| |
Vraag om uitleg van
de heer Koen Van den Heuvel tot de heer Philippe Muyters, Vlaams
minister van Financiën, Begroting, Werk, Ruimtelijke Ordening en
Sport, over de vrijstelling van schenkings- en successierechten
op giften aan universiteiten
17 januari 2012
De voorzitter: De heer Van den Heuvel heeft het woord.
De heer Koen Van den Heuvel: Voorzitter, minister, mijn
vraag werd een paar weken geleden ingediend, vandaar dat er
staat “in februari van dit jaar”. Het gaat ondertussen
natuurlijk over februari van vorig jaar, want toen hebben we
hier al eens een discussie gehad over legaten aan goede doelen.
Toen is duidelijk geworden dat er een verschil is tussen
publieke lichamen en de private instanties. Publieke lichamen
zijn vrijgesteld van schenkings- en successierechten, terwijl de
private instanties 7 procent schenkingsrechten moeten betalen en
8,8 procent successierechten.
De lijst met instellingen die vrijgesteld zijn, is heel lang en
telt ongeveer 25 pagina’s. Als we die naar de universiteiten
vertalen, zien we dat er een zekere discriminatie is of toch een
verschil. De universiteiten van Gent, Hasselt en Antwerpen
hoeven geen schenkings- of successierechten te betalen, terwijl
de KU Leuven en de Vrije Universiteit Brussel ze wel moeten
betalen – gelukkig zijn ze met twee. Er is dus een vertekening
op dit vlak tussen de Vlaamse universiteiten.
Uw woordvoerder heeft me al eens gezegd dat u op de hoogte bent
van het probleem. Hoe staat u hier tegenover? Wie stelt de lijst
op van instellingen die vrijgesteld zijn van schenkings- en
successierechten? Wat zijn de exacte criteria waardoor men tot
dit onderscheid komt? Zult u op termijn maatregelen of
initiatieven nemen om de ongelijkheid tussen de universiteiten
weg te werken? Het lijkt me een problematiek die door de
studiecommissie kan worden behandeld.
De voorzitter: Mevrouw Schryvers heeft het woord.
Mevrouw Katrien Schryvers: Voorzitter, minister, ik wil
me aansluiten bij de vraag van de heer Van den Heuvel. Het is
inderdaad bijna een jaar geleden dat we hierover in deze
commissie al eens een discussie hebben gehad, begin februari
2011. Minister, ik wil alleen deze gelegenheid aangrijpen om te
vragen naar de timing in verband met de studiecommissie.
De voorzitter: Ik heb gisteren nog contact gehad met het
kabinet van de minister en ik meen dat er van enige evolutie
sprake is. We zullen er straks van gedachten over kunnen
wisselen. Minister Muyters heeft het woord.
Minister Philippe Muyters: Voorzitter, dames en heren, u
herinnert zich wellicht dat de A-lijst werd afgehandeld met de
bespreking van de begroting 2012 in december van vorig jaar.
Toen hadden we een B-lijst. Het ging over onze oorspronkelijke
B-lijst plus de C-lijst waarop u als parlementsleden een aantal
punten naar de B-lijst hebben verschoven.
De studiecommissie is daarover twee keer bijeen geweest. De
administratie heeft op basis van die besprekingen het geheel
samengevat en dat werd rondgestuurd naar de studiecommissie voor
commentaar op het verslag. Ik meen dat dit juist is, want anders
kunnen we het niet ‘het verslag van de studiecommissie’ noemen.
Als de opmerkingen binnen zijn, kunnen we ze verwerken en zullen
we het rapport ter beschikking stellen. Dat is de stand van
zaken. Ik durf er geen termijn op te kleven, alles hangt af van
het aantal reacties bij het rapport dat nu werd rondgestuurd
naar de leden van de studiecommissie.
Mijnheer Van den Heuvel, uw vraag gaat uiteraard over de
artikelen 55 en 59 van het Vlaams Wetboek der successierechten
en artikelen 140 en 161, ten eerste van het Vlaams Wetboek over
de registratierechten. De dienst van de belastingen wordt
voorlopig nog altijd uitgevoerd door de Federale Overheidsdienst
(FOD) Financiën, de federale overheidsdienst. Het is ook de FOD
die bepaalt welke instellingen in aanmerking komen om erkend te
worden als openbare instelling, op basis van objectief
vastgestelde criteria.
De lijst die wordt gehanteerd is de toepassing van artikel 55
van het Wetboek der successierechten, artikel 161 van het
Wetboek over de registratierechten en artikelen 9, 21, 176 ten
tweede en 198 van het Wetboek op taksen. De FOD Financiën
hanteert drie criteria om na te gaan of een instelling
gekwalificeerd wordt als een openbare instelling of niet. Daar
er geen wettelijke definitie van het begrip openbare instelling
opgenomen werd in het Wetboek der successie- en
registratierechten, zijn het ook de criteria met betrekking tot
het begrip ‘openbare instelling’ die geëxtraheerd worden uit de
rechtsspraak en de rechtsleer zoals dat begrip zich in het
administratief recht heeft ontwikkeld sinds het midden van de
vorige eeuw.
De drie criteria zijn de volgende. Ten eerste, de instelling
dient opgericht te zijn door of krachtens een wet, decreet of
ordonnantie.
Ten tweede moet ze rechtspersoonlijkheid bezitten en ten derde
moet er controle en toezicht zijn door de inrichtende overheid.
Er is een link naar de lijst die daarvoor in aanmerking komt:
http://ccff02.minfin.fgov.be/KMWeb/document.do?method=view&id=35b18eb6-729c-
4d65-bab9-bee94abf1d77#findHighlighted. Op basis van die drie
criteria hoort de ene universiteit wel en de andere universiteit
niet bij de openbare instellingen.
Ik wil nog eerst melden dat de uitspraken niet van mijn
woordvoerder waren, voor zover ik me dat herinner, maar van de
communicatieverantwoordelijke van de KU Leuven, mevrouw Griet
Van der Perre. Dat is maar een detail. Niettemin ben ik dus ook
effectief op de hoogte van de problematiek. Bovendien is die
problematiek ruimer dan besproken in het krantenartikel. Dat is
de reden waarom we de topic van differentiatie tussen goede
doelen mee hebben opgenomen als te behandelen topic in die
verruimde studiecommissie. Het is er een van de B-lijst
geworden, om zo te zeggen.
De problematiek is trouwens al lang bekend. Er is rechtspraak
bekend omtrent het verschil in behandeling. Maar naast het feit
of men het wenselijk acht om bepaalde instellingen te laten
genieten van verminderd tarief, zijn er voornamelijk ook
misbruiken zoals schijn-vzw’s en is er de mogelijkheid van een
belangrijke budgettaire weerslag, onder meer bij het systeem van
de duolegaten. Ik denk dat ik dat hier in de commissie zelfs
ooit met een voorbeeld heb toegelicht. Het zal dus mijns inziens
niet eenvoudig zijn om een passend demarcatiecriterium of een
passend criterium te vinden, wat uiteraard een vereiste zal zijn
mocht er besloten worden om de huidige criteria te verlaten en
nieuwe naar voren te schuiven.
Op basis van het resultaat van de bespreking van het parlement
van die verruimde studiecommissie in de schoot van het Vlaams
Parlement, zullen we kunnen zien of de problematiek moet worden
aangepakt en op welke manier. Zoals ik heb gezegd in het begin
van mijn antwoord, is het verslag nu gemaakt door mijn
administratie en rondgestuurd naar de studiecommissie om nog
commentaar te vragen. Ik zal het daarna via de voorzitter en de
secretaris aan de commissie ter beschikking stellen.
De voorzitter: De heer Van den Heuvel heeft het woord.
De heer Koen Van den Heuvel: Minister, ik dank u voor het
antwoord. We hebben een mooie oplijsting gekregen. Ik wilde het
enkel nog eens onder de aandacht brengen omdat het toch wel
jammer is dat de verschillende Vlaamse universiteiten met
verschillende wapens moeten strijden. De eerlijkheid zou
toenemen als dat wordt rechtgetrokken. We zijn al een tijdje
bezig met de studiecommissie Gewestbelastingen. Er is al wat
werk verzet. Ik hoop dat we dit jaar een stap voorwaarts kunnen
zetten en dat deze problematiek daar mee in kan worden opgenomen
en kan worden rechtgezet.
De voorzitter: Het incident is gesloten.
|