|
Vlaanderen achterop voor
wetenschap en techniek
(De Standaard - 2 mei 2011)
Bijna 90
procent van de jongeren hebben belangstelling voor wetenschap en
technologie, en amper 20 procent kiest ervoor in het hoger
onderwijs. Voor het eerst willen onderwijs, wetenschapswereld én
bedrijfsleven samen één plan maken om daar verandering in te
brengen. Nederland is het gidsland.
In de EU
kiezen gemiddeld 24 procent van de jongeren voor een
wetenschappelijke of technologische richting in het hoger
onderwijs. In de toplanden is dat zelfs 30 procent met als
uitschieter Zwitserland (32 procent). In Vlaanderen kiest amper
20 procent van de jongeren voor een dergelijke opleiding en
daarmee zitten we in de staart.
Maar in
Nederland was de situatie nog erger. Was. Dat land haalde tien
jaar geleden amper 16 procent. Het zette daarom een
geïntegreerde campagne op met het Platform Bèta-Techniek. Die
bundelde alle inspanningen, van alle sectoren, scholen en
regio's in één gestroomlijnde campagne die jarenlang werd
volgehouden en die middelbare scholen, die hun leerlingen tot
betere keuzes brachten, ook financieel beloonde.
En het werkte.
Ze noteerden een stijging tot 20 procent. In Vlaanderen zijn
afgelopen jaren al tientallen korte en losse campagnes gevoerd,
door bedrijfstakken of opleidingen, maar ze flopten allemaal.
Veel initiatiefnemers laten ontmoedigd de armen hangen.
De slimsten
hebben intussen begrepen dat een geïntegreerde volgehouden en
gezamenlijk gedragen aanpak wel kan werken. Ze leerden dit in
Nederland. Parlementslid Koen Van den Heuvel (CD&V)
bijvoorbeeld, die ontdekte hoe de economische ontwikkeling van
de streek rond Eindhoven ('Brainport') voor een deel stoelt op
het succes van het Platform Bèta Techniek.
De voltallige
commissie Onderwijs in het Vlaams Parlement ontdekte dit later
ook. . De commissie vroeg een advies aan de Vlaamse
Onderwijsraad (Vlor) en de Vlaamse Raad voor Wetenschap en
Innovatie (VRWI). Die leverden zopas allebei een sterk en
gelijklopend advies af.
Ook de
onderwijsraad erkent volmondig dat er te weinig jongeren voor
technologische en wetenschappelijke studies kiezen. Dat is
nieuw. Vroeger durfde die raad zich amper uit te spreken om geen
ruzie uit te lokken met andere studierichtingen. Ook de witte
sector wil bijvoorbeeld extra jongeren aantrekken.
Professor
Harry Martens, voormalig rector van de UHasselt, die de
werkgroep daarover leidde stelt dat 87 procent van de jongeren
is aangetrokken door wetenschap en techniek en maar 20 procent
er zijn studiekeuze van maakt.'
Het beleid
miste tot nu 'coherentie, continuïteit, opvolging en
slagkracht', zo luidt de Vlor-diagnose. Er is dringend een
'integraal beleid' nodig waarachter alle onderwijs- en
kennisinstellingen, bedrijfstakken en de overheid zich scharen,
luidt het zowel bij Vlor als bij VRWI die alle twee pleiten voor
een platform dat, zoals in Nederland, een campagneplan opstelt,
stuurt en uitvoert.
Danielle
Raspoet (VRWI): 'Verschillende landen zijn intussen met zo'n
plan gestart. Als Vlaanderen bij de top wil horen, moet het snel
handelen.'
'Wetenschap en
technologie zijn de drijvende kracht achter vooruitgang', vult
Harry Martens aan. 'De arbeidsmarkt kent grote tekorten; onze
welvaart wordt nadrukkelijk afgeremd door het ontbreken van
personeel. De Lissabondoelstelling die stelt dat 3 procent van
het bbp gespendeerd moet worden aan wetenschappelijk onderzoek
en innovatie, zal nooit lukken als niet meer jongeren voor deze
richtingen kiezen.'
De tekorten
zitten niet alleen in het hoger onderwijs. Ook in het middelbaar
onderwijs. Daar zijn minder duidelijke cijfers beschikbaar, maar
eenieder ziet en voelt de tekorten aan vaklui.
Mia
Douterlungne (Vlor): 'Ook het volwassenenonderwijs mag niet
vergeten worden om de tekorten op alle niveaus aan te pakken.
Ook op latere leeftijd kun je nog talenten ontwikkelen. En de
basis moet gelegd worden in het basisonderwijs. Daarvoor liggen
de bouwstenen al klaar. De afgelopen jaren is TOS21 uitgewerkt:
een aanpak om technologie aan te brengen in het basisonderwijs.
Dat is uitgetest in twintig scholen en moet nu uitgerold
worden.'
Is er geld
nodig? Vlor en VRWI maken dezelfde berekening. In Nederland kost
het plan zo'n zestig miljoen per jaar. Voor Vlaanderen moet dat
dus kunnen voor twintig miljoen per jaar. Overheid en
bedrijfsleven moeten dat leveren.'
Er is één
geschilpunt tussen Vlor en VRWI: die laatste kiest, zoals in
Nederland, voor financiële aanmoedigingen voor scholen die
resultaten boeken; de Vlor is terughoudend daarover. |