| |
Vraag om uitleg van de
heer Koen Van den Heuvel tot de heer Philippe Muyters, Vlaams
minister van Financiën, Begroting, Werk, Ruimtelijke Ordening en
Sport, over de compensatie voor gemeenten en provincies voor de
vrijstelling onroerende voorheffing inzake nieuw materieel en
outillage
21 juni 2011
De voorzitter: De heer Van den Heuvel
heeft het woord.
De heer Koen Van den Heuvel: Voorzitter, bij sommige
lokale besturen bestaat wat
onzekerheid over dit punt. We kennen allemaal de beslissing van
de Vlaamse Regering. Ik
kan me voorstellen dat minister Muyters in zijn vorige functie
dolenthousiast was toen de
toenmalige Vlaamse Regering die beslissing nam.
Het gaat om de vrijstelling van onroerende voorheffing op nieuw
materieel en outillage. De
Vlaamse Regering wilde op deze manier de discriminatie wegwerken
tussen een investering
in een greenfield, waarvoor reeds sinds het midden van de jaren
90 een vrijstelling van de
onroerende voorheffing op nieuw materieel en outillage geldt, en
een investering in een
brownfield.
De onroerende voorheffing vormt een belangrijke bron van
inkomsten voor de lokale besturen. Om die reden heeft de
toenmalige Vlaamse Regering besloten dit verlies aan inkomsten
te compenseren. De schatting luidde toen dat dit in 2013 75
miljoen euro zou betekenen.
Die beslissing dateert van 2008. Ondertussen zijn we een paar
jaar verder. Volgens het besluit
van de Vlaamse Regering van 23 juli 2010 houdende de uitvoering
van de compensatie zal de
vergoeding telkens op uiterlijk 31 mei van het jaar volgend op
het aanslagjaar worden berekend en in de loop van de maand juli
van hetzelfde jaar worden doorgestort.
We hebben van de lokale besturen en van de ambtenarij het
signaal gekregen dat amper twintig Vlaamse gemeenten vorig jaar
een compensatie voor het aanslagjaar 2009 hebben ontvangen. Het
aanslagjaar 2009 vormde natuurlijk het dieptepunt van de
economische crisis.
Er was toen een negatieve economische groei. Datzelfde jaar
bevonden de bedrijfsinvesteringen zich allicht op een
laagtepunt. Dat zou een verklaring kunnen zijn.
Mijn eerste vraag is dan ook of de procedure in de praktijk goed
loopt. In 2009 hebben slechts een twintigtal Vlaamse gemeenten
een compensatie ontvangen. Klopt dit bericht? Waaraan is dit
lage aantal te wijten? 31 mei 2011 is ondertussen achter de rug.
Kan de minister ons een idee geven van het aantal gemeenten
waaraan voor het aanslagjaar 2010 een compensatie is toegekend?
Het volgende onderdeel van mijn vraag om uitleg heeft betrekking
op de meerjarenplanning.
Er is gesteld dat het na 2013 om 75 miljoen euro zal gaan. De
legislatuur loopt af in 2014.
Het is bijgevolg moeilijk vragen te stellen over wat er daarna
zal gebeuren. Nu we dat weer
mogen, wil ik echter naar intenties peilen. Zal de structurele
financiering van de lokale besturen ook in de toekomst een
engagement blijven?
In zijn antwoord op een schriftelijke vraag van de heer Vereeck
over de engagementen van de
Vlaamse Regering in verband met Ford Genk heeft de
minister-president laten blijken dat de
Vlaamse Regering wel degelijk langetermijnengagementen tot 2020
kan aangaan. Als ik het
goed lees, wordt daarbij blijkbaar nog een breder verhaal van
vrijstelling van onroerende
voorheffing gesuggereerd. Vandaar mijn vraag hoe u als huidig
minister van Financiën deze
problematiek ziet en hoe u erover denkt voor de toekomst, zowel
ten aanzien van de bedrijven als van de financiële draagkracht
van de lokale besturen.
De voorzitter: De heer van Rouveroij heeft het woord.
De heer Sas van Rouveroij: Minister, u zult zich
herinneren dat ik vorig jaar dezelfde vraag
heb gesteld. Ik ben geïnteresseerd in het antwoord dat u zult
geven, wat een actualisatie zal
inhouden van het antwoord dat u toen gaf en waarnaar de heer Van
den Heuvel heeft verwezen. In 2009 waren er maar twintig
besturen. Hoe zit het voor 2010?
De voorzitter: Mevrouw Smaers heeft het woord.
Mevrouw Griet Smaers: Minister, we zien dat er in de
begroting in een apart artikel voor deze compensaties wordt
voorzien. Er is ondertussen al in een stijging van het budget
voorzien voor de komende jaren. Hebt u er een zicht op hoe het
in de praktijk loopt? Zijn de gemeenten daar tevreden over? Vaak
komt die compensatie immers veel later dan de afrekening
onroerende voorheffing. Heeft men daar geen rekening mee
gehouden? Ook ten aanzien van de liquiditeit van de gemeenten
geeft dat af en toe problemen. Ik hoor in mijn eigen stad dat
die compensaties altijd moeilijk liggen, zeker ten aanzien van
de raming binnen de gemeenten van hun algemene budgetten inzake
onroerende voorheffing.
Minister, wat zijn uw bevindingen? Kan het misschien efficiënter
op een andere manier, of is
dit de meest efficiënte manier?
De heer Eric Van Rompuy: Deze vragen vergen praktische
antwoorden. In mijn eigen
gemeente is de moeilijkheid dat het gemeentebestuur vaak niet
weet wat nu die nieuwe
investering in materieel en outillage is. Dat moet worden
doorgegeven aan de fiscale
diensten. Die doen dan een aftrek. De gemeenten moeten ook weten
op welke compensaties
ze kunnen rekenen. Het is een mooie stelling die verkondigd is
naar aanleiding van het lokaal
pact. We hebben dat hier besproken. De praktische
uitvoerbaarheid ervan lijkt me heel wat
problemen te hebben.
De voorzitter: Minister Muyters heeft het woord.
Minister Philip Muyters: Voorzitter, ik wil even ingaan
op waarover ik in mijn vorige job
positief was, en dat blijft overigens zo. Er zijn drie
belangrijke punten, en ik zie dat nu nog
steeds zo. Ten eerste is er de geleidelijkheid. Het is geen
zware budgettaire kostprijs ineens.
Het heeft twee bijkomende voordelen. We stimuleerden de Vlaamse
economie om te
vernieuwen. Een bedrijf dat zich vernieuwt, verankert zich wel
een beetje. Er werden
bijkomende stimulansen aan het bedrijfsleven gegeven.
Mijnheer de voorzitter, als antwoord op uw bijkomende vraag,
moet ik een zicht geven op
hoe algemeen de regeling van de voorschotten en het doorstorten
van de opcentiemen wordt
geregeld en hoe dat ten aanzien van de gemeenten en provincies
wordt georganiseerd. De
compensatie voor de vrijstelling van materieel en outillage
gebeurt immers niet via een aparte
uitbetaling maar zit in het systeem van de voorschotrekening en
de afrekening van de
opcentiemen. Die voorschotrekening wordt geregeld via het
decreet van 6 juli 2001.
In de praktijk verloopt het als volgt. Hier zijn heel wat mensen
die gemeentelijke ervaring
hebben. 95 procent van de voorschotten van de opcentiemen wordt
vanaf juli tot december
van het betrokken aanslagjaar in gelijke maandelijkse schijven
doorgestort. Dat gebeurt op
basis van de inschatting van de opcentiemen die de gemeente zelf
doorgeeft. In de maand juli
van het jaar volgend op het aanslagjaar gebeurt die
eindafrekening en worden in eerste
instantie de effectief ontvangen opcentiemen tot en met 31 mei
van het jaar volgend op het
aanslagjaar verminderd met het reeds betaalde voorschot.
Het saldo van die berekening moet vervolgens overeenkomstig het
besluit van 23 juli 2010
van de Vlaamse Regering verrekend worden met de compensatie voor
de gederfde
opcentiemen op de onroerende voorheffing op nieuw materieel en
outillage. Die compensatie
wordt berekend op basis van door het kadaster aangeleverde
informatie over materieel en
outillage, rekening houdend met de gegevens die gekend zijn op
31 mei van het jaar volgend
op het aanslagjaar. De gederfde opcentiemen die nadien
definitief worden verworven, worden
halfjaarlijks, dus in december en in juni, doorgestort of
verrekend met de maandelijkse
doorstorting van de opcentiemen.
De gemeenten en de provincies die bij de eindafrekening een
positief saldo vertonen – dat wil
zeggen dat ze meer ontvangsten hadden en compensatie dan wat ze
al in voorschot hebben
gekregen – krijgen het saldo uitbetaald in juli van het jaar
volgend op het betrokken aanslagjaar. Er zijn ook gemeenten en
provincies die een negatief saldo hebben, met name dat
de minderontvangsten en de compensatie lager zijn dan de
voorschotten die al verkregen zijn.
Dan krijg je een negatief saldo en wordt het teveel dat is
betaald via de voorschotten, in
mindering gebracht bij het eerste voorschot van het volgend
aanslagjaar.
Inzake de compensatie voor vrijstelling van nieuw materiaal en
outillage voor de aanslagjaren
2009 en 2010 hebben zowel u als de heer Van den Heuvel het over
20. In mijn gegevens staat
dat er in totaal 111 gemeenten recht hadden op een compensatie
voor nieuw materieel en
outillage. Die compensatie werd natuurlijk verrekend. Misschien
is dat de reden waarom u
maar aan 20 komt. Het is niet omdat er een compensatie is, dat
die automatisch een positief
eindsaldo geeft. Mij is gezegd dat er 111 gemeenten zijn die een
compensatie gekregen
hebben. In juli 2010 bedroeg die compensatie 1.361.000 euro. Het
bedrag van de compensatie
ligt dus duidelijk veel lager dan wat initieel werd geraamd.
Maar, mijnheer Van den Heuvel,
zoals u hebt gezegd, heeft dat ongetwijfeld te maken met het
feit dat 2008 een crisisjaar was
en dat de gegevens die we van het kadaster krijgen, wellicht
aanleiding geven tot een
compensatie die veel lager is dan verwacht. Het gaat zowel over
nieuwe investeringen als
over vervangingsinvesteringen. Er is dus wel een onderbenutting.
Ik kan u ook de cijfers voor 2010 geven. 156 gemeenten zullen
recht hebben op compensatie.
Ik herhaal dat dit niet betekent dat er een positieve afrekening
is. Het hangt ervan af hoe groot de inschatting was van de
opcentiemen en of de eindafrekening – de voorschotten minus wat
men heeft gekregen en de compensatie – erboven of eronder ligt.
Ik denk dat dat de reden is van die 20 tegenover die 111. Er
zijn 156 gemeenten die recht hebben op een compensatie.
Voor de gemeenten bedraagt ze nu bijna 2.069.000 euro en voor de
provincies 483.000 euro.
U had ook vragen over wat er in de toekomst gebeurt. In 2013
wordt de maatregel
geëvalueerd. U hebt daar ook naar verwezen. In de
meerjarenraming is het duidelijk dat we
recurrent vanaf 2014 in 75 miljoen euro voorzien als
compensatie. In de evaluatie moet de
afbouw van de onroerende voorheffing op materieel en outillage
mee aan bod komen.
U vroeg ook hoe ik op de reactie van de minister-president op
een vraag van de heer Vereeck
reageer. De Vlaamse Regering heeft effectief het engagement
genomen om tegen 2020 te
zorgen dat sterk investerende industriële bedrijven een complete
vrijstelling van onroerende
voorheffing krijgen. Door de volledige vrijstelling voor
vervangingsinvesteringen – zowel de
combinatie van het toekennen van de volledige vrijstelling van
de onroerende voorheffing
voor investeringen in nieuw of vervangingsmateriaal en outillage
als de volledige
aanrekening van deze investeringen – denken we dat normaal tegen
2020 de onroerende
voorheffing van materieel en outillage compleet zal zijn
afgeschaft. Uiteraard zullen we bij
de evaluatie zien of dat effectief voldoende is en of we op dat
moment bijkomende
initiatieven moeten nemen om ons einddoel te bereiken, met name
de afschaffing tegen 2020.
Als dat uit de evaluatie van 2013 blijkt, zullen we zeker
initiatieven nemen.
Tot slot wil ik zeggen dat de compensaties voor lokale en
provinciale overheden geenszins ter
discussie staan.
De voorzitter: De heer Van den Heuvel heeft het woord.
De heer Koen Van den Heuvel: Minister, ik dank u voor het
antwoord. Het verduidelijkt
toch wel enigszins de zaak. U hebt het over 111 en 156
gemeenten. Net zoals de heer Van
Rompuy in zijn gemeente heb ik dat in mijn regio afgetoetst.
Weinig schepenen van
Financiën of ontvangers kennen de juiste situatie van hun
gemeente. Ze zeggen me bijna
allemaal dat ze er niets van hebben gehoord. U had het over 156
gemeenten, of bijna 1 op 2.
Uit een steekproef bij een kleine 10 gemeenten zouden er dan
toch minstens 1 of 2 moeten
tussen zitten. Ze weten het eigenlijk niet. Het zou goed zijn
dat de Vlaamse Belastingdienst
(VLABEL) de gemeenten wat inzicht geeft over die afrekening. Ik
begrijp dat u zegt dat de
compensatie er op het einde van de rit al in zit. Blijkbaar
wordt er ten aanzien van de
ontvangers te weinig aandacht aan besteed. Ze weten het niet. Ik
doe een oproep om daarover enige verduidelijking te geven of een
korte verklarende nota te sturen.
Ik ben tevreden dat u zegt dat u die lokale compensatie niet
vergeet. Want, minister, u hebt
wellicht ook de term ‘pestbelasting’ gebruikt in uw vroeger
leven. U hebt het ondertussen
ook al wat afgeleerd. (Opmerkingen van minister Philippe Muyters)
Vroeger hebt u dat woord ook af en toe in de mond genomen. U had
het dan vooral over de
kleinere, minder efficiënte belastingen. Welnu, deze belasting
is geen minuscule, kleine
belasting voor lokale besturen. Dit is, naast de opcentiemen op
de personenbelasting, de
tweede structurele financieringspijler van de lokale besturen.
Ik zou de Vlaamse Regering
dan ook willen oproepen om hier behoedzaam mee om te springen.
Indien een decreetswijziging de ontvangsten van de lokale
besturen negatief beïnvloedt, moet in voldoende compensaties
worden voorzien. Het gaat hier immers om een structurele pijler
van de financiering van de lokale besturen.
De voorzitter: De heer van Rouveroij heeft het woord.
De heer Sas van Rouveroij: Het antwoord van de minister heeft
ons op een geaggregeerd
niveau op de hoogte gebracht van de huidige stand van zaken.
Enkele maanden geleden heb
ik evenwel een vraag om uitleg gesteld die perfect aansluit bij
wat de heer Van den Heuvel en
de voorzitter net hebben gesteld.
De steden en de gemeenten hebben geen of onvoldoende zicht op de
afrekening. Dat kan
zeker beter. De minister zou op dat vlak een inspanning kunnen
leveren. De steden en de
gemeenten hebben ook geen of onvoldoende zicht op de vraag wie
wat betaalt. De minister
heeft hier vorige keer een lang antwoord op gegeven. Hij
begrijpt dat de steden en de
gemeenten wel eens zouden willen weten welke bedrijven hoeveel
betalen. Dat kan echter
niet worden meegedeeld. Dat staat los van de goede samenwerking
tussen fiscaal bevoegde
besturen. Vanwege bepaalde federale bepalingen kunnen die
gegevens niet worden
meegedeeld.
Dat doet niets af aan het feit dat de vorige sprekers gelijk
hebben. Ik dring er dan ook op aan
dit punt op het overleg met de Federale Regering te plaatsen.
Het is natuurlijk niet duidelijk
in welke mate dit overleg nog plaatsvindt. Er moet eens worden
nagegaan in welke mate per
gemeente en per belastingplichtige meer details kunnen worden
vrijgegeven. Het gaat me dan
om de onroerende voorheffing voor particulieren en voor
bedrijven. Wat de bedrijven betreft,
gaat het om onroerende goederen en om materieel en outillage.
De voorzitter: Minister Muyters heeft het woord.
Minister Philippe Muyters: Ik wil me er uitdrukkelijk toe
engageren de afrekening nog
duidelijker te maken. Ik dacht dat het al duidelijk was. Indien
er nog vragen zouden zijn over
welke gemeente wat krijgt, zullen we dat verduidelijken. Ik heb
het laten navragen. Elke
gemeente krijgt effectief een bepaald bedrag. Dit bedrag wordt
op basis van de afrekening
vastgelegd.
De afrekening in 2009 had betrekking op 2008. Het ging om iets
meer dan 1 miljoen euro.
Dat geld moest over 111 gemeenten worden verdeeld. Het is
duidelijk dat het voor de meeste
gemeenten een relatief klein bedrag is geweest. Het gevolg is
waarschijnlijk dat sommige
gemeentebesturen dit niet direct hebben opgemerkt. Dat bedrag
wordt afzonderlijk in de
afrekening opgenomen.
Zodra we dichter bij de inschattingen uit het verleden
aansluiten en de bedrijfsinvesteringen
weer op gang komen, zal het allemaal duidelijker worden. Ik zal
trachten dat allemaal nog
eens te verduidelijken. Aangezien ik dit belangrijk vind, zal ik
hiervoor misschien een aparte
brief verzenden.
De voorzitter: De heer Van Mechelen heeft het woord.
De heer Dirk Van Mechelen: Volgens mij mag een detail wel
worden vrijgegeven. Het gaat
dan om de vraag welke onroerende voorheffing het gevolg van
nieuwbouw of van nieuwe
investeringen is. De historische onroerende voorheffing wordt
meestal geïndexeerd. Dat
kunnen gemeenten vrij goed opvolgen. Soms heeft een gemeente
echter compleet nieuwe
wijken en nieuwe projecten. Dat leidt onmiddellijk tot een
verhoging van de onroerende
voorheffing. Beleidsmatig is het natuurlijk belangrijk dit te
kunnen inschatten. Daar zit immers een vertragingseffect van
twee of drie jaar op.
De voorzitter: De heer van Rouveroij heeft het woord.
De heer Sas van Rouveroij: Ik heb nog een korte
bijkomende vraag. De oorspronkelijke
raming maakte gewag van 75 miljoen euro. Ik vraag me af hoe dit
bedrag destijds is bepaald.
Ik weet dat het een moeilijke berekening is. Ik onderschat dat
zeker niet. (opmerkingen van
minister Philippe Muyters)
In dat geval stel ik de vraag aan de heer Van Mechelen. Is de
verklaring enkel in de
economische crisis te vinden? Naarmate de jaren opschuiven, is
dat argument steeds minder
beschikbaar. Het verschil tussen 2 miljoen euro en 75 miljoen
euro is echter gigantisch.
De voorzitter: De heer Van Mechelen heeft het woord,
hoewel hij het niet zelf heeft
gevraagd. (Gelach)
De heer Dirk Van Mechelen: Daar zijn heel wat
extrapolaties op losgelaten. De man die dit
heeft berekend, heeft ook de vermindering en nadien de verhoging
van de registratierechten
tot na de komma juist berekend. Het is boeiend te kijken wat er
precies is gebeurd. Dat heeft
onder meer met delocaties en met vernieuwingen te maken. Er zijn
veel parameters bij
betrokken. Zoals steeds, bewijst ook dit voorbeeld dat
fiscaliteit sturend kan werken.
(Opmerkingen)
We hebben hier lang over slimme belastingverlagingen gepraat. De
voorzitter weet dat beter
dan wie dan ook. We hebben steeds gesteld dat een vrijstelling
op nieuw materieel en
outillage een enorm sturende belastingmaatregel zou zijn. Het
effect zou een
energievriendelijker machinerie zijn. Dit is ook op het terrein
gebleken.
Nu zouden we nog eens de cijfers moeten analyseren die als
uitgangspunt hebben gediend.
Die cijfers zijn beschikbaar. De vraag is hoe de berekening is
uitgevoerd en wat op dit
ogenblik de impact is.
De voorzitter: De heer van Rouveroij heeft het woord.
De heer Sas van Rouveroij: Ik heb het liever zo dan
andersom. Ik herinner me een vraag die
ik heb gesteld toen ik nog voorzitter van de raad van bestuur
van de Vereniging van Vlaamse
Steden en Gemeenten (VVSG) was. Ik heb toen gevraagd of de
Vlaamse Regering wel in
voldoende geld had voorzien. We kennen voldoende voorbeelden. Om
de financiën in
evenwicht te houden, raamt de Vlaamse Regering zeer zuinig.
Zodra tot een uitbetaling aan
de steden en de gemeenten moet worden overgegaan, blijkt dat in
te weinig geld is voorzien. In dit geval is eigenlijk in te veel
geld voorzien. Vanuit het oogpunt van de steden en de
gemeenten is dat natuurlijk een goede zaak. Er kan vlot worden
uitbetaald. Ik vraag me echter af hoe het met onze economie zit.
Slabakken de vervangingsinvesteringen nog steeds?
Ik ben in feite bezorgd. Wat betekent deze indicie in verband
met onze economie? Is dit een
symptoom van een nog niet volledig herstelde investeringsgraad?
Het gaat natuurlijk nog
altijd over 2010.
Minister Philippe Muyters: Ik herinner me dat ik in mijn
vorige job die raming ook heb gemaakt. We kwamen toen ongeveer
op hetzelfde bedrag uit. De toenmalige minister weet
trouwens dat we dat toen hebben berekend.
We spreken hier steeds over twee jaar geleden. De afrekening in
2011 heeft betrekking op
2010. In 2010 zaten we, zeker op het vlak van de investeringen,
nog in volle crisis. De
arbeidsmarkt begon toen stilaan weer op gang te komen.
Ik blijf erbij dat we op de evaluatie in 2013 moeten wachten.
Dan zullen we zien of er
behoefte aan bijkomende maatregelen is. Volgens mij blijft de
basisfilosofie in elk geval
goed.
De voorzitter: Mevrouw Smaers heeft het woord.
Mevrouw Griet Smaers: Ik ben blij met het antwoord van de
minister. Op de een of andere
manier ben ik het niet eens met het punt dat de heer Van
Mechelen net heeft aangehaald.
Indien ik het goed heb begrepen, moet het bedrag van de
compensatie ten gevolge van een
toename van de investeringen stijgen en niet dalen. Indien er
meer vervangingsinvesteringen
zijn, zal het bedrag groter worden. Ik vermoed dan ook dat het
gedeeltelijk met de crisis van
twee jaar geleden te maken heeft. Het lijkt me dan ook zeer
zinvol binnen twee jaar na te
gaan in welke mate het bedrag is gestegen. Op die manier kunnen
we de juiste impact op de
economie bepalen.
De heer Eric Van Rompuy: We hebben hier al eerder
discussies over de afschaffing van de
tewerkstellingstaks en de vrijstelling van de onroerende
voorheffing gevoerd. We kunnen ons
natuurlijk de globale vraag stellen wat het reëel economisch
effect van dergelijke maatregelen
is.
In mijn gemeente hebben we de tewerkstellingstaks afgeschaft.
Dat was een dure zaak voor
onze financiën. Dat ging over bijna 400.000 euro. Ik vraag me af
of er hierdoor een
arbeidsplaats in de gemeente Zaventem is bijgekomen.
Symbolisch klinkt het allemaal mooi. Het zou interessant zijn
voor deze commissie eens te
horen wat die afschaffing of die vrijstelling voor een bedrijf
zoal betekent. Die gegevens
liggen wellicht buiten ons bereik. De vraag is of bedrijven naar
aanleiding hiervan tot
investeringen overgaan.
Vanuit macro-economisch oogpunt kunnen we natuurlijk stellen dat
we de belastingdruk op
de bedrijven verlagen. Hier mag echter ook wel eens een ernstig
debat over plaatsvinden. Een
dergelijk debat kunnen we echter enkel op basis van concrete
gegevens voeren. Misschien
kunnen we die discussie nog eens voeren. We hebben hier al
eerder discussies gevoerd over
de gewestbelastingen en over het rendement van bepaalde
maatregelen. Dit punt kan hier deel van uitmaken.
Ik zie dat de heer Van Mechelen het met mijn laatste statement
niet eens is.
De heer Dirk Van Mechelen: Ik ben het daar niet mee eens.
Ten aanzien van de headquarters van een aantal internationale
bedrijven hebben die belastingmaatregelen een ongelooflijke
signaalfunctie gehad. De betekenis kon nominaal worden
aangetoond. Ik herinner me die lijst alsof ik hem gisteren nog
voor me had. In verband met sommige bedrijven was er sprake van
zeer grote geldsommen.
Uit dit belangrijk signaal ten aanzien van de headquarters bleek
dat we in Vlaanderen voor een belastingverlaging en voor de
aanmoediging van investeringen gingen. Het gaat in dit geval
niet enkel om het nominale getal. Die belastingverlaging kent
een grote sensitiviteit en heeft volgens mij zeker en vast een
impact gehad.
De heer Eric Van Rompuy: Het zou interessant zijn om op
micro-economisch vlak te zien
wat dit per bedrijf kan betekenen.
De heer Dirk Van Mechelen: Het voorbeeld van BASF spreekt
tot de verbeelding.
De heer Eric Van Rompuy: Voor de automobielsector of voor
de chemische sector in
Antwerpen kan dat effectief een belangrijk punt vormen.
De voorzitter: Het incident is gesloten. |