Vraag om uitleg van de heer Chris Janssens tot de heer Philippe Muyters, Vlaams minister van Financiën, Begroting, Werk, Ruimtelijke Ordening en Sport, over het lokaal fiscaal pact

Vraag om uitleg van de heer Lode Vereeck tot de heer Philippe Muyters, Vlaams minister van Financiën, Begroting, Werk, Ruimtelijke Ordening en Sport, over het lokaal fiscaal pact

Vraag om uitleg van de heer Jan Verfaillie tot de heer Geert Bourgeois, viceministerpresident van de Vlaamse Regering, Vlaams minister van Bestuurszaken, Binnenlands Bestuur, Inburgering, Toerisme en Vlaamse Rand, over de toepassing van het lokaal pact tussen de Vlaamse Regering, de Vlaamse gemeenten en de Vlaamse provincies, in het bijzonder wat betreft de compensatie voor de vrijstelling van onroerende voorheffing op materieel en outillage

De voorzitter: Deze vragen betreffen ook bevoegdheden van minister Bourgeois en daarom heb ik aan minister Muyters gevraagd om enkel te antwoorden op vragen waarvoor hij bevoegd is. Als het antwoord niet bevredigend is, moet u de vragen ook nog eens aan minister Bourgeois stellen. Ik heb gedaan wat u hebt gevraagd en de minister is aanwezig.

De heer Janssens heeft het woord.

De heer Chris Janssens: Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, het zal u allicht verbazen, maar ik ben enigszins tevreden om u hier vandaag te mogen zien. Het gevoel is waarschijnlijk niet wederzijds, want mijn eerdere verzoek om u in deze commissie te kunnen treffen, werd door u onvriendelijk en vrij kordaat afgewezen. Ik zou een vileine opmerking kunnen maken, in de zin van dat u minister bent geworden zonder ooit parlementslid geweest te zijn en dat u misschien daardoor weinig respect hebt voor de werking van het parlement, maar ik ben zelf nieuw in deze assemblee en leg dus graag enige bescheidenheid aan de dag voor wat dit betreft. Een dergelijke opmerking zal ik vandaag, bij deze stand van zaken, dus niet maken.

Maar het staat in elk geval buiten kijf dat de bespreking over het lokaal fiscaal pact perfect past binnen het bestek van deze commissie, de commissie die vergadert over aangelegenheden met betrekking tot het algemeen financieel en fiscaal beleid en het begrotingsbeleid van de Vlaamse Gemeenschap. Zeggen dat u niet bevoegd bent voor deze materie, is volgens ons dan ook niets minder dan het ontlopen van uw verantwoordelijkheid. Ik ben daarom ook tevreden dat alle leden van deze commissie, inclusief de commissievoorzitter, vorige week unaniem – alleen de N-VA sprak zich niet uit – hun afkeer hebben laten blijken voor de manier waarop u dacht te werk te moeten gaan.

De heer Kris Van Dijck: Mijnheer de voorzitter, ik wil toch even iets kwijt over de procedure. Mijnheer Janssens, het is inderdaad niet alleen het recht, maar ook de plicht van elk parlementslid om vragen te stellen, maar er bestaan ook afspraken en regels die stellen dat de vraag beantwoord wordt door de juiste persoon. En ik meende te weten dat ook de regering steeds het recht heeft om te beslissen wie op welke vraag antwoordt. U kunt dit niet afwimpelen als het niet nemen van zijn verantwoordelijkheid door een minister, of die nu van CD&V, N-VA of sp.a is. Elk parlementslid heeft er baat bij om het juiste antwoord te krijgen van de persoon die verantwoordelijk en bevoegd is. Ik betreur dan ook uw stellingname in dezen waarmee u tracht om een minister in diskrediet te brengen.

De voorzitter: Mijnheer Janssens, ‘to the point’ nu, want de discussie over de bevoegdheden is voorbij.

De heer Chris Janssens: Mijnheer de voorzitter, ik kom ‘to the point’, maar de heer Van Dijck heeft het over de procedure. Weigeren om een vraag te beantwoorden en daarvan berichten de dag voor ze aan bod komt, terwijl ze al een week op voorhand was ingediend, is toch een uiting van weinig collegialiteit.

De voorzitter: Mijnheer Janssens, u bent nog jong in dit parlement. Dit werd behandeld, de minister is hier en u hebt uw vraag. Stel nu uw vraag.

De heer Chris Janssens: Ik kom meteen tot het voorwerp van mijn vraag, mijnheer de voorzitter, maar ik wil terzijde toch nog even vermelden dat ik aangenaam verrast was dat zowel de toelichting bij mijn vraag om uitleg als mijn vragen zelf, een bron van inspiratie hebben mogen vormen voor de heer Vereeck, die na afloop van de commissievergadering van vorige week ei zo na dezelfde vraag heeft ingediend.

Eind dit jaar loopt het fiscaal pact tussen de Vlaamse overheid en de Vlaamse gemeenten en provincies af. Het fiscaal pact dat door alle 308 Vlaamse gemeenten ondertekend werd, is onder meer bedoeld om te komen tot een meer bedrijfsvriendelijke lokale fiscaliteit.

Het pact voorziet op gemeentelijk niveau in een bevriezing van de aanslagvoeten, het verbod op nieuwe belastingen en het afschaffen van onder meer de forfaitaire huisvuilbelasting en de belasting op tewerkgesteld personeel en kantoorruimten. In ruil nam de Vlaamse Regering een deel van de gemeenteschuld over a rato van 100 euro per inwoner, voor een totaalbedrag van bijna 642 miljoen euro.

De discussie over het lokaal fiscaal pact past ook in de algemene discussie over lokale belastingen. Als gevolg van de fiscale autonomie van de steden en gemeenten kunnen ze eigen bedrijfsbelastingen invoeren. Het gaat onder meer om belasting op drijfkracht, allerhande milieutaksen, belasting op reclameborden enzovoort. Voka becijferde dat er maar liefst 47 soorten belastingen bestaan voor een totaal van 500 miljoen euro inkomsten. De belastingen leggen een grote druk op de bedrijven, zowel financieel als administratief, wat hun concurrentiepositie zwaar aantast.

Ook grote industrietakken zoals de automobielindustrie, die erg onder de economische crisis lijdt, hebben te kampen met lokale belastingen. In de marge van de rondetafelconferentie over de voertuigenindustrie van de Vlaamse Regering, liet de algemeen directeur van Ford Genk verstaan dat de Genkse Fordvestiging met te veel lokale taksen belast wordt om ten volle te kunnen concurreren met de andere vestigingen van Ford.

Mijnheer de minister, werd er reeds een evaluatie gemaakt van het lokaal fiscaal pact? Zo ja, wat waren de resultaten hiervan? Zo neen, waarom is dit nog niet gebeurd? Was er een impact op de totale belastingdruk voor bedrijven door de invoering van het fiscaal pact? Zo ja, in welke mate? Zo neen, wat is de verklaring hiervoor? Wordt het fiscaal pact met de lokale besturen verlengd na 2009? Zo ja, zal het dezelfde modaliteiten omvatten als het oorspronkelijke fiscaal pact? Zo neen, zult u dan maatregelen nemen ter compensatie van het huidige fiscaal pact? Zult u in het kader van de besprekingen over een eventuele verlenging van het fiscaal pact ook de problematiek van de belasting op drijfkracht aankaarten? Bent u van mening dat deze belasting, die geen rekening houdt met bedrijfsresultaten, best wordt afgeschaft en zo ja, welke stappen zult u daartoe zetten?

De voorzitter: De heer Vereeck heeft het woord.

De heer Lode Vereeck: Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, collega’s, wij van LDD waren ook al een tijdje naar het lokaal fiscaal pact aan het kijken, en toen de vraag van de heer Janssens de vorige keer werd ingetrokken, om redenen die ons op dat moment onduidelijk waren, hebben wij ze maar ingediend. Daarmee is de bezorgdheid van de heer Janssens hopelijk enigszins gemilderd.

In 2008 werd het zogenaamde lokaal fiscaal pact gesloten, met verplichtingen langs beide kanten. Aan Vlaamse kant ging het over het overnemen van de schulden. Daartegenover stond dat de Vlaamse gemeenten zich engageerden om zelf hun belastingen niet te verhogen. De houding van mijn partij ten opzichte van het lokaal fiscaal pact is altijd dubbel geweest.

Enerzijds vinden we het een heel goede zaak. Schuldovername zorgt er immers voor dat de gemeenten jaarlijks zo’n 30 miljoen euro minder moeten betalen aan interesten. In totaal gaat het om 180 miljoen euro over de komende jaren. Anderzijds zijn wij heel sceptisch blijven staan tegenover de engagementen van de gemeenten, omdat we bezorgd waren of de gemeenten wel voldoende tegenover die genereuze schuldovername zouden stellen.

Eind dit jaar loopt het pact af, en dus hebben wij een aantal vragen, mijnheer de minister. Werden de doelstellingen naar uw mening gehaald? Werd het lokaal fiscaal pact door alle partners gerespecteerd? Zijn er gemeenten die de engagementen niet zijn nagekomen en die het pact dus eigenlijk overtreden hebben? Wat was de uiteindelijke impact van het lokaal fiscaal pact op de belastingdruk voor de bedrijven, zo die er al zou zijn geweest?

Mijn tweede reeks vragen heeft betrekking op het reeds eerder aangekaarte probleem van de lokale fiscaliteit. Recente cijfers van Voka geven aan dat bedrijven in Vlaanderen ongeveer 1 miljard euro aan lokale belastingen betalen, boven op de federale vennootschapsbelasting. De voornaamste betreffen de opcentiemen op de onroerende voorheffing en op de personenbelasting. Daarnaast bestaan er alles samen 47 verschillende soorten bedrijfsbelasting, die enkel verschuldigd zijn door bedrijven. Het gaat bijvoorbeeld om de belasting op de verspreiding van reclame, de belasting op drijfkracht enzovoort. Die eigen bedrijfsbelastingen leveren de lokale besturen volgens Voka zo’n 500 miljoen euro op. Naast de financiële last brengen die lokale belastingen ook een zware administratieve last met zich mee. Kunt u de cijfers van Voka bevestigen? Is die veelheid aan lokale belastingen, waardoor bedrijven ook nog eens geconfronteerd worden met een administratieve rompslomp, voor u een probleem? Zo ja, welke maatregelen plant u om die rompslomp te verminderen?

De belasting op drijfkracht is een belasting op het vermogen van motoren en machines die door een onderneming worden gebruikt. Die belasting staat op geen enkele manier in verband met de prestaties van een bedrijf. Ze treft in hoofdzaak industriële bedrijven. De industriële sector is bijzonder gevoelig voor een delokalisatiedruk, in belangrijke mate vanwege de hoge fiscale last. Een logische stap is dus het afschaffen van die belasting. Het Waalse Gewest is ons daar trouwens al in voorgegaan en heeft de belasting op drijfkracht afgeschaft. Wat is de opbrengst van de belasting op drijfkracht voor alle Vlaamse gemeenten samen? Bent u het eens met de stelling dat de belasting op drijfkracht dient te worden afgeschaft? Welke stappen zult u daartoe zetten, binnen welke termijn en volgens welke modaliteiten?

Eind 2009 loopt het lokaal fiscaal pact af. In het regeerakkoord hebben wij niets gelezen over een nieuw fiscaal pact. Voorziet de regering alsnog in een nieuw pact met de lokale besturen? Zo ja, wat zijn de krachtlijnen daarvan? Zo neen, waarom acht de regering dat niet nodig?

De voorzitter: De heer Verfaillie heeft het woord.

De heer Jan Verfaillie: Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, collega’s, ik heb de indruk dat heel wat parlementsleden de lokale besturen als fiscale boemannen zien, alsof wij enkel belastingen zouden heffen om de mensen en de bedrijven te pesten. Dat is allesbehalve het geval, collega’s. Wij moeten een bepaalde werking van onze gemeentediensten verwezenlijken, wij moeten ervoor zorgen dat bedrijven die vergunningen aanvragen, op een correcte manier behandeld worden, binnen vooropgestelde termijnen. Wij moeten ervoor zorgen dat ons wegennet in goede staat is, zodat de bedrijven op een deftige manier ter plaatse raken en wij nieuwe bedrijventerreinen kunnen aanbieden tegen betaalbare prijzen. Dat zijn allemaal zaken die centen kosten.

De meeste lokale mandatarissen weten maar al te goed dat geen enkel lokaal bestuur belastingen heft om mensen of bedrijven te pesten. Dat moet me van het hart. Er wordt altijd gesproken van pestbelastingen voor bedrijven, omdat die niet resultaatsgericht zijn. Lokale besturen hebben echter bijna geen mogelijkheden, via andere wetten, via de Grondwet of andere zaken, om resultaatsgerichte belastingen te heffen. Zo mogen we bijvoorbeeld geen opcentiem op de vennootschapsbelasting vragen. We zijn dus genoodzaakt om andere belastingen in het leven te roepen, om ervoor te zorgen dat onze rekeningen op het einde van het jaar kloppen. (Opmerkingen van de heer Lode Vereeck)

Ik heb het over de tegenwoordige tijd. Het moet nu voor eens en voor altijd gedaan zijn om de lokale besturen af te schilderen als boemannen voor de bedrijven. Dat klopt helemaal niet. Ik wil u uitnodigen naar mijn eigen stad. Recent zijn heel wat bedrijven zich daar komen vestigen. Op de eerste plaats vragen ze hoe lang het duurt om een stedenbouwkundige vergunning te krijgen, dan hoe lang het zal duren voor ze hun milieuvergunning krijgen, dan hoe het zit met de mobiliteit, en pas in laatste instantie vragen ze wat de lokale fiscale druk is. Dat de gemeenten en de gemeentelijke mandatarissen worden afgeschilderd als boemannen, moet dus voor eens en voor altijd ophouden.

Mijnheer de minister, een van de aspecten van het lokaal fiscaal pact was de vrijstelling van onroerende voorheffing op materieel en outillage. Er werd ter zake gestipuleerd dat de Vlaamse Regering de gemeenten en provincies voor 100 percent zou compenseren voor de gederfde opcentiemen ten gevolge van die vrijstelling. Het totaalbedrag van die maatregel werd geraamd op 75 miljoen euro en de compensatie zou individueel per gemeente en provincie worden berekend, rekening houdend met de inkomstenderving.

Het probleem is het volgende. De omzendbrief met de instructies voor het opstellen van de gemeentelijke begrotingen voor 2010 bevat met betrekking tot het lokaal pact wel een passage over de engagementen van de gemeenten, maar niet over de engagementen van de Vlaamse Regering. De vraag is dan ook in welke mate de Vlaamse Regering de voornoemde compensatie van 75 miljoen euro wel effectief zal uitbetalen.

Kunt u bevestigen dat de in het lokaal pact voorziene compensatie van 75 miljoen euro voor de vrijstelling van onroerende voorheffing voor nieuw materieel en outillage aan de gemeenten en provincies zal worden uitbetaald? Zo ja, wanneer zullen gemeenten en provincies in kennis worden gesteld? Welk bedrag kunnen ze hiervoor inschrijven? We zijn immers volop bezig met de opmaak van onze begrotingen, en willen dan ook zo snel mogelijk uitsluitsel. Uit allerhande enquêtes blijkt dat de Vlaming het meest vertrouwen heeft in het lokaal bestuur. Het beleid van de gemeenten kan dus toch niet zo slecht zijn als sommigen hier stellen.

De voorzitter: De heer van Rouveroij heeft het woord.

De heer Sas van Rouveroij: Mijnheer de voorzitter, ik wil eerst en vooral benadrukken dat bij dat lokaal fiscaal pact het woord ‘pact’ heel belangrijk is. Het is afgesloten tussen evenwaardige partners. Het is als het ware een contract tussen twee bestuursniveaus. Het is niet opgelegd, noch bij decreet noch anderszins. Dat is zo omdat de gemeenten over lokale autonomie en fiscale autonomie beschikken. De vorige regering is uitgegaan van die autonomie, van het recht van gemeentebesturen om in hun eigen financiering te voorzien. Mijnheer de minister, ik ben ervan overtuigd dat u dat ook zult honoreren. Wie bepaalt, die betaalt immers ook. Wie beleid maakt, moet ook voor een deel verantwoordelijk zijn voor dat beleid, door de financiering ervan. Dat gebeurt onder meer – jammer genoeg – door het heffen van belastingen. Dat is een eerste stelling.

De tweede stelling is dat de vorige regering het lokaal pact aantrekkelijk heeft gemaakt voor de gemeentebesturen, net in het licht van die vrijwilligheid. Er was nood aan een wortel om voor de neuzen van de gemeentebesturen te hangen, om hen hiertoe aan te zetten. Dat is zeer succesvol geweest. Alle 308 gemeenten hebben ingetekend. De stimulans daarbij was die som van 643 miljoen euro die de gemeentebesturen niet mochten, maar moesten gebruiken met het oog op schuldaflossing. Daar bestond nog een kleine variant op, maar dat is te verwaarlozen.

Leden vragen u nu om die inspanningen, voor zover het lokaal pact zou worden bestendigd, te herhalen. Ik kan al in uw plaats antwoorden dat dit niet mogelijk zal zijn, vermoed ik. De context van die 643 miljoen euro was toen immers heel specifiek. De Vlaamse overheid hield een bedrag beschikbaar, en dat moest ESR-neutraal worden geïnvesteerd. Andere opties waren er niet. Dan belandde men al heel snel bij het afbouwen van schulden, omdat de perimeter van die ESR-boekhouding daarop goed van toepassing is. Die som van 643 miljoen euro werd dus aangewend in het kader van die ESR-neutraliteit.

Mijn eerste bedenking daarbij is: bestaan er vandaag überhaupt nog gelden bij de Vlaamse overheid en de Vlaamse Regering die op dezelfde wijze die ESR-neutraliteit respecteren? Zo ja, bent u bereid die middelen alsnog of voor een tweede maal in te zetten, met het oog op het stimuleren van steden en gemeenten tot het verlengen van een lokaal pact? De inspanning was in dank aanvaard. De 308 gemeenten hebben dan ook ingetekend. Ze was echter ook relatief beperkt: 643 miljoen euro is een hoop geld, maar als we dat omzetten naar de lopende uitgaven van de steden en gemeenten, ging het toch maar over 1 percent. Die 643 euro was in feite een terugbetaling van kapitaal. Daarmee wint men op de gewone dienst – de Vlaamse Gemeenschap heeft geen gewone en buitengewone diensten, maar de gemeenten wel – maar één percent dat toch wel in dank wordt aanvaard.

Ik ben het helemaal eens met wat de heer Verfaillie zegt over de pestbelastingen. Ik zal er niet over uitweiden, maar ik houd eraan om namens mijn fractie te zeggen dat steden en gemeenten geen masochisten zijn en dat die belastingen niet geheven worden om te pesten. Mocht het al de bedoeling zijn om te pesten – maar het is niet zo – dan doen we het zelfs niet goed. Het aandeel van de steden en gemeenten in de totale belastingdruk op de economie – ikneem het heel ruim, dus niet alleen bedrijfsbelasting maar ook personenbelasting, belasting op arbeid en zelfs op onroerend vermogen – bedraagt slechts acht percent. Als men hieruit de belasting op arbeid, de belasting op onroerend vermogen isoleert, dan gaat het over nog geen twee percent gemeentelijk aandeel in de fiscale druk op bedrijven.

Is er een groot probleem? Ik denk het niet. Het probleem ligt vooral in administratieve vereenvoudiging. Het feit dat 308 gemeentebesturen het zich permitteren om vaak op verschillende manieren belastbare grondslagen te innen – er zijn allerlei vrijstellingsverschillen, allerlei procedureverschillen – is ongezond. Maar dat de belastingdruk op bedrijfsactiviteiten vanwege de gemeentebesturen te hoog zou zijn, dat wil ik ten stelligste betwisten. Het financieren van publieke goederen en diensten moet worden gespreid over alle geledingen van onze samenleving: over arbeid, vermogen, onroerend goed en bedrijfseconomische activiteiten. Als gevolg van een verbod uit het Wetboek van de Inkomstenbelastingen mogen we inderdaad niet op het bedrijfsresultaat belasten.

Mijnheer de minister, we hebben in het verleden al vaak gepraat over de afschaffing van een belasting op drijfkracht. Er zijn collega’s die aandringen op die afschaffing. Ze hebben ongelijk. Ik wil best aannemen dat de belasting op drijfkracht een anachronisme is en niet meer van deze tijd is. Maar er is een enorm groot probleem. Ik geef een voorbeeld uit de stad Gent dat mutatis mutandis zal gelden voor de meeste andere steden, want de belasting op drijfkracht wordt vooral geheven in steden waar er industrie is. De stad Gent heeft 18 miljoen euro opbrengst van lokale bedrijfsbelastingen. Van die 18 miljoen euro komt 13 miljoen euro van de belasting op drijfkracht, meer dan twee derde dus. 5 miljoen euro van die 13 miljoen euro komt van ArcelorMittal, het grootste staalbedrijf in deze deelstaat. In het totaal zijn er dus 1000 belastingplichtigen in Gent die een belasting op drijfkracht betalen, op een mogelijk totaal van 30.000 bedrijven die belastbaar zijn voor bedrijfseconomische activiteiten. Als u de belasting op drijfkracht afschaft en de Vlaamse Regering zorgt niet voor een compensatie, hoe kan dan een stad als Gent – en mutatis mutandis andere steden en gemeenten – deze ontvangsten compenseren? Het resultaat zal zijn dat, in plaats van de grote 1000 bedrijven, alle 30.000 bedrijven – slagers en kappers ook – zullen moeten betalen. We hebben geen andere middelen om economische activiteiten op een goede manier te laten bijdragen in de financiering van openbare goederen en diensten.

Open Vld is geen voorstander van de stelling ‘hoe minder belasting, hoe beter’. We moeten zorgen dat elke maatschappelijke geleding op de meest efficiënte manier – met zo weinig mogelijk administratieve last – haar bijdrage levert.

De voorzitter: De heer Watteeuw heeft het woord.

De heer Filip Watteeuw: Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, geachte collega’s, ik vind het interessante vragen, maar ik erger me wat aan de teneur. De heren Verfaillie en van Rouveroij geven aan dat er te veel lokale belastingen en te veel bedrijfsbelastingen zijn en dat het vooral pestbelastingen zijn. Ik heb wat ervaring met het lokale niveau, niet als bestuurder, maar als gemeenteraadslid. Ik ervaar dat de lokale besturen niet zo maar ijdel belastingen heffen. Ik vind de teneur van de vraagstelling dus niet correct.

De cijfers bevestigen dit trouwens. De heer van Rouveroij heeft er al naar verwezen, maar ik zal de cijfers nog wat correcter maken. Lokale belastingen maken 7,3 percent uit van alle belastingen. Van alle lokale belastingen is er 22 percent gericht op bedrijven. Dit is dus geen 2 percent, maar 1,5 percent van de totale belastingdruk van bedrijfsbelastingen.

Men zegt dat er 47 soorten belastingen zijn. Dat is natuurlijk nonsens. Ieder bedrijf is maar op één locatie gevestigd en wordt maar met één of soms twee belastingen geconfronteerd. Die 47 belastingen hebben betrekking op heel Vlaanderen en dit heeft geen impact op de bedrijven.

Men verwees naar Genk. Ik heb eens gekeken op de website van de stad Genk welke bedrijfsbelastingen daar bestaan en ook in een document van de VVSG. Genk is niet de stad die de meeste bedrijfsbelastingen heft. In een oplijsting van de VVSG heb ik één soort bedrijfsbelasting gezien. Ik vind dat iets te makkelijk wordt beweerd dat er te veel lokale bedrijfsbelastingen zijn.

De heer Verfaillie wees er al op dat er natuurlijk dienstverlening verbonden is aan de belastingen. Als we gemeenten minder financiële mogelijkheden geven, dan betekent dat natuurlijk dat er minder dienstverlening zal zijn, denken we aan loketdiensten, brandweer, bewegwijzering, de inrichting van bedrijventerreinen enzovoort.

In opdracht van onder meer Voka werd ooit een benchmarkrapport gemaakt over de bedrijfsvriendelijkste gemeente. Een van de conclusies luidt dat lokale belastingen geen doorslaggevend element zijn om als bedrijfsvriendelijke gemeente bestempeld te worden. Het belangrijkste voor bedrijven is dat ze ‘value for money’ krijgen, dat ze dus een rechtvaardigheidsgevoel krijgen: ze betalen en ze krijgen daar ook iets voor terug. Het benchmarkrapport spreekt de teneur van de vragen helemaal tegen.

Ik heb nog een laatste bedenking en die gaat over de belasting op de bedrijfskracht. Dat is natuurlijk een belasting die maar een beperkte impact heeft: 2,7 percent van alle gemeentelijke belastingen. Nogal wat partijen spreken over de vergroening van de economie. De belasting op drijfkracht kan misschien gemoderniseerd worden. Ik zal dit niet tegenspreken, maar wanneer we het hebben over de vergroening van de economie, dan betekent dat ook dat we de belastingen die nu vooral op arbeid worden geheven, verplaatsen naar bijvoorbeeld belasting op energiegebruik. En eigenlijk is de belasting op drijfkracht een soort belasting op energieverbruik. Misschien is deze ouderwetse belasting dus een veel modernere belasting dan we beseffen.

De voorzitter: De heer Crombez heeft het woord.

De heer John Crombez: Mijnheer de voorzitter, ik wil toch nog even kort verwijzen naar het begin van de vergadering. De discussie waar de vraag wordt behandeld, vind ik terecht, want de vraagformulering van de eerste vraagsteller gaat al in de richting van een andere bevoegdheid. Ik wil niet dat intenties aan mijn partij worden toegeschreven door andere partijen, of dat men ons evalueert. We zullen dat zelf wel doen.

De drie betogen van de vorige sprekers geven de teneur van de discussie heel goed weer. Als er iets belangrijk is in begrotingstermen, dan is het dat – wat de vorige regering ook heeft gesteld – een evaluatie van de maatregelen opportuun is, want veel van de afgeschafte belastingen en instrumenten of voorstellen voor afschaffingen, hadden een bepaald doel. De discussie gaat niet over de vraag of het al dan niet pestbelastingen zijn, maar wel over de vraag of er een evenwicht is tussen inkomsten en maatregelen, en over wat de impact van die maatregelen is, of ze nog steeds even doelmatig zijn.

Een evaluatie is heel nuttig en het was ook de bedoeling om te evalueren naar doelmatigheid. Het ESR-vraagstuk zal hier sowieso bij komen kijken en dit werd al een hele tijd afgesproken. Ik was al van plan om hierover een vraag te stellen, vandaar dat ik me nu gewoon aansluit. In het kader van de globale evaluatie is het voor ons ook bijzonder interessant om eens te zien wat de impact is van de maatregel inzake de forfaitaire huisvuilbelasting die in het pakket van het lokaal fiscaal pact zat. Het is nuttig om eens te bekijken wat de totaliteit van de verschillende maatregelen heeft betekend in het lokaal fiscaal pact. Ik sluit me heel graag aan bij de vorige drie sprekers.

De voorzitter: De heer Van den Heuvel heeft het woord.

De heer Koen Van den Heuvel: Mijnheer de voorzitter, ik sluit me ook heel kort aan, want ik meen dat de collega’s al heel wat waarheden hebben verteld. Het is toch wel opvallend dat er een verschil is tussen partijen die beleidsverantwoordelijkheid dragen op alle niveaus en partijen die permanent in de oppositie zitten, want de responsabilisering is een heel belangrijk element in deze discussie. Als we enigszins consequent willen zijn en we pleiten ervoor dat degene die het beleid maakt ook verantwoordelijk is voor de middelen die daarvoor gehaald moeten worden, dan is dit ook voor de gemeenten zo. Als we pleiten voor het afschaffen van lokale belastingen, dan kunnen we evolueren naar het Nederlandse model, waar de impact van de lokale eigen fiscaliteit veel kleiner is. In Europa bestaan zulke modellen, maar ik meen dat het goed is dat we de responsabilisering voor lokale besturen behouden, want als we dat ook bepleiten bij andere staatshervormingen, is het een consequente daad om dit door te trekken naar de lokale besturen.

Er werd al gesproken over de dienstverlening. Natuurlijk moeten we voldoende middelen hebben voor de dienstverlening, maar het is misschien ook goed om nog eens mee te geven, zeker in tijden van crisis, dat bijna de helft van de publieke investeringen in ons land door lokale besturen gebeuren. Zij zijn vandaag heel belangrijk om de investeringsmotor op gang te houden.

Collega’s hebben al voldoende belicht dat we ook het aandeel van de bedrijfsbelastingen op het lokaal niveau in het geheel niet moeten overdrijven. De cijfers hebt u daarnet gehoord. U hebt natuurlijk het beenhouwersvoorbeeldje van Ford Genk aangehaald. In mijn gemeente zijn er toch ook een aantal grotere bedrijven, maar ik heb nog geen enkele keer gehoord dat de lokale belastingen het grote probleem vormen om een uitbreiding te doen of om al dan niet te komen naar het economische hart. Op Vlaams niveau betreft het de vergunningencarrousel en op federaal niveau de vennootschapsbelasting en de gewone belasting.

We moeten alles absoluut in de juiste context zien en dan komen we opnieuw bij het eerste principe van de fiscale autonomie terecht dat elke gemeente haar eigen structuur heeft en dat sommige gemeenten met hun bestuursmeerderheid liever die activiteiten belasten en andere gemeenten andere. Maar laat die beslissing over aan het lokaal bestuur, want dat wordt er elke zes jaar op afgerekend.

Wil dit zeggen dat we geen kader moeten bieden? De vorige regering heeft dat wel gedaan, op een goede manier. Die regering heeft de juiste toon gevonden door, zoals de heer van Rouveroij al heeft gezegd, een pact van evenwaardige partners te sluiten. We kijken allemaal uit naar de evaluatie. Die is ook nodig, maar ik vermoed dat wanneer we goed om ons heen kijken, we zullen merken dat het nogal meevalt en dat beide partners hun woord hebben gehouden.

De voorzitter: De heer Van Dijck heeft het woord.

De heer Kris Van Dijck: Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, collega’s, de hele discussie over het lokaal fiscaal pact is in essentie terug te brengen tot ‘wie doet wat?’ en ‘wat is de verantwoordelijkheid van elk niveau?’. We kunnen dit natuurlijk niet los zien van wat al heel lang de discussie is over het kerntakendebat.

De verdienste van het vorige lokaal fiscaal pact is toch wel degelijk dat het, zoals het zelf zegt, een pact is, een afspraak die werd gemaakt en waarbij ook kostencompenserende maatregelen vanwege de Vlaamse overheid gegenereerd werden. Het is natuurlijk heel eenvoudig om te zeggen welke belastingen afgeschaft zouden moeten worden. Voorgaande sprekers hebben terecht aangehaald dat van die lokale besturen, van die gemeenten en steden, heel wat wordt verwacht. Ook moeten de lokale besturen er natuurlijk voor zorgen dat hun fiscaal plaatje klopt. De meeste gemeentebesturen zijn op dit ogenblik ook bezig met de begrotingsopmaak 2010. Ook zij zullen vaststellen, dat merk ik toch in mijn gemeente, dat de kosten blijven stijgen, maar dat de inkomsten stagneren of dat opbrengsten zelfs achteruitgaan. De lokale besturen zitten toch ook met een heel moeilijke opdracht, net zoals de Vlaamse overheid.

De verdienste van het fiscaal pact was inderdaad dat de lokale besturen van ons iets kregen, namelijk de overname van de schulden, als daar iets tegenover stond. Ik denk, mijnheer de minister, dat wanneer we op die weg verder willen gaan, we dit niet mogen loskoppelen van wat we verwachten van de lokale besturen en van de taken die ze volgens ons op zich moeten nemen. Ook wanneer we dit vanuit het perspectief bekijken van de economie en van de bedrijven, moeten ze ten volle kwaliteit kunnen blijven garanderen. Het gaat om een manier waarop een partnerschap kan worden gesloten en waarin wordt bepaald wat wij doen vanuit de Vlaamse overheid en wat de lokale besturen doen.

Het lokaal fiscaal pact heeft zeker verdiensten gehad, de vraag is natuurlijk in hoeverre we op die manier verder kunnen werken, ook gelet op de budgettaire ruimte binnen Vlaanderen, maar achter het principe kan volgens mij eenieder staan, want indien dat niet zo was, dan hadden niet alle gemeenten ingetekend.

De voorzitter: Minister Muyters heeft het woord.

Minister Philippe Muyters: Ik moet eerlijk zeggen dat ik het heel boeiende betogen vond. Ik zal echt wel onthouden dat ik voor mijn vorige job bij een vorige organisatie een pluim heb verdiend, want ik heb nooit eerder geweten dat Voka zo vaak naar voren werd gebracht tijdens een debat in het parlement. Ik beschouw dat als een pluim die ik op mijn hoed kan steken voor vroeger geleverd werk.

Mijnheer Janssens, uw verbaasdheid verbaast mij. Ik dacht dat ook uw partij, zoals de meeste partijen hier aanwezig, pleit voor efficiëntie. Volgens mij betekent efficiëntie dat de juiste vragen op de juiste plaats worden gesteld, maar dit is niet de juiste plaats voor deze vraag. De bevoegdheden werden vastgelegd en ik kan alleen maar vaststellen, en dat is ook de reden waarom ik vorige week contact heb opgenomen met de secretaris, dat de meeste vragen die werden gesteld niet echt te maken hadden met mijn bevoegdheden. Met name het overleg met de gemeenten is een bevoegdheid van mijn collega, minister Bourgeois. Een fiscaal pact werd in de vorige regering niet door minister Van Mechelen, maar door minister Keulen gesloten.

Volgens mij hoort een fiscaal pact tot de bevoegdheden van minister Bourgeois. Het is overigens gebleken uit de meeste betogen van de sprekers vandaag dat dit te maken heeft met het lokaal beleid. Zo werden genoemd: dienstverlening van de lokale besturen, de lokale inkomsten, de onjuistheid van de term ‘pestbelastingen’, de nood aan het koppelen van bevoegdheden aan voldoende eigen fiscaliteit – iets wat we ook op Vlaams niveau nog meer zouden kunnen doen –, de vraag naar compensatie voor drijfkracht, de budgettaire problematiek van de gemeenten en de koppeling aan taken van de gemeenten. Dit is duidelijk een bewijs dat het gaat om de gemeentelijke bevoegdheden en dus thuishoort bij de bevoegdheden van mijn collega, minister Bourgeois.

Het zou getuigen van inefficiëntie, maar ook van gebrek aan respect tegenover u, dat ik als niet-bevoegde minister hier een antwoord zou komen voorlezen van mijn collega, minister Bourgeois. Daar vind ik het onderwerp te belangrijk voor. Ik stel dus voor dat de meeste vraagstellers hun vraag opnieuw stellen, maar zich richten tot mijn collega. Hij zal wellicht op de meeste van de vragen een passend antwoord kunnen geven.

Wat mijn bevoegdheden betreft, kan ik u bevestigen dat het fiscaal pact zonder verlenging, effectief eind van dit jaar wordt afgesloten, dat de overname van de schulden van de lokale besturen, een bijzonder omvangrijke – u zegt ‘beperkte’ – operatie, exact binnen de vooropgestelde termijn werd beëindigd, dat het Vlaamse Gewest zelfs, en dit via voorschotregeling, de door de lokale besturen gederfde opcentiemen op de onroerende voorheffing voor de maatregel inzake materieel en energie, heeft doorgestort naar de gemeenten en dat we dus eigenlijk volledig op punt staan. De precieze kostprijs van de maatregel onroerende voorheffing, zal ik pas kunnen geven nadat de inkohiering van de onroerende voorheffing 2009 grotendeels afgesloten zal zijn. U weet, een aantal onder u hebben daar vragen over gesteld, dat door verschillende factoren een vertraging werd opgelopen – ik herinner u aan een van de vragen tijdens een vorige commissievergadering.

Tot mijn spijt moet ik het hierbij houden. Ik vind het een boeiende discussie, maar ze hoort thuis bij collega Bourgeois.

De voorzitter: De heer Janssens heeft het woord.

De heer Chris Janssens: Mijnheer de minister, in welke commissie deze discussie moet worden gevoerd, wordt niet door ons bepaald. De regering moet dat uitmaken. Mijn vraag was geagendeerd in deze commissie, en pas de dag voordat ze behandeld zou worden, kreeg ik om 17 uur het bericht dat ze niet aan bod zou komen omdat het niet uw bevoegdheid was. Mijn verbazing betrof dus voornamelijk het late tijdstip van verwittigen, en niet de keuze van de commissie waarin de vraag behandeld zou worden.

Collega’s, wij willen de lokale besturen zeker niet bestempelen als fiscale boemannen voor bedrijven. Elke verkozen overheid moet beleidskeuzes maken, en uiteraard heeft ze daar een bron van inkomsten voor nodig. Daartegenover staat dan dat van elke stad of gemeente een goede dienstverlening kan worden verwacht.

Het voorwerp van interesse van mijn vragen was voornamelijk of minister Muyters zijn uitspraken, toen nog als gedelegeerd bestuurder van Voka, waarin hij pleitte voor een verlenging van het lokaal fiscaal pact, heeft kunnen meenemen in de besprekingen over het regeerakkoord.

In het nieuwe regeerakkoord zijn ze in elk geval niet opgenomen. Wij zouden graag vernemen of hij zijn uitspraken van destijds ook heeft kunnen omzetten in beleidsdaden. De te hoge fiscale druk in dit land heeft zeker niet in eerste instantie te maken met de lokale belastingen.

Mijnheer Van Dijck, ik heb het standpunt van de N-VA teruggevonden op Verkiezingssite.be onder het thema Economie en Fiscaliteit. Daar staat letterlijk: “Wij willen dat Vlaanderen een nieuw fiscaal pact sluit met de gemeenten. Dat leidt tot de afschaffing van de belasting op de drijfkracht, zonder dat de lokale belastingtarieven worden verhoogd.” Ik stel vast dat heel wat collega’s kritisch zijn tegenover het lokaal fiscaal pact, dat ze in de vorige legislatuur nochtans hebben goedgekeurd. (Opmerkingen)

Als men dan vraagt of er een eventuele verlenging van het pact komt, is men verontwaardigd over de teneur van de inhoud van de vragen, die enkel informatief waren en vooral peilden naar de intenties van minister Muyters.

Mijnheer de minister, wij betreuren dat u dit alweer doorverwijst naar minister Bourgeois en er een kat-en- muisspelletje van maakt. U kunt toch niet ontkennen dat het afsluiten van het lokaal fiscaal pact ook impact zal hebben op de begroting? U had dan toch in overleg met minister Bourgeois uw antwoord kunnen afstemmen?

De heer Lode Vereeck: Ik moei mij niet in het debat over wie hier nu moet komen antwoorden. Als er maar iemand komt antwoorden, zou ik zeggen. In de vorige jaren was het wel zo dat minister van Begroting Van Mechelen hier een heleboel vragen over het lokaal fiscaal pact heeft beantwoord. Voor mij is dat niet zo’n relevante discussie. Als er maar mensen zijn om de vragen te beantwoorden.

Er werd gezegd dat de kritiek vanuit de oppositie te gratuit zou zijn en dat er een groot verschil is tussen partijen die beleid voeren en de partijen die in de oppositie zitten. In België maakt dat weinig verschil: er zijn partijen die beleid voeren en die niets doen, terwijl partijen die in de oppositie zitten, niets kúnnen doen. Zo veel verschil maakt dat dus niet.

Wij hebben nooit gezegd dat de gemeente geen nuttige dingen zou doen. De gemeente doet heel nuttige dingen. Sommige gemeenten doen ook heel onnuttige dingen, maar ze staan inderdaad zeer dicht bij de burger, en dat is op zich al lovenswaardig. Onze voornaamste vraag was of het klopt dat zo’n 500 miljoen euro van die lokale belastingen uit een hele reeks verschillende belastingen bestaat. Er zijn een heleboel dergelijke belastingen. We hebben er al een aantal genoemd. Er is de belasting op de drijfkracht, die in het Waalse Gewest is afgeschaft, maar er is ook de belasting op het drukwerk. U moet maar eens aan de mensen in de horeca vragen hoeveel verschillende soorten belastingen er allemaal op hen afkomen, ook vanwege de lokale overheden.

Het ging er ons gewoon om dat de kosten-batenanalyse van enerzijds de opbrengsten van al die lokale belastingen en anderzijds de kosten om ze te innen, niet helemaal in verhouding is. In tweede instantie kunnen we spreken over een compensatie voor de gemeenten, maar het leek ons in eerste instantie zo dat de beheerskosten voor de lokale overheden te groot waren ten opzichte van de opbrengst van de belastingen. Dan kunnen we misschien naar een globalisering gaan, hoewel we daar in Hasselt niet zo’n goed voorbeeld van hebben gezien. Daar heeft men eens geprobeerd om een aantal belastingen samen te brengen, maar het gevolg was dat de horeca gewoon in opstand kwam.

Als we het hier hebben over die 500 miljoen euro, en we zien welke instrumenten en beheerskosten van de lokale overheden daartegenover staan, vind ik dat we toch eens naar een ander soort financiering van de lokale besturen moeten gaan. Wij kunnen alleen maar herhalen wat de directeur van Ford Genk heeft gezegd. Zijn uitspraak heeft bij ons een belletje doen rinkelen. Ik citeer uit Het Belang van Limburg van 30 september: “Er zijn te veel lokale taksen om competitief te blijven met de andere vestigingen van Ford. Voor ons betekent dat per jaar een extra kost van zo’n 10 miljoen euro in totaal. Op een productiekost van 1.500 euro is dat een competitief nadeel van 5 percent. Ik denk dan toch dat er zich bepaalde maatregelen opdringen.”

De heer Jan Verfaillie: De minister zegt dat hij niet bevoegd is om te antwoorden. Ik stel voor dat we de discussie over veertien dagen overdoen bij minister Bourgeois. Voor mij was deze discussie alvast zeer nuttig. De collega’s van het Vlaams Belang en van LDD zijn tot inzicht gekomen. Als je hun oorspronkelijke vraagstelling naast hun repliek legt, blijkt dat die al heel sterk is afgezwakt. Beide partijen zijn, door deze discussie, de mening toegedaan dat de lokale besturen goede dingen doen, en dat wij als lokale besturen geen belastingen heffen om belastingen te heffen.

Mijnheer Janssens, als West-Vlaming ben ik totaal vreemd aan Limburg, waarvoor mijn excuses, maar ik denk dat de stad Genk heel wat investeringen heeft gedaan in wegeninfrastructuur, toegang en nog vele andere zaken om Ford Genk vanuit Limburg een poort op Europa en de wereld te bieden.

Ik vond deze discussie zeer nuttig, mijnheer de minister. Ik hoop dat de collega’s van het Vlaams Belang en van LDD nu voor eens en voor altijd zullen stoppen met de lokale besturen af te schilderen als boemannen.

De heer Koen Van den Heuvel: Mijnheer Vereeck, hoe ziet u die nieuwe financiering van lokale besturen? Verschillende partijen dragen die responsabilisering hoog in het vaandel. Die is er nu in Vlaanderen. Wilt u die afbouwen? Wilt u die versterken? We blijven daar wat op onze honger.

Zes maanden geleden heeft uw partij nog de afschaffing van de onroerende voorheffing op de woningen bepleit. U zou zo een gat van bijna anderhalf miljard euro hebben geslagen in de financiering van de lokale besturen. Nu wilt u de bedrijfsbelastingen afschaffen. Dat neigt toch naar een demagogische opstelling ter zake. Dat staat ver af van goed bestuur.

De heer Sas van Rouveroij: De heer Vereeck dacht dat ik mij daarnet had versproken toen ik het had over belastingverlagingen. Natuurlijk is Open Vld voor belastingverlaging, maar niet wanneer dat gebeurt door een belasting die enkelen treft, te verspreiden over velen. Dat is geen goede manier om belastingen te verlagen. Dat was de context. Zo was het bedoeld, voor zover ik mij versproken zou hebben.

Ik ben ook nieuw in dit parlement, net zoals u, mijnheer de minister. Maar men zegt mij dat uw voorganger, Dirk Van Mechelen, wel degelijk werd ondervraagd in deze commissie bij de voorbereiding van het lokaal fiscaal pact en de opvolging ervan. Waarom zouden we het debat over het lokaal fiscaal pact dan nu niet opnieuw in deze commissie kunnen voeren?

Ik stel met genoegen vast dat iedereen over de partijgrenzen heen heel tevreden was over het lokaal fiscaal pact. Het was ook een zeer goed initiatief van Dirk Van Mechelen, gesteund door de ganse Vlaamse Regering. Het is wel zo, mijnheer de minister, dat Marino Keulen het heeft verdedigd op de algemene vergadering van de Vlaamse Vereniging van Steden en Gemeenten (VVSG), die speciaal werd samengeroepen met het oog op de bespreking van het lokaal fiscaal pact. In die zin zit het wel gepaard.

In een gemeentebestuur zegt men altijd dat een college een en ondeelbaar is. Ik ben twintig jaar schepen geweest, en kan mij het aantal keren niet meer herinneren dat ik voor een collega moest inspringen teneinde voor een antwoord te zorgen. Als dat laatste niet kan, waarom nodigen we minister Bourgeois dan niet naar hier uit, mijnheer de voorzitter? Kan dat?

De voorzitter: Ik heb deze bespreking toegelaten ten aanzien van minister Muyters. Ik heb de minister ook gezegd dat hij moest antwoorden binnen zijn eigen bevoegdheden. Als er vragen zijn voor minister Bourgeois, moeten die aan hem worden gesteld. Toenmalig minister Van Mechelen heeft vanuit zijn bevoegdheid beslist om de overschotten eenmalig als schuldverlichting te gebruiken. Hij heeft daar toen een aantal voorwaarden aan gekoppeld. Het was inderdaad Marino Keulen die op de vergadering van de VVSG heeft gezegd aan welke voorwaarden moest worden voldaan. Daar is dan een aantal keren over gesproken in deze commissie, zij het in een algemene context. Maar laat ons die discussie nu niet voeren.

Minister Philippe Muyters: Mijnheer de voorzitter, collega’s, ik zal het verslag van deze commissie overmaken aan minister Bourgeois, zodat, als het onderwerp daar hernomen wordt, niet de hele discussie moet worden overgedaan en er op een efficiënte manier onmiddellijk tot het debat kan worden overgegaan.

Mijnheer Janssens, ik ben blij dat u de verdeling van de bevoegdheden niet in vraag stelt. Maar het heeft natuurlijk zijn consequenties in welke commissie u welke vraag stelt. Ik heb begrepen dat elk parlementslid in elke commissie vragen kan stellen. Op die manier kan dat dus opgelost worden.

Heel veel maatregelen hebben een effect op Financiën en Begroting. Maar ik ga ervan uit dat men niet verwacht dat ik telkens de vragen over infrastructuur, milieu, gezondheidsbeleid en economie kom beantwoorden met voorbereidingen van mijn collega’s. Daarvoor zijn de andere commissies er. Dat geldt ook voor het lokaal fiscaal pact.

De voorzitter: Het incident is gesloten.

     
   
        2009 Koen Van den Heuvel