| |
Vraag om uitleg
van de heer Koen Van den Heuvel, Vlaams
volksvertegenwoordiger, aan mevrouw Ingrid Lieten, Vlaams
minister van Innovatie, Overheidsinvesteringen, Media en
Armoedebestrijding, over de ophanden zijnde hervorming van de
competentiepolen.
3 februari 2011
De voorzitter: De
heer Van den Heuvel heeft het woord.
De heer Koen Van den Heuvel: Minister, u hebt de
evaluatie van de competentiepolen
aangekondigd in uw beleidsbrief. Het is goed dat instrumenten
die in de voorbije jaren in het
leven zijn geroepen, worden geëvalueerd en dat u als minister in
eerste instantie maar evengoed wij allemaal in de politiek de
moed hebben om zaken die misschien wat minder goed werken bij te
durven sturen.
Eind 2009 gaf het Agentschap voor Innovatie door Wetenschap en
Technologie (IWT) aan
studiebureau IDEA de opdracht om ter voorbereiding van deze
evaluatie een methodologie te
ontwikkelen om de output van de competentiepolen, het programma
Technologietransfer
(TETRA) en het Collectief Onderzoek te meten. Het eindrapport
van deze opdracht is sinds kort beschikbaar. De instrumenten om
de geplande evaluatie uit te voeren, zijn dan ook ter
beschikking.
De voorbije jaren hebben een aantal competentiepolen de kans
gekregen activiteiten te ontplooien, nauwe contacten met de
bedrijven in hun sector en met de betrokken sectorfederaties uit
te bouwen en op die manier een meerwaarde ten aanzien van de
bedrijven te ontwikkelen.
In de komende evaluatie zal het belangrijk zijn tot een eerlijke
analyse van de competentiepolen te komen. Waardevolle
ondersteuning moet kunnen worden voortgezet en zelfs uitgebreid.
Tevens moet op een grondige manier worden onderzocht waar
efficiëntiewinsten worden geboekt.
De financiering van de competentiepolen zal ongetwijfeld een
belangrijk element van de
komende evaluatie vormen. Momenteel bedraagt de minimale
cofinanciering van de
competentiepolen 20 procent. Uit het antwoord op een
schriftelijke vraag blijkt dat de
competentiepolen dit percentage net halen. De enige uitzondering
is het Vlaams Instituut voor
Mobiliteit (VIM), dat in 2008 en in 2009 onder 20 procent is
gebleven. Verder kunnen de
competentiepolen ook financiering uit de reguliere kanalen van
het agentschap voor Innovatie
door Wetenschap en Technologie (IWT) ontvangen en naar Europese
middelen meedingen.
De inkomsten die de competentiepolen buiten hun begrote dotaties
ontvangen, blijft
vooralsnog relatief beperkt. Ze lijken wel in stijgende lijn te
gaan. Uit het antwoord op een
schriftelijke vraag blijkt echter dat de inkomsten uit Europese
financiering het vermelden niet
waard zijn.
Indien de competentiepolen onderzoek met een grote meerwaarde
uitvoeren, mag worden
verwacht dat ze gaandeweg, naast de dotatie van de Vlaamse
overheid, meer middelen zullen
ontvangen. Dit geld zal dan afkomstig zijn van de betrokken
bedrijven, van het IWT en van
de Europese subsidieverstrekkers. Uiteraard hangt veel af van
het type onderzoek dat de
competentiepolen uitvoeren. Deze evolutie zal een element van de
evaluatie van het
financieringsmodel van de competentiepolen moeten vormen.
Minister, wat is de concrete timing in verband met de evaluatie
van de competentiepolen, het
programma Technologietransfer (TETRA) en het project Collectief
Onderzoek? Welke
actoren zullen hierin een actieve rol spelen? Zullen
onafhankelijke of internationale experts
worden ingeschakeld om dit proces te begeleiden? Hoe ziet u het
beleidskader en het
financieringsmodel van de competentiepolen in de toekomst
evolueren? Vindt u dat sommige
competentiepolen ook op bredere maatschappelijke innovatienoden
moeten inspelen en
hiervoor moeten worden gefinancierd of vindt u dit veeleer een
taak van andere
instrumenten?
De voorzitter: Minister Lieten heeft het woord.
Minister Ingrid Lieten: Voorzitter, in mijn beleidsbrief
heb ik aangegeven dat we naar een
herdefiniëring van het instrument van de competentiepool
streven. Dit moet gebeuren op
basis van het principe dat “lichte coördinatiestructuren voor
afstemming en oriëntatie en
virtuele samenwerkingsverbanden en instituten de voorkeur
genieten”. We wensen meer
outputgerichtheid van het ondersteuningsbeleid. Tijdelijke
samenwerkingsverbanden hebben
in Vlaanderen altijd de neiging definitieve
samenwerkingsverbanden en structuren te worden.
Dit is niet altijd de effectiefste vorm. Vanuit die bezorgdheid
hebben we die passage in de
beleidsbrief opgenomen.
In deze context is het IWT de meest gerede organisatie om de
hervorming te hertekenen. Het
IWT, dat deze opdracht ook heeft gekregen, heeft al een paar
initiatieven genomen. In 2010 is het IWT begonnen de sterktes en
de zwaktes op basis van een analyse van de portfolio en van een
bevraging van de verschillende stakeholders in kaart te brengen.
Momenteel wordt op basis van die analyse nagegaan hoe we een
beter aangepast kader kunnen uitwerken om de doelstellingen in
hogere mate te bereiken. Bij de herdefiniëring kijken we naar
alle lijnen die in de nota zijn opgenomen. We zoomen specifiek
in op een aantal maatschappelijkere
innovatiepolen, zoals mobiliteit.
De heer Van den Heuvel heeft terecht naar de problemen van het
VIM verwezen. In sommige
sectoren wordt innovatie in sterke mate door de bedrijven
aangedreven. In andere sectoren,
zoals de gezondheidssector, zijn hier ook andere partners bij
betrokken. We moeten
onderzoeken op welke manier we daar de regels en het kader
kunnen formuleren.
Het IWT is momenteel aan zet. Ik heb geen bijkomende
initiatieven gepland. De huidige
competentiepolen moeten, binnen het voor hen uitgewerkte kader,
natuurlijk alle hun
doelstellingen bereiken. Ze worden opgevolgd en geëvalueerd.
Zodra het nieuwe kader is
uitgewerkt, zullen de nieuwe competentiepolen hierin worden
gepositioneerd.
De door de heer Van den Heuvel aangehaalde studie is een gids
voor de meting van de
effecten van competentiepolen en van het TETRA-programma en het
project Collectief
Onderzoek. Die studie is in eerste instantie bedoeld om de
huidige en de toekomstige
projectuitvoerders in staat te stellen hun werk hierop te
richten.
Voor de eerste groep, de huidige competentiepolen, zal het
rapport ondersteuning bieden
terwijl ze de nagestreefde effecten in kaart brengen en
monitoren. Het zal tevens een reflectie over de relevantie van
hun activiteiten mogelijk maken.
Voor de tweede groep, de nieuwe competentiepolen die binnen het
nieuwe kader erkend
zullen worden, kan het rapport een handleiding vormen voor de
ontwikkeling van
toekomstige projectaanvragen en voor de scherpstelling van de na
te streven resultaten.
Daarnaast is de gids ook voor het IWT zelf ontwikkeld. Het IWT
krijgt op deze manier een
duidelijker kader om projecten te helpen, te coachen en
systematisch te monitoren. Uiteraard
zal de opgedane kennis in de hervorming worden opgenomen.
Er is geen hervorming van het TETRA-programma gepland. Het
Collectief Onderzoek is al in
2010 hervormd. Het is in de trajecten van het Vlaams
Innovatiesamenwerkingsverband (VIS)
opgenomen. Ik heb in dat verband momenteel geen verdere
initiatieven gepland.
De voorzitter: De heer Van den Heuvel heeft het woord.
De heer Koen Van den Heuvel: Ik dank de minister voor
haar antwoord. De bekommernis
die ik hier wil uiten, houdt vooral in dat we de instrumenten
moeten durven evalueren. Die
evaluatie is voor 2011 aangekondigd. Indien we het brede veld
van de competentiepolen
overschouwen, moeten we toegeven dat sommige polen heel goed
werken en andere polen
wat minder performant zijn. We moeten echt durven evalueren en
conclusies trekken. We
mogen niet overgaan tot business as usual en verklaren dat
iedereen goed bezig is. De
evaluatie moet performant zijn en consequenties hebben.
De competentiepolen moeten verband houden met het
speerpuntbeleid. Dit beleid wordt
kamerbreed gedragen en moet hier als uitgangspunt fungeren. Het
kan ook een element in de
evaluatie van de competentiepolen vormen. De competentiepolen
die volledig in het
speerpuntbeleid passen, kunnen worden versterkt. Van de andere
competentiepolen kunnen
we misschien zeggen dat ze voor ons minder strategisch zijn.
Misschien moeten we de
competentiepolen die niet meer in het speerpuntbeleid passen,
zelfs met een zekere
exitstrategie durven afbouwen.
Minister, worden bij de evaluatie al dan niet buitenlandse
experts betrokken?
Minister Ingrid Lieten: Het IWT voert die opdracht uit.
Ik weet dat niet van buiten.
De heer Koen Van den Heuvel: Die internationale
aanwezigheid lijkt me belangrijk om een
objectieve, ongebonden evaluatie out of the box mogelijk te
maken.
De voorzitter: Het incident is gesloten.
|