|
|
 |
|
|
Voorstel van decreet
van de heren Dirk Van Mechelen, Jan Peumans, Koen Van den
Heuvel, Ludo Sannen, Filip Watteeuw en Lode Vereeck houdende
wijziging van het Wetboek der Registratie-, Hypotheek- en
Griffierechten, wat het vermijden van een gelijktijdige heffing
van btw en registratierechten op eenzelfde terrein betreft
gepland
TOELICHTING
De federale Programmawet van 23 december 2009 heeft de
btw-regels met betrekking tot bijhorende terreinen in
belangrijke mate gewijzigd. Vóór die Programmawet waren
terreinen steeds uitgezonderd van het btw-regime. De
vrijstelling van registratierechten voor nieuwe gebouwen gold
dan ook niet voor de bijhorende terreinen.
De nieuwe regels zorgen ervoor dat beroepsoprichters, toevallige
belastingplichtigen en andere belastingplichtigen die geen
beroepsoprichter zijn maar voor de btw-heffing opteren, voortaan
de geheelheid van het overgedragen nieuwe gebouw of het
overgedragen gedeelte van een nieuw gebouw en bijhorend terrein
aan de btw moeten onderwerpen. Enkel voor de beroepsoprichter
geldt dat van rechtswege. Voor de toevallige belastingplichtige
en de belastingplichtige die geen beroepsoprichter is, geldt de
onderwerping slechts bij optie daartoe. Dezelfde regels zijn van
toepassing voor de vestigingen, overdrachten of
wederoverdrachten van zakelijke rechten op uit hun aard
onroerende goederen in de zin van artikel 9, tweede lid, 2°, van
het Wetboek van de Belasting over de Toegevoegde Waarde.
De federale wetgever heeft geoordeeld dat voormelde wijzigingen
noodzakelijk waren in het licht van het arrest van het Hof van
Justitie van 8 juni 2000 (H.v.J. 8 juni 2000, Breitsohl,
C-400/98).
Bouwterreinen die alleen worden overgedragen, blijven
ressorteren onder de registratierechten.
De aanpassing van de btw-regelgeving dreigt het bestaande
evenwicht tussen de btw enerzijds en de registratierechten
anderzijds te verstoren. Een uitbreiding van de vrijstelling van
registratierechten, voor die gevallen waar de toepassing van de
btw wordt uitgebreid, is dan ook dringend noodzakelijk. Zonder
wijziging aan artikel 159, 8°, van het Wetboek van Registratie-,
Hypotheek- en Griffierechten kan er immers een gecumuleerde
belasting ontstaan.
In tegenstelling tot een aanpassing van de btw-regelgeving die
tot de bevoegdheid van de federale wetgever behoort, behoort de
aanpassing van artikel 159, 8°, tot de bevoegdheid van de
gewesten. De voorliggende wijziging beoogt dat artikel dan ook
in overeenstemming te brengen met de gewijzigde btw-regels voor
bijhorende terreinen.
De vrijstelling geldt voor zover de btw op de verrichting
daadwerkelijk opeisbaar is, ongeacht of die betrekking heeft op
de gebouwen, gedeelten van gebouwen of op de bijhorende
terreinen.
Wanneer de vervreemding, of de vestiging, overdracht of
wederoverdracht van zakelijke rechten tevens goederen betreft
die niet de aard hebben van bijhorend terrein, dan moet in de
akte of in een vóór de registratie bij de akte te voegen
geschrift de nauwkeurige aanduiding gebeuren van die goederen
door middel van hun kadastrale beschrijving.
Om de gecumuleerde heffing van btw en registratierechten te
vermijden, wordt voorzien in teruggave van de geheven
registratierechten wanneer na de heffing van de
registratierechten alsnog de belasting over de toegevoegde
waarde opeisbaar wordt door de toepassing van de
antimisbruikbepaling inzake btw.
De datum van inwerkingtreding wordt afgestemd op de datum van
inwerkingtreding van de betrokken bepalingen van de Programmawet
van 23 december 2009.
Dirk VAN MECHELEN
Jan PEUMANS
Koen VAN DEN HEUVEL
Ludo SANNEN
Filip WATTEEUW
Lode VEREECK
VOORSTEL VAN DECREET
Artikel 1. Dit decreet regelt een gewestaangelegenheid.
Art. 2. In artikel 159 van het Wetboek der Registratie-,
Hypotheek- en Griffierechten, zoals van toepassing in het
Vlaamse Gewest, vervangen door de wet van 28 december 1992 en
gewijzigd bij de wet van 30 maart 1994 en gedeeltelijk vervangen
door het decreet van 23 december 2005, wordt punt 8° vervangen
door wat volgt:
“8° de overdragende of aanwijzende vervreemdingen onder
bezwarende titel, andere dan die welke aan het in artikel 115bis
bepaalde recht onderworpen zijn, van gebouwen, gedeelten van
gebouwen en het bijhorende terrein, bedoeld in artikel 1, §9,
van het Wetboek van de Belasting over de Toegevoegde Waarde,
evenals de vestigingen, overdrachten of wederoverdrachten van de
zakelijke rechten, bedoeld in artikel 9, tweede lid, 2°, van het
Wetboek van de Belasting over de Toegevoegde Waarde met
betrekking tot gebouwen, gedeelten van gebouwen en het
bijhorende terrein, bedoeld in artikel 1, §9, van het Wetboek
van de Belasting over de Toegevoegde Waarde, op voorwaarde dat
de belasting over de toegevoegde waarde opeisbaar is op de
levering van die goederen of de vestiging, de overdracht of
wederoverdracht van die rechten.
Deze vrijstelling is alleen toepasselijk indien in de akte of in
een vóór de registratie bij de akte te voegen geschrift worden
vermeld:
a) de datum van de eerste ingebruikneming of inbezitneming van
het gebouw waarop de overeenkomst betrekking heeft;
b) het kantoor waar de belastingplichtige de aangifte moet
indienen voor de heffing van de belasting over de toegevoegde
waarde;
c) wanneer de overeenkomst het werk is van een andere dan in
artikel 12, §2, van het Wetboek van de Belasting over de
Toegevoegde Waarde bedoelde belastingplichtige, de datum waarop
hij kennis heeft gegeven van zijn bedoeling de verrichting te
doen met betaling van de belasting over de toegevoegde waarde;
d) ingeval de vervreemding of de vestiging, overdracht of
wederoverdracht van zakelijke rechten tevens goederen betreft
waarop de vrijstelling van het evenredig recht niet van
toepassing is, de nauwkeurige aanduiding van die goederen door
middel van hun kadastrale beschrijving.
In geval van onjuistheid van die vermeldingen verbeurt de cedent
een boete, gelijk aan het ontdoken recht;”.
Art. 3. Aan artikel 209, eerste lid, van hetzelfde wetboek,
gewijzigd bij de wetten van 22 december 1989 en 10 februari 1998
en het decreet van 23 november 2007, wordt een punt 6°
toegevoegd, dat luidt als volgt:
“6° de evenredige rechten ingeval op de verrichting van
vervreemding onder bezwarende titel van een onroerend goed of
van de vestiging, overdracht en wederoverdracht van een zakelijk
recht op een onroerend goed, de belasting over de toegevoegde
waarde opeisbaar wordt ingevolge de toepassing van artikel 1,
§10, van het Wetboek van de Belasting over de Toegevoegde
Waarde.”.
Art. 4. Dit decreet treedt in werking op de datum van
inwerkingtreding van artikelen 142 tot en met 148 van de
Programmawet van 23 december 2009.
Dirk VAN MECHELEN
Jan PEUMANS
Koen VAN DEN HEUVEL
Ludo SANNEN
Filip WATTEEUW
Lode VEREECK
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|