Home

Biografie

Vlaams Parlement

Puurs

In de pers

Nieuwsbrief

 Contact

Linken

 


 

Koen Van den Heuvel
  Commissie Economie, Economisch Overheidsinstrumentarium, Innovatie, Wetenschapsbeleid, Werk en Sociale Economie
 

Vraag om uitleg van de heer Koen Van den Heuvel tot de heer Philippe Muyters, Vlaams minister van Financiën, Begroting, Werk, Ruimtelijke Ordening en Sport, over de taalachterstand bij werkzoekenden
 

20 oktober 2011

De voorzitter: Mevrouw Turan heeft het woord.

Mevrouw Güler Turan: Minister, ik geef de cijfers: eind juni waren er 182.510 nietwerkende
werkzoekenden. Vandaag zal dat er misschien slechter uitzien. De VDAB heeft
becijferd dat van hen 28.762 of bijna 16 procent een taalachterstand Nederlands heeft. Het verbaast ons niet dat binnen deze groep met een taalachterstand de meeste mensen van een vreemde origine zijn of een vreemde moedertaal hebben, namelijk 58 procent. Het doet me wel concluderen dat 40 procent van de mensen met een taalachterstand niet van allochtone afkomst is, maar het Nederlands als moedertaal heeft. Dat is ook een belangrijk gegeven om eens te bekijken, minister.

We zetten sterk in op de deelname aan de arbeidsmarkt van sociaal zwakkere groepen: allochtonen, mensen met een arbeidshandicap en laaggeschoolden. We proberen die extra aandacht te geven. We hebben eerder al de cijfers besproken van de OESO-landen. We scoren als België niet goed wat betreft tewerkstelling van mensen van buiten de Europese Unie.

We willen het beter doen dan de rest. We hebben ons een werkzaamheidsgraad van 76 procent tot doel gesteld. Om dat te bereiken, moeten we de kansen die we bieden aan bepaalde zwakkere groepen vergroten, verduidelijken en beter aflijnen. We moeten meer mogelijkheden geven. Dat is de uitdaging voor de komende periode. Door de vergrijzing hebben we elk talent en elke werkkracht nodig. Ook mensen met minder talent moeten toegeleid worden, binnen hun eigen mogelijkheden en beperkingen. Opportuniteiten tot ontplooiing moeten volop worden benut, voor allochtonen en autochtonen. De werkzaamheidsgraad van beide moeten we verhogen.

Taalkennis is essentieel. Toen we in 2006 aanwervingen deden bij de stad Antwerpen, waren
er taalexamens. We zochten mensen voor de groendienst. Ze kregen de vraag: wat is een gewest en wat een gemeenschap? We moeten wel redelijk zijn: welke kennis, welk taalniveau, welke kunde verwachten we van de mensen in functie van de job?

Een passend opleidingstraject willen we iedereen aanbieden. De beleidsbrief is duidelijk: we willen de werkzaamheidsgraad verhogen en de taalachterstand volledig wegwerken. Het ‘sluitend taalbeleid’, dat op de agenda stond, heeft toch niet volledig tot het verhoopte resultaat geleid. We verwachten dat ook niet meteen, minister. Ik weet dat we hard inzetten op basiskennis van het Nederlands.

Minister, mijn vragen zijn gebaseerd op de cijfers van de VDAB. Zijn er effectief 28.762 werkzoekenden na screening aangeduid als onvoldoende het Nederlands kundig? Wat is het percentage van alle werkzoekenden die effectief worden gescreend? Waarom nog niet allemaal? Welke acties worden er al genomen? Welke acties wilt u nog nemen? Wat zijn de resultaten van die actie qua percentage dat nog in de werkzoekendenpopulatie zit?

Wat weet u over de doorstroom van deze werkzoekenden? Hoeveel zijn er al aan het werk van degenen bij wie taalachterstand is vastgesteld? Welke opleidingen worden er verder georganiseerd? Zijn er ook werkzoekenden met een taalachterstand die niet sluitend worden begeleid? Misschien moeten we voor sommigen nog meer moeite doen. Minister, ik weet dat u er, met uw Voka-achtergrond, net als ik van overtuigd bent dat elke werkzoekende toegeleid moet worden en verder ‘ontplooid’ moet worden, naar zijn mogelijkheden.

De voorzitter: De heer Janssens heeft het woord.

De heer Chris Janssens: Mijn vraag is ook gebaseerd op de studie van de VDABstudiedienst, waaruit blijkt dat er van de meer dan 182.000 niet-werkende werkzoekenden in juni van dit jaar bijna 16 procent een taalachterstand Nederlands heeft. Ik wil wel enkele cijfers corrigeren. Mevrouw Turan had het over een aandeel van 60 procent allochtonen in die cijfers. In de studie wordt toch expliciet gesteld dat het 70 procent is. Bij de 30 procent, en dus niet 40 procent, autochtonen gaat het niet over het Nederlands als moedertaal. De helft van hen heeft het Frans als moedertaal en de andere helft een andere. Dat is een belangrijke nuance.

Door de sterk toegenomen internationale immigratie is het aandeel allochtonen de laatste jaren sterk gestegen en bedraagt het momenteel 70 procent van de niet-werkende werkzoekende met een taalachterstand. De top vijf van de herkomstlanden bij de allochtone werkzoekenden met taalachterstand bestaat uit Marokko, Turkije, Rusland, Congo en ex- Joegoslavië, die samen een aandeel hebben van 58 procent. De combinatie van origine en moedertaal leert dat de grootste groep in het Vlaamse Gewest, met 58,1 procent in totaal, de allochtonen met een vreemde moedertaal zijn. Het aandeel werkzoekenden met taalachterstand bedraagt er 53 procent. De belangrijkste herkomstlanden zijn Marokko en Turkije. De autochtonen met Frans als moedertaal komen op de tweede plaats met bijna 15 procent in het totaal. De autochtonen met een vreemde moedertaal staan op 14,5 procent in het totaal, met als belangrijkste herkomstlanden Polen en Bulgarije.

De taalachterstand bij werkzoekenden is geografisch geconcentreerd in de Vlaamse Rand, de taalgrensgemeenten en de centrumsteden. De VDAB besluit dat de perceptie dat de taalachterstand Nederlands vooral een zaak is van Franstalige autochtone werkzoekenden, woonachtig in de Rand rond Brussel of langs de taalgrens, moet worden bijgesteld. De Franstalige Belgen maken nog 10 procent uit van de werkzoekenden met een taalachterstand voor het Nederlands. Vooral de buitenlandse migratie heeft ervoor gezorgd dat allochtonen nu een aandeel hebben van 70 procent in de totale taalachterstand van werkzoekenden in Vlaanderen.

Mevrouw Turan verwees ernaar: in het najaar van 2009 werd het ‘sluitend taalbeleid’ voor alle anderstalige werkzoekenden als onderdeel van een traject naar werk ingevoerd in de VDAB- dienstverlening. Nieuw ingeschreven werkzoekenden worden daarbij getest op hun kennis van het Nederlands. Indien nodig is er doorverwijzing naar een Huis van het Nederlands voor een niveaubepaling en volgt er een gepaste opleiding Nederlands Tweede Taal (NT2).

In uw beleidsnota Werk focust u op een sluitend aanbod van NT2. Hoe evalueert u de studie van de VDAB-studiedienst? Welke conclusies trekt u hieruit met het oog op uw beleid? Is er een bijsturing of intensivering nodig? Zo ja, in welke zin? Met het Werkgelegenheids- en Investeringsplan (WIP) werd een uitbreiding van de opleidingscapaciteit voor onder meer het sluitend taalbeleid op stapel gezet. Werd deze uitbreiding volledig gerealiseerd?

De voorzitter: De heer Van den Heuvel heeft het woord.

De heer Koen Van den Heuvel: Minister, mijn collega’s hebben wellicht alle cijfers al gegeven. Die moet ik niet herhalen. Ik zal het hebben over de specifieke problematiek van werkzoekenden met een taalachterstand, toegespitst op allochtonen, ik bedoel niet de Franstaligen maar mensen die van derde landen komen.

In de beleidsbrief Werk lezen we ambitieuze doelstellingen. Ik wil graag aan de hand van de studie van de VDAB zien waar we nu staan.

Een eerste doelstelling in uw beleidsbrief was het opzetten van een intern monitoringinstrument dat het aantal werkzoekenden met taalachterstand in kaart brengt bij wie nog geen NT2-actie werd ondernomen.

Ook zouden er initiatieven genomen worden met betrekking tot informatie-uitwisseling, die ervoor moeten zorgen dat de VDAB ook weet welke werkzoekenden effectief een cursus bij een partnerorganisatie aan het volgen zijn. Vanuit het werkveld horen we echter dat de VDAB momenteel vaak nog steeds niet weet wie een bepaalde cursus gestart is, en of deze persoon later de cursus nog steeds aan het volgen is. Ook de partnerorganisaties die de taalopleidingen geven, krijgen geen informatie door vanwege de VDAB. Dat zou hun nochtans beter toelaten om rekening te houden met de specifieke noden van de werkzoekende. Daarenboven blijkt er geen algemeen overzicht te zijn met betrekking tot het aanbod en de vraag aan taalopleidingen in Vlaanderen, en is er een gebrek aan coördinatie.

De VDAB slaagt er aldus onvoldoende in zijn regierol op te nemen. We horen dat de VDAB te weinig informatie verzamelt over welke werkzoekende welke taalcursus volgt. Moet de VDAB op dat vlak niet worden versterkt om daarvan een prioriteit te maken?

Verder wordt er vastgesteld dat de doorstroom vanuit een schakelopleiding bij de VDAB, die werkt op de taligheid van de werkzoekende, naar een finaliteitsopleiding beperkt blijft. Lange wachttijden bij een aantal finaliteitsopleidingen blijken daarbij een probleem te zijn. Ook uitval en te hoge falingspercentages in de NT2-opleidingen zorgt voor het verloren gaan van middelen, wat door het veld betreurd wordt.

In de beleidsbrief Werk werd er verder een uitbreiding en vernieuwing van het instrument ‘Nederlands op de werkvloer’ en de individuele beroepsopleiding met taalondersteuning (IBO-T) gepland. Het zou interessant zijn om van u te horen, minister, in hoever dit voornemen intussen gerealiseerd is.

Ook in de actielijst allochtonen, opgesteld door de Commissie Diversiteit van de SERV, lezen we diverse concrete voorstellen. Zo vraagt men naar een uitbreiding van het aanbod. Vanuit de sector horen we onder andere dat er momenteel te weinig aanbod is voor zwakkere werkzoekenden. Zo zou er onvoldoende aangepast aanbod zijn voor laaggeletterden en cognitief zwakkeren. Ook de SERV wijst verder op de problematiek van wachtlijsten.

Beschikt de VDAB in uw ogen, minister, intussen over de nodige instrumenten om op continue basis geïnformeerd te zijn over de taaltrajecten van de werkzoekenden? Eerst moeten ze op de hoogte zijn van de stand van zaken bij de werkzoekenden om dan daadwerkelijk en efficiënt te kunnen ingrijpen. Is de VDAB voldoende op de hoogte van de taalprestaties bij de werkzoekenden?

Erkent u dat het bestaan van wachttijden bij een aantal finaliteitsopleidingen ertoe leidt dat inspanningen inzake taalverwerving in een heel aantal gevallen verloren gaan? Welke acties worden ondernomen om dit te verhelpen? Welke acties worden ondernomen om ook de wachtlijsten bij andere taalopleidingen, onder meer bij de centra voor basiseducatie, te verhelpen?

Op welke manier werden de instrumenten ‘Nede rlands op de werkvloer’ en de individuele beroepsopleiding in een onderneming met taalondersteuning (IBO-T) vernieuwd? Werd er, zoals voorzien, een uitbreiding van die instrumenten gerealiseerd? Hoe wilt u inspelen op het gebrek aan taalopleidingen voor laaggeletterden en cognitief zwakkeren?

De voorzitter: Mevrouw Ceysens heeft het woord.

Mevrouw Patricia Ceysens: Voorzitter, ik sluit me daar graag bij aan. De collega’s hebben de problematiek goed geschetst. Ik wil dit wat concreter maken. Zeker voor deze regio is wat er op de luchthaven gebeurt heel belangrijk in dit debat. De luchthaven is een heel grote groeipool qua tewerkstelling. Ik blijf horen dat het probleem om te beginnen de mobiliteit is, dus mensen uit het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest naar die luchthaven krijgen, maar als je dan wat doorvraagt, gaat het ook bijna altijd over het feit dat men de taal niet kent. De mensen moeten er geraken, maar die taalhandicap blijft het grootse probleem. Dat is eigenlijk heel jammer. In het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest kunnen er nog veel mensen worden geactiveerd. Zij zouden een baan kunnen hebben. Op een steenworp hier vandaan is er een groeipool met veel banen voor laaggeschoolden, maar die taalbarrière zorgt voor een mismatch. Ik denk dat de rest eigenlijk wel kan worden verholpen.

De voorzitter: Mevrouw Fournier heeft het woord.

Mevrouw Martine Fournier: Voorzitter, minister, dinsdagnamiddag ben ik op bezoek geweest bij het gemengd team in Moeskroen. We hebben het daar ook gehad over de taalproblematiek. Uit dat gesprek bleek dat de taal niet hét probleem was. Er waren andere problemen, bijvoorbeeld met betrekking tot de technische kennis. Dit is ook enigszins afhankelijk van de sector. In veel sectoren kan men werken met pictogrammen. Dat is een eventuele oplossing voor taalproblemen. Naast de kennis over het werk dat men moet verrichten, is er echter ook het sociaal contact tussen de arbeiders, dat ook belangrijk is. Dat is een werkpunt voor de bedrijven. Voor dat sociaal contact is kennis van de taal nodig. Dat vonden ze toch ook een heel belangrijk werkpunt.

De voorzitter: Minister Muyters heeft het woord.

Minister Philippe Muyters: Voorzitter, mijn antwoord zal lang zijn. De leden hebben immers veel vragen gesteld. U weet dat ik niet graag een lang antwoord geef, maar ik denk dat dit een record zal zijn.

Het is natuurlijk niet onze bevoegdheid, maar deze problematiek kan ook niet los van het gevoerde migratiebeleid worden gezien. Als er een migratiebeleid wordt gevoerd dat gericht is op de arbeidsmarkt en waarbij de kennis van de taal al een vereiste is voor mensen die binnenkomen, dan is er natuurlijk al sprake van een heel andere situatie dan de situatie waarin we ons vandaag bevinden. Dat is geen excuus, maar de grootte van de problematiek heeft natuurlijk te maken met het migratiebeleid.

Mevrouw Ceysens, u hebt volledig gelijk. Er bestaat een samenwerking en een actieprogramma met Brussel. U zult zich misschien herinneren dat ik met mijn collega, minister Cerexhe, de doelstelling ter zake hoger heb gezet. Per jaar willen we 1500 laaggeschoolden uit Brussel naar Zaventem en andere gebieden in de Vlaamse Rand brengen.

In 2012 heb ik, ondanks alle budgettaire beperkingen, 150.000 euro uitgetrokken, boven op het bestaande budget voor Nederlands als tweede taal (NT2), precies om dat probleem te verhelpen. Minister Cerexhe heeft daartegenover gesteld dat hij per vacature in zes valabele kandidaten zal voorzien. In het licht van de problematiek van Zaventem zouden we er meer dan 1500 moeten kunnen plaatsen, als we het geluk hebben dat de groei niet te veel afneemt.

Anderhalve week geleden heb ik bovendien de Airport Academy mee geopend. Die is specifiek gericht op die opleidingen op de werkvloer in Zaventem. Ik heb aan die mensen ook de suggestie gedaan om eveneens contact op te nemen met minister Cerexhe, zodat die dingen waarmee wij bezig zijn, kunnen worden geïncorporeerd in Airport Academy. Ze gingen contact opnemen met minister Cerexhe. Ik ben ervan overtuigd dat die stap ook succes zal hebben.

Ik zal de VDAB-cijfers uiteraard niet herhalen. Ik ben blij dat dergelijke rapporten worden gepubliceerd. Dat geeft de leden de kans om heel wat vragen te stellen en mij de kans om toch nog eens opnieuw mijn beleid toe te lichten.

Ik benadruk dat de screening van de werkzoekenden, waar u allen om vraagt, vandaag bij alle werkzoekenden gebeurt. Het is een onderdeel van het sluitend taalbeleid van de VDAB. De screening gebeurt systematisch: elke werkzoekende krijgt een screening over de kennis van het Nederlands. Indien nodig, worden ze doorverwezen naar het Huis van het Nederlands, naar onderwijs. Dat gebeurt zowel tijdens hun basisopleiding Nederlands als tijdens hun vervolgtraject naar werk. De VDAB volgt dit op een sluitende wijze op. Het hele taalbeleid lijkt me naar een sluitende aanpak te evolueren.

De VDAB heeft daarvoor een monitoringstool ontwikkeld en dankzij die tool blijkt dat 87 procent van de nieuw ingestroomde Nederlandsonkundigen binnen de zes maanden bereikt wordt. Een groot deel van de restgroep, van de 13 procent die overblijft, wordt later dan zes maanden na de instroom bereikt. De monitoringstool geeft aan in welke mate Nederlandsonkundigen die instromen in de werkloosheid, binnen de zes maanden na de instroomdatum bereikt worden of hoeveel van hen een passend aanbod krijgen van de VDAB.

Er zijn verschillende manieren om de mensen te bereiken. Het is mogelijk dat er een aanpassing komt van de kennis van het Nederlands in het dossier op basis van een fysiek contact of een aanpassing van het dossier. Er zijn natuurlijk de doorverwijzingen naar het Huis van het Nederlands. Er is de screening door het Huis van het Nederlands op het vlak van Nederlands als tweede taal (NT2). Er zijn de NT2-opleidingen waarbij dan nog een onderscheid wordt gemaakt tussen het opleidingsniveau: tussen richtgraad 1.1 en een hogere richtgraad. Er zijn de andere NT2-opleidingen zoals Nederlands op de werkvloer en de schakelpakketten van de VDAB. Er zijn de begeleidings- en bemiddelingstrajecten naar werk. Uit de gegevens blijkt dat de helft van de ingestroomde groep binnen de zes maanden weer is uitgestroomd uit de werkloosheid. Een derde gaat naar werk.

Het aanbod aan opleidingen die worden georganiseerd voor anderstalige werkzoekenden, is eigenlijk heel uitgebreid. Sta me toe om ze hier nog eens op te sommen. Door dit fragmentarisch te bekijken, wordt het overzicht immers soms verloren.

De basisopleiding Nederlands wordt aangeboden door het onderwijs, mat name door de centra voor basiseducatie (CBE’s) en de centra voor volwassenenonderwijs (CVO’s). Bij de VDAB komt dan de vervolgopleiding die georganiseerd wordt voor anderstaligen met een professioneel perspectief. Het gaat uiteraard altijd over tewerkstelling.

Ik overloop het VDAB-pakket even. Er zijn de schakelpakketten Nederlands voor de  technische  ector. Die zijn natuurlijk bedoeld voor wie in de industrie, in de secundaire sector, wil instromen of voor wie een beroepsopleiding in die sector wil volgen. Er is Nederlands voor de administratie, bedoeld voor mensen met jobaspiraties in de dienstensector, in de tertiaire sector. Er is Nederlands voor de zorgsector, voor werkzoekenden die een vervolgopleiding in die sector willen starten. Ik wijs u erop dat elke opleiding gericht is tot een bepaalde groep, omdat de aard van de taal die men nodig heeft in de industrie verschilt van die in de dienstensector of die in de zorgsector. Er wordt dus effectief gefocust op het beroep. Er is ook Nederlands op de opleidingsvloer, bedoeld voor cursisten die tijdens hun beroepsopleiding nog extra taalondersteuning nodig hebben. In de meeste gevallen gaat het dan echt over het vakjargon. Er zijn de individuele beroepsopleidingen (IBO’s) met taalondersteuning, voor werkzoekenden die starten met een beroepsopleiding op de werkvloer en nood hebben aan extra taalbegeleiding. Er is Nederlands op de werkvloer voor mensen die aan het werk zijn maar die op vraag van hun werkgever extra taalondersteuning kunnen krijgen.

Daarnaast zijn er ook een aantal specifieke instrumenten per regio en gericht tot specifieke groepen. Zo zijn er in Antwerpen, Gent en Limburg projecten voor anderstalige analfabeten. In Antwerpen, Gent en Genk lopen projecten voor anderstaligen die als zelfstandige ondernemer willen starten. In Vilvoorde is er een project voor anderstalige personen met een arbeidshandicap en er wordt met een gelijkaardig project gestart in Antwerpen.


Om tegemoet te komen aan de specifieke taalproblematiek in de Rand heb ik de VDAB dit jaar nog gevraagd om een extra schakelmodule NT2 in te richten voor anderstalige werkzoekenden uit die regio. Deze schakelmodule is een opleidingspakket om anderstalige werkzoekenden uit de Vlaamse Rand via specifieke bemiddelingsacties met taalondersteuning toe te leiden naar jobs waarvoor een beperkte kennis van het Nederlands volstaat. Niet voor elke job is immers een even goede kennis van het Nederlands nodig. Ik ben het er helemaal mee eens dat het voor de inburgering op de werkvloer belangrijk is om te kunnen praten met de collega’s, maar om te kunnen starten in een job is niet altijd hetzelfde niveau van Nederlands nodig.

Naast het sluitend taalbeleid levert de VDAB ook al jaren inspanningen voor inwerkingsklanten. Zo verzorgt de VDAB inwerkingstrajecten in heel Vlaanderen voor nieuwkomers en oudkomers die gekenmerkt worden door een intensieve begeleiding op maat.

Tot slot kan ik zeggen dat er nog een beperkt deel van werkzoekenden met een taalachterstand is dat nog niet sluitend wordt bereikt. 87 procent wordt dus wel bereikt binnen de zes maanden, maar 13 procent wordt niet binnen de zes maanden bereikt. Als ik de evolutie bekijk, wordt deze groep systematisch kleiner. Met 87 procent en dalend, komen we echt dicht bij de vooropgesteld sluitende aanpak.

Wat de opvolgingsinstrumenten met betrekking tot de taaltrajecten voor werkzoekenden betreft, wordt de basisopleiding Nederlands voor anderstaligen volgens het afsprakenkader NT2 door de onderwijspartners gegeven. Die partners zijn de CBE’s en de CVO’s. Die partners voorzien ook in een vervolgaanbod NT2. De opleidingen voor werkzoekenden horen natuurlijk bij de VDAB en bij de partners van de VDAB.

De heer Van den Heuvel heeft een vraag over de uitwisseling van gegevens tussen de onderwijspartners en de VDAB gesteld. Wat de basisopleiding Nederlands voor werkzoekenden betreft, gebeurt die uitwisseling automatisch. Het bestaande systeem werkt echter niet perfect. Er wordt dan ook aan een nieuwe kruispuntbank voor inburgering gewerkt. Dit systeem zou in januari 2013 worden opgeleverd. Tot dan werken we voort met het onvolmaakte instrument waarover we nu beschikken.

De informatie over alle andere opleidingen NT2 – dit zijn de opleidingen die door de VDAB zelf worden gegeven of door de VDAB aan partners zijn uitbesteed – wordt volledig geregistreerd. Deze informatie komt in de dossiers van de VDAB terecht. Zoals eerder gesteld, is dit cruciaal voor de opvolging.

De wachttijden zijn in verschillende vragen aan bod gekomen. Wat de wachttijden voor de finaliteitsopleidingen betreft, kan ik bevestigen dat een gedeelte van de tijdens het voortraject verworven taal in de loop van die wachttijden opnieuw verloren kan gaan. Om een taal te leren, moet iemand die taal ook blijven spreken en gebruiken.

Om het taalverlies tijdens de wachttijd voor een finaliteitsopleiding te vermijden, hebben we in een aantal oplossingen voorzien. Binnen het aanbod aan taalopleidingen ligt de focus steeds meer op de geïntegreerde trajecten. Ik ben er zelf voorstander van de opleiding Nederlands niet enkel als een voortraject te beschouwen. Het is een echt onderdeel van de basisopleiding.

De cursus NT2 wordt in de basisopleiding geïntegreerd. Volgens mij is dit een belangrijk instrument. Het is niet enkel de bedoeling te vermijden dat de inspanningen op het vlak van de taalverwerving verloren gaan. We maken het verband tussen het leren van Nederlands en de toekomstige tewerkstelling op die manier ook reëel.

Een mooi voorbeeld is de opleiding verkoopstalent. Een cursist krijgt een opleiding verkoop en leert tegelijkertijd de taal. Dankzij de goodwill van de werkgevers kan hier nog het werkplekleren in de winkel bijkomen.

Dit laatste punt lijkt me niet altijd even gemakkelijk. Dit vergt een investering en tevens heel wat goodwill van de werkgever. Het is dan ook nog niet zo dat we die combinatie voor alle beroepen kunnen aanbieden. We maken hier stapsgewijs werk van en het is de bedoeling dit verder uit te breiden. De begeleiding van werkplekleren voor verschillende beroepen vergt echter een hoge begeleidingscapaciteit.

Tijdens de finaliteitsopleiding garandeert de VDAB Nederlands op de opleidingsvloer (Nodo). Hierdoor wordt het afhaken vanwege taalproblemen beperkt. Er is een beroepsopleiding.

Indien nodig, wordt daarnaast ook Nederlands op de opleidingsvloer gegeven. Een hiervoor ontwikkelde toolbox stelt de partners in staat een kwalitatieve taalondersteuning aan te bieden en op die manier de uitval van anderstaligen te beperken.

Tijdens de wachttijden voor de finaliteitsopleiding voorziet de VDAB in communicatiesessies over dit onderwerp. Op die manier wordt het aangeleerde Nederlands op peil gehouden. In sommige regio’s worden anderstaligen tegelijkertijd ook basisvaardigheden ICT aangeleerd. Tijdens die bijkomende opleiding wordt ook aandacht aan Nederlands besteed. Het verhelpen van de lange wachttijden voor het basisaanbod bij de CBE’s behoort niet tot mijn bevoegdheden. Het departement Onderwijs, de VDAB en de Huizen van het Nederlands organiseren een aantal overlegfora om samen oplossingen te zoeken. Een van de mogelijke oplossingen die momenteel door de VDAB worden uitgetest, betreft de erkenning van de basiscursussen in enkele regio’s. Dat houdt in dat een cursus bij een CBE of bij een CVO als een opleiding binnen het traject naar werk wordt erkend. Op die manier kan het aanbod op de regionale noden worden afgestemd.

Wat Nederlands op de werkvloer en de individuele beroepsopleiding met taalondersteuning (IBOT) betreft, hebben de verschillende bedrijfssectoren verschillende vragen in verband met de taalondersteuning tijdens de opleiding en tijdens de tewerkstelling op de werkvloer. De VDAB tracht hierop in te spelen en tracht de bedrijven binnen het kader van Nederlands op de werkvloer en van de IBOT bij te staan.

Wat Nederlands op de werkvloer betreft, wordt met de sociale partners een nieuw afsprakenkader uitgewerkt. Dat kader moet het mogelijk maken sneller en gerichter dan tegenwoordig op de noden van de bedrijven en de sectoren in te spelen. De vakgroep Nederlands op de werkvloer evalueert de instrumenten voortdurend en voorziet in de nodige verruimingen. Dat lijkt me de juiste werkwijze. We proberen steeds na te gaan hoe we, waar nodig, maximaal kunnen verruimen of bijsturen.

De CBE’s doen steeds vaker een beroep op de VDAB om Nederlandsonkundigen een pakket aan te bieden om zich op de werkvloer te behelpen. Voor sectoren met een grote instroom van buitenlandse werknemers, zoals de zorg- of de poetssector, ontwikkelt de VDAB in samenwerking met de betrokken sector en de Huizen van het Nederlands echte tools om werkgevers te ondersteunen.

Voor de sector van de professionele schoonmaak is een tool voor bedrijven ontwikkeld die in
combinatie met een dertig uur durende opleiding Nederlands op de werkvloer kan worden gebruikt.

Voor de laaggeletterden en cognitief zwakkeren bestaat er maar een beperkt aanbod. Dat aanbod is momenteel vaak projectmatig en in beperkte regio’s georganiseerd. Om tegemoet te komen aan specifieke vragen van bepaalde doelgroepen wordt samengewerkt met partners. Zo lopen in Antwerpen, Gent en in de provincie Limburg projecten voor anderstalige, analfabete werkzoekenden die tegelijkertijd een alfacursus volgen bij een centrum voor basiseducatie en een beroepsopleiding volgen tijdens deze opleiding taalondersteuning.

Die projecten zijn samenwerkingsverbanden tussen de VDAB, de CBE’s en het Huis van het Nederlands. Er is specifiek lesmateriaal dat binnen het project in Antwerpen al is ontwikkeld voor die doelgroep. We zijn dat nu aan het verspreiden voor de rest van Vlaanderen, zodat het ook in andere regio’s voor die doelgroep kan worden gebruikt.

In het werkgelegenheids- en investeringsplan (WIP) werden de middelen voor de VDAB voor het sluitend taalbeleid versterkt. In 2010 bereikte de VDAB met deze WlP-middelen in het kader van het sluitend taalbeleid 1316 extra cursisten via de klassikale NT2- schakelpakketten. Dat kostte 540.000 euro. Er waren ook 327 extra cursisten in de vorm van NODO, waarvoor bijna 192.000 euro aan loonkost voor instructiepersoneel werd besteed.

Dat betekent dat het objectief op jaarbasis van respectievelijk 1000 extra cursisten via NT2-
pakketten en 250 extra NODO-cursisten vorig jaar ruimschoots werd overschreden. In 2011 bereikte de VDAB eind september al 775 extra cursisten via de NT2-schakelpakketten voor 347.000 euro en 283 extra cursisten in de vorm van Nederlands op de opleidingsvloer waarvoor bijna 98.000 euro aan loonkost voor instructiepersoneel werd besteed. Ik stel vast dat de VDAB medio 2011 op kruissnelheid zit op het vlak van extra geplande NT2-trajecten via WIP-middelen. De wachttijden voor de NT2-opleidingen van de VDAB zijn door die extra WIP- middelen ernstig gereduceerd.

De studie van de VDAB-studiedienst zoals uiteengezet in ‘VDAB ontcijfert nummer 24’ bevestigt de noodzaak van het sluitend taalbeleid. Binnen de beschikbare budgettaire ruimte zullen deze inspanningen worden voortgezet. Alle werkzoekenden worden op dit moment gescreend op hun taalkennis. 87 procent onder hen wordt binnen de 6 maanden bereikt met een actie, gaande van doorverwijzing tot effectieve opleiding. Er is nog een beperkt deel van werkzoekenden met een taalachterstand dat nog niet sluitend wordt bereikt maar deze groep is sinds de invoering van het sluitend taalbeleid bij VDAB systematisch kleiner geworden.

Zoals eerder al gezegd zijn er natuurlijk nog knelpunten inzake basisaanbod, doorstroming naar vervolg- en finaliteitsopleidingen en een passend aanbod voor alle werkzoekenden. Dit maakt het voorwerp uit van voortdurend overleg, zowel centraal als in de regio’s tussen de betrokken partners en van een interne evaluatie door de VDAB. De VDAB evacueert alle opleidingen op een kwantitatieve en kwalitatieve manier. Dat gebeurt op diverse fora. Onder meer de raad van bestuur ziet daar nauwlettend op toe.

Doorstroom- en uitstroomgegevens worden door de VDAB bewaakt en opgevolgd. Daarnaast gebeuren er via vakgroepen en cursistenraden kwalitatieve bevragingen zodat de inhoud van de projecten regelmatig kan worden bijgestuurd.

Binnen het totaalaanbod aan taalopleidingen komt de focus meer en meer te liggen op geïntegreerde trajecten. Ik sta daar voor honderd procent achter.

De pilootprojecten voor anderstalige zelfstandige ondernemers worden volgens het plan voortgezet en ook in andere regio’s opgezet. Het pakket dat ontwikkeld wordt in de Vlaamse Rand moet na gunstige evaluatie ook gebruikt kunnen worden in andere regio’s. Ook in andere regio’s moet worden voorzien in de erkenning van intensieve basisopleidingen Nederlands voor anderstalige werkzoekenden. Er wordt dus voortdurend geëvalueerd. Waar nodig wordt er bijgestuurd en uitgebreid. Ik hoop dat duidelijk is dat NT2 voor ons belangrijk is. Vlaanderen doet wat het kan voor deze mensen en wil daar ook mee doorgaan.

De voorzitter: Ik wil even opmerken dat het jammer is dat sommigen mensen die vragen stellen, al vertrekken voor het antwoord van de minister is afgerond. Dat getuigt van weinig respect voor de collega’s en voor de minister die een uitgebreid antwoord geeft. De heer Janssens heeft het woord.

De heer Chris Janssens: Minister, ik dank u voor uw uitvoerig antwoord. Ik had deze vraag ook kunnen stellen aan minister Bourgeois. Het leren van het Nederlands is immers een van de pijlers uit het inburgeringsbeleid. Het aanleren van een taal begint best op heel jonge leeftijd.

Wanneer ik dan hoor dat minister van Onderwijs Smet ondersteunt dat een eentalige Turkse juffrouw in een kleuterklas in een katholieke basisschool wordt aangeworven, dan val ik van mijn stoel van verbazing. Ik denk uit uw discours te mogen afleiden dat u niet in diezelfde richting wilt meedenken.

Ik ben het met u eens dat we hier alweer botsen op de grenzen van onze bevoegdheden wat migratie betreft. Die cijfers, namelijk dat 70 procent van de niet-werkende werkzoekenden met een taalachterstand allochtoon is, tonen aan dat de immigratiekraan dicht moet. De belangrijkste factoren in de huidige immigratiestroom zijn de gezinsvorming en gezinshereniging. Die importhuwelijken zijn telkens opnieuw een rem op de integratie. Die eventuele kinderen uit die huwelijken kennen het Nederlands amper of onvoldoende.

Daardoor blijven wij in Vlaanderen met het probleem geconfronteerd worden dat, volgens de
cijfers van de VDAB, ondanks alle inspanningen van de overheid, ondanks uw nobele
doelstellingen en inspanningen en ondanks alle inspanningen die in het onderwijs worden
geleverd, per kwartaal de leerachterstand erop achteruitgaat en niet vooruit, met heel wat
gevolgen voor de arbeidsmarkt.

U hebt aangegeven dat de instrumenten die in Vlaanderen ter beschikking zijn, ook worden gebruikt. Daar moeten we verder op inzetten. We volgen dat verder op.

De voorzitter: De heer Van den Heuvel heeft het woord.

De heer Koen Van den Heuvel: Minister, ik dank u voor uw uitgebreid antwoord. We zijn er allemaal van overtuigd dat de VDAB een panoplie van instrumenten heeft. Ik denk verder dat de VDAB grotendeels goed werk levert. Het is alleen maar de vraag of dat volstaat tegen de problematiek die er is. We moeten die afweging maken. Zoals mevrouw Ceysens zei, zijn er heel wat uitdagingen, vooral rond Brussel. Mevrouw Fournier nuanceerde door te stellen dat naast talenkennis ook technische kunde belangrijk is. Dat bewijzen heel wat Polen die amper Nederlands praten, maar toch heel wat bouwactiviteiten ondernemen in Vlaanderen. Dan gaat men al eens wat sneller heen over het probleem van de taal. Maar we mogen dat probleem niet wegnuanceren. Het is belangrijk, ook voor de cohesie van de maatschappij, dat de mensen de taal spreken van het gebied waarin ze wonen. Dat moet het uitgangspunt blijven.

U zegt dat het intern monitoringsysteem op 87 procent bereik wijst. Het is goed dat er een intern monitoringsysteem is bij de VDAB. De Vlaamse Regering, maar ook vele agentschappen, departementen en lokale besturen zouden ook wat meer in de spiegel mogen kijken. Maar wat betekent die 87 procent bereik? Ik zou veel liever horen wat dat monitoringsysteem als finaal resultaat geeft. Er wordt geconstateerd dat die mensen een taalachterstand hebben. Maar wordt daar dan gepast op ingespeeld? U zegt dat er uitstroom is naar werk voor een derde.

Hoeveel van die 87 procent krijgen dan effectief een opleiding en hoeveel finaliseren die opleiding? Het lijkt mij ook heel belangrijk om dat te weten. Ik wil u aanmoedigen om op het vlak van dat monitoringsysteem te blijven werken om een zo efficiënt beleid mogelijk te maken en om in te grijpen wanneer er knelpunten zijn.

Ik heb verder een vraag rond de prioritering. Er komen extra middelen. Ik hoop dat die blijven komen na wat we de voorbije dagen en weken hebben gehoord rond andere uitdagingen. In welke mate vindt u deze problematiek een belangrijk onderdeel? Het lijkt mij ook absoluut nodig. We hebben een knelpunteconomie, ondanks het feit dat de economische groei toch niet de hoge toppen scheert waarop we hadden gehoopt. Vlaanderen blijft geconfronteerd worden met een knelpuntarbeidsmarkt. De allochtonen zitten met een werkzaamheidsgraad die veel lager ligt dan in andere delen van Europa. Samen met de 50- en 55-plussers vormen zij een doelgroep die de volgende jaren moet worden aangeboord om onze knelpuntarbeidsmarkt te verlichten. Minister, ik wil u vragen om dat, samen met de VDAB, als een prioriteit te houden en daar extra middelen op in te zetten zodat allochtone werkzoekenden die minimale kennis hebben van het Nederlands zich vlot op die Vlaamse arbeidsmarkt kunnen bewegen.

De voorzitter: Minister Muyters heeft het woord.

Minister Philippe Muyters: Die 87 procent worden allemaal opgevolgd op zes punten, zoals
Nederlands als tweede taal en de screening door het Huis van het Nederlands. U vraagt naar
extra middelen. Dat moeten we bekijken. Ik wil tegen het eind van dit jaar een werkgelegenheidsakkoord sluiten met de sociale partners over opleiding en competentie. In deze groep zal het Nederlands als tweede taal een fundamenteel element blijven.

Of sommige delen van het WIP al dan niet worden verlengd, zal het voorwerp van discussie zijn met de sociale partners. Normaal gezien wordt er in 2012 30 miljoen euro extra uitgetrokken voor werkgelegenheid. Een deel daarvan zal gaan naar het succes van premies zoals de Vlaamse ondersteuningspremie (VOP) of de tewerkstellingspremie 50+. Een deel zal echter zeker kunnen gaan naar bijkomend beleid. Het is over die combinatie van het al dan niet voortzetten van WIP-middelen, heroriëntering van sommige middelen en nieuwe middelen dat ik een werkgelegenheidsakkoord wil sluiten met de Vlaamse sociale partners tegen het einde van het jaar, maar dan helemaal gericht op competentie en loopbaanbeleid.

U zei dat de kunde belangrijk is. Ik volg u daarin voor 100 procent. Daarom vind ik het zo belangrijk dat we die dingen niet apart doen. Liever dan een voortraject Nederlands en daarna een opleiding techniek, wil ik een geïntegreerde opleiding van Nederlands samen met een opleiding techniek. Dat is ook de richting die de VDAB ingaat.

De voorzitter: Het incident is gesloten.

 
 
 
 

 

2011 Koen Van den Heuvel