| |
Voorstel van decreet van de heren Koen Van den Heuvel en Ward
Kennes, mevrouw Griet Smaers en de heren Kris Van Dijck, Jan
Peumans en Peter Vanvelthoven
houdende wijziging van het KLIP-decreet van 14 maart 2008,
wat betreft het indienen en afhandelen van een planaanvraag
alsook de bijhorende strafbepalingen
1 december 2010
TOELICHTING
Algemene toelichting
Op 6 mei 2008 verscheen in het Belgisch Staatsblad het decreet
van 14 maart 2008 houdende de ontsluiting en de uitwisseling van
informatie over ondergrondse kabels en leidingen. Het
KLIP-decreet is inmiddels in werking getreden, deels op 1 juni
2009 en deels op 1 september 2009 (cf. artikel 21 van het
KLIP-decreet en artikel 6 en 7 van het besluit van de Vlaamse
Regering van 20 maart 2009 houdende vaststelling van de nadere
regels voor de registratie alsook de inwerkingtreding van het
decreet van 14 maart 2008 houdende de ontsluiting en de
uitwisseling van informatie over ondergrondse kabels en
leidingen).
De doelstelling van het decreet bestaat erin om directe en
indirecte milieuschade, economische schade en de risico’s inzake
veiligheid en gezondheid – ten gevolge van schade aan kabels en
leidingen door grondwerken op het grondgebied van het Vlaamse
Gewest – te voorkomen via een uniek informatieloket, zijnde het
‘Kabel en Leiding Informatie Portaal’ (hierna: KLIP), een
elektronisch informatiesysteem voor de ontsluiting en de
uitwisseling van informatie over kabels en leidingen.
Om het KLIP te garanderen als een honderd procent sluitend en
werkbaar instrument, bevat het KLIP-decreet verplichtingen ten
aanzien van de verschillende betrokken actoren. Het betreft dan
in hoofdorde de personen die grondwerken uitvoeren op het
grondgebied van het Vlaamse Gewest (de ‘planaanvragers’)
enerzijds en de personen die de kabels en leidingen beheren (de
‘KLB’s’) anderzijds.
In de eerste plaats worden de planaanvragers in artikel 8 van
het KLIP-decreet verplicht om binnen welbepaalde termijnen,
voorafgaand aan de werkzaamheden, een planaanvraag in te dienen.
Met name wordt er gewerkt met een tijdsbestek van de veertigste
(maximumtermijn) tot de twintigste (minimumtermijn) werkdag,
voorafgaand aan de geplande aanvang van de werkzaamheden.
De KLB’s moeten op hun beurt de bij hen beschikbare informatie
over de ligging van hun kabels en leidingen, vereist om de
grondwerken veilig te kunnen uitvoeren, zo spoedig mogelijk en
uiterlijk vijf werkdagen voor de geplande aanvang van de
grondwerken bezorgen aan de planaanvrager.
Naar aanleiding van de recente volledige inwerkingtreding van
het KLIP-decreet is gebleken dat voornoemde minimumtermijn van
twintig werkdagen voor de planaanvraag tot praktische
toepassingsproblemen kan leiden. Voor verschillende types van
werken blijken er vaak minder dan twintig werkdagen te verlopen
tussen de beslissing om die werken uit te voeren (of de
kennisgeving ervan aan de uitvoerder van de werken) en de datum
waarop de werken effectief moeten worden uitgevoerd. Zo doet dit
probleem zich frequent voor bij (onder)aannemers die louter in
opdracht van een andere entiteit, zoals een nutsbedrijf, werken
uitvoeren. Die aannemers nemen vaak slechts vrij laat kennis van
de aanvangsdatum van dergelijke werken, zodat het voor hen in de
praktijk niet altijd mogelijk is om te voldoen aan de
vooropgestelde minimumtermijn. Ook diverse andere werken, zoals
grondboringen, het plaatsen van installaties om vervuilde
gronden te zuiveren en het aansluiten van burgers en bedrijven
op rioleringen zijn in de praktijk niet altijd even gemakkelijk
lang op voorhand te plannen, of op zijn minst zal de uitvoerder
van de grondwerken er nog niet van op de hoogte zijn twintig
werkdagen voor de aanvang ervan. Het betreft hier derhalve
geenszins een marginaal probleem, maar een probleem dat
bovendien door zowel de aannemers als de opdrachtgevers wordt
erkend en waar ook de overheid rekening mee moet houden. Het zou
gaan over enkele tienduizenden grondwerken per jaar. Dat is een
niet te verwaarlozen aantal als we weten dat er in 2008 bijna
60.000 planaanvragen werden ingediend en dat er in 2009 meer dan
90.000 planaanvragen via het KLIP werden ingediend. De
termijnregeling in het KLIP-decreet biedt momenteel geen
flexibiliteit of ruimte om met die specifieke problemen rekening
te houden. Het KLIP-decreet bevat in het tweede lid van artikel
8 nu weliswaar al een beperkt aantal uitzonderingen op de
verplichte planaanvraag, maar die zijn niet aangepast aan of
bruikbaar voor de voormelde problematiek.
Maar ook om het doel van KLIP (schade bij de uitvoering van
grondwerken vermijden) te vrijwaren, moet maximaal worden
vermeden dat de regeling het uitvoeren van grondwerken
bemoeilijkt. Een dergelijke complexiteit zou er immers toe
kunnen leiden dat (aangezien in de praktijk de termijnen toch
niet haalbaar zijn) de aannemers de regeling geheel naast zich
neerleggen.
Belangrijk om te benadrukken is wel dat ook in de omstandigheden
waarin de aannemer minder dan twintig werkdagen voor de aanvang
van de grondwerken op de hoogte wordt gebracht, het verrichten
van de planaanvraag niet volstaat om de grondwerken te mogen
aanvatten. Er wordt expliciet opgenomen dat er hoe dan ook nooit
met de effectieve uitvoering van de grondwerken mag worden
aangevangen voordat de planaanvrager de benodigde kabel- en
leidinginformatie van de KLB’s heeft ontvangen. Indien dit wel
zou gebeuren betreft het een tekortkoming aan een fundamentele
plicht uit het KLIP-decreet. Het is dan ook logisch dat er naar
analogie met het invoeren van een strafbepaling voor het niet of
niet tijdig invoeren van een planaanvraag (artikel 17, 3°) er
een specifieke strafbepaling wordt ingevoerd.
Met voorliggend voorstel van decreet wordt de voormelde
problematiek verholpen door een extra uitzondering op te nemen
voor de minimale termijn waarbinnen de planaanvraag moet
gebeuren.
Commentaar bij de artikelen
Artikel 1
Dit artikel behoeft geen commentaar.
Artikel 2
Het oorspronkelijke eerste lid wordt ongewijzigd behouden. Er
wordt aldus geen afbreuk gedaan aan de principiële plicht tot
het verrichten van een planaanvraag binnen de bestaande maximum-
en minimumtermijn, zijnde veertig respectievelijk twintig
werkdagen, voorafgaand aan de geplande aanvang der werken.
Er wordt echter wel, met een nieuw tweede lid van artikel 8, een
extra uitzondering ingevoerd ten aanzien van de minimumtermijn
van twintig werkdagen. Die termijn kan in de praktijk immers
niet nageleefd worden, indien de persoon die de grondwerken zal
uitvoeren, minder dan twintig werkdagen voor de (door de
opdrachtgever) geplande aanvangsdatum van de grondwerken kennis
heeft gekregen van die datum. Om die reden wordt in dat geval
een andere termijnregeling vastgelegd.
Indien er minder dan twintig werkdagen liggen tussen de geplande
uitvoeringsdatum en het moment waarop de uitvoerder van de
grondwerken kennis heeft gekregen van die uitvoeringsdatum, dan
moeten de plannen via het KLIP zo snel mogelijk na de kennisname
van de geplande uitvoeringsdatum aangevraagd worden. Daarenboven
wordt ook nog een absolute minimumtermijn opgelegd. De
planaanvraag moet in ieder geval vóór de geplande aanvang van de
grondwerken geschieden.
Belangrijk om te benadrukken is wel dat ook in die
omstandigheden het verrichten van de planaanvraag niet volstaat
om de grondwerken te mogen aanvatten. Zoals nu ook in het
decreet zal worden geëxpliciteerd (zie bespreking hieronder met
betrekking tot artikel 3 van het wijzigingsdecreet), zullen de
grondwerken immers nooit mogen worden aangevat voordat de
uitvoerder in antwoord op zijn planaanvraag alle benodigde
informatie van de KLB’s heeft ontvangen. Dat betekent dat ook
bij de toepassing van de uitzondering ten aanzien van de
minimumtermijn nog steeds enige tijd zal verlopen tussen het
moment van de planaanvraag en het ogenblik waarop de geplande
werken effectief kunnen aanvangen. Die tijd wordt met name
bepaald door de snelheid waarmee de geraadpleegde KLB’s hun
informatie kunnen bezorgen (zie ook hieronder). De effectieve
aanvang van de grondwerken zal om die reden bijna steeds naar
een latere datum dan de geplande datum moeten worden verschoven.
De kans dat de KLB’s alle benodigde plannen tijdig zullen kunnen
bezorgen, is immers erg klein.
Enkel planaanvragen die geschieden binnen het tijdsbestek uit
het eerste lid of die conform de uitzondering uit het tweede lid
nadien nog geschieden, worden als tijdig beschouwd. Daarbij moet
worden benadrukt dat het in voorkomend geval de taak is van de
planaanvrager die zich op de nieuwe uitzonderingsbepaling wil
beroepen, om te bewijzen dat aan de toepassingsvoorwaarden ervan
is voldaan.
Indien men zich ten onrechte op de uitzondering beroept of de
nodige bewijzen voor de toepasselijkheid ervan niet kan
verstrekken, wordt de planaanvraag als laattijdig beschouwd en
stelt men zich onder meer bloot aan de geldboete, bepaald in
artikel 17, 3°, van het decreet.
In het derde (voorheen het tweede) lid van artikel 8, wordt nog
een louter taalkundige wijziging doorgevoerd, met als doel
artikel 8 na invoeging van het nieuwe tweede lid nog vlot
leesbaar te houden.
Artikel 3
Op de KLB’s blijft de kosteloze informatieplicht rusten zoals
oorspronkelijk bepaald is.
Evenwel kan, ten gevolge van de aan artikel 8 toegevoegde
uitzondering, aan die plicht niet meer in alle gevallen voldaan
worden binnen het vooropgestelde tijdsbestek, zijnde uiterlijk
de vijfde werkdag voor de geplande aanvang der grondwerken. De
mogelijkheid bestaat immers dat de planaanvraag minder dan vijf
werkdagen voor de geplande aanvang van de grondwerken wordt
ingediend. In andere gevallen verkort de antwoordtermijn van de
KLB’s aanzienlijk tot slechts enkele werkdagen.
Met het oog op de duidelijkheid en de eenduidigheid van de
regeling, wordt daarom de termijn waarbinnen de KLB’s op alle
planaanvragen moeten antwoorden, vervangen door één nieuwe,
algemeen geldende termijn. Die nieuwe termijn houdt in dat de
KLB “zo spoedig mogelijk en uiterlijk de vijftiende werkdag na
de dag waarop de planaanvraag werd ingediend” de benodigde
plannen of informatie aan de planaanvrager heeft bezorgd. De
termijn van vijftien werkdagen sluit zo nauw mogelijk aan bij de
vorige regeling, waar de KLB’s in beginsel immers ook minimaal
over een termijn van vijftien werkdagen beschikten om hun
plannen of informatie te bezorgen (aanvraag minimaal twintig
werkdagen voor de aanvang van de grondwerken en plannen te
bezorgen uiterlijk vijf werkdagen voor de geplande
aanvangsdatum).
Opnieuw moet eraan worden herinnerd dat de planaanvrager hoe dan
ook nooit de effectieve uitvoering van de grondwerken mag
aanvangen voordat hij de benodigde kabel- en leidinginformatie
van de KLB’s heeft ontvangen (zie ook bespreking hierboven met
betrekking tot artikel 2 van het wijzigingsdecreet).
Dat principe wordt momenteel reeds uitdrukkelijk vermeld in
de memorie van toelichting bij de oorspronkelijke tekst van het
decreet. Het is inderdaad voor elke planaanvrager, ongeacht het
moment van de planaanvraag, verboden om grondwerken uit te
voeren zonder een volledig overzicht van alle aanwezige kabels
en leidingen te hebben. Voor de duidelijkheid wordt dat beginsel
nu ook uitdrukkelijk in de tekst van het decreet zelf opgenomen
door de toevoeging van een nieuwe paragraaf aan artikel 11. De
opname van de expliciete regel biedt het onmiskenbare voordeel
dat er voor geen van de betrokken partijen nog onduidelijkheid
kan bestaan. Met name moet duidelijk zijn dat het niet voldoende
is dat er een planaanvraag is ingediend of dat de principiële
antwoordtermijn van de KLB’s verstreken is, om de grondwerken te
mogen aanvangen. De procedure van de planaanvraag eindigt immers
niet op dat moment, maar pas als alle informatie verkregen is.
Artikel 4
Uit een aanpassing en aanvulling van diverse artikelen van het
KLIP-decreet vloeit bovendien de noodzaak voort om de
strafbepalingen uit artikel 17 van het KLIP-decreet hierop af te
stemmen.
In de eerste plaats wordt verduidelijkt dat de strafsanctie uit
het bestaande punt 3° slechts zal gelden indien de planaanvraag,
in de specifieke uitzonderlijke situatie bedoeld in artikel 8,
tweede lid, niet gebeurt uiterlijk voorafgaand aan de werken.
Het bestaande punt 3° van artikel 17 wordt aldus gewijzigd.
Tot slot wordt de nieuwe verplichting uit de tweede paragraaf
van artikel 11, om de werken pas aan te vangen nadat alle
informatie ontvangen is, tevens onderworpen aan het reeds
bestaande handhavingsregime. Ter zake wordt aan artikel 17 een
nieuw punt 3°bis toegevoegd.
Artikel 5
Om alle betrokken actoren de mogelijkheid te geven zich aan te
passen aan de gewijzigde regels, is het noodzakelijk om een
datum van inwerkingtreding te bepalen die enige tijd ligt na de
datum van bekendmaking van dit wijzigend decreet.
Koen VAN DEN HEUVEL
Ward KENNES
Griet SMAERS
Kris VAN DIJCK
Jan PEUMANS
Peter VANVELTHOVEN
VOORSTEL VAN DECREET
Artikel 1. Dit decreet regelt een gewest- en
gemeenschapsaangelegenheid.
Art. 2. In artikel 8 van het KLIP-decreet van 14 maart 2008
worden de volgende wijzigingenaangebracht:
1° tussen het eerste en het tweede lid wordt een lid ingevoegd,
dat luidt als volgt:
“In zoverre de uitvoerder van de grondwerken minder dan twintig
werkdagen voor de geplande aanvangsdatum van de grondwerken
kennis heeft gekregen van die aanvangsdatum, geldt de termijn
van twintig werkdagen, bedoeld in het eerste lid, niet maar moet
de planaanvraag wel zo snel mogelijk geschieden nadat de
uitvoerder van de grondwerken kennis heeft gekregen van de
geplande aanvangsdatum van de uit te voeren grondwerken en
uiterlijk vóór de geplande aanvang van de grondwerken.”;
2° in het bestaande tweede lid, dat het derde lid wordt, worden
de woorden “deze verplichting” vervangen door de woorden “de
verplichting tot het indienen van een planaanvraag”.
Art. 3. In artikel 11 van hetzelfde decreet worden de volgende
wijzigingen aangebracht:
1° in de bestaande tekst, die paragraaf 1 zal worden, worden in
het eerste lid de woorden “vijf werkdagen vóór de geplande
aanvang van de grondwerken” vervangen door de woorden “vijftien
werkdagen na de dag van het indienen van de planaanvraag”;
2° er wordt een paragraaf 2 toegevoegd, die luidt als volgt:
“§2. Elke persoon die overeenkomstig dit decreet een
planaanvraag moet indienen, mag slechts een aanvang nemen met de
uitvoering van de desbetreffende grondwerken nadat hij in
antwoord op zijn planaanvraag de in paragraaf 1 bedoelde
informatie ontvangen heeft.”.
Art. 4. In artikel 17 van hetzelfde decreet worden de volgende
wijzigingen aangebracht:
1° punt 3° wordt vervangen door wat volgt:
“3° elke persoon die volgens dit decreet een planaanvraag moet
indienen en die deze niet indient, niet tijdig heeft ingediend,
of, in het geval bedoeld in artikel 8, tweede lid, niet
uiterlijk vóór de geplande aanvang van de grondwerken, heeft
ingediend;”;
2° er wordt een punt 3°bis toegevoegd, dat luidt als volgt:
“3° bis elke persoon die volgens dit decreet een planaanvraag
moet indienen en die de verplichting uit artikel 11, §2
miskent;”.
Art. 5. Dit decreet treedt in werking op de eerste dag van de
maand die volgt op het verstrijken van een termijn van tien
dagen, die ingaat op de dag na de bekendmaking ervan in het
Belgisch Staatsblad.
Koen VAN DEN HEUVEL
Ward KENNES
Griet SMAERS
Kris VAN DIJCK
Jan PEUMANS
Peter VANVELTHOVEN
|