt hier steeds gevraagd naar
outputindicatoren voor rapportering. Outputindicatoren omvatten
niet meteen economische valorisering, maar vooral het aangeven
waar ze naartoe willen gaan, welke projecten er werden
goedgekeurd en in welke domeinen die zich situeren. Dat komt
tegemoet aan heel veel vragen over het in kaart brengen van waar
onze publieke middelen aan worden besteed.
Ten tweede gaat het over de manier waarop we verder omgaan met
de Europese middelen en
de Europese programma’s. Die discussie is zeker en vast de
moeite waard. De Europese programma’s werken ook met domeinen.
We hebben afgesproken dat de domeinen Ideas en People bij het
FWO zullen liggen en niet bij het IWT. Het probleem is dat we
tot nu toe geen goed georganiseerd plan van aanpak hadden.
Voorzitter, u hebt daar ook regelmatig vragen over gesteld. Hoe
zorgen we ervoor dat onze Vlaamse onderzoekers vooraan staan om
deel te nemen aan die programma’s? We hebben daar nog geen goed
georganiseerde aanpak.
Gelukkig zijn daar nu een aantal mensen mee bezig, onder
coördinatie van het departement. Tot nu toe gebeurde dat eerder
ad hoc.
Er is verder ook cofinanciering nodig. Tot nu toe zat het FWO
daar ook mee in de knoop. Dat
belemmerde de inzet om onze onderzoekers te stimuleren om ook
voor die Europese
programma’s te gaan. We hebben met het FWO afgesproken dat het
beter organiseren van die
cofinanciering het tweede element van het nieuwe
financieringskanaal is. Ik wil het FWO op
geen enkele manier onderdompelen of een nieuw
financieringskanaal realiseren dat naar het
gerichte zou gaan. Dat wil ik uitdrukkelijk stellen. Ik sta zelf
voor 100 procent achter het
belang dat wij hechten aan basisonderzoek. We moeten ons wel
voorbereiden om te kunnen
inspelen op de Europese manier van denken. Europa werkt met
thema’s. Dat wil niet zeggen
dat men met die thema’s gericht onderzoek wil voeren. Men bakent
die thema’s echter wel af. Onze structuren en financiering
moeten klaar zijn om daarop te kunnen inspelen.
In het ontwerp van samenwerkingsovereenkomst vragen we ook aan
het FWO om in te zetten
op die twee zaken. Ten eerste moeten we de labeling voor
rapportering en analyse voor de
onderzoekers en het beleid voortzetten. Ten tweede moeten we –
nu we wat meer financiële
ruimte hebben – een specifiek financieringskanaal ontwikkelen
voor die cofinanciering. We
moeten er zo voor zorgen dat we de trein van Europa niet missen.
Ik wil beklemtonen dat we
het spook van gerichte financiering niet willen binnenbrengen in
het FWO, integendeel. We
moeten binnen het FWO wel permanent het debat voeren over hoe we
ons kunnen organiseren voor de meer thematisch gerichte aanpak
van Europa. Ik wil dat niet politiek sturen. Ik heb aan het FWO
gevraagd om een voorstel uit te werken. Die doelstelling staat
ook in het ontwerp van samenwerkingsovereenkomst. Het FWO heeft
mij verzekerd dat ze daarmee bezig zijn en dat ze in september
of oktober met een concreet programma zullen komen.
We moeten inspelen op de thema’s Ideas en People. We moeten
kijken naar het ERA-netwerk
en naar de joint programming. Op de strategische dag hebben we
een discussie gevoerd.
Ofwel houden we ze binnen het FWO, en dan moet er binnen het FWO
een cofinancieringsstructuur worden ontwikkeld. Als het FWO daar
echter geen weg mee weet, moeten we de cofinanciering en de
belijning van de programma’s opnieuw overhevelen naar
het IWT. Ik heb begrepen dat het FWO daar een weg in wil vinden.
Het FWO is nu aan zet. Ze hebben mij verzekerd dat ze een
voorstel zullen uitwerken.
Ik kan niet vooruitlopen op de zaken omdat de Vlaamse Regering
hierover nog moet beslissen. Ik heb de samenwerkingsovereenkomst
aangegrepen om dit nog duidelijker in te passen in het
strategisch plan van het FWO, en om de strategische
doelstellingen en indicatoren te formuleren. Als de regering dit
goedkeurt, kunnen we hierover rapporteren en dan kunnen jullie
aangeven welke jullie aandachtspunten zijn.
Ik ben er een sterke voorstander van om minstens de verhouding
45/55 te behouden. Ik hoop dat de commissie me daarin steunt. Al
die onrust is niet nodig omdat de samenwerking met het FWO en
het financieringskanaal volledig moet worden herleid tot de
Europese cofinanciering en in de tweede plaats tot een
duidelijker rapportering en labeling.
De voorzitter: De heer Van den Heuvel heeft het woord.
De heer Koen Van den Heuvel: Minister, uw antwoord houdt
enige verduidelijking in. Het nieuwe financieringskanaal dient
dus exclusief om beter in te spelen op de cofinanciering vanuit
Europa. We hebben ook nog een vraag gesteld over de grootte van
het budget. Hebt u daar al een idee over?
Minister Ingrid Lieten: Dat hebben we nog niet vastgelegd
omdat we willen uitzoeken hoe het FWO dat zelf ziet. Bij de
begrotingscontrole hebben we middelen geparkeerd op de bestaande
budgetposten. We gaan samen met het FWO bekijken hoe zij dat
zien, wat nodig is voor 2012, en voor 2013. Dan kunnen de
resterende middelen worden gespreid over de bestaande
budgetposten die voor het FWO zijn gepland.
Er is ruimte voor finetuning, maar ik wacht vooral op het
voorstel van het FWO zelf.
De heer Koen Van den Heuvel: Dat wordt dan nog voor de
zomervakantie gefinaliseerd in
een samenwerkingsovereenkomst?
Minister Ingrid Lieten: De samenwerkingsovereenkomst
loopt over meerdere jaren en daarin staat één doelstelling,
namelijk dat het FWO een apart financieringskanaal voor
cofinanciering uitwerkt. Het FWO heeft me verzekerd dat ze daar
onmiddellijk werk van zullen maken en dat we de gesprekken
daarover in september al kunnen aanvatten. Op basis van hun
inschattingen kunnen we dan uitzoeken hoeveel middelen we in
2012 en 2013 moeten plannen voor de Europese financiering, en
wat we met de rest van de middelen kunnen doen.
De heer Matthias Diependaele: Minister, u hebt een deel
van de bezorgdheid kunnen wegnemen met uw helder antwoord. Het
is absoluut een goede zaak dat we inspelen op de cofinanciering
van Europa. Dat is een hoge nood.
Mijnheer Van Malderen, in verband met de valorisatie en
commercialisatie rammelt u er een beetje mee. In deze commissie
heeft er nooit iemand gepleit voor valorisatie bij het
fundamenteel onderzoek. Dat kan ik me absoluut niet herinneren.
Ik denk dat u de zaken doelbewust door elkaar haalt, en dat is
zeer kort door de bocht.
De voorzitter: De heer Vereeck heeft het woord.
De heer Lode Vereeck: Minister, ik neem er akte van dat u
geen enkele inspiratie opdoet in
Nederland. Nochtans, de 1,8 miljard euro extra voor ouderenzorg,
ik wou dat we ze hadden.
De verhoging van de pensioenleeftijd die door voormalig minister
Vandenbroucke naar voren
werd geschoven. Dat zijn allemaal positieve aspecten, maar je
kunt niet alles hebben in het
leven.
Minister, mijn bekommernis gaat naar de bestuurlijke
verrommeling, en niet meer dan dat.
We zijn het eens over het inzetten van de middelen. U hebt ook
nog eens de percentages naar voren geschoven. We zijn het erover
eens dat het basisonderzoek het fundament vormt. Daar is weinig
discussie over. De vraag is of dit het geëigende kanaal is.
Nu zegt u dat dat nieuwe kanaal dient voor cofinanciering voor
Europese programma’s. Dat is toch niet wat de toelichting zegt.
Dat hebt u niet alleen gezegd, het staat ook op papier. In de
toelichting per programma voor het beleidsdomein Economie,
Wetenschap en Innovatie (EWI) staat dat dit bijkomend krediet
zou worden gebruikt “om een kanaal op te starten dat meer
inspeelt op de door de Vlaamse Regering gedefinieerde clusters
en speerpunten”. Begrijp ik het goed dat we dit mogen schrappen,
en dat we dit eigenlijk moeten lezen als “een kanaal voor
cofinanciering voor Vlaamse onderzoekers om mee te kunnen
inspelen op Europees fundamenteel onderzoek”?
Het is voor mij al een tijdje geleden. Ik heb eens een
FWO-programma gezien dat redelijk toegepast was. Hier gaat het
dus om het opstarten van een kanaal dat meer inspeelt op de
Europese programma’s. Dat betekent dus ook dat het voorbeeld van
de eco-innovatie dat in de pers is terechtgekomen, niet correct
is, want dat hebt u op voorhand niet vastgelegd. Ik wil daarover
wat meer duidelijkheid. Zoals het in de toelichting staat, is
het niet helemaal juist.
Daar is misschien de onduidelijkheid ontstaan en dus moeten we
dat aanpassen. Het gaat dan
ook om Europees fundamenteel onderzoek. Als het gaat om
toegepast onderzoek, dan pleit ik
ervoor om het terug naar het IWT te brengen. Mensen met
cleantech gaan naar Cleantech,
mensen met fundamenteel onderzoek moeten naar het FWO gaan, en
daar mogen we geen
bestuurlijke verrommeling organiseren. Dat is de kern van mijn
boodschap. Ik wou nog eens
duidelijk uit de mond van de minister horen dat het citaat uit
de toelichting eigenlijk niet
helemaal accuraat is en dat dat de aanleiding is.
De voorzitter: Mevrouw Moerman heeft het woord.
Mevrouw Fientje Moerman: Ik hoop dat we hier in de
toekomst verder over kunnen praten.
Minister, ik dank u voor uw verduidelijking. Ik noteer uw
engagement om de verhoudingen
tussen toegepast en fundamenteel onderzoek te respecteren, met
een duidelijke, grote ruimte
voor fundamenteel onderzoek.
Ik noteer ook dat men ervoor opteert om de cofinanciering van de
Europese projecten onder
te brengen bij het FWO. Ik hoop dat we er in de toekomst nog
verder over kunnen praten,
wanneer we de tekst van de samenwerkingsovereenkomst hebben.
Er is één punt dat niet behandeld is. Ik hoop dat we daar kunnen
op terugkomen. Iemand
heeft hier gezegd dat als je de ondertekenaars bekijkt, je merkt
dat de ongerustheid voor een
groot deel uit de humane wetenschappen, de niet-exacte
wetenschappen komt. Dat evenwicht is in het fundamentele
onderzoek, en ook in het toegepast onderzoek, ook belangrijk. We
hebben de neiging om de humane wetenschappen te vergeten. Ze
zijn nochtans zeer belangrijk in onze maatschappij. Ik hoop dat
we het daar in het najaar nog eens over kunnen hebben.
De voorzitter: De heer Van Malderen heeft het woord.
De heer Bart Van Malderen: Minister, als u zegt dat men
moet commercialiseren en het
fundamenteel onderzoek niet linken, dan ben ik me daarvan bewust
want het is in se tegengesteld. Als je pleit voor meer
commercialisering – dat woord is hier gebruikt – van
wetenschappelijk onderzoek in zijn geheel, dan moet je wel
beseffen dat je een euro maar één keer kunt uitgeven. Mijn
bezorgdheid is dat de evenwichten die er zijn tussen gericht en
nietgericht, tussen toegepast en fundamenteel wetenschappelijk
onderzoek, moeten worden gerespecteerd. Ik ben bijzonder blij
dat deze regering mee geld heeft gestoken in het fundamenteel
onderzoek. Sluit het ene het andere uit? Neen, maar men moet er
zich goed van bewust zijn dat men een euro maar één keer kan
uitgeven.
De heer Vereeck heeft het over bestuurlijke verrommeling. Ik ben
vrijdag de hele dag bij het
FWO geweest. Wat me daar bijzonder is opgevallen, is de
klantvriendelijkheid van die
instelling. Op Europees niveau is bijvoorbeeld het niet-invullen
van één veld in een formulier
voldoende om het hele dossier terug te sturen. Bij het FWO
heerst een cultuur waarbij men
een onderzoeker bijna bij de hand neemt en hem belt om te zeggen
wat er mis is. Men wil een
nieuw kanaal creëren om de bestaande middelen beter te benutten.
Ik denk dat een onderzoeker bij het FWO daar geen last van
heeft, zolang men deze bedrijfscultuur kan aanhouden.
Mevrouw Moerman, ik heb bewust humane wetenschappen genoemd,
omdat ze hier soms
wat worden vergeten.
Minister Ingrid Lieten: Ik wil nog één ding toevoegen aan
de discussie die de heer Vereeck
terecht aanhaalt. Het is een discussie die we nog regelmatig
zullen moeten voeren.
Er zijn een aantal begrippen of strategische analyses die door
elkaar lopen, vooral op
Europees vlak. Men heeft op Europees vlak veel meer de neiging
om middelen themagericht
vrij te maken voor niet-gericht onderzoek. Dat is de discussie
die ook in het FWO leeft. Het
FWO heeft nog altijd zeer sterk de cultuur om helemaal niet met
thema’s te werken maar het eerder bottom-up te laten komen. Dat
debat zullen we in de toekomst nog meer moeten voeren.
We hebben aan het FWO gevraagd om de Europese cofinanciering –
niet van alle programma’s, maar wel van de programma’s die ik
heb opgenoemd zoals een aantal Marie Curiefondsen, de thema’s ID
en People – waarbij binnen Europa geld wordt vrijgemaakt per
thema voor basisonderzoek, nader uit te werken. Als men die
middelen voor basisonderzoek wil gebruiken, moet men ook
voorzien in een cofinanciering. Binnen het FWO zit men er ook
mee gewrongen, omdat het een stukje afwijkt van de volledige
vrijheid, maar het FWO wil het doen. Daarvoor hebben we in die
middelen voorzien. Die programma’s die men op het Europees
niveau heeft geïdentificeerd, komen ook overeen met onze
innovatieknooppunten. In die zin is het transparant en is het
beleid dat we vooral ontwikkelen voor het gericht onderzoek
gelijklopend. Want de conceptnota Innovatiecentrum Vlaanderen
waar u naar verwijst, gaat over gericht onderzoek maar kan ook
gebruikt worden als onderbouwing om onze dossiers sterker te
maken als we naar Europa gaan.
Ik denk wel dat we de discussie over hoe Europa verder zal gaan
met de themagerichte
aanpak, zullen moeten opvolgen. We zullen ervoor moeten zorgen
dat we, rekening houdend
met onze prioriteiten voor basisonderzoek, niet achterblijven en
kunnen meedoen aan die
programma’s. Ons accent is dat we blijven waken over de
verhouding basisonderzoek en
gericht onderzoek.
De voorzitter: De heer Vereeck heeft het woord.
De heer Lode Vereeck: Minister, ik zou toch nog een
kleine suggestie willen doen. Er staat
letterlijk dat de toelichting bij het programma niet correct is.
Misschien moet er hierover communicatie gebeuren omdat er toch
een zekere verwarring is ontstaan.
De voorzitter: Het incident is gesloten. |