VOORSTEL TOT MOTIE HOUDENDE RAADPLEGING VAN ADVIESORGANEN VAN DE HEER KOEN VAN DEN HEUVEL, DE DAMES SABINE POLEYN EN VERA CELIS, EN DE HEREN MATTHIAS DIEPENDAELE, BART VAN MALDEREN EN CHOKRI MAHASSINE 

BETREFFENDE HET VERHOGEN VAN DE UITSTROOM VAN HET AANTAL AFSTUDERENDEN IN WETENSCHAPPELIJKE EN TECHNISCHE RICHTINGEN

gepland

TOELICHTING 

Met de regelmaat van de klok worden we er in Vlaanderen aan herinnerd dat er een structureel tekort aan exacte wetenschappers en technici op onze arbeidsmarkt bestaat. Zowel de VDAB als de bedrijven zelf wijzen er immers al geruime tijd op dat de te lage uitstroom van gekwalificeerde exacte wetenschappers en technici uit het onderwijs, voor hen steeds meer een economische handicap is.

Ondanks de vele initiatieven die (al dan niet vanuit de overheid gefinancierd) bestaan om de exacte wetenschappen en techniek (W&T) t.a.v. jongeren te promoten, blijven positieve resultaten vaak uit. Zowel in het Actieplan Wetenschapscommunicatie 2009 als in het VRWI-(toen nog VRWB)advies 134 werd opgeroepen het beleid m.b.t. het promoten van W&T t.a.v. jongeren, een nieuw elan te geven.
In deze optiek zou het boeiend zijn te weten hoe volgens de VRWI en de VLOR, de respectievelijke strategische adviesraden voor de beleidsdomeinen innovatie en wetenschapsbeleid, en onderwijs, een dergelijk vernieuwd beleid concreet moet ingevuld worden. 

VOORSTEL VAN MOTIE

Het Vlaams parlement, 

Overwegende dat  

- Het tekort aan geschoolde exacte wetenschappers en technici zich ook in de huidige economische laagconjunctuur sterk blijft manifesteren, en in economisch voorspoedigere tijden steeds scherper de kop dreigt op te steken ;  

- Voldoende geschoolde exacte wetenschappers en technici essentieel zijn als olie van onze kennis- en maakeconomie, en een doorzetting van het huidige tekort vele ondernemingen steeds sterker parten zal gaan spelen in hun economische bedrijvigheid en competitiviteit ; 

- Er zowel in het Actieplan Wetenschapscommunicatie 2009 als in het VRWI-advies 134 werd gewezen op de nood van een ambitieuzer Vlaams beleid ter zake; 

-De implementatie van de leerlijn techniek –zoals ontwikkeld door het project TOS21 (Techniek op school voor de 21ste eeuw, augustus 2008) en omschreven in hun aanbevelingen (Eindrapport augustus 2010)- sinds september 2010 niet meer aangestuurd wordt en de invoering van de nieuwe eindtermen techniek mogelijk niet het bedoelde effect zullen genereren; (commissie april 2010 en september 2010).  

- Minister van Onderwijs Smet zich tijdens de commissies onderwijs van 1 april 2010 en 14 oktober 2010 expliciet uitsprak als een voorstander van een actieplan om de genoemde problematiek aan te pakken. Hierbij pleitte hij ervoor om dit plan niet te beperken tot het beleidsdomein onderwijs, maar om een meer globale aanpak te ontwikkelen en daarbij een breed veld van betrokken actoren te betrekken ;

- Minister van Innovatie en Wetenschapsbeleid Lieten in de commissie van 22 april 2010 stelde dat hoewel men niet over de instrumenten beschikte om vast te stellen of de beleidinitiatieven m.b.t. Wetenschapscommunicatie in het verleden een impact hadden gehad op de studiekeuze van jongeren, de tendensen m.b.t. interesse voor de exacte wetenschappen en techniek bij het grote publiek alleszins negatief zijn ;  

Beslist  

1° Om aan de Vlaamse Raad voor Wetenschapsbeleid en Innovatie (VRWI) en de Vlaamse Onderwijsraad (VLOR) te vragen een advies uit te brengen waarin zij hun visie m.b.t. de beleidsinitiatieven nodig om  exacte wetenschappen en techniek bij jongeren sterker te promoten, uiteenzetten. Dit vanzelfsprekend binnen het kader van de bevoegdheden van beleidsdomeinen van, respectievelijk, Innovatie en Wetenschapsbeleid, en Onderwijs.
 

2° Aan de VRWI en de VLOR te vragen in dit advies specifiek in te gaan (maar zich niet te beperken tot) de volgende punten: (in zoverre deze relevant zijn binnen hun specifieke beleidsdomein):  

- Hoe een studieoriëntering naar wetenschappen of nijverheidstechnische-richtingen binnen de hervorming van het secundair onderwijs op basis van de talenten van de jongeren een duidelijkere plaats kan krijgen. 

            - De noodzaak om, en opportuniteiten tot, het samenbrengen van de vele bestaande initiatieven onder één platform. Dit met als doel het ontwikkelen van gezamenlijk strategie, het coördineren van acties, het aanzetten van actoren tot structurele samenwerking, het screenen van educatief aanbod, en het aanvullen van bestaande initiatieven waar nodig. 

            - De mate waarin het beleid er momenteel in slaagt   m.b.t. het promoten en ontwikkelen van de technische en wetenschappelijke talenten van studenten een leerlijn te implementeren. In welke mate m.a.w., worden leerlingen doorheen hun schoolcarrière op een structurele en voldoende continue manier bereikt. 

- De vraag of de Vlaamse overheid nog een rol te spelen heeft met betrekking tot het ondersteunen van de eindtermen techniek (rekening houdend met de inzichten van het TOS21-project ) en zo ja, op welke manier. 

            - De mogelijkheid om leerlingvolgsystemen doorheen de gehele schoolcarrière te implementeren, teneinde de impact van initiatieven ter stimulering van een bepaalde studiekeuze ten volle te kunnen meten.

            - De mate waarin het wenselijk en haalbaar zou zijn om concrete en kwantitatieve doelstellingen m.b.t. het aantal af te studeren W&T-ers voorop te stellen, gebaseerd op prognoses m.b.t. de noden op de arbeidsmarkt.   

            - De mogelijkheid om bijkomende optionele financiering ter uitvoering van W&T- promotieprogramma’s in het secundair onderwijs te koppelen aan het behalen van een vooropgestelde stijging in de doorstroom van studenten naar W&T-richtingen in het hoger onderwijs.  

            -  Het aanpakken van de problematiek dat meisjes vandaag onvoldoende worden warm gemaakt voor de W&T, en hoe we hier effectiever kunnen op inspelen. 

            - De mogelijkheden die de overheid kan uitbouwen om structurele samenwerking tussen de diverse schoolniveaus (lager, secundair en hoger) onderling, en tussen de scholen en het bedrijfsleven, sterker te faciliteren.

            - Hoe deze problematiek kan meegenomen worden in het komende decreet op de leerlingenbegeleiding.            

             - Op welke manier zowel voor wetenschappen als voor techniek gelijkmatig voldoende initiatieven genomen worden. 

            - Het kader en de mogelijkheden die de overheid kan aanbieden om bedrijven te overtuigen voluit mee te investeren in het promoten van W&T bij jongeren, en het detecteren van drempels die hieromtrent nog zouden kunnen bestaan. 

- Breder te kijken dan enkel naar een verhoging van de instroom in W&T richtingen, en na te gaan hoe het stimuleren van een cultuur van wetenschap en innovatie bij alle lagen van de bevolking en het verhogen van het innovatieve potentieel, net zoals het verhogen van de participatie van brede lagen van de bevolking aan het maatschappelijk debat rond wetenschap en innovatie en de impact hiervan op de bevolking kan bijdragen tot een ‘innovatiecultuur’ in Vlaanderen. 

3°  Aan de VRWI en VLOR te vragen reeds bestaande studies (o.m. van EWI) en initiatieven te inventariseren en te verwerken. 

4° Aan de VRWI en de VLOR te vragen om in dit advies beknopt te verwijzen naar good practices in het buitenland m.b.t. het promoten van W&T bij jongeren, die tot aangetoonde resultaten hebben geleid. 

5° Aan die adviesorganen een adviestermijn van 60 dagen te geven.

Koen VAN DEN HEUVEL
Sabine POLEYN
Vera CELIS
Matthias DIEPENDAELE
Bart VAN MALDEREN
Chokri MAHASSINE

     
   
        2010 Koen Van den Heuvel