Vraag om uitleg van de heer Chris Janssens tot
de heer Philippe Muyters, Vlaams minister van Financiën,
Begroting, Werk, Ruimtelijke Ordening en Sport, over het lokaal
fiscaal pact
Vraag om uitleg van de heer Lode Vereeck tot de
heer Philippe Muyters, Vlaams minister van Financiën, Begroting,
Werk, Ruimtelijke Ordening en Sport, over het lokaal fiscaal
pact
Vraag om uitleg van de heer Jan Verfaillie tot
de heer Geert Bourgeois, viceministerpresident van de Vlaamse
Regering, Vlaams minister van Bestuurszaken, Binnenlands
Bestuur, Inburgering, Toerisme en Vlaamse Rand, over de
toepassing van het lokaal pact tussen de Vlaamse Regering, de
Vlaamse gemeenten en de Vlaamse provincies, in het bijzonder wat
betreft de compensatie voor de vrijstelling van onroerende
voorheffing op materieel en outillage
De voorzitter: Deze vragen betreffen ook
bevoegdheden van minister Bourgeois en daarom heb ik aan
minister Muyters gevraagd om enkel te antwoorden op vragen
waarvoor hij bevoegd is. Als het antwoord niet bevredigend is,
moet u de vragen ook nog eens aan minister Bourgeois stellen. Ik
heb gedaan wat u hebt gevraagd en de minister is aanwezig.
De heer Janssens heeft het woord.
De heer Chris Janssens: Mijnheer de
voorzitter, mijnheer de minister, het zal u allicht verbazen,
maar ik ben enigszins tevreden om u hier vandaag te mogen zien.
Het gevoel is waarschijnlijk niet wederzijds, want mijn eerdere
verzoek om u in deze commissie te kunnen treffen, werd door u
onvriendelijk en vrij kordaat afgewezen. Ik zou een vileine
opmerking kunnen maken, in de zin van dat u minister bent
geworden zonder ooit parlementslid geweest te zijn en dat u
misschien daardoor weinig respect hebt voor de werking van het
parlement, maar ik ben zelf nieuw in deze assemblee en leg dus
graag enige bescheidenheid aan de dag voor wat dit betreft. Een
dergelijke opmerking zal ik vandaag, bij deze stand van zaken,
dus niet maken.
Maar het staat in elk geval buiten kijf dat de
bespreking over het lokaal fiscaal pact perfect past binnen het
bestek van deze commissie, de commissie die vergadert over
aangelegenheden met betrekking tot het algemeen financieel en
fiscaal beleid en het begrotingsbeleid van de Vlaamse
Gemeenschap. Zeggen dat u niet bevoegd bent voor deze materie,
is volgens ons dan ook niets minder dan het ontlopen van uw
verantwoordelijkheid. Ik ben daarom ook tevreden dat alle leden
van deze commissie, inclusief de commissievoorzitter, vorige
week unaniem – alleen de N-VA sprak zich niet uit – hun afkeer
hebben laten blijken voor de manier waarop u dacht te werk te
moeten gaan.
De heer Kris Van Dijck: Mijnheer de
voorzitter, ik wil toch even iets kwijt over de procedure.
Mijnheer Janssens, het is inderdaad niet alleen het recht, maar
ook de plicht van elk parlementslid om vragen te stellen, maar
er bestaan ook afspraken en regels die stellen dat de vraag
beantwoord wordt door de juiste persoon. En ik meende te weten
dat ook de regering steeds het recht heeft om te beslissen wie
op welke vraag antwoordt. U kunt dit niet afwimpelen als het
niet nemen van zijn verantwoordelijkheid door een minister, of
die nu van CD&V, N-VA of sp.a is. Elk parlementslid heeft er
baat bij om het juiste antwoord te krijgen van de persoon die
verantwoordelijk en bevoegd is. Ik betreur dan ook uw
stellingname in dezen waarmee u tracht om een minister in
diskrediet te brengen.
De voorzitter: Mijnheer Janssens, ‘to the
point’ nu, want de discussie over de bevoegdheden is voorbij.
De heer Chris Janssens: Mijnheer de
voorzitter, ik kom ‘to the point’, maar de heer Van Dijck heeft
het over de procedure. Weigeren om een vraag te beantwoorden en
daarvan berichten de dag voor ze aan bod komt, terwijl ze al een
week op voorhand was ingediend, is toch een uiting van weinig
collegialiteit.
De voorzitter: Mijnheer Janssens, u bent nog
jong in dit parlement. Dit werd behandeld, de minister is hier
en u hebt uw vraag. Stel nu uw vraag.
De heer Chris Janssens: Ik kom meteen tot
het voorwerp van mijn vraag, mijnheer de voorzitter, maar ik wil
terzijde toch nog even vermelden dat ik aangenaam verrast was
dat zowel de toelichting bij mijn vraag om uitleg als mijn
vragen zelf, een bron van inspiratie hebben mogen vormen voor de
heer Vereeck, die na afloop van de commissievergadering van
vorige week ei zo na dezelfde vraag heeft ingediend.
Eind dit jaar loopt het fiscaal pact tussen de
Vlaamse overheid en de Vlaamse gemeenten en provincies af. Het
fiscaal pact dat door alle 308 Vlaamse gemeenten ondertekend
werd, is onder meer bedoeld om te komen tot een meer
bedrijfsvriendelijke lokale fiscaliteit.
Het pact voorziet op gemeentelijk niveau in een
bevriezing van de aanslagvoeten, het verbod op nieuwe
belastingen en het afschaffen van onder meer de forfaitaire
huisvuilbelasting en de belasting op tewerkgesteld personeel en
kantoorruimten. In ruil nam de Vlaamse Regering een deel van de
gemeenteschuld over a rato van 100 euro per inwoner, voor een
totaalbedrag van bijna 642 miljoen euro.
De discussie over het lokaal fiscaal pact past
ook in de algemene discussie over lokale belastingen. Als gevolg
van de fiscale autonomie van de steden en gemeenten kunnen ze
eigen bedrijfsbelastingen invoeren. Het gaat onder meer om
belasting op drijfkracht, allerhande milieutaksen, belasting op
reclameborden enzovoort. Voka becijferde dat er maar liefst 47
soorten belastingen bestaan voor een totaal van 500 miljoen euro
inkomsten. De belastingen leggen een grote druk op de bedrijven,
zowel financieel als administratief, wat hun concurrentiepositie
zwaar aantast.
Ook grote industrietakken zoals de
automobielindustrie, die erg onder de economische crisis lijdt,
hebben te kampen met lokale belastingen. In de marge van de
rondetafelconferentie over de voertuigenindustrie van de Vlaamse
Regering, liet de algemeen directeur van Ford Genk verstaan dat
de Genkse Fordvestiging met te veel lokale taksen belast wordt
om ten volle te kunnen concurreren met de andere vestigingen van
Ford.
Mijnheer de minister, werd er reeds een
evaluatie gemaakt van het lokaal fiscaal pact? Zo ja, wat waren
de resultaten hiervan? Zo neen, waarom is dit nog niet gebeurd?
Was er een impact op de totale belastingdruk voor bedrijven door
de invoering van het fiscaal pact? Zo ja, in welke mate? Zo
neen, wat is de verklaring hiervoor? Wordt het fiscaal pact met
de lokale besturen verlengd na 2009? Zo ja, zal het dezelfde
modaliteiten omvatten als het oorspronkelijke fiscaal pact? Zo
neen, zult u dan maatregelen nemen ter compensatie van het
huidige fiscaal pact? Zult u in het kader van de besprekingen
over een eventuele verlenging van het fiscaal pact ook de
problematiek van de belasting op drijfkracht aankaarten? Bent u
van mening dat deze belasting, die geen rekening houdt met
bedrijfsresultaten, best wordt afgeschaft en zo ja, welke
stappen zult u daartoe zetten?
De voorzitter: De heer Vereeck heeft het
woord.
De heer Lode Vereeck: Mijnheer de
voorzitter, mijnheer de minister, collega’s, wij van LDD waren
ook al een tijdje naar het lokaal fiscaal pact aan het kijken,
en toen de vraag van de heer Janssens de vorige keer werd
ingetrokken, om redenen die ons op dat moment onduidelijk waren,
hebben wij ze maar ingediend. Daarmee is de bezorgdheid van de
heer Janssens hopelijk enigszins gemilderd.
De meeste lokale mandatarissen weten maar al te
goed dat geen enkel lokaal bestuur belastingen heft om mensen of
bedrijven te pesten. Dat moet me van het hart. Er wordt altijd
gesproken van pestbelastingen voor bedrijven, omdat die niet
resultaatsgericht zijn. Lokale besturen hebben echter bijna geen
mogelijkheden, via andere wetten, via de Grondwet of andere
zaken, om resultaatsgerichte belastingen te heffen. Zo mogen we
bijvoorbeeld geen opcentiem op de vennootschapsbelasting vragen.
We zijn dus genoodzaakt om andere belastingen in het leven te
roepen, om ervoor te zorgen dat onze rekeningen op het einde van
het jaar kloppen. (Opmerkingen van de heer Lode Vereeck)
Ik heb het over de tegenwoordige tijd. Het moet
nu voor eens en voor altijd gedaan zijn om de lokale besturen af
te schilderen als boemannen voor de bedrijven. Dat klopt
helemaal niet. Ik wil u uitnodigen naar mijn eigen stad. Recent
zijn heel wat bedrijven zich daar komen vestigen. Op de eerste
plaats vragen ze hoe lang het duurt om een stedenbouwkundige
vergunning te krijgen, dan hoe lang het zal duren voor ze hun
milieuvergunning krijgen, dan hoe het zit met de mobiliteit, en
pas in laatste instantie vragen ze wat de lokale fiscale druk
is. Dat de gemeenten en de gemeentelijke mandatarissen worden
afgeschilderd als boemannen, moet dus voor eens en voor altijd
ophouden.
Mijnheer de minister, een van de aspecten van
het lokaal fiscaal pact was de vrijstelling van onroerende
voorheffing op materieel en outillage. Er werd ter zake
gestipuleerd dat de Vlaamse Regering de gemeenten en provincies
voor 100 percent zou compenseren voor de gederfde opcentiemen
ten gevolge van die vrijstelling. Het totaalbedrag van die
maatregel werd geraamd op 75 miljoen euro en de compensatie zou
individueel per gemeente en provincie worden berekend, rekening
houdend met de inkomstenderving.
Het probleem is het volgende. De omzendbrief met
de instructies voor het opstellen van de gemeentelijke
begrotingen voor 2010 bevat met betrekking tot het lokaal pact
wel een passage over de engagementen van de gemeenten, maar niet
over de engagementen van de Vlaamse Regering. De vraag is dan
ook in welke mate de Vlaamse Regering de voornoemde compensatie
van 75 miljoen euro wel effectief zal uitbetalen.
Kunt u bevestigen dat de in het lokaal pact
voorziene compensatie van 75 miljoen euro voor de vrijstelling
van onroerende voorheffing voor nieuw materieel en outillage aan
de gemeenten en provincies zal worden uitbetaald? Zo ja, wanneer
zullen gemeenten en provincies in kennis worden gesteld? Welk
bedrag kunnen ze hiervoor inschrijven? We zijn immers volop
bezig met de opmaak van onze begrotingen, en willen dan ook zo
snel mogelijk uitsluitsel. Uit allerhande enquêtes blijkt dat de
Vlaming het meest vertrouwen heeft in het lokaal bestuur. Het
beleid van de gemeenten kan dus toch niet zo slecht zijn als
sommigen hier stellen.
De voorzitter: De heer van Rouveroij heeft
het woord.
De heer Sas van Rouveroij: Mijnheer de
voorzitter, ik wil eerst en vooral benadrukken dat bij dat
lokaal fiscaal pact het woord ‘pact’ heel belangrijk is. Het is
afgesloten tussen evenwaardige partners. Het is als het ware een
contract tussen twee bestuursniveaus. Het is niet opgelegd, noch
bij decreet noch anderszins. Dat is zo omdat de gemeenten over
lokale autonomie en fiscale autonomie beschikken. De vorige
regering is uitgegaan van die autonomie, van het recht van
gemeentebesturen om in hun eigen financiering te voorzien.
Mijnheer de minister, ik ben ervan overtuigd dat u dat ook zult
honoreren. Wie bepaalt, die betaalt immers ook. Wie beleid
maakt, moet ook voor een deel verantwoordelijk zijn voor dat
beleid, door de financiering ervan. Dat gebeurt onder meer –
jammer genoeg – door het heffen van belastingen. Dat is een
eerste stelling.
De tweede stelling is dat de vorige regering het
lokaal pact aantrekkelijk heeft gemaakt voor de
gemeentebesturen, net in het licht van die vrijwilligheid. Er
was nood aan een wortel om voor de neuzen van de
gemeentebesturen te hangen, om hen hiertoe aan te zetten. Dat is
zeer succesvol geweest. Alle 308 gemeenten hebben ingetekend. De
stimulans daarbij was die som van 643 miljoen euro die de
gemeentebesturen niet mochten, maar moesten gebruiken met het
oog op schuldaflossing. Daar bestond nog een kleine variant op,
maar dat is te verwaarlozen.
Leden vragen u nu om die inspanningen, voor
zover het lokaal pact zou worden bestendigd, te herhalen. Ik kan
al in uw plaats antwoorden dat dit niet mogelijk zal zijn,
vermoed ik. De context van die 643 miljoen euro was toen immers
heel specifiek. De Vlaamse overheid hield een bedrag
beschikbaar, en dat moest ESR-neutraal worden geïnvesteerd.
Andere opties waren er niet. Dan belandde men al heel snel bij
het afbouwen van schulden, omdat de perimeter van die
ESR-boekhouding daarop goed van toepassing is. Die som van 643
miljoen euro werd dus aangewend in het kader van die
ESR-neutraliteit.
Mijn eerste bedenking daarbij is: bestaan er
vandaag überhaupt nog gelden bij de Vlaamse overheid en de
Vlaamse Regering die op dezelfde wijze die ESR-neutraliteit
respecteren? Zo ja, bent u bereid die middelen alsnog of voor
een tweede maal in te zetten, met het oog op het stimuleren van
steden en gemeenten tot het verlengen van een lokaal pact? De
inspanning was in dank aanvaard. De 308 gemeenten hebben dan ook
ingetekend. Ze was echter ook relatief beperkt: 643 miljoen euro
is een hoop geld, maar als we dat omzetten naar de lopende
uitgaven van de steden en gemeenten, ging het toch maar over 1
percent. Die 643 euro was in feite een terugbetaling van
kapitaal. Daarmee wint men op de gewone dienst – de Vlaamse
Gemeenschap heeft geen gewone en buitengewone diensten, maar de
gemeenten wel – maar één percent dat toch wel in dank wordt
aanvaard.
Ik ben het helemaal eens met wat de heer
Verfaillie zegt over de pestbelastingen. Ik zal er niet over
uitweiden, maar ik houd eraan om namens mijn fractie te zeggen
dat steden en gemeenten geen masochisten zijn en dat die
belastingen niet geheven worden om te pesten. Mocht het al de
bedoeling zijn om te pesten – maar het is niet zo – dan doen we
het zelfs niet goed. Het aandeel van de steden en gemeenten in
de totale belastingdruk op de economie – ikneem het heel ruim,
dus niet alleen bedrijfsbelasting maar ook personenbelasting,
belasting op arbeid en zelfs op onroerend vermogen – bedraagt
slechts acht percent. Als men hieruit de belasting op arbeid, de
belasting op onroerend vermogen isoleert, dan gaat het over nog
geen twee percent gemeentelijk aandeel in de fiscale druk op
bedrijven.
Is er een groot probleem? Ik denk het niet. Het
probleem ligt vooral in administratieve vereenvoudiging. Het
feit dat 308 gemeentebesturen het zich permitteren om vaak op
verschillende manieren belastbare grondslagen te innen – er zijn
allerlei vrijstellingsverschillen, allerlei procedureverschillen
– is ongezond. Maar dat de belastingdruk op bedrijfsactiviteiten
vanwege de gemeentebesturen te hoog zou zijn, dat wil ik ten
stelligste betwisten. Het financieren van publieke goederen en
diensten moet worden gespreid over alle geledingen van onze
samenleving: over arbeid, vermogen, onroerend goed en
bedrijfseconomische activiteiten. Als gevolg van een verbod uit
het Wetboek van de Inkomstenbelastingen mogen we inderdaad niet
op het bedrijfsresultaat belasten.
Mijnheer de minister, we hebben in het verleden
al vaak gepraat over de afschaffing van een belasting op
drijfkracht. Er zijn collega’s die aandringen op die
afschaffing. Ze hebben ongelijk. Ik wil best aannemen dat de
belasting op drijfkracht een anachronisme is en niet meer van
deze tijd is. Maar er is een enorm groot probleem. Ik geef een
voorbeeld uit de stad Gent dat mutatis mutandis zal gelden voor
de meeste andere steden, want de belasting op drijfkracht wordt
vooral geheven in steden waar er industrie is. De stad Gent
heeft 18 miljoen euro opbrengst van lokale bedrijfsbelastingen.
Van die 18 miljoen euro komt 13 miljoen euro van de belasting op
drijfkracht, meer dan twee derde dus. 5 miljoen euro van die 13
miljoen euro komt van ArcelorMittal, het grootste staalbedrijf
in deze deelstaat. In het totaal zijn er dus 1000
belastingplichtigen in Gent die een belasting op drijfkracht
betalen, op een mogelijk totaal van 30.000 bedrijven die
belastbaar zijn voor bedrijfseconomische activiteiten. Als u de
belasting op drijfkracht afschaft en de Vlaamse Regering zorgt
niet voor een compensatie, hoe kan dan een stad als Gent – en
mutatis mutandis andere steden en gemeenten – deze ontvangsten
compenseren? Het resultaat zal zijn dat, in plaats van de grote
1000 bedrijven, alle 30.000 bedrijven – slagers en kappers ook –
zullen moeten betalen. We hebben geen andere middelen om
economische activiteiten op een goede manier te laten bijdragen
in de financiering van openbare goederen en diensten.
Open Vld is geen voorstander van de stelling
‘hoe minder belasting, hoe beter’. We moeten zorgen dat elke
maatschappelijke geleding op de meest efficiënte manier – met zo
weinig mogelijk administratieve last – haar bijdrage levert.
De voorzitter: De heer Watteeuw heeft het
woord.
De heer Filip Watteeuw: Mijnheer de
voorzitter, mijnheer de minister, geachte collega’s, ik vind het
interessante vragen, maar ik erger me wat aan de teneur. De
heren Verfaillie en van Rouveroij geven aan dat er te veel
lokale belastingen en te veel bedrijfsbelastingen zijn en dat
het vooral pestbelastingen zijn. Ik heb wat ervaring met het
lokale niveau, niet als bestuurder, maar als gemeenteraadslid.
Ik ervaar dat de lokale besturen niet zo maar ijdel belastingen
heffen. Ik vind de teneur van de vraagstelling dus niet correct.
De cijfers bevestigen dit trouwens. De heer van
Rouveroij heeft er al naar verwezen, maar ik zal de cijfers nog
wat correcter maken. Lokale belastingen maken 7,3 percent uit
van alle belastingen. Van alle lokale belastingen is er 22
percent gericht op bedrijven. Dit is dus geen 2 percent, maar
1,5 percent van de totale belastingdruk van bedrijfsbelastingen.
Men zegt dat er 47 soorten belastingen zijn. Dat
is natuurlijk nonsens. Ieder bedrijf is maar op één locatie
gevestigd en wordt maar met één of soms twee belastingen
geconfronteerd. Die 47 belastingen hebben betrekking op heel
Vlaanderen en dit heeft geen impact op de bedrijven.
Men verwees naar Genk. Ik heb eens gekeken op de
website van de stad Genk welke bedrijfsbelastingen daar bestaan
en ook in een document van de VVSG. Genk is niet de stad die de
meeste bedrijfsbelastingen heft. In een oplijsting van de VVSG
heb ik één soort bedrijfsbelasting gezien. Ik vind dat iets te
makkelijk wordt beweerd dat er te veel lokale
bedrijfsbelastingen zijn.
De heer Verfaillie wees er al op dat er
natuurlijk dienstverlening verbonden is aan de belastingen. Als
we gemeenten minder financiële mogelijkheden geven, dan betekent
dat natuurlijk dat er minder dienstverlening zal zijn, denken we
aan loketdiensten, brandweer, bewegwijzering, de inrichting van
bedrijventerreinen enzovoort.
In opdracht van onder meer Voka werd ooit een
benchmarkrapport gemaakt over de bedrijfsvriendelijkste
gemeente. Een van de conclusies luidt dat lokale belastingen
geen doorslaggevend element zijn om als bedrijfsvriendelijke
gemeente bestempeld te worden. Het belangrijkste voor bedrijven
is dat ze ‘value for money’ krijgen, dat ze dus een
rechtvaardigheidsgevoel krijgen: ze betalen en ze krijgen daar
ook iets voor terug. Het benchmarkrapport spreekt de teneur van
de vragen helemaal tegen.
Ik heb nog een laatste bedenking en die gaat
over de belasting op de bedrijfskracht. Dat is natuurlijk een
belasting die maar een beperkte impact heeft: 2,7 percent van
alle gemeentelijke belastingen. Nogal wat partijen spreken over
de vergroening van de economie. De belasting op drijfkracht kan
misschien gemoderniseerd worden. Ik zal dit niet tegenspreken,
maar wanneer we het hebben over de vergroening van de economie,
dan betekent dat ook dat we de belastingen die nu vooral op
arbeid worden geheven, verplaatsen naar bijvoorbeeld belasting
op energiegebruik. En eigenlijk is de belasting op drijfkracht
een soort belasting op energieverbruik. Misschien is deze
ouderwetse belasting dus een veel modernere belasting dan we
beseffen.
De voorzitter: De heer Crombez heeft het
woord.
De heer John Crombez: Mijnheer de
voorzitter, ik wil toch nog even kort verwijzen naar het begin
van de vergadering. De discussie waar de vraag wordt behandeld,
vind ik terecht, want de vraagformulering van de eerste
vraagsteller gaat al in de richting van een andere bevoegdheid.
Ik wil niet dat intenties aan mijn partij worden toegeschreven
door andere partijen, of dat men ons evalueert. We zullen dat
zelf wel doen.
De drie betogen van de vorige sprekers geven de
teneur van de discussie heel goed weer. Als er iets belangrijk
is in begrotingstermen, dan is het dat – wat de vorige regering
ook heeft gesteld – een evaluatie van de maatregelen opportuun
is, want veel van de afgeschafte belastingen en instrumenten of
voorstellen voor afschaffingen, hadden een bepaald doel. De
discussie gaat niet over de vraag of het al dan niet
pestbelastingen zijn, maar wel over de vraag of er een evenwicht
is tussen inkomsten en maatregelen, en over wat de impact van
die maatregelen is, of ze nog steeds even doelmatig zijn.
Een evaluatie is heel nuttig en het was ook de
bedoeling om te evalueren naar doelmatigheid. Het ESR-vraagstuk
zal hier sowieso bij komen kijken en dit werd al een hele tijd
afgesproken. Ik was al van plan om hierover een vraag te
stellen, vandaar dat ik me nu gewoon aansluit. In het kader van
de globale evaluatie is het voor ons ook bijzonder interessant
om eens te zien wat de impact is van de maatregel inzake de
forfaitaire huisvuilbelasting die in het pakket van het lokaal
fiscaal pact zat. Het is nuttig om eens te bekijken wat de
totaliteit van de verschillende maatregelen heeft betekend in
het lokaal fiscaal pact. Ik sluit me heel graag aan bij de
vorige drie sprekers.
De voorzitter: De heer Van den Heuvel heeft
het woord.
De heer Koen Van den Heuvel: Mijnheer de
voorzitter, ik sluit me ook heel kort aan, want ik meen dat de
collega’s al heel wat waarheden hebben verteld. Het is toch wel
opvallend dat er een verschil is tussen partijen die
beleidsverantwoordelijkheid dragen op alle niveaus en partijen
die permanent in de oppositie zitten, want de responsabilisering
is een heel belangrijk element in deze discussie. Als we
enigszins consequent willen zijn en we pleiten ervoor dat degene
die het beleid maakt ook verantwoordelijk is voor de middelen
die daarvoor gehaald moeten worden, dan is dit ook voor de
gemeenten zo. Als we pleiten voor het afschaffen van lokale
belastingen, dan kunnen we evolueren naar het Nederlandse model,
waar de impact van de lokale eigen fiscaliteit veel kleiner is.
In Europa bestaan zulke modellen, maar ik meen dat het goed is
dat we de responsabilisering voor lokale besturen behouden, want
als we dat ook bepleiten bij andere staatshervormingen, is het
een consequente daad om dit door te trekken naar de lokale
besturen.
Er werd al gesproken over de dienstverlening.
Natuurlijk moeten we voldoende middelen hebben voor de
dienstverlening, maar het is misschien ook goed om nog eens mee
te geven, zeker in tijden van crisis, dat bijna de helft van de
publieke investeringen in ons land door lokale besturen
gebeuren. Zij zijn vandaag heel belangrijk om de
investeringsmotor op gang te houden.
Collega’s hebben al voldoende belicht dat we ook
het aandeel van de bedrijfsbelastingen op het lokaal niveau in
het geheel niet moeten overdrijven. De cijfers hebt u daarnet
gehoord. U hebt natuurlijk het beenhouwersvoorbeeldje van Ford
Genk aangehaald. In mijn gemeente zijn er toch ook een aantal
grotere bedrijven, maar ik heb nog geen enkele keer gehoord dat
de lokale belastingen het grote probleem vormen om een
uitbreiding te doen of om al dan niet te komen naar het
economische hart. Op Vlaams niveau betreft het de
vergunningencarrousel en op federaal niveau de
vennootschapsbelasting en de gewone belasting.
We moeten alles absoluut in de juiste context
zien en dan komen we opnieuw bij het eerste principe van de
fiscale autonomie terecht dat elke gemeente haar eigen structuur
heeft en dat sommige gemeenten met hun bestuursmeerderheid
liever die activiteiten belasten en andere gemeenten andere.
Maar laat die beslissing over aan het lokaal bestuur, want dat
wordt er elke zes jaar op afgerekend.
Wil dit zeggen dat we geen kader moeten bieden?
De vorige regering heeft dat wel gedaan, op een goede manier.
Die regering heeft de juiste toon gevonden door, zoals de heer
van Rouveroij al heeft gezegd, een pact van evenwaardige
partners te sluiten. We kijken allemaal uit naar de evaluatie.
Die is ook nodig, maar ik vermoed dat wanneer we goed om ons
heen kijken, we zullen merken dat het nogal meevalt en dat beide
partners hun woord hebben gehouden.
De voorzitter: De heer Van Dijck heeft het
woord.
De heer Kris Van Dijck: Mijnheer de
voorzitter, mijnheer de minister, collega’s, de hele discussie
over het lokaal fiscaal pact is in essentie terug te brengen tot
‘wie doet wat?’ en ‘wat is de verantwoordelijkheid van elk
niveau?’. We kunnen dit natuurlijk niet los zien van wat al heel
lang de discussie is over het kerntakendebat.
De verdienste van het vorige lokaal fiscaal pact
is toch wel degelijk dat het, zoals het zelf zegt, een pact is,
een afspraak die werd gemaakt en waarbij ook kostencompenserende
maatregelen vanwege de Vlaamse overheid gegenereerd werden. Het
is natuurlijk heel eenvoudig om te zeggen welke belastingen
afgeschaft zouden moeten worden. Voorgaande sprekers hebben
terecht aangehaald dat van die lokale besturen, van die
gemeenten en steden, heel wat wordt verwacht. Ook moeten de
lokale besturen er natuurlijk voor zorgen dat hun fiscaal
plaatje klopt. De meeste gemeentebesturen zijn op dit ogenblik
ook bezig met de begrotingsopmaak 2010. Ook zij zullen
vaststellen, dat merk ik toch in mijn gemeente, dat de kosten
blijven stijgen, maar dat de inkomsten stagneren of dat
opbrengsten zelfs achteruitgaan. De lokale besturen zitten toch
ook met een heel moeilijke opdracht, net zoals de Vlaamse
overheid.
De verdienste van het fiscaal pact was inderdaad
dat de lokale besturen van ons iets kregen, namelijk de overname
van de schulden, als daar iets tegenover stond. Ik denk,
mijnheer de minister, dat wanneer we op die weg verder willen
gaan, we dit niet mogen loskoppelen van wat we verwachten van de
lokale besturen en van de taken die ze volgens ons op zich
moeten nemen. Ook wanneer we dit vanuit het perspectief bekijken
van de economie en van de bedrijven, moeten ze ten volle
kwaliteit kunnen blijven garanderen. Het gaat om een manier
waarop een partnerschap kan worden gesloten en waarin wordt
bepaald wat wij doen vanuit de Vlaamse overheid en wat de lokale
besturen doen.
Het lokaal fiscaal pact heeft zeker verdiensten
gehad, de vraag is natuurlijk in hoeverre we op die manier
verder kunnen werken, ook gelet op de budgettaire ruimte binnen
Vlaanderen, maar achter het principe kan volgens mij eenieder
staan, want indien dat niet zo was, dan hadden niet alle
gemeenten ingetekend.
De voorzitter: Minister Muyters heeft het
woord.
Minister Philippe Muyters: Ik moet eerlijk
zeggen dat ik het heel boeiende betogen vond. Ik zal echt wel
onthouden dat ik voor mijn vorige job bij een vorige organisatie
een pluim heb verdiend, want ik heb nooit eerder geweten dat
Voka zo vaak naar voren werd gebracht tijdens een debat in het
parlement. Ik beschouw dat als een pluim die ik op mijn hoed kan
steken voor vroeger geleverd werk.
Mijnheer Janssens, uw verbaasdheid verbaast mij.
Ik dacht dat ook uw partij, zoals de meeste partijen hier
aanwezig, pleit voor efficiëntie. Volgens mij betekent
efficiëntie dat de juiste vragen op de juiste plaats worden
gesteld, maar dit is niet de juiste plaats voor deze vraag. De
bevoegdheden werden vastgelegd en ik kan alleen maar
vaststellen, en dat is ook de reden waarom ik vorige week
contact heb opgenomen met de secretaris, dat de meeste vragen
die werden gesteld niet echt te maken hadden met mijn
bevoegdheden. Met name het overleg met de gemeenten is een
bevoegdheid van mijn collega, minister Bourgeois. Een fiscaal
pact werd in de vorige regering niet door minister Van Mechelen,
maar door minister Keulen gesloten.
Volgens mij hoort een fiscaal pact tot de
bevoegdheden van minister Bourgeois. Het is overigens gebleken
uit de meeste betogen van de sprekers vandaag dat dit te maken
heeft met het lokaal beleid. Zo werden genoemd: dienstverlening
van de lokale besturen, de lokale inkomsten, de onjuistheid van
de term ‘pestbelastingen’, de nood aan het koppelen van
bevoegdheden aan voldoende eigen fiscaliteit – iets wat we ook
op Vlaams niveau nog meer zouden kunnen doen –, de vraag naar
compensatie voor drijfkracht, de budgettaire problematiek van de
gemeenten en de koppeling aan taken van de gemeenten. Dit is
duidelijk een bewijs dat het gaat om de gemeentelijke
bevoegdheden en dus thuishoort bij de bevoegdheden van mijn
collega, minister Bourgeois.
Het zou getuigen van inefficiëntie, maar ook van
gebrek aan respect tegenover u, dat ik als niet-bevoegde
minister hier een antwoord zou komen voorlezen van mijn collega,
minister Bourgeois. Daar vind ik het onderwerp te belangrijk
voor. Ik stel dus voor dat de meeste vraagstellers hun vraag
opnieuw stellen, maar zich richten tot mijn collega. Hij zal
wellicht op de meeste van de vragen een passend antwoord kunnen
geven.
Wat mijn bevoegdheden betreft, kan ik u
bevestigen dat het fiscaal pact zonder verlenging, effectief
eind van dit jaar wordt afgesloten, dat de overname van de
schulden van de lokale besturen, een bijzonder omvangrijke – u
zegt ‘beperkte’ – operatie, exact binnen de vooropgestelde
termijn werd beëindigd, dat het Vlaamse Gewest zelfs, en dit via
voorschotregeling, de door de lokale besturen gederfde
opcentiemen op de onroerende voorheffing voor de maatregel
inzake materieel en energie, heeft doorgestort naar de gemeenten
en dat we dus eigenlijk volledig op punt staan. De precieze
kostprijs van de maatregel onroerende voorheffing, zal ik pas
kunnen geven nadat de inkohiering van de onroerende voorheffing
2009 grotendeels afgesloten zal zijn. U weet, een aantal onder u
hebben daar vragen over gesteld, dat door verschillende factoren
een vertraging werd opgelopen – ik herinner u aan een van de
vragen tijdens een vorige commissievergadering.
Tot mijn spijt moet ik het hierbij houden. Ik
vind het een boeiende discussie, maar ze hoort thuis bij collega
Bourgeois.
De voorzitter: De heer Janssens heeft het
woord.
De heer Chris Janssens: Mijnheer de
minister, in welke commissie deze discussie moet worden gevoerd,
wordt niet door ons bepaald. De regering moet dat uitmaken. Mijn
vraag was geagendeerd in deze commissie, en pas de dag voordat
ze behandeld zou worden, kreeg ik om 17 uur het bericht dat ze
niet aan bod zou komen omdat het niet uw bevoegdheid was. Mijn
verbazing betrof dus voornamelijk het late tijdstip van
verwittigen, en niet de keuze van de commissie waarin de vraag
behandeld zou worden.
Collega’s, wij willen de lokale besturen zeker
niet bestempelen als fiscale boemannen voor bedrijven. Elke
verkozen overheid moet beleidskeuzes maken, en uiteraard heeft
ze daar een bron van inkomsten voor nodig. Daartegenover staat
dan dat van elke stad of gemeente een goede dienstverlening kan
worden verwacht.
Het voorwerp van interesse van mijn vragen was
voornamelijk of minister Muyters zijn uitspraken, toen nog als
gedelegeerd bestuurder van Voka, waarin hij pleitte voor een
verlenging van het lokaal fiscaal pact, heeft kunnen meenemen in
de besprekingen over het regeerakkoord.
In het nieuwe regeerakkoord zijn ze in elk geval
niet opgenomen. Wij zouden graag vernemen of hij zijn uitspraken
van destijds ook heeft kunnen omzetten in beleidsdaden. De te
hoge fiscale druk in dit land heeft zeker niet in eerste
instantie te maken met de lokale belastingen.
Mijnheer Van Dijck, ik heb het standpunt van de
N-VA teruggevonden op Verkiezingssite.be onder het thema
Economie en Fiscaliteit. Daar staat letterlijk: “Wij willen dat
Vlaanderen een nieuw fiscaal pact sluit met de gemeenten. Dat
leidt tot de afschaffing van de belasting op de drijfkracht,
zonder dat de lokale belastingtarieven worden verhoogd.” Ik stel
vast dat heel wat collega’s kritisch zijn tegenover het lokaal
fiscaal pact, dat ze in de vorige legislatuur nochtans hebben
goedgekeurd. (Opmerkingen)
Als men dan vraagt of er een eventuele
verlenging van het pact komt, is men verontwaardigd over de
teneur van de inhoud van de vragen, die enkel informatief waren
en vooral peilden naar de intenties van minister Muyters.
Mijnheer de minister, wij betreuren dat u dit
alweer doorverwijst naar minister Bourgeois en er een kat-en-
muisspelletje van maakt. U kunt toch niet ontkennen dat het
afsluiten van het lokaal fiscaal pact ook impact zal hebben op
de begroting? U had dan toch in overleg met minister Bourgeois
uw antwoord kunnen afstemmen?
De heer Lode Vereeck: Ik moei mij niet in
het debat over wie hier nu moet komen antwoorden. Als er maar
iemand komt antwoorden, zou ik zeggen. In de vorige jaren was
het wel zo dat minister van Begroting Van Mechelen hier een
heleboel vragen over het lokaal fiscaal pact heeft beantwoord.
Voor mij is dat niet zo’n relevante discussie. Als er maar
mensen zijn om de vragen te beantwoorden.
Er werd gezegd dat de kritiek vanuit de
oppositie te gratuit zou zijn en dat er een groot verschil is
tussen partijen die beleid voeren en de partijen die in de
oppositie zitten. In België maakt dat weinig verschil: er zijn
partijen die beleid voeren en die niets doen, terwijl partijen
die in de oppositie zitten, niets kúnnen doen. Zo veel verschil
maakt dat dus niet.
Wij hebben nooit gezegd dat de gemeente geen
nuttige dingen zou doen. De gemeente doet heel nuttige dingen.
Sommige gemeenten doen ook heel onnuttige dingen, maar ze staan
inderdaad zeer dicht bij de burger, en dat is op zich al
lovenswaardig. Onze voornaamste vraag was of het klopt dat zo’n
500 miljoen euro van die lokale belastingen uit een hele reeks
verschillende belastingen bestaat. Er zijn een heleboel
dergelijke belastingen. We hebben er al een aantal genoemd. Er
is de belasting op de drijfkracht, die in het Waalse Gewest is
afgeschaft, maar er is ook de belasting op het drukwerk. U moet
maar eens aan de mensen in de horeca vragen hoeveel
verschillende soorten belastingen er allemaal op hen afkomen,
ook vanwege de lokale overheden.
Het ging er ons gewoon om dat de
kosten-batenanalyse van enerzijds de opbrengsten van al die
lokale belastingen en anderzijds de kosten om ze te innen, niet
helemaal in verhouding is. In tweede instantie kunnen we spreken
over een compensatie voor de gemeenten, maar het leek ons in
eerste instantie zo dat de beheerskosten voor de lokale
overheden te groot waren ten opzichte van de opbrengst van de
belastingen. Dan kunnen we misschien naar een globalisering
gaan, hoewel we daar in Hasselt niet zo’n goed voorbeeld van
hebben gezien. Daar heeft men eens geprobeerd om een aantal
belastingen samen te brengen, maar het gevolg was dat de horeca
gewoon in opstand kwam.
Als we het hier hebben over die 500 miljoen
euro, en we zien welke instrumenten en beheerskosten van de
lokale overheden daartegenover staan, vind ik dat we toch eens
naar een ander soort financiering van de lokale besturen moeten
gaan. Wij kunnen alleen maar herhalen wat de directeur van Ford
Genk heeft gezegd. Zijn uitspraak heeft bij ons een belletje
doen rinkelen. Ik citeer uit Het Belang van Limburg van 30
september: “Er zijn te veel lokale taksen om competitief te
blijven met de andere vestigingen van Ford. Voor ons betekent
dat per jaar een extra kost van zo’n 10 miljoen euro in totaal.
Op een productiekost van 1.500 euro is dat een competitief
nadeel van 5 percent. Ik denk dan toch dat er zich bepaalde
maatregelen opdringen.”
De heer Jan Verfaillie: De minister zegt dat
hij niet bevoegd is om te antwoorden. Ik stel voor dat we de
discussie over veertien dagen overdoen bij minister Bourgeois.
Voor mij was deze discussie alvast zeer nuttig. De collega’s van
het Vlaams Belang en van LDD zijn tot inzicht gekomen. Als je
hun oorspronkelijke vraagstelling naast hun repliek legt, blijkt
dat die al heel sterk is afgezwakt. Beide partijen zijn, door
deze discussie, de mening toegedaan dat de lokale besturen goede
dingen doen, en dat wij als lokale besturen geen belastingen
heffen om belastingen te heffen.
Mijnheer Janssens, als West-Vlaming ben ik
totaal vreemd aan Limburg, waarvoor mijn excuses, maar ik denk
dat de stad Genk heel wat investeringen heeft gedaan in
wegeninfrastructuur, toegang en nog vele andere zaken om Ford
Genk vanuit Limburg een poort op Europa en de wereld te bieden.
Ik vond deze discussie zeer nuttig, mijnheer de
minister. Ik hoop dat de collega’s van het Vlaams Belang en van
LDD nu voor eens en voor altijd zullen stoppen met de lokale
besturen af te schilderen als boemannen.
De heer Koen Van den Heuvel: Mijnheer
Vereeck, hoe ziet u die nieuwe financiering van lokale besturen?
Verschillende partijen dragen die responsabilisering hoog in het
vaandel. Die is er nu in Vlaanderen. Wilt u die afbouwen? Wilt u
die versterken? We blijven daar wat op onze honger.
Zes maanden geleden heeft uw partij nog de
afschaffing van de onroerende voorheffing op de woningen
bepleit. U zou zo een gat van bijna anderhalf miljard euro
hebben geslagen in de financiering van de lokale besturen. Nu
wilt u de bedrijfsbelastingen afschaffen. Dat neigt toch naar
een demagogische opstelling ter zake. Dat staat ver af van goed
bestuur.
De heer Sas van Rouveroij: De heer Vereeck
dacht dat ik mij daarnet had versproken toen ik het had over
belastingverlagingen. Natuurlijk is Open Vld voor
belastingverlaging, maar niet wanneer dat gebeurt door een
belasting die enkelen treft, te verspreiden over velen. Dat is
geen goede manier om belastingen te verlagen. Dat was de
context. Zo was het bedoeld, voor zover ik mij versproken zou
hebben.
Ik ben ook nieuw in dit parlement, net zoals u,
mijnheer de minister. Maar men zegt mij dat uw voorganger, Dirk
Van Mechelen, wel degelijk werd ondervraagd in deze commissie
bij de voorbereiding van het lokaal fiscaal pact en de opvolging
ervan. Waarom zouden we het debat over het lokaal fiscaal pact
dan nu niet opnieuw in deze commissie kunnen voeren?
Ik stel met genoegen vast dat iedereen over de
partijgrenzen heen heel tevreden was over het lokaal fiscaal
pact. Het was ook een zeer goed initiatief van Dirk Van
Mechelen, gesteund door de ganse Vlaamse Regering. Het is wel
zo, mijnheer de minister, dat Marino Keulen het heeft verdedigd
op de algemene vergadering van de Vlaamse Vereniging van Steden
en Gemeenten (VVSG), die speciaal werd samengeroepen met het oog
op de bespreking van het lokaal fiscaal pact. In die zin zit het
wel gepaard.
In een gemeentebestuur zegt men altijd dat een
college een en ondeelbaar is. Ik ben twintig jaar schepen
geweest, en kan mij het aantal keren niet meer herinneren dat ik
voor een collega moest inspringen teneinde voor een antwoord te
zorgen. Als dat laatste niet kan, waarom nodigen we minister
Bourgeois dan niet naar hier uit, mijnheer de voorzitter? Kan
dat?
De voorzitter: Ik heb deze bespreking
toegelaten ten aanzien van minister Muyters. Ik heb de minister
ook gezegd dat hij moest antwoorden binnen zijn eigen
bevoegdheden. Als er vragen zijn voor minister Bourgeois, moeten
die aan hem worden gesteld. Toenmalig minister Van Mechelen
heeft vanuit zijn bevoegdheid beslist om de overschotten
eenmalig als schuldverlichting te gebruiken. Hij heeft daar toen
een aantal voorwaarden aan gekoppeld. Het was inderdaad Marino
Keulen die op de vergadering van de VVSG heeft gezegd aan welke
voorwaarden moest worden voldaan. Daar is dan een aantal keren
over gesproken in deze commissie, zij het in een algemene
context. Maar laat ons die discussie nu niet voeren.
Minister Philippe Muyters: Mijnheer de
voorzitter, collega’s, ik zal het verslag van deze commissie
overmaken aan minister Bourgeois, zodat, als het onderwerp daar
hernomen wordt, niet de hele discussie moet worden overgedaan en
er op een efficiënte manier onmiddellijk tot het debat kan
worden overgegaan.
Mijnheer Janssens, ik ben blij dat u de
verdeling van de bevoegdheden niet in vraag stelt. Maar het
heeft natuurlijk zijn consequenties in welke commissie u welke
vraag stelt. Ik heb begrepen dat elk parlementslid in elke
commissie vragen kan stellen. Op die manier kan dat dus opgelost
worden.