Home

Biografie

Vlaams Parlement

Puurs

In de pers

Nieuwsbrief

 Contact

Linken

 


 

Koen Van den Heuvel
  Plenaire vergadering (actuele vragen/interpellaties en tussenkomsten)
  Actualiteitsdebat over de mogelijke gedeeltelijke overname van de federale staatsschuld door Vlaanderen en de nota van het Planbureau betreffende de budgettaire gevolgen van een nieuwe staatshervorming

30 maart 2011

De voorzitter:
De heer Van den Heuvel heeft het woord.
 
De heer Koen Van den Heuvel:
Voorzitter, minister-president, minister, collega’s, ik ben een beetje verwonderd over de grote verwondering die er heerst over het zogenaamde creatieve ideetje van minister Muyters of Vlaanderen kan deelnemen aan de totale federale schuld. Ik wil de creativiteit van de minister van Financiën niet onderschatten, maar het is absoluut geen creatief idee. (Opmerkingen van de heer Van Hauthem)

Het staat in de Octopusnota, mijnheer Van Hauthem, en zelfs in de Vlaamse resoluties van 1999, die jullie niet hebben goedgekeurd. In die resoluties staat dat de deelgebieden de positieve en negatieve gevolgen van de renteschommelingen op de overheidsschuld mee kunnen dragen. Er is dus weinig nieuws onder de zon.

Laten we komen tot de basisvraag van het debat: is Vlaanderen bereid om bij te dragen aan de houdbaarheid, aan een goede stabilisatie van de totale federale overheidsfinanciën? De CD&V-fractie antwoordt daarop heel duidelijk ja, maar niet op om het even welke manier. We moeten krachtig, realistisch en rationeel genoeg zijn om het juiste kader te vinden en de juiste voorwaarden te formuleren.

Een eerste grote voorwaarde is: als er een bijdrage wordt gevraagd van Vlaanderen, dan kan dat enkel en alleen als er een grote fiscale autonomie is, als er voldoende fiscale capaciteit bij de regio’s heerst. Anders hoeven we niet te denken over bijdragen vanuit Vlaanderen voor de houdbaarheid van de totale financiën. Dan pas kunnen we daarover praten. Dat is ook normaal, want de fiscale capaciteit op het federale niveau vermindert en dus is het normaal dat de regio’s een bijdrage leveren.

Een tweede voorwaarde is gelijkwaardigheid tussen de regio’s. Wij hebben de voorbije jaren ons huiswerk gedaan. In 2011 hebben we een begroting in evenwicht, de andere regio’s niet. Het is heel duidelijk voor onze fractie dat er gelijkwaardigheid is tussen de regio’s. Het kan niet zijn dat het gewest dat zijn huiswerk en rekeningen al op orde heeft, tweemaal betaalt.

Een derde voorwaarde die we willen formuleren, is dat het niet op een kortzichtige wijze mag gebeuren, niet met een visie op korte termijn, en ook niet blindelings lineair. Daarom vind ik het van tweede orde of het nu om 90, 85 of 80 procent gaat. Voor mij is dat irrelevant. Dat zijn cijfers die passen in een kortzichtige, lineaire discussie, die enkel voor de korte termijn geldt en waaraan wij niet willen meedoen.

Wij zien wel een uitweg als we op lange termijn willen denken, op een structurele manier. Op die manier kan Vlaanderen wel een bijdrage leveren tot een houdbaarheid van de globale overheidsfinanciën. En dan zijn er twee zaken. Ten eerste: een bijdrage tot de vergrijzingskosten. Daar valt over te praten. Daar bestaan ideeën rond. We moeten dat allemaal nog bekijken, maar er kan over gepraat worden dat de regio’s een grotere bijdrage leveren in de pensioenen van hun overheidsambtenaren, weliswaar in het juiste kader, namelijk dat er ook inspraak is over hoe de pensioenen van die ambtenaren gaan evolueren.

Een tweede pad van structurele bijdragen is een eventuele deelname in de overheidsschuld. Daar zijn een aantal voordelen aan verbonden. Macro-economisch zijn daar positieve gevolgen aan verbonden: het draagt bij tot een grotere macro-economische stabiliteit, er is een grotere responsabilisering voor de regio’s en elk niveau, ook voor de regio’s in het zuiden van het land, we kunnen ook een beter anticyclisch beleid voeren en onze investeringen op een meer optimale manier financieren.

Er zijn dus heel wat positieve zaken over te vertellen, maar de grote voorwaarde blijft natuurlijk dat de regio’s over voldoende fiscale capaciteit beschikken. Als we die weg zouden opgaan, schrijven we ons trouwens in in de traditie van Australië en Canada, waar de regio’s meer dan 40 procent van de totale overheidsschuld dragen. In Duitsland is dat meer dan 30 procent. Op dat vlak moeten we dus ook het warm water niet uitvinden.

Het is natuurlijk de vraag hoe we dat gaan doen. We moeten dat niet snelsnel doen via een formele schuldensplitsing. Er zijn andere ideeën, zoals een schuldagentschap, waar cobeheer is van de regio’s, waar ook de financiële markten gerustgesteld worden en de schuldtitels en de intrestafbetalingen niet allemaal door elkaar geschud worden. Een schuldagentschap is daarin voor ons de juiste weg om te volgen.

Voorzitter, collega’s, wij willen bijdragen tot de houdbaarheid van de globale federale overheidsfinanciën, zij het niet op om het even welke manier, maar enkel en alleen op een duidelijke en structurele manier. Ik wil iedereen dan ook oproepen om die irrelevante, statische, immobiele discussie van 80 of 90 procent achterwege te laten en duidelijk te ijveren voor een nieuw systeem, waar Vlaanderen volle bevoegdheden krijgt, ook inzake fiscale autonomie. (Applaus bij de meerderheid)

 
 
 
 

 

2010 Koen Van den Heuvel