Home

Biografie

Vlaams Parlement

Puurs

In de pers

Nieuwsbrief

 Contact

Linken

 


 

Koen Van den Heuvel
  Commissie Algemeen Beleid , Financiën en begroting
  Vraag om uitleg van de heer Koen Van den Heuvel tot de heer Philippe Muyters, Vlaams minister van Financiën, Begroting, Werk, Ruimtelijke Ordening en Sport, over de structurele begrotingsnorm

28 juni 2011

De voorzitter: De heer Van den Heuvel heeft het woord.

De heer Koen Van den Heuvel: Voorzitter, minister, collega’s, het idee van een structurele
begrotingsnorm heeft toenmalig minister Van Mechelen in de vorige legislatuur al gelanceerd. Ik ben het er mee eens dat dat een zeer nuttige oefening zou zijn. Er zijn allerlei normeringen of bewakingssystemen van begrotingsevoluties. Saldi geven natuurlijk één indicatie, maar ze zijn zwaar beïnvloed door de conjunctuur. Is de conjunctuur slecht, dan gaan we door de effecten van de automatische stabilisatoren in het rood. Is de conjunctuur beter, dan zijn er extra inkomsten uit belastingen.

Minister, u hebt in de beleidsnota en de beleidsbrief aangekondigd dat het goed zou zijn dat
Vlaanderen als behoeder van gezonde, duurzame overheidsfinanciën “een eigen stabiliteitsnorm, gebaseerd op eigen, interne, budgettaire duurzaamheid” zou hebben. We zouden gaan naar een structurele norm met een gezond, structureel vorderingensaldo waar het nominale saldo zou gecorrigeerd zijn voor conjunctuur en eenmalige verrichtingen. Ik denk niet dat ik hier verder moet ingaan op hoe u zo’n structurele begrotingsnorm ziet.

We hebben gehoord dat een werkgroep rond deze structurele begrotingsnorm zijn werkzaamheden zou beëindigd hebben en een rapport bij u zou hebben ingediend. Het is nu eind juni en de legislatuur zit er bijna voor de helft op.

Minister, hoe ver staat het met de structurele begrotingsnorm? Hebt u uit de nota van de
werkgroep iets geleerd? Is het waardevol werk waar u mee aan de slag kunt? Wanneer mogen
we van u iets concreet verwachten? Wat betekent de structurele norm op zich en vooral met
het oog op de opstelling van de begroting 2012?

De voorzitter: Minister Muyters heeft het woord.

Minister Philippe Muyters: Voorzitter, in de loop van het voorjaar van 2011 heeft de werkgroep betreffende de structurele norm onder voorzitterschap van de heer Poelvoorde een eerste eindrapport opgesteld. Ik wil kort op twee elementen ingaan.

Hoewel er effectief een eindrapport is, heeft de heer Poelvoorde zelf opgemerkt dat de uitgangspunten het best naar aanleiding van de begrotingscontrole 2011 en van de nieuwe
parameters voor de meerjarenraming 2011 kunnen worden aangepast. Er heeft hierover overleg plaatsgevonden. In de loop van de voorbije weken heeft hij het eindrapport aan die resultaten aangepast.

Een van de elementen die naar aanleiding van de meerjarenraming grondig zijn aangepast, is
de terugbetaling door KBC. Aangezien de schuldevolutie, zoals de heer Van den Heuvel in zijn vraagstelling zelf heeft gesteld, een belangrijk en structureel aspect van de norm vormt, is het mijn intentie om de door de stuurgroep en de heer Poelvoorde opgestelde basis nog voor het zomerreces aan de Vlaamse Regering voor te leggen. Na het zomerreces kunnen we dat dan in deze commissie bespreken.

Er is een tweede reden waarom ik heb gewacht. Elke jaar komt de Sociaal-Economische Raad
van Vlaanderen (SERV) voor het zomerreces met een begrotingsadvies naar buiten. De SERV heeft aangekondigd dat dit ook een advies over de begrotingsnormering zal omvatten. Het lijkt me dan ook normaal dat ik daar rekening mee wil houden. Het hangt er natuurlijk van af of de sociale partners daarover een consensus kunnen bereiken. Indien dat zou lukken, zal ik beide elementen, het werk van de heer Poelvoorde en het werk van de SERV, aan de Vlaamse Regering voorleggen.

Ik wil nog voor het zomerreces met een voorstel naar de Vlaamse Regering stappen. Na het
zomerreces zullen we dat, net als de voorgaande voorstellen, hier kunnen bespreken. Of dit
voorstel bruikbaar zal zijn voor de begroting 2012, zal mee afhangen van de reactie van de
Vlaamse Regering tijdens de bespreking die we nog voor het zomerreces zullen voeren.

De voorzitter: De heer Van den Heuvel heeft het woord.

De heer Koen Van den Heuvel: Ik dank de minister voor zijn antwoord. Ik kijk uit naar de
werkzaamheden van de komende weken. Ik ben blij dat hier iets concreets mee wordt gedaan.
Zou het Vlaams Parlement het rapport van de heer Poelvoorde kunnen inzien?

Minister Philippe Muyters: Ik stel voor dat ik de tekst ter beschikking stel zodra ik hem aan
de Vlaamse Regering heb voorgelegd. De commissieleden zullen dan ook het begrotingsadvies van de SERV ontvangen. Ik zal de vraag om de teksten over te maken in elk geval aan de Vlaamse Regering voorleggen.

De voorzitter: De heer Van Mechelen heeft het woord.

De heer Dirk Van Mechelen: Voorzitter, volgens mij praten we hier over twee verschillende
zaken. De vraag is welke sleutelnorm we op onze begroting toepassen. Wat mij betreft, is die
norm ongevoelig voor aanpassingen van onze conjunctuurgegevens aan de economische groei en de inflatie. Het gaat om een veiligheidsslot dat op de begroting zit.

Tijdens de vorige legislaturen hebben we gewerkt met een systeem van een toekomstnorm.
Het was eigenlijk onze ambitie 1 procent van de samengevoegde belastingen in een conjunctuurprovisie te reserveren en in het geval van niet-aanwending naar een toekomstfonds over te hevelen. We hebben dat geld uiteindelijk gebruikt om een aantal banken te ondersteunen.

Voormalig minister Demeester gebruikte een andere norm. Voormalig minister-president
Dewael heeft die norm losgelaten. Het gaat hier om een veiligheidsslot op de begroting. We
gebruiken dit slot om het voeren van een stop-and-gobeleid te vermijden. Tijdens de vorige
legislaturen is dat gelukkig geslaagd. Een schommeling naar boven is altijd mooi
meegenomen. Een schommeling naar onderen doet pijn en betekent dat het beleid moet
worden teruggeschroefd. Indien we 1 procent van de samengevoegde en gedeelde belastingen in een conjunctuurprovisie kunnen reserveren, vermijden we ooit een stop-and- gobeleid te moeten voeren indien de economische conjunctuur met 1 procent daalt.

Ik geef even een voorbeeld. In 2009 hadden we de daling voorzien. De economische groei
mocht tot 0 terugvallen. We hadden ons op veel voorbereid. De economische groei is echter
tot min 3 procent gedaald. Dat hadden we niet voorzien. Ik meen echter dat ik me op dit vlak
wereldwijd in goed gezelschap bevond.

We wachten op een sleutelbegrip. Hoe zien we die nieuwe norm? Zullen we die norm op ons
beleidskrediet of op ons betaalkrediet toepassen? Het lijkt een domme vraag. Het verschil is
echter enorm.

Spijtig genoeg heeft een begroting meer met beleid dan met wiskunde te maken. Indien ik het
goed heb begrepen, heeft de heer Poelvoorde geprobeerd een soort sleutelsysteem te ontwikkelen waarover dan een consensus kan worden bereikt. Dit systeem zou dan gedurende een lange periode van kracht kunnen blijven.

Ooit hadden we een dergelijke norm. We hebben die norm, vanzelfsprekend omwille van de
ongelooflijk slechte conjunctuur, weer losgelaten. Nu zouden we die norm weer kunnen
oppakken. Ik zie dat opnieuw een economische groei van 2,7 procent wordt voorspeld. Niets
belet ons weer in een dergelijk systeem te stappen.

We kunnen natuurlijk een andere norm gebruiken. Dat is nu waar we op zitten te wachten.
Welke norm is het? Hoe ziet die norm eruit? Volgens mij is dat de vraag van de heer Van den
Heuvel.

De voorzitter: De heer Vereeck heeft het woord.

De heer Lode Vereeck: Voorzitter, het onderdeel van het Vlaams regeerakkoord betreffende
de begrotingsnorm boeit me bijzonder. Ik heb een jaar gewacht alvorens in augustus 2010 een
schriftelijke vraag in te dienen. De heer Poelvoorde was toen net aan de slag gegaan. Het
antwoord van de minister luidde dat we ons begin dit jaar aan een antwoord mochten verwachten. Het is ondertussen zomer. Ik steun dan ook de opmerking van de heer Van den Heuvel dat we hiermee al enkele maanden te laat zijn.

Minister, ik ben verrast door uw antwoord. U kondigt een aantal praktische correcties aan die
de heer Poelvoorde wil doorvoeren. Daar gaat zo’n norm echter niet over. Zo’n norm is een
filosofie die weergeeft wat u de volgende jaren wilt doen. Dat is zoiets als de Maastrichtnorm
waarbij het begrotingsdeficit niet onder 3 procent mag zakken en waarbij 60 procent de schuldnorm is. Het gaat dan om een aantal doelstellingen die u zelf naar voren schuift.

Het idee om te werken met een structurele norm, het full employment budget balance, zou,
ondanks het feit dat dit begrip al decennialang bestaat, bijzonder vernieuwend zijn geweest.
Het gaat meer om een begrotingsfilosofie die u de volgende jaren wilt uitrollen, net als uw
voorganger als filosofie had om geleidelijk, in tien jaar tijd, tot een nulschuld te komen. De
praktische elementen kunnen onmogelijk een invloed hebben op de filosofie, op de schuldnorm, op het principe waarmee u de komende jaren wilt doorgaan.

Ik ben ook verbaasd dat u wilt wachten op het SERV-advies over schuldnormering. Het
probleem is dat u dan met twee adviezen zit die wel eens tegenstrijdig zouden kunnen zijn. U
zult dan moeten kiezen welk voorstel van advies en welke schuldnorm u zult aanhouden. In
die zin lijkt het me interessanter om nu de schuldnorm die u naar voren wilt schuiven, bekend
te maken en dan te zien wat de SERV daarvan denkt. Ik zou dan ook niet wachten op het
advies van de SERV.

Ik steun de vraag van de heer Van den Heuvel om het rapport-Poelvoorde te kunnen inkijken.

De voorzitter: De heer Sannen heeft het woord.

De heer Ludo Sannen: Minister, u hebt gezegd dat u zou zien of dit kan worden toegepast
voor de begroting van 2012. U hebt die norm aangekondigd in het regeerakkoord. Na de
begroting van 2012 zijn er nog maximaal twee begrotingen waarop de norm kan worden toegepast. Als u een dergelijke norm maakt, dan moet u die ook hanteren en toepassen. Zo niet, heeft die niet veel nut.

We hadden in het verleden de Demeester-norm en een toekomstnorm. Het gaat dan niet om
een abstract gegeven maar om een rekenkundig model dat men hanteert en toepast op de
gegevens waarover men beschikt, met andere woorden middelen en uitgaven. Er is weinig
directe relatie met de conjuncturele situatie en mogelijke andere situaties. De gevolgen voor
de begroting zijn er natuurlijk wel.

Ik kan me niet inbeelden dan men een norm zou bepalen afhankelijk van de conjuncturele
situatie om dan nog voldoende garantie te hebben om een bepaald nieuw beleid te kunnen
voeren. Dan past men een norm aan naargelang het beleid dat men de volgende jaren wil
uittekenen. De vraag is dan of een dergelijke norm wel nodig is.

De heer Eric Van Rompuy: Dit is een oude discussie. Toen Gaston Geens in de jaren 70
minister van Begroting was, had hij het over het full employment budget. Daarbij rekende hij
uit wat de gevolgen waren van een hogere werkloosheid op de belastingsinkomsten en de
werkloosheidsuitgaven. De vraag daarbij was wat het aanvaarbare tekort was op een
begroting.

Wij zitten hier met een heel specifieke vorm van budget. Door de Financieringswet is er wel
een koppeling aan de economische groei maar die is niet zo eenduidig als vroeger. Vroeger
had men een unitaire begroting en fiscale inkomsten die stegen of daalden. Er was een
werkloosheidsevolutie waarbij de centrale staat werkloosheidsuitkeringen moest betalen in
functie van de conjunctuur. Hier zit men met een begroting die structureel helemaal anders in
elkaar zit. Zo komt 80 procent uit ontvangsten van de centrale overheid. De uitgaven zijn niet
gebonden aan de conjunctuur. Men zit hier dus met een helemaal andere begrotingssituatie.
Wanneer men nu zo’n structurele begrotingsnorm uitvaardigt, wat betekent dat dan? Dat is
niet zomaar zeggen dat de conjunctuur met 2 procent stijgt of daalt waarbij we kunnen
berekenen wat dat betekent voor de inkomsten en uitgaven. Vroeger kon men zo’n oefening
maken met het oude concept van de structurele begrotingsnorm. We zijn trouwens nog altijd
in onderhandeling over de regeringsvorming. Zodra er een nieuwe Financieringswet komt,
krijgt men een heel andere structuur van de inkomsten, gekoppeld aan heel andere parameters
dan nu de samengevoegde en gedeelde belastingen. Het zou verkeerd zijn nu aan de Vlaamse
Regering te vragen een model te ontwikkelen, wetende dat we hopelijk over een aantal
maanden in een totaal nieuw financieringsmodel zitten. We moeten daarmee rekening
houden. Wanneer men een norm ontwikkelt, is de Vlaamse begroting onvergelijkbaar met
wat er gebeurt op het federale vlak.

De voorzitter: Minister Muyters heeft het woord.

Minister Philippe Muyters: Ik ben verbaasd over een aantal reacties. Ik heb de SERV-norm
nog gekend, waarmee men, dacht ik, rond 1987 was gestart. Daarover heeft niemand gesproken. Daarna kwam de Demeester-norm. Een wijziging van de parameters heeft natuurlijk geen invloed op een filosofie. De norm is elk jaar aangepast. Ze werd ook meestal voor verschillende jaren na elkaar vastgelegd. De filosofie van de SERV- en de Demeesternorm was om te zorgen voor een gelijkmatige groei van de beleidsruimte over verschillende jaren. Dat was de filosofie die er toen achter zat.

Men zou kunnen zeggen dat men juist weet wat men kan doen, maar dat klopt niet. Men weet
dat nooit, want de parameters maakten dat die norm een ander effect had op de vrije beleidsruimte van een regering voor een bepaald jaar. Als men dan in februari of maart een voorstel voor een begroting krijgt van de heer Poelvoorde, dan is de eerste vraag die men zich stelt wat het effect is als men de parameters van de meerjarenraming en van de begrotingscontrole neemt. Dat lijkt mij de eerste vraag te zijn, anders moest de SERV niet sinds 1987 elk jaar in september en later in juli een begrotingsadvies geven. Dat heeft toch zijn effect.

Ik ben het helemaal eens met u dat de filosofie niet moet worden aangepast. In elke regering
zal de eerste vraag wel zijn wat het effect zal zijn als de parameters worden toegepast op deze filosofie. Het lijkt me vanzelfsprekend dat men die vraag stelt. Dat is wat de heer Poelvoorde naar voren heeft gebracht. Hij stelde voor de berekening opnieuw te doen met de nieuwe parameters om na te gaan wat het effect is.

Mijnheer Sannen, dat is natuurlijk ook heel fundamenteel, want we hebben wel een regeerakkoord, waarin over het overschot op de begroting, over mogelijke nieuwe beleidsruimte afspraken zijn gemaakt. Hoe rijmt men dat dan met de begrotingsnormering die eventueel wordt voorgesteld? In hoeverre is die gelijklopend of ongeveer gelijklopend? Als men dat wil weten, moet men, opnieuw, de parameters in een model steken om na te gaan waar we staan. Dat is de logica zelf. Is dat toepasbaar in 2012? We moeten daarover een gesprek hebben in de regering. Als de begrotingsnormering andere resultaten zou geven inzake nieuwe beleidsruimte, nieuwe begrotingsoverschotten of niet, dan heeft dat een duidelijke invloed op het regeerakkoord. Passen we die toe – want in het regeerakkoord staat ook dat we een normering moeten hebben – of houden we ons aan het regeerakkoord? Ik denk dat we die discussie ten gronde moeten voeren. Die kan echter alleen gevoerd worden als men weet wat het verschil tussen beide zal zijn. Dat is de oefening die nu gemaakt wordt.

Ik kan daarmee dan naar de regering gaan en zeggen wat in 2012 de gevolgen zijn voor de
begroting als het regeerakkoord wordt toegepast en dat de begroting in evenwicht is. Als de
norm wordt toegepast kan misschien een tekort worden goedgekeurd of moet een overschot
worden geboekt. Daarmee heeft dat dan te maken.

Ik denk dat er een groot verschil is en die discussie moeten we ten gronde aangaan in de regering. Dat is de essentie van het verhaal. Wachten of niet wachten op de SERV, dat is een
opportuniteitsvraag. We moesten toch de voorspellingen krijgen van de heer Poelvoorde. We
kunnen daarvan gebruik maken om te kijken wat de filosofie is van de sociale partners en om
de eventueel nuttige ideeën mee op te nemen. Voor mij is dat gewoon een opportuniteitsvraag. Het feit dat beide nu samen zullen aankomen, is voor mij een goede gelegenheid om rekening te houden met de meerwaarde van elk van die twee adviezen.

De voorzitter: De heer Sannen heeft het woord.

De heer Ludo Sannen: Minister, ik begrijp u wel, maar we gaan er toch van uit dat er ooit een staatshervorming zal komen. Als men ze nu niet kan toepassen, vraag ik me af of de oefening met de norm voor deze legislatuur nog enige zin heeft. (Opmerkingen van minister Philippe Muyters)

De voorzitter: De heer Vereeck heeft het woord.

De heer Lode Vereeck: Minister, mij ging het in de eerste plaats om de filosofie. De filosofie is me op dit moment ook niet duidelijk. Op het moment dat de filosofie als begrotingsnormering daar is, moet men die natuurlijk met de juiste parameters invullen om na te gaan wat het effect is van die filosofie. Maar ik hoor u nu zeggen dat als u uw norm toepast en er grote discrepanties blijken te zijn met het regeerakkoord, daarover onderhandeld moet worden. Ik weet ook wel hoe een meerderheid werkt. Ik hoor u eigenlijk zeggen dat er aan het regeerakkoord, met de beleidsruimte waarin u voorziet, nauwelijks te tornen valt. Ik neem aan dat daarover afspraken zijn binnen de meerderheid. De norm wordt dan eigenlijk aangepast aan het regeerakkoord. Eigenlijk hoeft er dan geen norm meer te zijn.

De voorzitter: Minister Muyters heeft het woord.

Minister Philippe Muyters: Op dat laatste punt wil ik toch even reageren. Ik ben het met u
eens. De vraag is alleen waar we, als we een goede norm hebben, staan. Dan moeten we de
discussie voeren. Verder wil ik niet gaan. Als de norm heel dicht aansluit bij 2012 en wat we
van plan waren in 2013, is dat misschien geen probleem. Als ze zwaar afwijkt, moeten we de
discussie ten gronde voeren. Ik heb geen schrik om die te voeren, maar dat heeft wel gevolgen voor het invullen van een al dan niet vrije beleidsruimte. De filosofie als dusdanig is dan natuurlijk belangrijk, maar in een filosofie zijn er gewoonlijk ook nuances. Bij de SERV- en de Demeester-norm, die voormalig minister-president Dewael heeft verlaten omdat hij de conjunctuur voor een deel wilde gebruiken om te saneren als hij dat nodig vond, ging het ook om filosofieën. Die zaken moeten toch in hun geheel worden bekeken. Een voorspelling van wat het een en het ander inhoudt, is een noodzaak om de besprekingen op een juiste manier te voeren.

Als men een norm wil, moet men wel goed weten wat men ermee wil bereiken. Men moet er dan ook achter staan en er de consequenties van zien.

De heer Eric Van Rompuy: Die discussie zullen we zeker nog in de volgende maanden voeren. We hebben hier jarenlang gediscussieerd over het schuldvrij Vlaanderen. We moesten overschotten creëren. Op de duur wisten we niet meer wat doen met de overschotten.
Zes maanden later zaten we opgescheept met een schuld van een paar miljard euro en met een tekort van 2 miljard euro. (Opmerkingen)

Mijnheer Van Mechelen, dat is allemaal zeer theoretisch. Laten we proberen de volgende twee jaar een begroting in evenwicht te hebben. Dan zouden we al heel goed werk geleverd hebben. U zegt dat er eigenlijk geen evenwicht is. Dat is allemaal zeer relatief. Die discussie zal zeker nog worden gevoerd.

De voorzitter: Het incident is gesloten.

 
 
 
 

 

2011 Koen Van den Heuvel